het vege
sluipt narrig
over ’t wezen heen
klaagt met
gejaagde adem
het drukke neer
laat slechts los
wanneer men
om hondsdagen weent

het vege
sluipt narrig
over ’t wezen heen
klaagt met
gejaagde adem
het drukke neer
laat slechts los
wanneer men
om hondsdagen weent

nachtwezend
het door licht
en schaduw
bespiedt gezicht
met uitgelezen
zwijgzaam zwarte lippen
wanneer het zich
samen met de maan
ver van ’t leven
spiegelt in kristal
gebarend water
schouderdichtstil water
weerspiegelt haar
eenzaamheid
tot ze het wegrimpelt
in nieuwe aanschijn
een weerkaatsing
schouderdicht
achter zich ziet staan
zo fijn te leven
in de schaduw
van wie
men liefheeft
de zon
tussen werkelijkheid en magie
liefdesspel
heksenkring
vreemd ademhalen
ik reik
naar het licht
dat boven mij drijft
begeef me spiegelend
tussen de banen
van beleven
vreemd ademhalen
wanneer alles om me heen
zich ijl uitbreidt
als enige het zie sneeuwen
terwijl zomer
volop heerst
in zijn verder waaien
dieprode weelde

wanneer jij
je dieprode
weelde opent
wil ik zelfs
in mijn haast
je lezen als teder
die mijn zomer
een mooie
bijklank geeft
een rijkgevulde dis
als energie stroomt
te lang en teveel
heeft ze geleefd
in der hoofd
zo weinig
vanuit de schoot
tot ze de kracht
van zachtheid ontdekte
overgaf aan de lichtheid
die zich diep
in haar verspreidde
ervan genoot
wezenlijk te zijn
het zilverzachte van de maan
de huiverende sterren
die mijn hemel scherven
bedenkelijke wind
welke mistroostig
zwenkt met verlies
over de zovele donkere
bomen getemperd in groei
doen me verlangen
naar het zilverzachte
van de maan
om de einder in volle
alwezigheid te zien
met lange lijnen
opgetild en verder gedragen
door warme handen
met verwachting
tot haar hart
dorst naar
zijn armen
hij haar
met lange lijnen
teder meeneemt
in een dans
zo de moeite waard
erin te bewegen

gestadig blind
voor volle klaarheid
blijven ze
tussen onwetendheid
zwaar hangen
tot ze licht
durven gaan reizen
zichzelf gaan zien
tussen ’t groene bestaan
van leven
als stille zee
verbondenheid
wanneer regen

hoe hard ik ook tracht
onzegbaar
blijkt licht
en zomerwarmte
wanneer regen
net spetterend geschrei
me herfstig
gebied te kijken
hoe schaduwen
kwetsbaar
in donkere
plassen vallen

Wanneer ’t rijzend licht
het aardzijn als
een gouden gloed verspreidt
het werkelijk naaktzijn
zo compleet volmaakt
zonder schaduw doorvorst
besef ik het al-ziel vormende
zo fel dat ik mijn tranen
in de hartslag van leven verberg
morgenbalsem