gestadig blind
voor volle klaarheid
blijven ze
tussen onwetendheid
zwaar hangen
tot ze licht
durven gaan reizen
zichzelf gaan zien
tussen ’t groene bestaan
van leven

gestadig blind
voor volle klaarheid
blijven ze
tussen onwetendheid
zwaar hangen
tot ze licht
durven gaan reizen
zichzelf gaan zien
tussen ’t groene bestaan
van leven
als stille zee
verbondenheid
wanneer regen

hoe hard ik ook tracht
onzegbaar
blijkt licht
en zomerwarmte
wanneer regen
net spetterend geschrei
me herfstig
gebied te kijken
hoe schaduwen
kwetsbaar
in donkere
plassen vallen

Wanneer ’t rijzend licht
het aardzijn als
een gouden gloed verspreidt
het werkelijk naaktzijn
zo compleet volmaakt
zonder schaduw doorvorst
besef ik het al-ziel vormende
zo fel dat ik mijn tranen
in de hartslag van leven verberg
morgenbalsem
tussen dag en nacht van bestaan
met volle overgave
waarom heb ik
je niet gevraagd
om trager te gaan
toen ik je haastig
haastiger
gehaast
de ene drempel
na de andere
zag nemen
om zo snel mogelijk
je toekomst
veilig te stellen
in plaats van tussen
de eenvoud van dingen
met volle overgave te leven
morbide werkelijkheid
wanneer in tussentijden
men verwachting
doodzwijgt
meesmuilt
morbide werkelijkheid
in datgene
wat eigenlijk
nog nooit is geweest
zovele maskerskan men zichzelf
uit angst
herwinnen
wanneer je
in eigen ogen
durft kijken
of zal men
bij het zien
van zovele maskers
de blik afwenden
voor je in leegte
kunt staren
klaar
om het onbewuste
te ontmoeten
vol twijfel aan kracht

er overvallen me
geen schaduwen meer
van vlinderend bewegen
enkel doodse verstarring
van stramme stammen
vol twijfel aan kracht
die me
zo zeer bedrukt
dat ik erin berust
in vervloeiende schemerzone
tussen slapen en waken
wil ik schuchtere
dromen creëren
ze tussen de sterren hangen
om ze te laten
schitteren en glanzen
zodat in vervloeiende schemerzone
de eigenlijke ziel van mijn wereld
zich eindelijk vereeuwigd
alwetend ziende
verdiepen wil ik mij in jou
elke bevallige wending
van je glimmend lijf
zinnenstrelend in mij opnemen
je geur herkennen wanneer
ik baad in ondeugd
me voeden met de gloed
van bliksemende ogen
zodat ik geen nood
heb aan warmte
wanneer de nacht
mijn dag opvolgt
alwetend ziende
met de ogen dicht
me rijk
aan jou overgeef
hoe werkelijk mooi ze was
als deel van het geheel

het naar boven klimmen
om spelenderwijs
halsreikend
de weg te kunnen volgen
van ’t water onder ons
om even later vanop de grond
een vogelvlucht
in volle zachtheid van veren
proberen vast te houden
voor ze achter de horizon verdwijnt
doet ons beseffen
dat wij gelijk waar
onze eigen plaats
innemen
als deel van het geheel
alleen sterven
zwak schijnsel strooit
kwistig met eenzaamheid
wanneer ze
uit sluimer ontwaakt
enkel klokkengelui
over haar hoort bidden
het raakt haar dat zij
die tot het einde
de wereld lief heeft
moet sterven zonder iemand
die haar voeten wast
haar zal kammen
ontaard
verstoken van licht
nog voor ze
in witte wade
wordt gewikkeld
en in het graf gelegd
waar licht breekt

Ik dek het toe
met ongevoeligheid
waar licht op breekt
zodat het woelt en wentelt
om zichzelf
tot het vervaagt
los van wezen
in een nieuw bewegen
me wakker schrijf
verdonkeremaan

als diepe duisterschaduwen
van een bos vol stille bomen
verdonkermaan meedraagt
waar zelfs nachtvogels
niet overheen komen
omdat de kronkel
van leeg overheerst
waarom wil je dat ik verderga
op zoek naar allerwegen
als zelfs mijn zuchten
worden uitgewist
laat me toch
de tijd verdromen
langsheen die weg
vol klaprozen
de pure kracht van realiteit
verlangenin dromen
krijt verlangen
een donkere hemel
glanzend
strepen passie
kleuren leven
als een mooie reis
de nacht zacht
met een maan
die liefde
in een uitstalraam
plaatst