samen
lang uitgestrekt
naast het beleefde
lig ik stil te verlangen
naar handen
die me rondtastend zoeken
om geborgenheid te geven
wanneer de nacht
ons donker
onderdompelt
samen
lang uitgestrekt
naast het beleefde
lig ik stil te verlangen
naar handen
die me rondtastend zoeken
om geborgenheid te geven
wanneer de nacht
ons donker
onderdompelt
na de hel de hemel
zie hoe zij zich
in eindeloze deining
wenden en keren
naar vrijheid
tot het web
dat hen in grijze
mijmering vasthoudt
losscheurt
als lichte wolkenvlucht
na de hel
hun hemel
gaan ontdekken
wanneer ik verder kijk
tussenin waarheid en werkelijkheid
des duivels
om bij elke ademstoot
in de spots van bestaan
lichtheid mee te dragen
tot ik voorbij
de drukte raak
met kleur op mijn wangen
tussenin
waarheid en werkelijkheid
rustig ga zitten
de knotwilg

hoe fel
spreekt de wilg
lente
wanneer hij zelfs
na ’t snoeien
zijn groei laat zien
door ’t jonge gebroed
dat in zijn knoest
neerstrijkt
ploeterende gedachtengang

adem mijn kreten
neem me teder
laat me innemende
geborgenheid weten
zacht ogend kijken
naar de storm van leven
in de weelde van ‘t minnen
mezelf terugvinden
gelukkig wezen
elke veertiende
van de tweede maand
blijf ik
in verkenning van mezelf
even voor de spiegel stilstaan
om daarna
ondanks het ontdekken
van een rimpeltje meer
volmaakt gelukkig
verder te gaan
met nu te leven
en hoe
tussen fantasie en werkelijkheid

toen ik
bij de aanblik
van uitgestrektheid
op de stilte stootte
ging ik ergens
tussen fantasie en werkelijkheid
mijn kijk
op de wereld herzien
in zichzelf

In hun kennen
van aarde
en hemel
staan ze
in zichzelf reeds
groot te wezen
nog voor het
bloesemende
wit
hen naar
welig sappige
volmaaktheid draagt
komen er nieuwe dagen


in de volheid van zomers leven
toen zij tijdens herfst
dor en broos wegkwijnden
dacht ik
de wereld donker
wist ik veel
dat verborgen in de schaduw
kracht diepgeworteld
zijn tijd wachtte
om in volheid
van zomers leven ons
in een telkens anders beleven
zijn eindeloze rijkdom te geven
verbloemd

de zachtheid
van warm verlangen
zit zo diep
verbloemd
in haar hart
dat het nooit
de dag zal vinden
oorsprong

nu reeds ligt oorsprong
diep onder de aarde
in zichzelf besloten
zwaar te ademen
omdat er weldra leven
schoorvoetend traag
als gebarsten ziel
uit vergetelheid zal kiemen
tussen hemel en aarde
in uitdagend groen
tot sterk gewortelde bloem
zal voortbewegen
in feeërieke schijn

het grillige dat
zwarte schaduwen
tegen de grijze lucht tekent
lokt de avond
in de hoop
dat het licht van de maan
met wolkjes koude adem
de hemel openbreekt
omdat het liever
in feeërieke schijn
het nabije
wil opwachten
morgen

dwarrelen ze licht
zuiver winterse betekenis
op d'aarde neer
dan nog
zal er morgen
lente wezen
met kleur op de wangen
het bleke stille
van mezelf
deed me
mijn ogen sluiten
lichaam
aan dromen
weggeven
tot ik het
ging doorzien
en ze wegrilde
zelf ging beslissen
om verder te slapen
of met kleur op de wangen
op te staan
schitterende helderheden
vertel hen overdag
tot ik ze
aan de hemel zie
als onvervalste magie
besef dat
schitterende helderheden
uitdrukking geven
aan verheven gedachten
zelfs al wordt
tijd en ruimte
in zijn wijdheid
vaag gehouden
gedeeltelijke zonsverduisteringnadat zon en maan
in elkaars
warme omarming
me urenlang
meenamen
tussen de wolken
kwam ik veel te snel
in de luminatie
van de dag terug
realiteit
een kouder gegeven
dan de droombeelden
waartusen ik zweefde
1 reactie op dit bericht
Samen
en kan ik niet zonder verlangen
zonder soms tasten naar samen