De rede
De rede
Net zoals de andere bekende slagwoorden van de Verlichting, vrijheid, gelijkheid en solidariteit, is ook de rede een begrip dat we voortdurend gebruiken en inroepen, maar waarvan de definitie niet gemakkelijk te formuleren is. Dat is vervelend, want de rede is precies wat we inderdaad voortdurend gebruiken en inroepen als het middel om tot de waarheid te komen, en om onwaarheden te ontmaskeren.
De rede is wat de mens onderscheidt van de dieren, luidt het. Dan gaat men ervan uit dat elke mens een redelijk wezen is. Aan de andere kant is men het erover eens dat niet iedereen even redelijk is: het is een eigenschap of een vermogen dat, zoals vele andere, in erg verschillende mate aanwezig is in de mensen. Bovendien blijkt eenzelfde persoon niet altijd en in alle omstandigheden even redelijk te zijn.
Kortom, het is een kapstokwoord, iedereen kan er zijn jas aan ophangen. Een containerbegrip waarin zowel nuttige als verdachte goederen verscholen kunnen zijn.
De rede of de ratio wordt nochtans alom geroemd als het middel bij uitstek om correct te redeneren. Maar hoe weet je dat je juist redeneert? Zijn daar objectieve regels voor, waarover iedereen het eens is? Want we redeneren allemaal, de hele dag door, en toch verschillen we voortdurend grondig met elkaar van mening.
Als we met de rede op zoek gaan naar uitspraken of stellingen die ongetwijfeld waar zijn, stellen we vast dat die niet voor de hand liggen. Laten we beginnen met een voorbeeld. De oorzaak komt altijd voor het gevolg. Dat zal wel niemand betwisten, het is evident. Maar waarom? Het is niet zomaar omdat we vastgesteld hebben dat dit meestal, of tot nog toe al altijd het geval is geweest, want een inductieve redenering is niet sluitend: je kan geen definitieve wetmatigheden vastleggen aan de hand van voorbeelden alleen, want het is in principe altijd mogelijk dat er een voorbeeld komt van het tegendeel. Het klassieke voorbeeld daarvan is de zwaan. Men dacht vroeger dat alle zwanen wit waren, tot men op een dag een zwarte zwaan zag. Maar in ons voorbeeld van oorzaak en gevolg is dat ‘onmogelijk’. Waarom? Omdat alleen al uit de definitie van de gebruikte termen blijkt dat de stelling altijd en overal geldt. Een gevolg ‘volgt’ op een oorzaak; als iets voorafgaat aan iets anders, kan het geen gevolg zijn.
We moeten overigens uitkijken met wat we inductief en deductief redeneren noemen. Zo kunnen we inductief stellen dat de zon in het oosten opkomt, omdat ze altijd al in het oosten is opgekomen. Maar we kunnen evengoed, of met nog meer stelligheid uit onze kennis van de kosmologie (deductief) afleiden dat vanuit ons standpunt de zon enkel in het oosten kan opkomen en dat ook zal doen als er niets verandert aan de samenstelling van ons zonnestelsel.
Een ander voorbeeld: de regel van drieën. Dat is een ezelsbruggetje in de wiskunde, waarbij je in drie stappen vanuit een bekend gegeven een onbekend gegeven kan ontdekken. Een werkman werkt 40 uur per week en verdient daarvoor 1.200 € (eerste stap). Hoeveel verdient hij op 60 uur? Eerst reken je uit hoeveel hij voor één uur verdient: 1.200 : 40 = 30 (tweede stap). Dan vermenigvuldig je gewoon: 30 x 60 = 1.800 (derde stap). Het kan ook anders: je zet de drie bekende getallen in een rij, namelijk 40 - 1.200 - 60 en dan vermenigvuldig je het tweede met het derde en deel je het resultaat door het eerste: 1200 x 60 = 72.000; 72.000 : 40 = 1.800. Dan zie je dat 60 zich verhoudt tot 1.800 zoals 40 tot 1.200. Dat is veel evidenter met de reeks 1 – 2 – 3. Het is evident dat 2 x 3 : 1 gelijk is aan zes. Als je die regel toepast om een vierde getal te vinden dat zich verhoudt tot het derde zoals het tweede tot het eerste, dan blijkt dat bij het narekenen steeds te kloppen. We baseren ons voor onze zekerheid evenwel niet op dat narekenen, maar op het inzicht dat het wel zo moet zijn: het getal dat zich verhoudt tot 3 zoals 1 tot 2 is evident 6. We zijn zeker dat als we de verhouding tussen twee getallen toepassen op een derde getal, het vierde evident het resultaat moet zijn van de bewerking die we maken bij de reeks 1 – 2 – 3. En om het ons gemakkelijk te maken, onthouden we ofwel de regel van drie (het tweede getal delen door het eerste en het resultaat vermenigvuldigen met het derde, dus 2 : 1 = 2 en 2 x 3 = 6); ofwel het tweede getal vermenigvuldigen met het derde en het resultaat delen door het eerste, dus 2 x 3 = 6 en 6 : 1 = 6) (Spinoza, E2p40s2). Euclides (VII, 19) formuleerde het nog anders: a : b = c: d als en alleen als a x d = b x c, of 1 : 2 = 3 : 6 als 1 x 6 = 2 x 3.
Hoe dan ook zal de regel die we ‘ontdekt’ hebben een juist resultaat opleveren, omdat we zonder al te veel moeite ingezien hebben dat het principe van de verhouding van getallen nu eenmaal zo is. De ezelsbruggetjes laten ons toe de regel zonder erover na te denken toe te passen op elke willekeurige cijferreeks en elk concreet geval waarin we een proportionele redenering moeten maken, zoals bij de berekening van het loon van een werkman, of de verkoop van goederen. De grond van onze zekerheid is dus niet (zozeer) het juiste resultaat van elke nieuwe berekening, maar de beredeneerde zekerheid die we hebben dat het toepassen van onze ezelsbruggetjes altijd juist zal zijn, omdat ons basisinzicht correct is.
We hebben met andere woorden ingezien dat het niet anders kan. Dat brengt ons bij een andere manier van correct redeneren, namelijk het bewijs uit het ongerijmde, in het Latijn de reductio ad absurdum, of de redenering ex absurdo. Die redenering gebruikt men vaak als het niet om getallen of algebraïsche formules gaat, waarbij men mathematisch de juistheid kan aantonen; daarom wordt het ook een indirect bewijs genoemd. De redenering berust op het principe van de uitgesloten derde: het moet gaan over een geval waarin er slechts twee mogelijkheden zijn, die aan elkaar tegengesteld zijn. Als aan die voorwaarde voldaan is, kan men stellen dat een stelling juist is omdat het tegendeel ervan absurd is. Bijvoorbeeld: het geheel is altijd groter dan een deel daarvan. Dat is zo, omdat het absurd is te stellen dat een deel groter is dan het geheel waarvan het een deel is. Nog een voorbeeld: de som van even getallen is een even getal, omdat het absurd is dat je door optelling van even getallen tot een oneven getal zou kunnen komen.
Deze redenering gebruikt men ook in meer filosofische uitspraken. Zo kunnen we stellen dat het leven van een mens waardevol is en dat het dient beschermd te worden, want het zou inderdaad absurd zijn het tegendeel te beweren. Men formuleert deze redenering ook wel als: iedereen is het erover eens dat, of: niemand zal wel betwijfelen dat… Men gaat ervan uit dat een stelling evident waar is, en niet zomaar omdat ze logisch is: dat een mensenleven waardevol is niet zozeer een logische uitspraak, maar ze berust veeleer op het waardeoordeel dat wij vellen over een mensenleven. Maar welke waarden dan? De rede moet ons leiden naar die waarden die voor iedereen herkenbaar en aanvaardbaar zijn, en die de kern van ons menszijn raken. ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet gij dat ook een ander niet!’ Of zoals Kant het formuleerde: handel alleen volgens de maximes waarvan men tegelijkertijd kan willen dat ze een universele wet worden; of: behandel zelf, of via anderen, de mensheid nooit slechts als middel maar tegelijkertijd altijd als doel.
Redeneren is dus niet altijd zomaar het logisch nadenken waarbij we correcte conclusies trekken op grond van betrouwbare informatie. Dat betekent dat mensen over heel veel onderwerpen van mening zullen verschillen, zelfs als ze logisch nadenken op grond van de juiste informatie. Veel zal immers afhangen van de waarden die een persoon vooropstelt of juist negeert. Zo heeft het neokapitalisme even hardnekkige voorstanders als tegenstanders, zonder dat men absoluut kan stellen wat de juiste opvatting is. Toch zullen maar weinig personen van oordeel zijn dat een dictatuur een goede staatsvorm is (behalve de dictators zelf, natuurlijk); daarvoor zijn er immers zowel krachtige principiële redenen als overtuigende argumenten op basis van de geschiedenis.
De rede of de ratio blijft dus moeilijk om nauwkeurig te definiëren. Misschien is het gemakkelijker om uit te maken wat de rede niet is, wat strijdig is met de rede? Wanneer iemand zich laat leiden door andere dan redelijke argumenten valt dat inderdaad meteen op.
Dat is vooral het geval bij gezagsargumenten. Iets is waar, of verplicht, of verboden omdat iemand zegt dat het zo is, en over voldoende gezag beschikt, of beweert te beschikken, om het af te dwingen. Maar dan hebben we het domein van het redeneren verlaten: nicht räsonieren! Waar het gezag heerst, vervalt de rede: niet alleen in het leger, maar zeker ook in de Kerk. Door het redeneren te vervangen door de blinde gehoorzaamheid aan het autoritaire gezag, al dan niet onder het mom van het geloof, maakt men gebruik van verbaal en psychisch geweld, met op de achtergrond de steeds aanwezige bedreiging met fysiek geweld.
Ook erg emotionele uitspraken, of handelingen die in een opwelling van hevige gevoelens gesteld worden, of beslissingen die onnadenkend genomen worden, of stellingnames die klaarblijkelijk ongegrond aangekleefd worden, bestempelt men geredelijk als ‘onredelijk’. Waarom is men enthousiast fan van een bepaald sportteam, en niet van een ander? Waarom wordt men verliefd op iemand? Waarom is men vooringenomen tegen bepaalde personen, bijvoorbeeld met een andere huidskleur, of van een ander geslacht, of met een andere seksuele geaardheid? Waarom volhardt men in slechte gewoonten, zoals roken, (te veel) alcohol drinken, ongezond eten, te weinig bewegen? Al in de klassieke oudheid wist men het: vaak weten we wat goed is, maar doen we toch wat verkeerd is, zoals Euripides’ Medea, die haar eigen kinderen vermoordde toen haar man haar verliet voor een koningsdochter. Ook indien we niet zelf tot de conclusie gekomen zijn, zijn er voldoende anderen die redelijke argumenten aanbrengen die ons zouden moeten overtuigen dat we ‘niet goed bezig zijn’.
Toch voelen we aan dat redelijkheid niet helemaal losstaat van onze emoties, en dat gevoelens niet noodzakelijk strijdig zijn met de rede. Onlangs nog is hier in de omgeving een man verdronken toen hij spelende kinderen, die in een vijver terechtgekomen waren, te hulp snelde. Wat gebiedt de redelijkheid in een dergelijk geval? Is dat iets anders dan onze spontane, emotionele reactie? De rede is geen formele logica, geen koele afweging van voor en tegen. Ze houdt rekening met alle aspecten van ons menszijn. Er is immers in de mens geen specifiek orgaan voor de rede, noch voor de emoties. Het is, in tegenstelling tot wat de volksmond zegt, niet zo dat de emoties zich in het hart bevinden, en de rede in het hoofd. Het is evenmin zo dat le cœur a ses raisons que la raison ne connait point. Dat citaat uit de Pensées van Pascal gaat trouwens specifiek over de godskennis: volgens hem is het niet de rede die God kent, maar het hart, wat hij daarmee ook moge bedoelen.
Onze mentale activiteit gebeurt inderdaad met heel ons lichaam, en daarbij spelen onze hersenen de belangrijkste rol, en ons hart een weliswaar noodzakelijke, maar veeleer een ondersteunende. Het hart kan blijven kloppen wanneer iemand hersendood is, maar zonder werkende hersenen is er geen mentale activiteit mogelijk. Onze emoties zijn mentale activiteiten net zoals ons denken. Met ‘de rede’ bedoelen we alle individuele mentale activiteiten, dus denken én voelen, die gekenmerkt zijn door een zekere evenwichtige interne samenhang, en die niet onderling tegenstrijdig zijn, noch afwijken van wat algemeen als zinvol ervaren wordt.
Met dat laatste raken we een cruciaal aspect aan van de rede: het gaat niet uitsluitend of specifiek om wat een individuele persoon denkt en redelijk vindt, want dat kan inderdaad alle kanten uitgaan, zoals ten overvloede blijkt uit de geschiedenis. Door zelf na te denken kunnen we wel degelijk tot redelijkheid komen, en dat is zelfs een noodzakelijke voorwaarde: enkel door zelf na te denken zijn we redelijke wezens, niet door onnadenkend ideeën van anderen over te nemen of door ons te laten beïnvloeden door indoctrinatie, propaganda, sluwe overtuigingsmethoden en de macht van de alomtegenwoordige media. Sapere aude! Maar een mens alleen kan niet alles weten, noch alles zelf bedenken. Wij moeten daarom te rade gaan bij onze medemensen en nagaan of onze gedachten overeenstemmen met wat zij denken, en welke andere gedachten zij erop nahouden. Dat is noodzakelijk als toetsing: il se peut que, même ayant raison, on a tort contre tout le monde (Mirabeau). En ook ter verrijking: wij leren zowat alles van anderen. Een beschaving bestaat uit de gemeenschappelijke kennis, in de meest ruime zin van het woord, van de mensen die ertoe behoren, en vooral uit de geaccumuleerde opgeslagen kennis en wetenschap, die vooral in het onderwijs wordt ontsloten en doorgegeven, maar waartoe wij allen een leven lang toegang hebben, zeker met de huidige technologische middelen. Hoe breder en hoe dieper onze vertrouwdheid met die beschaving is, hoe meer kans wij hebben om door zelf na te denken tot redelijkheid te komen, en hoe kleiner het risico is dat wij ons ondanks onze eigen inspanningen toch zouden vergissen.
Een ander essentieel aspect van de rede is de toetsing aan de werkelijkheid. Het volstaat niet dat we zorgvuldig nadenken en met onze medemensen overleggen. We kunnen ons immers nog altijd gezamenlijk vergissen. Daarom is het noodzakelijk dat we de resultaten van ons denken en ons overleg voortdurend evalueren door terug te koppelen aan de werkelijkheid. Enkel wanneer er een goede overeenkomst is tussen onze ideeën en de realiteit, kunnen we met enige zekerheid stellen dat we werkelijk rationeel te werk gegaan zijn. Denk bijvoorbeeld aan het onderscheid tussen bacteriële en virale infecties; het lijkt evident dat antibiotica niet werken tegen griep, een virale infectie. Het zou echter getuigen van enige wetenschappelijke overmoed om daarover geen praktijktesten te doen. In dezelfde context en in een parallelle redenering lijkt het even evident dat bidden niet helpt tegen een ernstige ziekte. Toch heeft men ook dat ernstig onderzocht en met dubbelblindproeven getest, met hetzelfde negatieve resultaat tot gevolg.
Na-denken is niet zozeer denken na iets anders, bijvoorbeeld na het spontane handelen. Het gaat veeleer over aandachtig, zorgvuldig, nauwkeurig denken, zoals in de combinaties nalezen, naspeuren, nazien, nachecken, nagaan, nakijken, napluizen, naslaan, natellen, natrekken, narekenen, navlooien, navorsen, nazoeken.
Dat wil echter geenszins zeggen dat de rede altijd een bewerkelijke bedoening is, een lastige, omslachtige taak, en enkel weggelegd voor geleerden en filosofen, die er een heel leven over doen om zelfs maar een begin te maken met redelijke denken of rationaliteit. Het is integendeel verbazingwekkend hoe spontaan wij erin slagen om redelijk te denken en te handelen, en redelijkheid of onredelijkheid meteen te herkennen. Er is zoiets als intuïtief inzicht, waarbij wij zonder enige moeite inzien dat een bepaalde conclusie goed fout is, of plots een oplossing bedenken waaraan nog niemand gedacht heeft. Ons gemoed is wel degelijk in staat om, ook zonder dat wij ons daarvan goed bewust zijn, allerlei gegevens te combineren en de ware toedracht van iets te doorgronden, bijvoorbeeld in een aha-erlebnis. Maar het hoeft niet eens zo spectaculair te zijn: terwijl je deze tekst leest, begrijp je (hopelijk!) waarover het gaat, gewoon door je ogen vluchtig over de lettertekens te laten glijden. Ook dat is de rede.
Door het begrip ‘rede, rationaliteit’ van naderbij te bekijken, ontdekken we dat een eenduidige definitie niet voorhanden is, en dat we dus verscheidene aspecten ervan onder de ogen moeten zien. Zeker is dat het gaat om de eigen mentale activiteit van de hele mens, die beantwoordt aan elementaire normen van intrinsieke zinvolheid. Het is ook duidelijk dat het een beschavingsverschijnsel is, waarbij we voortbouwen op de resultaten van het nadenken van anderen, zowel uit het verleden als uit onze ruime omgeving. Daarnaast is enkel de rede in staat om ons inzicht te verschaffen in wat de fundamentele waarden zijn die wij moeten nastreven. Ten slotte is het een eigenschap die elke mens heeft, maar die we slechts door intens en weloverwogen gebruik kunnen laten openbloeien. De uiteindelijke beoordeling van de redelijkheid van een persoon zal echter vooral blijken uit wat men doet, en wat men niet doet.

