deltavliegen
al noemde
men mij
een gestoorde malloot
wanneer ik
de aarde van boven
wou bekijken
in het spectaculaire
voluit
horizonten verkennen
wist ik
oneindig rijk
mijn gelijk
deltavliegenal noemde
men mij
een gestoorde malloot
wanneer ik
de aarde van boven
wou bekijken
in het spectaculaire
voluit
horizonten verkennen
wist ik
oneindig rijk
mijn gelijk
haar gevoel dichtbijze wil
opstandig blijven
niet toegeven
aan verliefdheid
daarom wacht ze
omhelsd door eigen armen
tot teerhartigheid
voorbij ijlt
levens uit elkaar worden gedwongen
al werpen hoge bomen
beschermende schaduwen
over hen die zich
laten begoochelen
door dromen
toch is de mens bang
de grens te overschrijden
omdat het emotionele
terzelvertijd inzicht geeft
over hun werkelijkheid
levens uit elkaar
worden gedwongen
wanneer het bewustzijn
van de aarde
in beweging komt
laat die donkere dagen
heeft het nut
steeds terug te keren
naar datgene
wat vroeger speelde
wanneer eerder
enkel maar
naar droef zijn
en eenzaamheid verwijst
laat die donkere dagen
en waag het ontwaken
waar leven
doodgewoon ademhaalt
tot ik dromend wegzink
bij nog slechts
een handvol licht
adem ik
haar uitgestrektheid
gaand en kerend mee
blijf ijl en onbeweeglijk
hangen in haar kringen
tot ik dromend wegzink
niemand me
ooit nog weet
een winter lang
heb ik het landschap
een winter lang
in zijn vermoeidheid gelezen
eindelijk heeft zij
het zwart afgelegd
zich in bruin verheven
om in vol uitgevouwen zon
me te verhalen dat zij
bereid is tot geven
in mijn alleen zijner schreeuwt
geen eenzaamheid
in mijn alleen zijn
omdat ik
me omgeven weet
door leven
dat met boeiende beelden
hoofd en hart behaagt
schelpen rapenwanneer de zee
in haar oplichtend verhaal
het blanke zand verschept
en teruglegt
gaan wij
schelpen rapen
om onze bestemming
te verdagen
waar wij
ons vastklampen
aan souvenirs
om niet te vergaan
schrikt schemer wegdaar waar
de zee
blauwgroen
het strand op spoelt
schrikt schemer weg
ga ik
met wijdopen ogen
in het beweeglijke spelen
waar wezenlijke kleuren
me ruimte en vrijheid tonen
weg van de wereld
als pluizige sluier

bewonderenswaardig
hoe ze leegte
met leven merken
als pluizige sluier
hun geelwolkende rijpheid
omhoog laten kringelen
zelfs in hun moment
het zomergroen toelaten
te verwerkelijken
te jong
hoe kon ik verhopen
dat ik met mijn
heen en weer lopen
haar slaapwiegend
bij mij kon houden
zo de tijd rekken
om nog even alleen
met haar gelukkig te wezen
wanneer de illusie
toch wordt weggehaald
breekt fragmenteneen onvolmaaktheid
in de tijd
laat zich niet verstoren
zelfs niet door dromen
strekt zich uit
tot een blinde vlek
breekt fragmenten
vertekent en overdrijft
verloochent in verwarring
het leven
om duistere plannen
verder in te weven
gebaar jij
in voorjaarswinden
gebaar jij
hoe ik mij
gezwind moet bewegen
vrij ademhalen
tussen datgene
wat het leven
tekent
die liefde voedt
hemels
wanneer je zoete lach
met zintuigen speelt
me vleugelstil
laat verdrinken
in de nectar
die liefde voedt
ziel met ziel
verbindt
wanneer de zon deuren opengooithet muffe
dat een winter lang
de sfeer heeft beheerst
kruipt schurftig
in de stenen
wanneer de zon
deuren opengooit
en een fris subtiele geur
kleuraccenten legt
in ’t nog gesluierd licht
waarbij sereniteit en sensualiteit
zich verenigen
tot een fascinerend spel
dat eindelijk
zijn vrije loop kent
te zwaar ademend
te zwaar ademend
in de veel te enge ruimte
blijkt de waarde van het tijd zijn
volledig dicht geslipt
tot er wordt gedregd
naar de hartenklop van leven
schuimbekkend bewustzijn
zichzelf weerlegt
binnen handbereikin de rimpeling
van het spiegelend water
ontdek ik
dat mijn verhaal
zich binnen
handbereik bevindt
met één enkel gebaar
kan laten verdrinken
tot een warrige spikkel
in aard van bewustzijn
hun schuchter bewegen
lijkt om warmte
te smeken
om eindelijk
in aard van bewustzijn
met bloei te gaan dwepen
weten hoe
welgemaakt gaaf
met vlinders kan spelen
troebel kolkende dromenregen striemt
de dag
naar de nacht
terug naar
troebel
kolkende dromen
waar we in
donkere gedachten
verdrinken