een winter lang
heb ik het landschap
een winter lang
in zijn vermoeidheid gelezen
eindelijk heeft zij
het zwart afgelegd
zich in bruin verheven
om in vol uitgevouwen zon
me te verhalen dat zij
bereid is tot geven
een winter lang
heb ik het landschap
een winter lang
in zijn vermoeidheid gelezen
eindelijk heeft zij
het zwart afgelegd
zich in bruin verheven
om in vol uitgevouwen zon
me te verhalen dat zij
bereid is tot geven
in mijn alleen zijner schreeuwt
geen eenzaamheid
in mijn alleen zijn
omdat ik
me omgeven weet
door leven
dat met boeiende beelden
hoofd en hart behaagt
schelpen rapenwanneer de zee
in haar oplichtend verhaal
het blanke zand verschept
en teruglegt
gaan wij
schelpen rapen
om onze bestemming
te verdagen
waar wij
ons vastklampen
aan souvenirs
om niet te vergaan
schrikt schemer wegdaar waar
de zee
blauwgroen
het strand op spoelt
schrikt schemer weg
ga ik
met wijdopen ogen
in het beweeglijke spelen
waar wezenlijke kleuren
me ruimte en vrijheid tonen
weg van de wereld
als pluizige sluier

bewonderenswaardig
hoe ze leegte
met leven merken
als pluizige sluier
hun geelwolkende rijpheid
omhoog laten kringelen
zelfs in hun moment
het zomergroen toelaten
te verwerkelijken
te jong
hoe kon ik verhopen
dat ik met mijn
heen en weer lopen
haar slaapwiegend
bij mij kon houden
zo de tijd rekken
om nog even alleen
met haar gelukkig te wezen
wanneer de illusie
toch wordt weggehaald
breekt fragmenteneen onvolmaaktheid
in de tijd
laat zich niet verstoren
zelfs niet door dromen
strekt zich uit
tot een blinde vlek
breekt fragmenten
vertekent en overdrijft
verloochent in verwarring
het leven
om duistere plannen
verder in te weven
gebaar jij
in voorjaarswinden
gebaar jij
hoe ik mij
gezwind moet bewegen
vrij ademhalen
tussen datgene
wat het leven
tekent
die liefde voedt
hemels
wanneer je zoete lach
met zintuigen speelt
me vleugelstil
laat verdrinken
in de nectar
die liefde voedt
ziel met ziel
verbindt
wanneer de zon deuren opengooithet muffe
dat een winter lang
de sfeer heeft beheerst
kruipt schurftig
in de stenen
wanneer de zon
deuren opengooit
en een fris subtiele geur
kleuraccenten legt
in ’t nog gesluierd licht
waarbij sereniteit en sensualiteit
zich verenigen
tot een fascinerend spel
dat eindelijk
zijn vrije loop kent
te zwaar ademend
te zwaar ademend
in de veel te enge ruimte
blijkt de waarde van het tijd zijn
volledig dicht geslipt
tot er wordt gedregd
naar de hartenklop van leven
schuimbekkend bewustzijn
zichzelf weerlegt
binnen handbereikin de rimpeling
van het spiegelend water
ontdek ik
dat mijn verhaal
zich binnen
handbereik bevindt
met één enkel gebaar
kan laten verdrinken
tot een warrige spikkel
in aard van bewustzijn
hun schuchter bewegen
lijkt om warmte
te smeken
om eindelijk
in aard van bewustzijn
met bloei te gaan dwepen
weten hoe
welgemaakt gaaf
met vlinders kan spelen
troebel kolkende dromenregen striemt
de dag
naar de nacht
terug naar
troebel
kolkende dromen
waar we in
donkere gedachten
verdrinken
laat ik mij verzinken
daar waar
de stilte wordt gekleurd
door de klanken
van een schuimdansende branding
die als een teerwit bewegen
terugkeren naar de einder
waar magie alles overstijgt
laat ik mezelf verzinken
niks kan ons nog rakenzonder jou
zonder vandaag
had ik nooit geweten
wat intimiteit delen
betekent
niks kan ons nog raken
het verleden
doet er niet meer toe
het enige wat nog telt
is samen lente weten
genegenheiduit de troebele stroom
heeft het zich
als zeldzaam mooi ontplooid
bloesemend bewustzijn
bekoort mijn innerlijke
zo diep
dat er zelfs meer
dan sympathie
ontspringt
een samen verdergaan
terwijl de groet
me warmte
toezwaait
ontdek ik
dat die weelde
veel te snel voorbij gaat
voel ik mij genoopt
me aan het overkomen
met een babbel vast te klampen
zodat er geen begin en einde
maar een samen
verdergaan bestaat
na winters loslaten
al zucht de akker zich
warm wakker
in de modder
toch is het wachten
tot hij zich uittrekt
in pril groen
om te weten dat hij
in verder aankleden
bloeiend zal opstaan