Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld vanaf 60
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Een ware Jood?

Natanaël: een ware Jood in wie geen bedrog is?

Veel van onze gevleugelde woorden komen rechtstreeks uit de Bijbel. Dat is nauwelijks verwonderlijk als we bedenken hoe die Bijbel het leven van talloze mensen blijvend getekend heeft. Eeuwenlang waren de Bijbelse verhalen, de Gewijde geschiedenis de enige literatuur die ze tijdens hun leven te horen kregen.

Een van de gezegdes is: ecce vere Israelita, in quo dolus non est. Dat wordt weleens gezegd om iemand te prijzen om diens eerlijkheid, oprechtheid, de afwezigheid van elke kwade bedoeling of arglist. Niet zelden gebeurt dat in een overlijdensbericht, een in memoriam, in obituaria en grafredes: de mortuis nil nisi bene, spreek over de doden geen kwaad.

Het citaat komt uit het Johannesevangelie 1:47. Dit is de context:

43Toen Jezus de volgende dag naar Galilea wilde vertrekken, trof Hij Filippus aan en zei tot hem: “Volg Mij.”  44Deze Filippus was van Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.  45Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.”  46Natanaël smaalde: “Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen?” Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.”  47Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: “Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!”  48Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.”  49Toen zei Natanaël tot Hem: “Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.”  50Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.”  51En Hij voegde er aan toe: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.”  

De ruimere context is de roeping van de apostelen. Het begint als een fait divers: Jezus komt een man tegen, Filippus genaamd, en zegt hem gewoon: volg mij. Blijkbaar deed Filippus dat, zoals de vorige geroepenen, en verbleef hij enige tijd in Jezus’ gezelschap, maar dat wordt hier niet vermeld; dat was voor hem nochtans voldoende om ervan overtuigd te raken dat Jezus een heel bijzondere persoon was, niemand minder dan de Messias, de Gezalfde, voorzegd door Mozes zelf in de Wet, en door de profeten. Want dat is wat Filippus vervolgens zegt aan Natanaël, kennelijk een vriend of dorpsgenoot die hij ontmoet. Die Natanaël is niet meteen overtuigd, en zegt smalend: Jezus van Nazareth is de Messias? Dat zal! Wat voor goeds kan er uit die uithoek van Galilea komen? Filippus overhaalt hem toch om Jezus te gaan opzoeken. En dan komt onze gevleugelde uitspraak van Jezus: Kijk, dat is waarlijk een man zonder kwaad opzet! Natanaël is verbaasd over die woorden: hoe kan Jezus dat weten zonder hem te kennen of iets over hem vernomen te hebben? Jezus antwoordt: je zat onder een vijgenboom toen Filippus jou aansprak. Natanaël is verbluft, en treedt Filippus bij in nog krachtiger bewoordingen: rabbi, meester, Zoon van God, koning van Israel. Jezus doet er nog een schepje bovenop: je bent onder de indruk van mijn kunsten? Je hebt nog niets gezien!

Het is best wel een vreemde perikoop, vind ik. Het begint al met de roeping van Filippus, die zonder aarzelen ingaat op Jezus simpel woord: volg me. Dat kan uit nieuwsgierigheid geweest zijn, maar meer komen we daarover hier niet te weten. Dan is er Jezus’ verrassende uitspraak bij het zien van de hem onbekende Natanaël: wat brengt hem ertoe die met woorden te prijzen die we nu nog gebruiken om iemands hoogste lof te zingen? Waarom noemt hij hem ‘Israëliet’? Dit is een hapax in de Evangelies, het woord komt nergens anders voor. Wat is, of was er verkeerd met Nazareth, de geboorteplaats van Jezus, behalve dat het een onooglijk gehucht was in Galilea, ver van Jeruzalem, en dat niet eens vermeld wordt in de Joodse Bijbel? Die en de vele andere vreemde elementen in dit einde van het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie hebben commentatoren van meet af aan verleid tot allerlei verklaringen en veronderstellingen.

Vooreerst is er verwarring ontstaan over het woordje ‘waarlijk’. In de originele Griekse tekst is dat alèthoos, in het Latijn vere, en dat zijn allebei bijwoorden. Al heel vroeg is dat in het Latijn het bijvoeglijk naamwoord of adjectief verus geworden, en dat verandert de betekenis aanzienlijk. Het wordt dan: ‘Ziedaar een ware Israëliet in wie geen bedrog is.’ Dat is ook de vorm waaronder de uitspraak in het Nederlands bekend is. De term ‘Israëliet’ betekent dan niet meer dan ‘Jood’, iemand zoals alle andere Joden toentertijd in die landstreken; er had evengoed kunnen staan: ‘mens’. Maar omdat Jezus hier uitzonderlijk die specifieke term gebruikt, is men gaan zoeken naar een bijzondere reden daarvoor. Natanaël zou dan geen persoon zijn die zich onderscheidt van sommige anderen doordat hij niet arglistig of bedrieglijk is, zoals mensen nu eenmaal soms wel zijn, maar veeleer doordat hij een Jood is, en Joden nooit bedriegers zijn: een ware Jood, komma, in wie geen bedrog is; in tegenstelling tot ‘een ware Jood in wie geen bedrog is’, zonder komma, waarbij er ook onder de Joden bedriegers zijn. Wanneer we vandaag over iemand zeggen dat hij een ware Jood is, in wie geen bedrog is, gebruiken we de eerste betekenis, die stelt dat Joden geen bedriegers zijn. Als we immers zouden veronderstellen dat er ook bedriegers zijn onder de Joden, kunnen we maar beter die term weglaten, en zeggen: dat is een waarachtige mens, in wie geen bedrog is.

Door het bijwoord ‘waarlijk’ te veranderen in het adjectief ‘waar, ware’, veranderen we niet alleen de oorspronkelijke betekenis, maar komen we serieus in de problemen bij het verklaren van de tekst: ofwel kan men ons verdenken van antisemitisme, omdat we van Natanaël zeggen dat hij —uitzonderlijk! — geen bedrieger was, terwijl Joden dat gewoonlijk wel zijn; ofwel van een onterecht filosemitisme, waarbij we zouden beweren dat ware Joden, of alle Joden zonder bedrog zijn, alsof iemand slechts een ‘ware Jood ‘ is als die zonder bedrog is.

De hele context wijst erop dat we hier niet te maken hebben met een historisch verslag over ware gebeurtenissen aan het begin van Jezus’ openbare leven, maar met een gebrekkig fictief verhaal over de roeping van enkele van de eerste volgelingen van Jezus van Nazareth, de traditionele Twaalf Apostelen. Filippus wordt in de synoptische Evangeliën slechts eenmaal vermeld, namelijk in de lijst van de twaalf; bij Johannes komt hij behalve in onze perikoop ook nog voor bij de broodvermenigvuldiging (Joh. 6:5-7), als boodschapper (12:20-22) en bij het Laatste Avondmaal (14:8-9), maar nooit met enige rol van betekenis. De eerste volgeling kennen we niet eens van naam, de tweede blijkt Andreas te zijn, en die spreekt zijn broer Simon aan, en die krijgt bij zijn eerste ontmoeting met Jezus al meteen te horen dat hij ‘de rots’ zal heten (Kefas, Petrus); bij Matteus (16:18) voegt hij eraan toe dat hij ‘op die rots zijn Kerk zal bouwen’. Dat is evident een latere toevoeging uit de tijd dat er al een Kerk was, en Petrus daarvan de (of een) leider was. Andreas speelt in het Evangelie evenmin enige rol van betekenis.

Al de magische elementen in deze perikoop lijken veeleer goedkope fabeltjes die Jezus’ bovennatuurlijke macht, zijn goddelijkheid en zijn statuut van Gezalfde (Messias, Christus) moeten bewijzen, en die uit latere tijden afkomstig zijn.

Laten we besluiten. Zoals wel vaker is het nog steeds gebruikte gevleugeld woord over de ware Israëliet in wie geen bedrog is, weliswaar afkomstig uit het Evangelie, maar is het tekstueel onnauwkeurig en tevens compleet uit zijn context gerukt. Bovendien is het in zijn context onderdeel van een verwarde, duidelijk twijfelachtige passage die enkel bij Johannes voorkomt, en helemaal geen uitspraak over de al dan niet betrouwbaarheid van Joden in het algemeen. Veeleer dan iemands bijbelvastheid, laat staan exegetische kennis te bewijzen, wijst het gebruik van deze uitdrukking vandaag veeleer op enige algemene culturele belezenheid, zonder overigens veel betekenisvols bij te dragen aan wat men met die uitdrukking over iemand zegt. Vandaag iemand anders dan een Jood een ware Israëliet noemen is op zich al riskant; elke verdere uitleg over bedrog is in die context om moeilijkheden vragen.

In een tijd van toenemende vermenging van culturen in onze samenleving zijn westerlingen weleens geneigd om zich te beroepen op hun eigenheid, en dan komt de joods-christelijke traditie onvermijdelijk ter sprake. Uit het bovenstaande blijkt dat we dat argument maar beter met enige voorzichtigheid en vooral met voldoende kennis van zaken hanteren.

 

Stuur door

Het heilige & het taboe, Herman De Dijn

Herman De Dijn, Het heilige & het taboe. De herontdekking van het rooms-katholicisme, Antwerpen: Otheo Books, 2026, 255 blz., hardcover, € 25,99.

Wat moet een atheïst als ik met een boek als dit? Vooreerst ken ik de auteur, Herman De Dijn, sinds onze studententijd aan de Leuvense universiteit, en werkten we nadien allebei ons hele actieve leven aan diezelfde universiteit, hij als hoogleraar, ik in de administratie en het beheer; bovendien hebben we allebei Spinoza bestudeerd en over hem gepubliceerd; en ten slotte zijn we sinds kort zelfs buren. Ook in onze andere publicaties hebben we ons voortdurend over dezelfde aangelegenheden uitgesproken. Maar daar houdt elke gelijkenis dan ook op. Herman is overtuigd en wervend katholiek, ik overtuigd atheïst. Ik ben het dan ook met niets van wat hij in dit boek beweert ook maar enigszins eens. Zoals hij zelf herhaaldelijk expliciet schrijft, zijn onze opvattingen fundamenteel onverzoenbaar. Dat vind ik doodjammer. Want over de allerdiepste grond van de zaak kan men het nooit oneens zijn: ‘waar het om gaat’ (het meest gebruikte cliché in het boek) is het geluk van de mensen in de samenleving.

De diepe, fundamentele, ja onverzoenbare verschillen gaan dus over de middelen. Voor De Dijn en het rooms-katholieke christendom bestaat er een bovennatuurlijke drie-ene God, naast nog andere bovennatuurlijke wezens (engelen, duivels, heiligen) en heilige zaken. Het is een complex en tot in de details door de eeuwen heen grondig uitgewerkt systeem, dat grote invloed heeft uitgeoefend in deze wereld, en dat op vele plaatsen nog doet. Zowel Herman als ikzelf zijn daarin opgevoed, maar ikzelf heb nooit geloofd. Herman wel, en hij is dat geloof trouw gebleven tot op zijn huidige gezegende hoge leeftijd. Dat respecteer ik vanzelfsprekend, maar dat verhindert niet dat ik meen dat hij zich ofwel volkomen vergist, ofwel bewust ad captandum vulgus spreekt en schrijft. Met dat laatste bedoel ik de vele filosofen, theologen, schrijvers en kunstenaars die zich als priester of leek tot het christelijk geloof bekend hebben en hun vaak indrukwekkende kennis en kunde ten dienste gesteld hebben van de Kerken, maar wier geloof niet altijd even ongetwijfeld of onbetwijfelbaar was als ze lieten uitschijnen; vaak was dat omdat hun aanzien, welstand en macht onlosmakelijk met hun trouw aan dat geloof en de Kerk verbonden was. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Welk van beide alternatieven op Herman De Dijn van toepassing is, zullen we wellicht nooit weten, en het doet er ook niet echt toe, behalve voor hemzelf. Zijn vergissing is in beide gevallen dezelfde, hoewel ze erger zou zijn in het tweede geval.

Waarin bestaat nu onze onverenigbaarheid (veeleer dan onverzoenbaarheid, die wederzijdse verdraagzaamheid lijkt uit te sluiten)? De auteur heeft het voortdurend over niet-materiële aspecten van het bestaan, het ‘reëel-symbolische’, de ‘niet-natuurlijke door symbolen vorm gegeven realiteit’ (18). Daar scheiden onze wegen. Ik ben een naturalist, materialist, monist: voor mij is er slechts één werkelijkheid, en die is materieel. De mens benadert het universum met alle menselijke capaciteiten, en duidt het in complexe gedachten en vertolkt die in benaderende bewoordingen. Godsdiensten menen dat ze om de werkelijkheid te verklaren een beroep moeten doen op een zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en op een wereldlijke hiërarchische organisatie om die geopenbaarde verklaring te verwoorden en andere mensen tot geloof in en eredienst aan het bovennatuurlijke te brengen. Ze menen dat het goddelijke rechtstreeks almachtig alomvattend ingrijpt in de wereld, al kennen ze de mens noodgedwongen maar schoorvoetend enige autonomie toe, zij het dan uitsluitend om het evident kwade te doen, en ook wat zij zelf daarnaast als het kwade bestempelen. Het christendom gelooft dat God mens is geworden in de historische persoon Jezus van Nazareth, die door zijn kruisdood de zondige mensheid met God verzoend heeft.

Ik heb dat toch wel erg onwaarschijnlijke en eindeloos verder uitgewerkte en aangedikte verhaal nooit kunnen geloven. Van kindsbeen af aan zag ik in dat het niet echt waar was, maar echt een verhaal, helemaal verzonnen door mensen. Herman De Dijn denkt daarover helemaal anders. Hij verdedigt uit alle macht die zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en al de verbijsterende theologische en liturgische consequenties die de christelijke Kerken sinds hun ontstaan in de loop der eeuwen eraan verbonden hebben. Hij beweert bij hoog en bij laag dat de mensheid alleen daardoor kan gered worden, niet alleen met het oog op de wederopstanding na het laatste oordeel, maar ook van alle onheil in onze moderne wereld.

Wat Herman De Dijn hier debiteert, terwijl hij onverveerd Paulus’ gladius Fidei hanteert, is consequent conservatief, wat op zich geen schande is; maar het is veel meer dan dat, het is agressief aartsconservatief, op het rabiaat fundamentalistische af. Dat brengt hem ertoe om niet alleen al wat niet-godsdienstig is misprijzend af te wijzen en ongenadig te veroordelen, zonder ook maar één ogenblik blijk te geven enige kennis van, laat staan waardering voor eventuele valabele tegenargumenten, of om die bewust te verzwijgen, verblind door het eigen nochtans pijnlijk onwaarschijnlijke grote gelijk, maar ook om elke inhoudelijke of vormelijke evolutie binnen de Kerken, ook de katholieke als ketters af te doen. Met verdedigers als deze heeft de godsdienst en de Kerk voorwaar geen vijanden meer vandoen.

Onze auteur ziet zelfs hoopvolle tekenen voor een revival, zoals de ondertitel van zijn boek aangeeft, al geeft hij toe dat dat niet zozeer in West-Europa merkbaar is. Dat beweren zou ook heel moeilijk zijn: de secularisering is hier doorgedrongen tot in de kerkelijke ideologie en structuren zelf, en de ontkerkelijking is massaal en onomkeerbaar. Zijn stem is dan ook die van een eenzaam roepende in de woestijn, die compromisloos een compleet ongeloofwaardige — veeleer dan een ‘ongelooflijke’ — boodschap predikt, een kwalijk relict van een voorbije illusie zonder toekomst, getuigend van een hopeloos gefrustreerde aftandse geloofsovertuiging, die overigens nooit aanspraak kon maken op veel echte bijval, van een heilloos puritanisme, een fanatiek uitdagend traditionalisme, en een verwijtend nostalgisch pessimisme, dat bovendien schaamteloos en onvergeeflijk stekeblind blijkt voor de onvoorstelbare misdaden waaraan kerkelijken zich schuldig gemaakt hebben en blijven schuldig maken, en dat zich maar niet kan neerleggen bij het finale debacle van een onzalige, onder het mom van een godsdienstige heilsleer gewelddadig opgedrongen wereldse machtsideologie.

Veel van wat hier naar voren gebracht wordt, kwam al uitvoerig aan bod in eerdere publicaties van zijn hand. Verwacht dus niets nieuws, behalve een nog meer wereldvreemde en geradicaliseerde, ja uitdagende en soms zelfs scheldende taal, die het boek amper leesbaar maken voor zelfs deze welwillende lezer: ik beken dat ik me wegens de ergerlijke inhoud slechts met tegenzin door de hoofdstukken en de vele eindnoten heb geworsteld. Wat de auteur ook moge beweren, van filosofisch inzicht of methode is hier geen sprake, en al evenmin van theologie; vaak heeft het meer weg van een lezing voor zeldzame gelijkgestemde reactionaire Rome-getrouwen, of een homilie op een retraite van een ultraconservatieve sekte; niet zelden zijn het zure oprispingen bij de voor hem teleurstellende gebeurtenissen en ontwikkelingen in de wereld. Ik weet niet welk doelpubliek de mij overigens onbekende uitgeverij Otheo voor ogen had, maar ik kan me nauwelijks een groep of zelfs een individu voorstellen, binnen of buiten de Kerk, dat onverdeeld gelukkig zal zijn met deze péchés de viellesse, op althans enkele van de geciteerde auteurs na, allicht.

Si tacuisset, philosophus mansisset.

Stuur door

Sofokles: Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes

Sofokles, Vier helden, Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes, Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur, Eindhoven: Damon, 2026, 350 blz., hardcover met leeslint, € 29,90.

Na de eerdere uitstekende vertaling van de drie Thebaanse tragedies rond Oidipous en Antigone (klik hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2625951) brengen Patrick Lateur en Uitgeverij Damon ons nu de vier overige bewaarde tragedies van Sofokles (496-406) in het bekende fraaie formaat dat de uitgaven van Damon kenmerkt en siert. Wat ik toen schreef blijft integraal gelden en wordt door deze nodige en bijzonder nuttige aanvulling bekrachtigd.

Het viel mij weer op dat je een zo’n tragedie op vrij korte tijd kan lezen zonder enige moeite: je blijft zonder meer geboeid door het verhaal, de dialogen en de scenische illusie die ook in deze ‘moderne’ vertaling zorgzaam bewaard blijven. Des te meer verwondert het me dat we toentertijd op school slechts moeizaam enkele verzen gelezen hebben van Homeros, en ik me weinig of niets herinner van andere Griekse auteurs, hoewel we vier tot zes uur per week Griekse les hadden, vijf jaar lang. Ook nadien heb ik deze tragedies nooit gelezen, hoewel ik toch enkele duizenden boeken gelezen heb in mijn leven. Dat is dus zonder enige twijfel de grote verdienste van de onvolprezen vertaler, Patrick Lateur, die al zoveel gedaan heeft voor de ontsluiting van de klassieke en met name de Griekse literatuur. In een tijd dat men de mond vol heeft van de verdediging van onze Westerse waarden past het dat we teruggrijpen naar de bronnen van onze beschaving, en in het besef van onze afhankelijkheid van het genie van mensen die vijfentwintig eeuwen geleden leefden, leren inzien wat precies die waarden zijn, en waarom andere, minder verheven en minder integere waarden, die ons vanuit andere tradities komen aanwaaien en zelfs bedreigen, resoluut ontkracht en afgewezen moeten worden.

Ook in deze tragedies gaat het in de eerste plaats om mensen, om hun aanvoelen, hun emoties, hun afwegingen, hun redeneringen, hun overhaaste of juist weloverwogen daden, en de gevolgen daarvan. Af en toe wordt verwezen naar goden, maar dat zijn niet meer dan pro forma literaire conventies en namen die men traditioneel geeft aan juist dat aanvoelen, die krachtige elementaire emoties, zoals liefde en haat en wrok, hoop en vrees en wanhoop en vreugde en wat die met mensen doen; en aan het wereldbestel, zoals het lot, de natuurwetten, leven en dood, ziekte, moord en vergelding.

Deze tragedies hebben hun Sitz im Leben, hun omkadering en hun herkenbaarheid in de rijke Griekse mythologie en literatuur. Het zijn als het ware commentaren, toevoegingen, parafrases, prequels en sequels op vooral de Homerische verhalencyclus, die toentertijd alom bekend was. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen hoe zelfs de kleinste allusie voldoende was om bij het publiek de juiste snaar van het collectieve geheugen te doen trillen. Als wij in onze huidige eigen cultuur zouden moeten gaan zoeken naar eenzelfde even algemeen gedeeld gedachtengoed, dan zou dat ons snel tot algehele en uitzichtloze verwarring brengen. Welke figuren, thema’s, verhalen uit onze beschavingsgeschiedenis zijn in onze veel grotere wereld alom bekend en geapprecieerd, tenzij precies die enkele uit de klassieke oudheid zoals Oidipous, Elektra, Antigone, Odysseus, Heracles, Orpheus en Erydice, Hector en Achilles? Het is niet verwonderlijk dat grote figuren uit de wereldliteratuur niet zelden naar dergelijke figuren teruggegrepen hebben als inspiratiebron voor hun eigentijdse (her)scheppingen.

Het belang van publicaties als deze kan dan ook niet overschat worden. Uitzonderlijke vertalers als Patrick Lateur, die nog bij machte zijn om op eigen kracht en met grote kennis van zaken deze teksten uit het oorspronkelijke Grieks voor een zo ruim mogelijk publiek te onthullen en te vrijwaren, kunnen niet genoeg geprezen worden om hun onverdroten inspanningen, die hun even weinig roem als gewin opbrengen, zonder dat hen dat blijkbaar ooit ontmoedigt. En een even uitzonderlijke uitgeverij als Damon verdient een ereplaats in de helaas steeds meer bedreigde, altijd al dun bezaaide rij van ernstige instellingen die zich nog bekommeren om ons gezamenlijke culturele erfgoed, en niet toegeven aan de ontstellende banaliteit van kookboeken, reisgidsen, thrillers, egotrippers en pornostrippers. Tolle, lege!

Stuur door

Goede Vrijdag 2026

attende Domine et miserere

 

ik heb gebeden

zoals me werd geheten

ze wisten zelf niet beter

of wouden het niet weten

 

holle frasen lege woorden

gepreveld zonder zin

die niemand verhoorde

als was mijn woord te min

 

ik heb gebeden en gezocht

als kind en ook later

toen bloed en rede in mij vocht

met het verlangen naar een Vader

 

het mocht niet baten

hoe ik ook smeekte en vroeg

om een woord een teken te laten

een wenk was me al genoeg

 

maar zelfs dat was mij niet vergund

ik wend me af in arren moede

van wie me geen blik waardig gunt

geen oren heeft naar mijn vrees of woede

 

ik heb gebeden en bitter geweend

me geweigerd geweten en verlaten

om niet geen genade verleend

aan mijn armzalige zelf overgelaten

 

tot ik mijn rug heb gerecht

opgestaan

het gevecht

ben aangegaan

 

er was geen Vader en geen zonde

wat men ook beweerde of beval

er was alleen de diepe wonde

de laffe leugen van de zondeval

 

bevrijd van last van eeuwen

kon ik koppig mijn eigen weg gaan

mijn diepe onschuld uitschreeuwen

geen mens kon me in de weg nog staan

 

de hemel was leeg

de aarde vervuld van belofte en pracht

was wat ik zomaar kreeg

de stralende zon in ruil voor de nacht

 

Karel D’huyvetters

Goede Vrijdag 2012

 

 

 

 

 

 

 

Stuur door

Laïcité en godsdienstvrijheid

Laïcité en godsdienstvrijheid

In 2025 werd in Frankrijk enige aandacht besteed aan het 120-jarige bestaan van de laïcité, zoals die geformuleerd werd in de befaamde wet van 1905. In Franstalig België wordt die term gebruikt voor wat in Vlaanderen veelal vrijzinnig humanisme genoemd wordt. In beide landen is er een grondwettelijke scheiding van Kerk en Staat, wat een breuk betekent met de eerdere verregaande verstrengeling van de christelijke, en vooral de katholieke godsdienst met het staatsapparaat. Die scheiding kwam tot stand door het verzet van linkse politieke partijen en niet-gelovige en agnostische intellectuelen en wetenschappers tegen het klerikalisme, de inmenging van de godsdienst in de staat, inzonderheid het onderwijs, de gezondheidszorg en de zorg voor weduwen, wezen en ouderen, de kunst en cultuur, en de morele en levensbeschouwelijke principes en hun toepassingen.

Men heeft echter een zware prijs moeten betalen voor die wettelijke scheiding van Kerk en Staat. In de wet werden namelijk de verschillende Kerken officieel erkend, en werd het aan hen toegestaan om hun activiteiten ongehinderd te ontplooien, al werd althans in Frankrijk de subsidiëring van de godsdiensten afgeschaft, met uitzondering van het onderhoud van de kerkelijke gebouwen, die eigendom van de staat werden als ze voor 1905 gebouwd waren.

Vandaag verdedigen alle Franse godsdiensten ten minste publiekelijk die wet van 1905, en ook in België zijn de Kerken best tevreden met de grondwettelijk verankerde godsdienstvrijheid. In België worden bovendien de wedden van de bedienaars van de erkende erediensten al sinds 1801 betaald door de staat; de staat subsidieert katholieke scholen, ziekenhuizen en andere caritatieve instellingen, zoals dat ook gebeurt voor de niet-confessionele, met beperkte uitzonderingen en verschillen.

Men zou dus kunnen veronderstellen dat tout est pour le mieux dans ce meilleur des mondes, maar niet iedereen is het daarmee eens. De Belgische situatie is allesbehalve een strikte scheiding van Kerk en Staat, gezien de zware subsidiëring van de godsdiensten en hun (neven)activiteiten, waarvoor iedereen, dus ook niet-gelovigen betalen, terwijl minder dan drie procent van de bevolking de wekelijkse eredienst bijwoont, slecht één op drie kinderen gedoopt wordt, minder dan een op tien huwelijken kerkelijk bekrachtigd wordt, en minder dan een op drie begrafenissen kerkelijk is. Er is dus een overgrote meerderheid in België die niet meer feitelijk kerkelijk is, en de trend van die secularisatie is stijgend.

Dat betekent dat veruit de meeste mensen niet gelovig zijn. Ze zijn dan agnostisch: ze hebben geen enkel bewijs of kennis van het bestaan van dergelijke wezens; of antiklerikaal: dan is men voorstander van de scheiding tussen Kerk en Staat, en tegen de inmenging van de Kerk in de staat; of atheïstisch, dat wil zeggen dat ze niet geloven in het bestaan van een persoonlijk bovennatuurlijk opperwezen; of anti-theïstisch: dan verzet men zich tegen het geloof in dergelijke wezens als onwaar en als schadelijk voor wie erin gelooft en voor de gemeenschap; of antigodsdienstig: dan is men niet alleen gekant tegen het geloof in dergelijke wezens, maar ook tegen individuen, organisaties en instellingen die dat geloof voorstaan en verbreiden; in feite is men dan niet tegen godsdienstigheid als dusdanig, laat staan tegen godsdienstige personen, maar tegen godsdiensten. Er zijn verschillende combinaties mogelijk: zo kan men antiklerikaal zijn zonder atheïst te zijn; of atheïst, maar niet anti-theïstisch en antigodsdienstig.

Ikzelf ben dat allemaal, overtuigd en fervent.

Daarbij wil ik evenwel met klem benadrukken dat ik even overtuigd en fervent pacifist ben. Dat betekent dat ik vooropstel dat er onder geen enkel beding geweld mag gebruikt worden om de overtuigingen die ik deel en voorsta te verspreiden en te bevorderen, of zelfs ze te verdedigen. Ik veroordeel daarom de inspanningen van het Sovjetregime, die in Albanië en onder de Khmer-rouge om de godsdienst uit te roeien in die landen, net zoals ik het geweld veroordeel waarmee godsdiensten elkaar bestreden hebben en bestrijden, en het even gruwelijke geweld waarmee ze niet-gelovigen vervolgd hebben en blijven vervolgen, evenals elke gedwongen bekering, en elke bestraffing van apostasie. Ik pleit voor een verregaande ideologische, levensbeschouwelijke en religieuze verdraagzaamheid of tolerantie, maar dat sluit niet uit dat ik mijn eigen opvattingen ter zake wil kunnen uiten, en anderen daarvan proberen te overtuigen, niet het minst door te wijzen op de flagrante onwaarheden en de manifest erg schadelijke aspecten van alle godsdienstigheid.

Er zijn dus twee betekenissen van laïcité. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat in Franstalig België die term uitsluitend en trots gebruikt wordt voor de georganiseerde vrijzinnigheid, dus voor mensen die expliciet niet gelovig zijn, en hun seculiere waarden verdedigen en uitdragen. Ze houden het niet alleen bij de zo verregaand mogelijke scheiding van Kerk en Staat, maar staan uitdrukkelijk voor een niet-confessionele levensopvatting. De godsdiensten en hun gelovigen zien in de wettelijke laïcité van de staat uitsluitend de vrijheid die ze daardoor hebben om hun godsdienst te belijden en te propageren. In ruil voor die vrijheid hebben ze afstand gedaan van hun klerikale aanspraken, en aanvaarden dat de publieke ruimte ‘neutraal’ is, maar dat laatste veeleer schoorvoetend: voortdurend proberen ze toch hun invloed te laten gelden, denk maar aan het hoofddoekendebat. De godsdiensten zijn wel voorstanders van de wet op de laïcité, om de bekende voordelen die dat voor hen oplevert, maar geen onverdeelde voorstanders van de laïcité van de samenleving; het liefst zouden ze willen dat iedereen gelovig was, zodat de ook de staat gelovig zou zijn, een theocratie, en dat is niet alleen de doelstelling van de islam.

De wetten op de scheiding van Kerk en Staat zijn er niet gekomen door de godsdiensten, wel integendeel: zij hebben die uit alle macht tegengewerkt en tegengehouden. Het zijn de niet-gelovigen en de niet-fundamentalistische, rationeel denkende gelovigen (als die er al zijn…) die de laïcité bedacht en doorgevoerd hebben, om zo toch enigszins de geüsurpeerde macht van de godsdiensten aan banden te leggen. Het is in hun strijdende traditie dat ik mij met mijn opvattingen plaats. Ik ben voorstander van godsdienstvrijheid, maar een beetje zoals de godsdiensten voorstander zijn van de wet op de laïcité: het liefst zou ik willen dat de godsdiensten hooguit een marginaal verschijnsel zouden zijn, zoals het katholicisme in België vandaag, en dat de samenleving vrij zou zijn van godsdienst: in 1905 was dat een nieuwe interpretatie van godsdienst-vrijheid, namelijk de vrijheid om geen godsdienst aan te kleven, ongehinderd en vanzelfsprekend vrij of bevrijd van godsdienst te zijn.

Imagine, no religion!

Stuur door

Gered door het geloof

Godsdienst als panacee?

Het valt me op dat er recentelijk her en der columns en opiniestukken verschijnen, van onder anderen (te)veelschrijver Rik Torfs, waarin een lans gebroken wordt voor de godsdienst als een middel tegen zowat alle kwalen van onze moderne tijd, niet het minst de beruchte burn-out die zovelen treft. De oorzaak, zo beweren althans deze en andere gelovige auteurs, is het nihilisme van onze huidige tijd. Wij hebben de godsdienst verlaten, en er is niets in de plaats gekomen. Die leegte brengt vertwijfeling mee, of ten minste onverschilligheid, banaliteit, verveling, het zwarte gat. Toen we nog met zijn allen godsdienstig waren, kwamen dergelijke beschavingsziektes niet voor. We hadden een doel om naar te streven, en die motivering gaf ons zekerheid, of toch hoop, of zelfs het geloof, dat bergen verzet.

Vreemd genoeg kijken die auteurs met danig misprijzen neer op die gelovigen van vroeger, die ze ervan betichten dat ze nauwelijks iets afwisten van hun geloof, zich wel (ongewild) lieten dopen, hun eerste en plechtige communie deden, gevormd werden, en voor de Kerk trouwden, maar zich voor de rest bitter weinig gelegen lieten aan de vele verplichtingen en verboden van de Kerk, laats staan dat ze zich zouden verdiept hebben in de meer arcane mysteries van de christelijke dogmatiek. Kijk: ofwel was iedereen vroeger diepgelovig, en waren er toen geen burn-outs, ofwel was de overgrote meerderheid slechts nominaal gelovig, en was er dus geen echte motivering, geen zekerheid, amper hoop, en zo goed als geen geloof.

Beweren dat er vroeger geen psychische problemen waren omdat iedereen gelovig was, is de waarheid wel heel erg veel geweld aandoen. Integendeel! Ontelbaar zijn de eenvoudige gelovigen die in vertwijfelde gewetensnood en diepe wanhoop terechtkwamen door de voorschriften en de leer van de Kerk ernstig en vaak letterlijk op te nemen, waardoor de innerlijke tegenspraken en de onhoudbare bovennatuurlijke aanspraken in al hun schrijnende onwaarschijnlijkheid onvermijdelijk naar voren kwamen. Het christelijke geloof is fundamenteel ongeloofwaardig, het vereist dat men afstand doet van het gezond verstand en de logica, en een sprong waagt in het ijle, om te geloven wat onmogelijk en ondenkbaar is. Voor velen werd die sprong helaas een salto mortale.

Moderne apologeten zeggen nu dat het allemaal niet zo bedoeld was, dat het om symbolen en beeldspraak gaat, en dat daarin juist de schoonheid en de kracht van de boodschap gelegen is. Dat geloven in feite een illusie is, maar wel een ‘nuttige’ illusie. Dan komt het christendom op één lijn met alle andere dergelijke illusies, godsdiensten, sekten, heilsmiddelen, verkooppraatjes, politieke programma’s, piramidespellen, wonderolie en designer drugs. God bestaat niet echt, maar als we doen alsof, komt het allemaal wel goed.

Quod non. Het ging vroeger, toen iedereen zogezegd nog geloofde, helemaal niet goed. Het gaat nu veel, ongelooflijk veel beter, en voor zoveel meer mensen, en wel inzonderheid daar waar de godsdienst zo goed als verdwenen is. Het is dan ook niet misplaatst ten minste te veronderstellen dat het ene, namelijk de spectaculaire vooruitgang van de welstand en de beschaving, alles te maken heeft met het andere, namelijk de achteruitgang van het geloof en het klerikalisme. De bewijzen liggen voor de hand, ook voor het tegenovergestelde: waar het geloof onder dwang —is er een geloof dat niet onder dwang tot stand komt en standhoudt? — aanwezig is, is de graad van beschaving altijd aanzienlijk lager, evenals de welstand. Vrijheid, gelijkheid en solidariteit, de idealen van de Verlichting die ongelovigen nastreven,  zijn afwezig in gelovige instellingen en staten. Niemand ontvlucht de vrije wereld om te gaan leven in een achterlijke staat of gemeenschap, wel andersom. Dat belet bepaalde mensen niet om vanuit hun geprivilegieerde positie in een vrij en nog nauwelijks gelovig land te pleiten voor het herstel van een vermeende gouden eeuw, toen de Kerk het voor het zeggen had, en niemand een burn-out kreeg, tenzij letterlijk, op de brandstapels van het geloof.

Het valt me telkens weer op dat die vermetele apologeten zonder uitzondering (goed tot zeer goed) betaald worden door de Kerk, dat ze hun aanzien en hun invloed te danken hebben aan hun publieke trouw aan de Kerk en haar gezag, en dat ze daarzonder ongetwijfeld stuk voor stuk zonder meer onbenullige randfiguren zouden zijn. In feite zijn zij de valse profeten voor wie in Matteüs 7, 15 gewaarschuwd wordt, ‘mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn’, overigens een beeld dat we al vinden bij Aesopus, die 600 jaar eerder leefde. Ze zijn niet bezorgd om de anderen, maar uitsluitend om hun eigen hachje, hun veilige situatie, hun ruime materiële voordelen en hoge welstand. Zij zijn de echte parasieten van onze maatschappij, die zich voeden en verrijken zonder te werken, en dan bovendien nog het lef hebben om ons de les te lezen, en ons proberen wijsmaken dat wij het helemaal verkeerd voor hebben als we onze wereld proberen uit te bouwen tot een plaats waar het voor iedereen goed is om te leven, en ons enkel bekommeren om het leven na onze dood als het om het leven van onze nakomelingen gaat.

Je moet met andere woorden al behoorlijk betoeterd zijn om je ook nog maar enigszins door dergelijke praatjes te laten misleiden. Laten we liever de passage in Matteüs 7, 15-23 ter harte nemen:

‘Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zult ge ze kennen. Plukt men soms druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, noch een zieke boom goede vruchten. Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Aan hun vruchten dus zult ge ze kennen.
   Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan? Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! ‘

Stuur door

Het christendom en de gelijkheid onder de mensen

Het christendom en de gelijkheid onder de mensen

Het is niet ongebruikelijk dat zelfs sommige onbetwijfelbaar niet-christelijke auteurs verwijzen naar het christendom als een bron van onze huidige waarden. Een typisch voorbeeld daarvan is het citeren van een passage uit Paulus’ Brief aan de Galaten: ‘Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij een persoon in Christus Jezus.’ (Gal 3, 28). Dat klinkt inderdaad heel nobel en radicaal, maar er zijn wel enkele caveats.

Vooreerst is het zo dat er geen enkel historisch bewijs is voor het bestaan van de figuur van Paulus. Hij wordt uitsluitend vermeld in christelijke teksten, zoals Frodo enkel in die van Tolkien en zijn adepten. Van wie de brieven zijn, is erg onduidelijk, en ze zijn zeker niet allemaal van dezelfde auteur. De vroegste tekst van de Galatenbrief dateert van rond het jaar 200, dus anderhalve eeuw na de vermeende ‘feiten’. Het is meer dan waarschijnlijk dat die tekst een complexe ontstaansgeschiedenis heeft gehad.

Bekijken we dan de tekst zelf.

Al meteen moet opgemerkt worden dat het citaat in zijn onmiddellijke context moet gelezen worden. Het wordt voorafgegaan door deze zinsneden: ‘Want gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed.’ Pas dan komt de tekst over Joden en heidenen &c. Het gaat dus niet om een universele uitspraak over de gelijkheid van alle mensen, maar om alle gedoopte christenen, die precies door dat doopsel gelijken zijn. Wie niet gelooft in Jezus Christus is zelfs geen kind van God!

Ik gebruikte de Willibrordvertaling van 1975, maar meer recente vertalingen wijken daarvan niet betekenisvol af. Als we dat vergelijken met de klassieke Latijnse tekst van de Neo-Vulgaat, dan valt op dat er niet staat: ‘er is geen Jood of heiden meer &c., maar ‘immers eenieder die in Christus gedoopt is… is geen Jood of Griek, is geen slaaf of vrije, is niet mannelijk en vrouwelijk’. Door te vertalen ‘er is geen Jood &c. meer’, of ‘er zijn geen Joden &c. meer’, verruimt men ongegrond de betekenis van het citaat nog verder dan al het geval was door het weglaten van de voorafgaande zinsneden. In de Griekse tekst, waarop zowel de Latijnse als de Nederlandse gebaseerd zijn, zien we dat het gaat om de (mannelijke!) ‘kinderen Gods door het geloof in Christus’. De uitdrukking ‘geen… meer’ staat niet in het Grieks, noch in het Latijn. We moeten dus veeleer lezen: ‘Jullie die in Christus gedoopt zijn, zijn bekleed met Christus. Je bent Jood noch Griek, slaaf noch vrije, noch mannelijk en vrouwelijk, want jullie zijn allen één in Christus Jezus’. Het is dus enkel het geloof dat mensen één maakt, wat ze verder ook zijn. Iedereen kan tot het geloof komen of ertoe gebracht worden, maar dat betekent nog niet dat iedereen gelijk is in alle opzichten.

Het christendom heeft een lange traditie van dat zeer selectieve gebruik van Bijbelcitaten, die vaak volledig uit hun context gerukt worden. Dat is ook hier het geval. Want waarover gaat het in deze tekst? De eerste christenen waren Joden, dat staat vast: ze vormden een van de sekten die onder de Joden bestonden in het Hellenistische syncretisme. Bij de verbreiding van de christelijke ideeën onder niet-Joden ontstond er stilaan een controverse over de Joodse rituelen en gebruiken: moesten die ook nageleefd worden door niet-Joodse bekeerlingen? Dat was wel degelijk het geval voor wie zich tot het Jodendom bekeerde. Terwijl er gedurende lange tijd veel onduidelijkheid was, en de joodse godsdienst door tal van christenen en andere bekeerlingen aangekleefd werd, waren er algauw ook twee radicale stellingen. De ene hield vol dat alle christenen, ook de niet-Joodse, alle voorschriften van de Wet moesten naleven; de andere beweerde met evenveel klem dat niet-Joden daartoe niet konden verplicht worden. Ongetwijfeld ging het dan om de meer zichtbare en drastische Joodse voorschriften, inzonderheid de verplichte (mannelijke) besnijdenis, en in mindere mate de strenge voedselwetten. Vooral de besnijdenis was een probleem, zeker bij volwassenen, bij de volkeren waar dat niet gebruikelijk was, of als barbaars beschouwd werd, zoals bij de Grieken en de Romeinen. ‘Paulus’ verdedigt hier de stelling van de nieuwe sekte, tegen die van de traditionele Joden, ongetwijfeld om zo gemakkelijker volgelingen aan te trekken. Zo kon het christendom aanspraak maken op universaliteit, terwijl het Jodendom beperkt bleef tot de Joden, op een beperkt aantal expliciete bekeringen en een wat groter aantal sympathisanten en twijfelaars na.

Het is in die context dat we ons citaat moeten lezen. Het christendom richtte zich uitdrukkelijk tot alle mensen, en niet alleen tot de Joden. Door een initiatierite, het doopsel, kon iedereen opgenomen worden in een gelovige gemeenschap die Jezus Christus als voorbeeld nam. Voor die gelovigen golden de traditionele specifieke wetten, voorschriften, rituelen en gebruiken van de Joden evident niet. Weliswaar waren er voor de christenen nieuwe gebruiken en nieuwe voorschriften, waarvan sommige verdacht veel op de oude joodse bleken te lijken.

Daaruit besluiten dat er binnen het christendom hoegenaamd geen onderscheid meer gemaakt werd tussen de mensen, is een verregaande vergissing. Het volstaat een blik te werpen op andere teksten van ‘Paulus’ en andere kerkvaders, waarin zowel over de vrouw als over slaven, ‘vreemdelingen’, kinderen, grijsaards, zondaars, homoseksuelen, andersdenkenden &c. de meest denigrerende zaken verkondigd worden. Het is ook meer dan evident dat de christelijke Kerken (in het meervoud, want er is nooit één christelijke Kerk geweest) altijd een ongemeen sterke hiërarchie gekend hebben, die elke vorm van gelijkheid ten enenmale uitsluit.

Stellen dat het christendom aan de basis ligt van de moderne gelijkheidsgedachte getuigt dan ook van een totaal gebrek aan historisch inzicht. Meer nog: in het licht van de fundamentele ongelijkheid en onverdraagzaamheid die het christendom sinds zijn aanvang en tot op de dag van vandaag kenmerkt, moet men al compleet te kwader trouw zijn om zich daaraan te wagen. Als er één instelling en één ideologie is die elke gelijkheid onder mensen principieel uitsluit, en zich altijd verzet heeft en zich nog steeds mordicus blijft verzetten tegen de idealen van de Verlichting: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, dan wel het christendom.

Stuur door

Muziek beluisteren anno 2026

Music for a while…

Zo lang als ik me kan herinneren heb ik altijd naar muziek geluisterd, zo veel mogelijk, en zo goed mogelijk. Maar nooit had ik zelfs in mijn wildste sfan-dromen (ik was een sciencefiction fan van het eerste uur) kunnen vermoeden wat me vandaag in de schoot geworpen wordt. Alle muziek die ooit opgenomen is, is nu op elk ogenblik te mijner beschikking, waar ik ook ben, en de kwaliteit van de weergave is spectaculair. Onze hoogtechnologische beschaving maakt dat mogelijk. Vooreerst is er de noodzakelijke digitalisering van oude en nieuwe muziekuitvoeringen, die toelaat die te reproduceren op steeds betere hifi afspeelapparatuur, die overigens zeer betaalbaar geworden is. Al wat je nodig hebt is een digitale muziekwinkel en audiostreamingdienst, die toegankelijk is via je PC, tablet of smartphone. Je kan luisteren via die apparaten, of het geluidssignaal doorsturen naar een hifi geluidsinstallatie naar keuze, of naar een hoofdtelefoon, of oortjes, of hoorapparaten.

Tot niet zo lang geleden was je als melomaan aangewezen op radio- en tv-uitzendingen, en op dure vinyl fonoplaten en cd’s, die bovendien veel plaats innamen bij verzamelaars. Nu krijg je voor minder dan € 15 per maand onbegrensde toegang honderd miljoen ‘tracks’ in alle mogelijke domeinen van de muziek. Streaming heeft nu al een marktaandeel van ongeveer 70 % tegenover cd’s en vinyl,  die een nichemarkt geworden zijn voor mensen die toch graag een fysiek voorwerp in handen hebben; om louter emotionele redenen, trouwens, want de muziekkwaliteit van streaming is, althans in de betaalde vorm, zelfs beter dan de beste andere muziekdragers. Streamingdiensten bieden bovendien allerlei extra diensten, zoals het opbouwen van een eigen digitale collectie, playlists, artikels over muziek en muziekapparatuur, encyclopedische gegevens over componisten, composities, artiesten, muziekgenres en -instrumenten, enzovoorts. Elke week verschijnt er een overzicht van een honderdtal nieuwe cd’s die meteen digitaal ter beschikking zijn met een simpele muisklik. Je hoeft overigens niet telkens een nieuwe keuze te maken voor de muziek die je wil horen: het programma kiest zelf muziek die lijkt op je laatste keuze, al dan niet binnen je eigen ‘bibliotheek’. Je kan ook willekeurig laten kiezen binnen een bepaald genre of een onderdeel daarvan. De mogelijkheden zijn waarlijk eindeloos, en moeiteloos, en bijna gratis. Een hemelsbreed verschil tegenover vroeger, toen muziek beluisteren, zeker voor klassieke muziek, weggelegd was voor een kapitaalkrachtige elite.

Voor melomanen zoals ik is dit werkelijk de hemel op aarde, het nec plus ultra: ik kan me niet voorstellen dat het nog beter kan. Maar dat was ook mijn aanvoelen toen de cd’s verschenen, en digitale radio… En onlangs vroeg ik me af of er ook een videostreamingdienst bestaat voor klassieke muziek, jazz en wereldmuziek en kijk: medici.tv !

Al die nieuwe technologische mogelijkheden veranderen ook het commerciële landschap. Onvermijdelijk zullen er contracten afgesloten worden tussen de artiesten, de opnamestudio’s en de streamingdiensten, dus zonder de producenten van cd’s, zowel voor live als voor opgenomen uitvoeringen. Waar vroeger de platenindustrie de markt aanstuurde,  kan heel die sector zonder meer verdwijnen door de digitalisering en automatisering. Dat maken we overigens ook mee op zowat alle gebieden, denk maar aan de banken en verzekeringsinstellingen, en de telefoonmaatschappijen, waar alles sneller, eenvoudiger en minder duur wordt, om nog te zwijgen van de wereld van de onlineverkoop. En straks verdwijnen ook de kabels uit onze straten, en krijgen we draadloos internet vanuit de ruimte.

Er zijn altijd al spectaculaire technologische vernieuwingen geweest, maar nooit zijn ze zo ingrijpend, zo universeel, en vooral zo snel na elkaar geweest. Dat we dat nog mogen meemaken nu we tachtig geworden zijn!

Stuur door

Dirk Bouts Het Laatste Avondmaal

Paul Claes, Het zoenoffer. ‘Het Laatste Avondmaal’ van Dirk Bouts, Leuven: Uitgeverij Coriarius, 2026, ISBN 9789463884150, 40 blz., 10 x 15 cm.

Het laatste avondmaal - Dieric Bouts - 1464 - 1468

Paul Claes is de literaire detective bij uitstek. Sinds enkele jaren richt zijn speurzin zich ook op beeldende kunst. Zijn scherpe analyses verpakt hij telkens in een speels verhaal. In de reeks Het goddelijk detail verschenen al zes deeltjes. Daarin behandelt hij Bruegels ‘Boerenbruiloft’, Van Eycks ‘De maagd van Autun’, Bosch’ ‘De landloper’, Rubens’ ‘Het pelsken’, Bruegels ‘Dulle Griet’ en Giorgione’s  ‘De storm’.

Het zevende deeltje ontrafelt ‘Het heilig Sacrament’ van Dirk Bouts. De schilder past een nieuw soort perspectief toe om de apostelen individueel voor te stellen. Toch is nog niemand erin geslaagd hen alle twaalf te identificeren. Claes toont aan hoe logisch Bouts hen rond de tafel schikt. In de Bijbelse zijpanelen verzoent Bouts de Joodse en christelijke traditie. Zou het kunnen dat hij zijn werk heeft ondertekend in Hebreeuwse letters?

צ ן ט ב

Paul Claes is een vruchtbaar en veelzijdig romancier, dichter, criticus, essayist, pasticheur, vertaler en bloemlezer. ‘Paul Claes is de Sherlock Holmes van de literatuurstudie.’ (Geert Buelens) ‘Claes heeft een eruditie die aan het fabelachtige grenst.’ (Jürgen Pieters)  ‘Paul Claes is met gemak de meest virtuoze schrijver van ons taalgebied.’ (Tom van Deel)

 

bestel bij Uitgeverij Coriarius:uitgeverij.coriarius@telenet.be

voor slechts € 10 (verzendkosten inbegrepen)

 

Uitgeverij Coriarius, Populierenlaan 10, C/0011, 3001 Leuven

0486 273784    bankrekening BE40 9731 6405 9063    BIC ARSPBE22  

Stuur door

Smartphone

Smartphone

Een GSM of draagbare telefoon kreeg ik pas in 1998 in handen, toen ik voor mijn werk altijd bereikbaar moest zijn. Sindsdien is er snel veel veranderd, en ik gebruik nu al jaren een smartphone, wie niet, trouwens? Ik heb sinds mensenheugenis een abonnement bij Telenet, waarbij de internetverbinding, de TV-aansluiting, het telefoongebruik en recentelijk ook mobiele data gecombineerd worden in een zogenaamd voordelig pakket. Toch ben ik altijd kritisch gebleven tegenover dat systeem: waarom betalen voor onderdelen uit het aanbod die je nooit gebruikt? Sms’en heb ik nooit gedaan, en telefoneren doe ik nog zelden sinds ik in 2006 op pensioen ging; wat is het nut dan van onbeperkt te kunnen telefoneren en sms’en? En mobiele data gebruikte ik niet, ik kom niet veel buiten. Maar de telecomproviders zijn handige lieden, natuurlijk: als je een element weglaat uit een bundel, betaal je meer voor de afzonderlijke delen. En dus blijf je betalen voor alles.

Onlangs besliste ik toch om mobiele data weg te laten, en dat leverde meteen een besparing op van ongeveer € 20 per maand. Vervolgens nam ik een afzonderlijk abonnement voor beperkt telefoneren sms’en en wat mobiele data, maar de voorziene belminuten bleken toch onvoldoende in bepaalde omstandigheden, zoals onze recente verhuizing. Dus toch maar weer onbeperkt bellen en sms’en en 5 GB mobiele data bij Telenet, een optie die € 17 per maand kost, en dat vind ik duur voor wat ik ermee doe, namelijk bijna niets.

Toen bedacht ik dat hetzelfde aanbod elders misschien wel minder duur was. Een kort onderzoek op internet bevestigde dat vermoeden, en aangezien de optie bij Telenet toch geen deel meer uitmaakte van een bundel, besloot ik die op te zeggen en scheep te gaan met een andere provider, in dit geval Hey! Financieel was dat een aanzienlijk voordeel: € 5 in plaats van € 17, voor identiek hetzelfde, dus minder dan 1/3 van de prijs, een besparing van toch € 12 per maand. Waarom zou je dat niet doen?

Die overschakeling bleek verrassend eenvoudig en snel. Binnen de 24 uur was alles geregeld via internet en kreeg ik een nieuwe simkaart in de brievenbus. Die was snel geïnstalleerd en geactiveerd, en meteen was mijn smartphone weer actief, alsof er niets gebeurd was. Ik was danig onder de indruk. Ik herinner me nog dat een telefoonaansluiting krijgen of verhuizen destijds maanden kon duren. We zijn in de loop van mijn leven van ver gekomen, en het is goed dat we ons daarvan bewust zijn. De technologische vooruitgang is spectaculair, en heeft ons leven grondig veranderd. Veel zaken zijn eenvoudiger geworden, minder lastig, en veel minder duur en dus voor meer mensen beschikbaar. De wereld is daardoor weliswaar complexer geworden, maar de meeste mensen hebben zich daaraan vrij vlot aangepast, en de bedrijven en organisaties doen ook heel wat moeite om hun aanbod klantvriendelijk te houden. Zeker, het kan altijd beter, maar het wordt ook voortdurend beter. Dat mag ook eens gezegd worden, in plaats van voortdurend te klagen dat het allemaal niet goed genoeg is. Velen van ons leven nu in veel meer comfort dan Louis XIV. Enig vooruitgangsoptimisme is dus zeker niet misplaatst.

Stuur door

Arnold Schönberg & Marie Pappenheim, Erwartung (1909)

Erwartung - Verwachting

Monodrama in één akte, op. 17

Muziek Arnold Schönberg (1909)

Libretto Marie Pappenheim (1909)

Inleiding

"Waarom schrijft u mij geen operatekst, juffrouw!" – augustus 1909: Schönberg, bracht samen met zijn familie, Alexander von Zemlinsky, Alban Berg, Anton Webern en Max Oppenheimer zijn vakantie door in Steinakirchen nabij Amstetten. In de cirkel rond Schönberg introduceerden Karl Kraus en Zemlinsky de aspirant-Weense arts Marie Pappenheim, die toen ze geneeskunde studeerde aan de Universiteit van Wenen gedichten schreef onder het pseudoniem Maria Heim en in het Neder-Oostenrijkse zomerresort door Schönberg gevraagd werd een libretto te schrijven. Pappenheim, wier gedichten in 1906 door Kraus werden gepubliceerd in de »Fackel«, was in juni 1909 gepromoveerd en had daarna een praktijk als dermatoloog, omdat ze ‘niet als dichteres door het leven wou wandelen’ Twee dagen na Schönbergs suggestie reisde ze door naar vrienden in Traunkirchen en vervaardigde binnen drie weken de tekst van het monodrama "Erwartung": "Ik schreef terwijl ik in het gras lag met potlood op een groot vel papier, had geen kopie, las wat er geschreven stond nauwelijks door."

Al tijdens de bewerking van het tekstmanuscript, dat Pappenheim hem in zijn vakantiehuis overhandigde, voegde Schönberg af en toe muzikale ideeën toe op verschillende plaatsen; de eerste minuten van de partituurschets ontstond in de korte periode tussen 27 augustus en 12 september 1909. (Later werd de hypothese geopperd dat de door voor getallenmystiek geïnteresseerde componist het opus nummer 17 hebben gekozen hebben bij de druk door Universal Edition met het oog op de zeventien-daagse ontstaansperiode.) De faire kopie van de partituur is gedateerd 4 oktober 1909. In een interview dat Marie Pappenheim in 1949 gaf, relativeerde zij de in onderzoek lang gekoesterde opvatting dat het conceptuele idee van "Verwachting" van Schönberg zou zijn gekomen: "Ik kreeg geen aanwijzing noch een opgave van wat ik moet schrijven (zou ik ook niet geaccepteerd hebben)."

De vestiging van de eenakter als een autonome genrevorm vond zijn beginpunt in het werk van August Strindberg, en werd door de Weense School overgenomen. Monodramatische aanwijzingen zijn het afzien van interacties tussen mensen en het verminderen van actiesequenties: kenmerken die in Pappenheims expressionistische drama met de hoogst mogelijke consequentie tot het uiterste doorgedacht zijn. Het ego-centreren neemt de meest radicale vorm aan in deze als het ware "lege" folie: In ‘verwachting’ van de minnaar gaat de vrouw op zoek en betreedt ze dwaalwegen op de haltes van onzekerheid – herinnering – hoop – "illusoire miskenning" (Erwin Ringel) – rationalisatie – jaloezie – verdriet – en uiteindelijk sublimatie van de man, die slechts als een dode rekwisiet fungeert. De diepgang van het bosscenario wordt de projectieruimte van angst-traumatische toestanden – duisternis, gevaar, dreiging, angst, eenzaamheid, gruwel, duisternis – en interpreteert de subjectieve ervaring van lijden, die de vrouw in vier scènes moet doormaken. Marie Pappenheims taalvoering bestaat uit paratactische, ongeorganiseerde reeksen fragmentarische zinnen, waaruit zich associaties in de vorm van een lyrische monoloog uit de psyche van de vrouw laten kristalliseren: "Ik heb altijd verheven geschreven, zonder richting, reflectie, censuur, pagina's lang, andere gedachten tussen de verzen."

De opheffing van de syntaxis in geconcentreerde monoloogtaal komt overeen met een bevrijding van de functionele structuren van de tonaliteit. Kleine motief-cellen zijn onderhevig aan een permanente mutatie en worden aangedreven door de innerlijke impuls van de tekst (recitatieve beweging zonder herhaling en rustpunten). Tempi wisselen volgens psychologische impulsen van angst, volgens een "seismografische registratie van traumatische schokken" (Theodor W. Adorno). Decentralisatie van consonantie, afschaffing van centrale tonaliteit en cadens – kenmerken van vrije atonaliteit –getuigen van expressieve vrijheid van uitdrukking in het libretto. Aan het einde van de vierde scène wordt door Pappenheim een inhoudelijke parallel met John Henry Mackay's gedicht "Am Wegrand" aangegeven, dat Schönberg in zijn (nog steeds tonale) lied op. 6 nr. 6, getoonzet heeft, en nu in de coda van "Erwartung" geciteerd in een gevarieerd herontwerp van de liedregel "Sehnsucht erfullt die Bezirke des Lebens ".

Bij het componeren van het monodrama had Schönberg in gedachten de stem van Maria Gutheil-Schoder, die de wereldpremière van zijn Tweede Strijkkwartet op. 10 de sopraanstem zong: "U zal zich herinneren dat ik herhaaldelijk met u heb gesproken over een toneelstuk waarin er een partij is voor jou. Een monodrama, slechts één, één enkele echte rol, die ik zag als een Gutheil-partij." (Brief van 22 augustus 1913) Al in 1910 begon Schönberg met dirigent Arthur Bodanzky van het Mannheim Nationaltheater over een uitvoering van »Erwartung« te onderhandelen. De planning werd uitgesteld tot 1913 en mislukte door de onderbezetting van het Mannheimer Orkest. Ook gesprekken met de WeenseVolksoper (1910) en de Weense Academische Vereniging (1913) bleven zonder succes. De première vond plaats op 6 juni 1924 in het Deutsche Landestheater in Praag als onderdeel van het Muziekfestival van het Internationale Gesellschaft für Neue Musik, onder leiding van Alexander von Zemlinsky, en werd in de vakpers erkend als een "protest tegen de operakitsch" ("Signale für die musikalische Welt") en "ongehoord dichte concentratie op een zielstoestand" ("Die Musik").

Therese Muxeneder © Arnold Schönberg Center


 Scène I

Aan de rand van een bos. Maanverlichte wegen en velden; het bos hoog en donker. Alleen de eerste stammen en het begin van het brede pad zijn nog helder. (Een vrouw arriveert; delicaat gekleed in het wit. Gedeeltelijk ontbladerde rode rozen op het kleed. Sieraden.)

(Aarzelend:) Hier binnengaan? … Je kunt de weg niet zien ... Hoe de stammen zilverig glinsteren ... zoals berken (kijkt verdiept naar de grond). Oh! Onze tuin ... De bloemen voor hem zijn zeker wel verwelkt ... De nacht is zo warm. (Plotseling angstig:) Ik ben bevreesd... (Luistert naar het bos, gespannen:) Wat voor zware lucht waait eruit ... Als een storm die op handen is… (Handenwringend, kijkt achterom:) Zo vreselijk stil en leeg ... Maar hier is het tenminste klaar ... (Kijkt omhoog:) De maan was vroeger zo helder... (Hurkt neer, luistert, kijkt voor zich uit:) Oh! Nog steeds de krekel met zijn liefdeslied ... Niet praten ... Het is zo aangenaam bij jou... De maan is in de schemering ... (Staat op. Wendt zich tot het bos, aarzelt weer, dan heftig :) Laf, ben je ... Wil je hem niet zoeken? Sterf dan hier (Zachtjes:) Hoe dreigend is de stilte ... (Kijkt verlegen om zich heen:) De maan is vol ontzetting ... Kijkt die naar binnen? (Angstig:) Ik alleen ... In de grauwe schaduw (Vat moed, gaat snel het bos in:) Ik zal zingen, dan hoort hij me ...

Scène II

Diepste duisternis, breed pad, hoge, dichte bomen. Ze schrijdt tastend voorwaarts. (Nog steeds achter de schermen:)

Is dat de weg? … (Bukt zich, grijpt met haar handen:) Hier is het wel ... (schreeuwt:) Wat? … Laat los! (Probeert sidderend haar hand te ontwaren) Beklemd? … Nee, er is iets gekropen ... (Wild, graait zich in het gezicht :) En hier ook ... Wie raakt mij aan? … Weg ... (Slaat met haar handen om hem heen:) Weg, ga toch heen... om Godswil... (Gaat verder, met uitgestrekte armen :) Dus, de weg is breed ... (Stil, bedachtzaam:) Het was zo stil achter de muren van de tuin ... (heel stil:) Geen zeisen meer ... geen geroep en geloop ... En de stad in de heldere nevel ... Ik keek er zo verlangend naar uit ... En de lucht zo onmetelijk diep boven de weg die je altijd naar mij neemt... Nog doorzichtiger en verder ... de avondkleuren ... (Triest:) Maar jij bent niet gekomen. (Stopt:) Wie huilt er? (Roept, erg angstig:) Is er hier iemand? (Wacht. Luider :) Is er hier iemand? (Luistert weer:) Niets... Maar dat was ... (Hoort weer toe:) Nu ruist het daarboven ... Het slaat van tak naar tak ... (Vlucht ontzet zijwaarts:) Het komt op mij af … (Kreet van een nachtvogel.) (Woedend:) Niet hier! Laat me gerust ... Here God, help me... (Stilte. Gehaast:) Het was niets... Snel nu, snel nu… (Begint te rennen, valt neer. Nog achter de schermen :) Oh, oh, Wat is dat? … Een lichaam ... Nee, gewoon een stam...

Scène III

De weg nog altijd in het donker. Aan de zijkant van het pad een brede heldere streep. Het maanlicht valt op een open plek in de bomen. Daar zijn hoge grassen, varens, grote gele paddenstoelen. De vrouw komt uit het donker.

Daar komt een licht! (Ademt opgelucht in:) Ah! Het is slechts de maan ... Hoe goed ... (Weer half angstig :) Er danst iets zwarts daar... honderd handen ... (Onmiddellijk beheerst:) Doe niet zo dom ... Het is de schaduw... (Teder nadenkend:) Oh! hoe jouw schaduw valt op de witte wanden... Maar zoals het nu is, moet je meteen gaan. (Gerucht. Ze stopt, kijkt om zich heen en luistert even:) Roep je? … (weer dromend:) En tot de avond is het nog zo lang ... (Lichte windvlaag. Ze kijkt nog eens verder:) Maar de schaduw sluipt toch naderbij! Gele, wijde ogen ... (Geluid van de rilling) Zo opzwellend ... zoals op stengels ... Hoe het staart ... (Krakend geluid in het gras. Ontzet :) Geen dier, lieve God, geen dier ... Ik ben zo bang... Liefste, mijn liefste, help me... (Ze loopt verder.)

Scène IV

Maanverlichte, brede weg, die rechts uit het bos komt. Weiden en velden (afwisselend gele en groene strepen). Iets naar links gaat de weg weer verloren in de duisternis van groepen hoge bomen. Alleen volledig links zie je de weg open liggen. Daar komt ook een pad uit dat vanaf een huis komt. Daarin zijn alles ramen met donkere luiken afgesloten. Een balkon van witte steen. (De vrouw komt langzaam, uitgeput. Het gewaad is verscheurd, het haar in de war. Bloederige schrammen op het aangezicht en de handen. Even rondkijkend :) Hij is er ook niet... Niets levends op de hele lange straat ... en geen geluid ... (Rilling; luistert:) De uitgestrekte bleke velden zijn zonder adem als uitgestorven ... geen halm beweegt ... (Kijkt de straat af:) Nog steeds de stad ... En deze vale maan ... Geen wolken, niet de vleugelschaduw van een nachtvogel in de lucht ... Die grenzeloze doodsbleekheid ... (Ze blijft wankelend staan:) Ik kan nauwelijks verder ... En ze laten me ginds niet binnen ... De vreemde vrouw zal me wegjagen! … Als hij ziek is ... (Ze heeft zich tot dicht bij de boomgroepen gesleept, waaronder het volledig donker is :) Een bank ... Ik moet uitrusten... (Moe, besluiteloos, vol heimwee:) Maar ik heb hem al zo lang niet gezien … (Ze komt onder de bomen door, stoot met haar voeten tegen iets aan:) Nee, dit is niet de schaduw van de bank (tastend met zijn voet, geschrokken:) Dat is iemand ... (Bukt zich, luistert:) Hij ademt niet... (Ze tast onderaan:) Vocht ... Er vloeit hier iets ... (Ze stapt uit de schaduw in het maanlicht:) Het glanst rood ... Oh, mijn handen zijn met schrammen verwond... Nee, het is nog nat, het komt daarvandaan... (Probeert met enorme moeite het voorwerp tevoorschijn te halen:) Ik kan het niet. (Buigt zich voorover. Met een vreselijke schreeuw :) Het is hij: (Ze zakt neer.) (Na een paar momenten staat ze half op, zodat dat haar gezicht naar de bomen is gericht. Verward :) Het maanlicht ... Nee, daar ... Daar is het verschrikkelijke hoofd... het spook... (Kijkt strak voor zich uit :) Als het nu eindelijk zou verdwijnen ... zoals dat in het bos ... Een boomschaduw, een belachelijke twijg ... De maan is verraderlijk... omdat ze bloedloos is, schildert ze rood bloed ... (Wijzend met uitgestrekte vingers, fluisterend:) Maar het staat op het punt te verdwijnen ... Kijk niet ... Er niet op letten ... Het zal zeker weggaan ... zoals dat in het bos ... (Ze draait zich om met geforceerde kalmte, richting de weg :) Ik wil weg ... Ik moet hem zoeken ... Het moet al laat zijn ... (Stilte. Onbeweeglijk. Zij draait zich abrupt om, maar niet helemaal. Bijna jubelend :) Het is niet meer daar... Ik wist het... (Ze is verder omgedraaid, ziet plotseling weer het voorwerp:) Het is er nog steeds... Heer God in de hemel ... (Haar bovenlichaam valt voorover, ze lijkt ineen te stuiken. Maar ze kruipt voort, met neergezonken hoofd:) Het leeft (raakt aan:) Het heeft huid ... ogen ... haar … (Ze leunt helemaal opzij, alsof ze hem recht in het gezicht wil kijken:) zijn ogen ... het heeft zijn mond ... Jij ... jij ... ben jij het... Ik heb je al zo lang gezocht ... In het bos en ... (trekt aan hem:) Hoor je dat? Spreek toch ... Kijk me aan ... (Verschrikt, bukt zich volledig. Ademloos :) Goede God, wat is ... (schreeuwt, rent een eind weg:) Help... (Van ver naar het huis toe:) In godsnaam! … Snel! … Hoort niemand mij dan? … Hij ligt daar... (kijkt vertwijfeld om zich heen.) (Haast zich terug onder de bomen:) Wakker worden … Wakker worden... (smekend:) Niet dood zijn ... Mijn liefste... Toch niet dood zijn... Ik hou zo veel van je. (Teder, aandringend:) Onze kamer is gedempt helder ... alles wacht... de bloemen ruiken zo hevig... (De handen vouwend, wanhopig :) Wat moet ik doen ... Wat moet ik doen opdat hij wakker wordt? … (Ze reikt in de duisternis en pakt zijn hand:) Jouw lieve hand ... (ineenkrimpend, vragend:) Zo koud? … (Ze trekt de hand naar zich toe, kust ze. Verlegen vleiend :) Wordt ze niet warm op mijn borst? (Ze opent haar gewaad:) Mijn hart is zo heet van het wachten... (Smekend, zachtjes:) De nacht is zo voorbij ... Je wilde toch bij mij zijn deze nacht. (Uitbarstend:) Oh! Het is klaar heldere dag... Blijf je overdag bij mij? … De zon schijnt op ons ... Je handen liggen op mij... Jouw kussen ... Je bent van mij ... jij ... Kijk me toch aan, liefste, ik lig naast jou ... Dus kijk me toch aan ... (Ze staat op, kijkt naar hem, ontwakend:) Ah! hoe star ... Hoe verschrikkelijk zijn je ogen... (Schreeuwt het luid uit:) Je bent al drie dagen niet bij me geweest ... Maar vandaag ... zo zeker ... De avond was zo vol vrede... Ik keek uit en wachtte... (volledig in zichzelf verzonken:) Over de tuinmuur jou tegemoet ... Zo laag is die... En dan zwaaien we beiden ... (Schreeuwt het uit:) Nee, nee... het is niet waar... Hoe kun je dood zijn? … Overal leefde je nog ... Zo-even nog in het bos ... je stem zo dicht bij mijn oor ... Altijd, altijd was je bij me ... Jouw adem op mijn wang ... Je hand in mijn haar... (Angstig:) Niet waar … Het is niet waar? Je mond boog net nog onder mijn kussen... (wachtend:) Je bloed druppelt nog steeds met een zachte slag... Je bloed is nog steeds levend ... (Ze buigt zich diep over hem heen:) Oh! de brede rode streep ... Ze hebben het hart geraakt ... (Bijna onhoorbaar:) Ik wil het kussen... met de laatste adem ... je nooit meer loslaten... (richt zich half rechtop:) In jouw ogen kijken ... Alle licht kwam uit jouw ogen... Ik werd duizelig als ik naar jou keek ... (Glimlachend, mysterieus, teder in herinnering:) Nu kus ik mezelf dood op jou. (Diepe stilte. Ze kijkt hem star aan. Na een pauze plotseling:) Maar zo vreemd is je oog … (verrast:) Waarnaar kijk je? (Heviger:) Waarnaar ben je naar op zoek? (Kijkt om zich heen; naar het balkon :) Staat daar iemand? (Weer terug, hand op het voorhoofd:) Hoe was dat nog de vorige keer? … (steeds meer verdiept:) Was dat toen ook niet in je blik? (Zoekt hard in haar herinnering:) Nee, gewoon zo verstrooid... of ... en plotseling werd je weer jezelf ... (Altijd helderder wordend:) En je was drie dagen niet bij me ... geen tijd... Zo vaak heb je de afgelopen maanden geen tijd gehad ... (Jammerend, als het ware afwerend:) Nee, dat is toch niet mogelijk ... Dat is ... (in een flits van herinnering:) Ah, nu herinner ik me... De zucht half in slaap ... als een naam ... Je kuste de vraag van mijn lippen … (Somber:) Maar waarom beloofde hij vandaag naar mij toe te komen? … (In woedende angst :) Ik wil dat niet ... Nee, ik wil het niet... (Springt op, draait zich om:) Waarom heeft men je vermoord? … Hier voor het huis ... Heeft iemand je ontdekt? … (Schreeuwt het uit, alsof ze zich vastklampt:) Nee, nee... mijn enige geliefde... dat niet ... (Bevend:) Oh, de maan wankelt ... Ik kan niets zien... Kijk me toch aan... (plotseling haastig:) Kijk je weer daarheen? … (Naar het balkon:) Waar is ze dan ... de heks, de deerne... de vrouw met de witte armen ... (honend:) Oh, jij houdt wel van de witte armen ... hoe je haar rood kust ... (Met gebalde vuisten:) Oh, jij... jij ... jij ellendeling, jij leugenaar... jij ... Zoals je ogen me ontwijken! … Kronkel je van schaamte? … (Duwt met haar voet tegen hem aan :) Je hebt haar omhelsd ... Ja? … (geschokt van walging:) zo teder en hebzuchtig ... en ik wachtte... Waar is ze naartoe gelopen toen jij onder het bloed zat? … Ik wil haar aan de witte armen meesleuren ... zoals dit (gebaart; ineenstortend :) Er is daar geen plek voor mij ... (snikt:) Oh! Niet eens de genade met jou te mogen sterven ... (Zinkt neer, wenend:) Hoeveel, hoeveel ik van je hield ... Ik leefde ver weg van alles ... aan alles vreemd ... (zinkt weg in mijmering:) Ik kende niets behalve jou... dit het hele jaar door ... sinds je mijn hand voor het eerst vastnam... oh, zo warm ... Nooit eerder heb ik van iemand zo gehouden zo... Je glimlach en je praten... Ik hield zo veel van je... (Stilte en snikken. En dan zachtjes, zich oprichtend :) Mijn liefste... mijn enige lieveling... heb je haar vaak gekust? … terwijl ik stierf van verlangen ... (Fluisterend:) Heb je heel veel van haar gehouden? (Smekend:) Zeg niet: ja ... Je glimlacht smartelijk... Misschien heb je ook geleden, misschien riep je hart je toe ... (Stiller, warm:) Wat kan je eraan doen? … Oh, ik vervloekte je... Maar jouw medelijden maakte me gelukkig ... Ik dacht dat ik gelukkig was ... (Stilte. Deemstering aan de linkerkant in het oosten. Laag in de lucht, wolken verlicht door een zwakke gloed, geelachtig flikkerend als kaarslicht. Ze staat op:) Liefste, liefste de morgen komt ... Wat moet ik hier alleen doen? … In dit eindeloze leven … in deze droom zonder grenzen noch kleuren ... Want mijn grens was de plek waar je was ... En alle kleuren van de wereld braken uit jouw ogen … Het licht zal voor iedereen komen... maar ik alleen in mijn nacht? … De ochtend scheidt ons ... altijd de ochtend ... Zo hard kus je me ten afscheid ... weer een eeuwige dag van wachten ... Oh, je ontwaakt niet meer …  Duizend mensen lopen voorbij... ik herken je niet... Allemaal leven ze, hun ogen branden ... Waar ben je? … (Stiller:) Het is donker ... jouw kus als een vlammenteken in mijn nacht... Mijn lippen branden en gloeien ... naar jou toe ... (schreeuwt het uit van vreugde:) Oh, ben je daar ... (tegen iets in de tegenovergestelde richting:) ik was op zoek ...

(werkvertaling Karel D’huyvetters © 2026)

 

 

Stuur door

Erwartung - Verwachting

Erwartung

Richard Dehmel (1863-1920)

Aus dem meergrünen Teiche
neben der roten Villa
unter der toten Eiche
scheint der Mond.

Wo ihr dunkles Abbild
durch das Wasser greift,
steht ein Mann und streift
einen Ring von seiner Hand.

Drei Opale blinken;
durch die bleichen Steine
schwimmen rot und grüne
funken und versinken.

Und er küßt sie, und
seine Augen leuchten
wie der meergrüne Grund:
ein Fenster tut sich auf.

Aus der roten Villa
neben der toten Eiche
winkt ihm eine bleiche
Frauenhand.

 

Verwachting

Uit de zeegroene vijver

Bij het rode landhuis

Onder de dode eik

Schijnt de maan.

 

Waar haar donkere weerschijn

Door het water heen glinstert

Staat een man die een ring

Van zijn hand schuift.

 

Drie opalen fonkelen;

Tussen de bleke stenen

Drijven rode en groene

Vonken die wegzinken.

 

En hij kust ze en

Zijn ogen lichten op

Als de zeegroene bodem;

Een raam gaat open.

 

Uit het rode landhuis

Naast de dode eik

Wenkt hem een bleke

Vrouwenhand.

 

(werkvertaling © 2026 Karel D’huyvetters)

Cf. Arnold Schönberg, Erwartung, Vier Lieder (1899) op. 2

Stuur door

Mijlpalen

Hoc erat in votis: 80 en 20

Twintig jaar geleden begon ik met deze blog, mijn eigen website. Toen was ik zestig en juist gepensioneerd. Nu ben ik tachtig, en net verhuisd naar een serviceflat. Het zijn mijlpalen op de weg die leidt vanaf het onooglijke ouderlijke begin tot het onvermijdelijke oud-geworden einde. We weten nooit wat ons te wachten staat, en dat is maar goed ook. Elke dag is een nieuwe kans om jezelf te worden en jezelf te blijven. Het overwegende gevoel op deze dag is er een van intense dankbaarheid voor het lange en gelukkige leven dat we elkaar zo vaak toewensen, en dat mij ten deel is gevallen. Dankbaar ook jegens de mensen die ik op mijn levensweg mocht ontmoeten.

What more could I wish for? My cup runneth over…

Stuur door

Verhuizing

We zijn verhuisd. Op 6 januari 2026 was het eindelijk zo ver, inpakken en wegwezen. De dag was zwaar, maar ’s avonds konden we in ons bed slapen, moe maar gelukkig zoals het heet. De volgende dagen was het uitpakken, vooral de driehonderd dozen met boeken. Gelukkig kregen we veel hulp van familie en goede vrienden, zodat het vandaag, nog geen week later, alweer een bewoonbaar huis is. Nu nog vier iconische Ikea-kasten monteren om de laatste dozen weg te werken en de laatste boeken een plaatsje te geven.

Ik verheug me ook over de vrij vlotte overschakeling van alle elektronica. Woensdag kwam er een Telenet-medewerker langs om de internetaansluiting te activeren, maar de jongeman was amper aan zijn proefstuk toe, en was niet opgewassen tegen zijn nochtans routineuze taak. ’s Anderendaags al kwam een meer ervaren en beslagen collega vlot het euvel verhelpen. Luts pc bleek nadien geen ingebouwde wifi-adapter te hebben, en via-via kregen we snel zo’n toestelletje thuis geleverd, amper € 14,95, een simpele installatie en nu is ook die hinderlijke ethernetkabel verdwenen en hoeft niemand er nog over te struikelen. Het wifisignaal is mede dankzij een ‘pod’ in de verste kamer overal in het appartement uitstekend. Streaming via Qobuz en Roon is prima, ik luister in mijn studiolo naar de Gato - Zen-Mini – B&W 805 combinatie, Lut en/of ik in het salon naar de Edifiers via Chromecast Audio die ik eens van zoon Luk kreeg. Het aantal stopcontacten is, zoals in de meeste woningen, vooral wat oudere, totaal ontoereikend. Iemand moet eens draadloze elektriciteit uitvinden.

De keuken is nieuw, en met onze vorige ijskast-vriezercombinatie en wasmachine perfect bruikbaar, al was de nieuwe inductiekookplaat en combi-oven even wennen (vooral omdat ik het niet nodig vond de handleidingen te lezen…).

Ook de eerste contacten met de diensten van Populierenhof verlopen uitstekend.

Na de eerste paar dagen is de conclusie dus onverdeeld gunstig. We zijn van een ruime villa verhuisd naar een bescheidener appartement, en van volledige zelfstandigheid naar een serviceflat, maar dat voelt veeleer als een upgrade aan dan als een compromis.

Dit is mijn eerste blogje hier, en daarom wat persoonlijker dan gewoonlijk, maar dat mag wel eens, bij gelegenheid, nietwaar.

Stuur door

2026

Ik weet niet

of ik nog het lef zal hebben

om mijn stem te verheffen

en de nood te klagen

van hen die lijden

onder het geweld

van hun medemens

ik ben murw geslagen

door hun woordeloze aanklacht

hun blik vol onbegrip

hun onuitgesproken vraag

hun troosteloze teleurstelling

hun uitzichtloos berusten

ik heb niets

om hun tranen te drogen

hun hand te vullen

hun rug te rechten

of een glimlach te ontlokken

aan hun moede ogen

ik heb niets

om hun belagers te weerhouden

tot redelijkheid te brengen

of met harde hand te straffen

mij rest alleen

de onrust

van mijn vermeende vrede

en de onmacht

van mijn nutteloze overvloed.

 

Karel D’huyvetters

gedichtendag 2016

Stuur door

Vrijheid

Ik heb altijd al een hekel gehad aan bevelen en geboden, aan situaties waarin ik niet vrij was om zelf te bepalen wat er moest gebeuren, of er mij geen keuze gelaten werd. Ik wou altijd zelf beslissen, mijn eigen gang gaan.

Als kind en als opgroeiende jongeling leidde dat voortdurend tot spanningen. Thuis had men al gauw door dat er met mij niets aan te vangen was onder dwang. Ook op school waren er enkele leraren en opvoeders die dat inzagen, en die deden dan de moeite om me met argumenten te overtuigen, met wisselend succes. Maar het opvoedingssysteem was toen hoofdzakelijk een kwestie van gezag en discipline, en dat slikte ik niet.

Ik heb het geluk gehad dat ik in mijn werksituatie meestal grotendeels zelfstandig kon werken. Dat gaf mij grote voldoening en grote conflicten waren zeldzaam.

Op mijn zestigste ging ik op pensioen, en sindsdien is mijn vrijheid alleen maar toegenomen, tot mijn groot genoegen. Nu de laatste belemmeringen weggevallen zijn, heb ik mij kunnen uitleven in wat ik echt graag doe en belangrijk acht.

Die vrijheidsdrang heeft mijn leven beheerst, maar pas nu denk ik daarover na. Waarom wil ik zo vrij zijn? Waarom verzet ik mij zo heftig tegen dwang?

Ik ben niet de enige die behoefte voelt aan vrijheid. Het is een algemeen menselijk verschijnsel. Er is wellicht niemand die ervoor kiest om de slaaf te zijn van iemand anders. Wij houden er niet van dat men ons zegt wat we moeten doen, en nog veel minder wat we moeten denken. Wij aanvaarden gezag enkel wanneer het niet anders kan, en dan nog met moeite.

Anderzijds zijn er steeds mensen geweest die een sterke behoefte hadden aan gezag, die niets liever deden dan anderen hun wil opleggen, desnoods manu militari. Dat was vroeger zo, en het is nog steeds zo. Het kan dan niet anders dan dat die twee botsen.

Zolang datgene wat gezagvoerders opleggen redelijk is en onze instemming kan wegdragen, gaat het nog goed. Wij rijden rechts en stoppen voor rood, omdat dat nu eenmaal zo beslist is, en het maakt ook niet uit of het zo is of anders: in Groot-Brittannië rijdt men links, en we zouden evengoed kunnen afspreken dat we stoppen voor blauw of zo. De moeilijkheden beginnen wanneer wij de bevelen van het gezag ervaren als strijdig met onze eigen opvattingen. Niet weinig mensen vinden de snelheidsbeperkingen op onze wegen overdreven, nutteloos, zinloos of zelfs belachelijk. Wij overtreden ze massaal, een beetje, of heel veel, ondanks scherpe controles en strenge beteugeling, en veel slachtoffers. We blijven ook drinken en rijden. Dat zijn misschien vreemde domeinen om onze vrijheid op te eisen, maar we doen het wel.

Er zijn ook andere domeinen, zoals de politiek en de godsdienst. In onze moderne tijd zijn een groot aantal menselijke vrijheden opgenomen in charters, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens. Een politiek bestel of een godsdienst mag geen afbreuk doen aan die rechten en aan de menselijke vrijheid. In het ancien régime kon de vorst eigenmachtig iemand laten gevangen zetten, en ook moderne dictators hebben dat massaal gedaan. Godsdiensten hebben aan hun gelovigen verplichtingen opgelegd en verboden uitgevaardigd die zo zinloos waren dat men nauwelijks kan geloven dat iemand zoiets kan verzinnen of aanvaarden. Ook vandaag nog is dat het geval. Er zijn regimes waarin de menselijke vrijheid en waardigheid met voeten getreden worden. Er zijn wereldgodsdiensten die praktijken opleggen die onverenigbaar zijn met de universele mensenrechten.

Individuen en organisaties hebben zich steeds verzet tegen dergelijke inperkingen van de menselijke vrijheid. De geschiedenis van onze beschaving is er een van onafgebroken verzet tegen absoluut gezag en van menselijke ontvoogding. De vrijheid om te doen en te denken wat men wil, en om daarvoor ook uit te komen, is een fundamenteel recht, ja het meest fundamentele recht van de mensheid en van elke mens. Wanneer dat geschonden wordt, zijn de gevolgen altijd onoverzienbaar en funest.

Zeker, er zijn beperkingen aan onze vrijheid, al was het maar omdat we met zovelen zijn, en de vrijheid van de ene mens eindigt waar die van de andere begint. In elke samenleving zijn er regels die we moeten respecteren, we kunnen niet alles doen waar we zin in hebben. Er zijn mensen die de meest bizarre en zelfs misdadige neigingen hebben. De menselijke vrijheid houdt niet in dat men om het even wat mag doen. Het zal er dus op aan komen om enerzijds zo weinig mogelijk te verbieden en zoveel mogelijk toe te laten, maar anderzijds duidelijke afspraken te maken over wat niet kan, en die ook te doen naleven, desnoods met bestraffing.

Wie moet er dan uitmaken wat mag en wat niet? Wij zijn zover gekomen dat wij beseffen dat de beste manier om dat te regelen een democratie is. Dat is een samenleving waarin zoveel mogelijk mensen betrokken worden bij het overleg, en waarin men zoveel mogelijk beslist op basis van redelijke argumenten, die door de meerderheid als zodanig erkend worden. In een democratie berust het gezag niet bij één persoon of een kleine kliek, maar bij de bevolking, die dat gezag delegeert aan instellingen, die bevolkt worden met personen die democratisch verkozen worden. Bovendien behoudt het volk altijd het volste recht om te allen tijde die instellingen te controleren en zich te verzetten tegen beslissingen die het als onrechtmatig of schadelijk beschouwt. In het ergste geval, wanneer de instellingen totaal van het volk vervreemd zijn, kan dat leiden tot zelfs gewelddadige revoluties.

images?q=tbn:ANd9GcT5ieyT4ECCBPDFuu9w63TQh6I4yI77Sz6yK-fpCE7MOBbN_wioHg

Laten we in de discussies over hoe het met onze maatschappij en met onze wereld verder moet altijd rekening houden met die fundamentele individuele vrijheid van de mens, en met het democratisch proces. Dat is de beste, wellicht zelfs de enige garantie voor een stabiele en vreedzame samenleving. En laten we ook in onze persoonlijke betrekkingen altijd vertrekken van het fundamenteel recht van elke mens om zichzelf te zijn. Wanneer men aan die vrijheid tornt, hetzij op grond van het hoger politiek of staatsbelang, of vanuit religieuze principes die niet gesteund zijn op de rede maar op zogenaamde openbaringen of uitspraken van religieuze leiders of profeten, zijn niet alleen individuele mensen in gevaar, maar de hele mensheid.

Stuur door

Rot op, Rutte!

Quos Deus perdere vult, prius dementat.

Als je sommigen bezig hoort en ziet, dan denkt een mens weleens: hoe is het mogelijk!? Is iemand als Donald Trump nog wel bij zijn verstand? Zelfs als veel, bijna alles wat we van hem zien louter theater is, kan men toch moeilijk ontkennen dat zijn gedrag verre van normaal is, en dat is een ongepast eufemisme. Als het om een gewone burger zou gaan, zouden we daarbij niet te lang blijven stilstaan: zoals mijn Vader zaliger zei: Ons Heer moet zijn getal hebben, it takes all sorts of people. Maar de president van Amerika, een van de belangrijkste figuren in de wereld?

Dezelfde gedachte kwam spontaan bij me op bij de zoveelste oorlogszuchtige uitspraken van Mark Rutte, secretaris-generaal van de NATO. In tegenstelling met Trump, die altijd al een buitenissige figuur was, zou je van Rutte denken dat het geen idioot kan zijn: een goede academische opleiding, een begaafd muzikant, een ervaren bedrijfsleider, een succesvol politicus, veertien jaar lang minister-president van Nederland. Maar zelfs als men aanvaardt dat de topman van de NATO niet veel anders kan dan zich afzetten tegen de ‘vijanden’ waartegen de alliantie tenslotte opgericht werd, blijkt toch onmiskenbaar dat Rutte meent wat hij zegt, en zich niet louter pro forma inleeft in de rol die hij na zijn verkiezingsnederlaag toebedeeld gekregen heeft van zijn collega-staatshoofden. Zeker, wat Poetin uitspookt, vooral in Oekraïne, maar ook daarbuiten, is zonder enige twijfel kwaadaardig en levensgevaarlijk. Maar de reactie daarop van Rutte, van ministers van defensie (of van oorlog, zoals Trump zegt), van de legertop in alle landen, en zelfs van de meeste politici, is althans in mijn aanvoelen, eveneens levensgevaarlijk. De beste manier om met gestoorde mensen omgaan is niet de confrontatie, en nog minder even gestoord gedrag. Uit de beide Wereldoorlogen en ook uit de Koude Oorlog zouden we moeten geleerd hebben dat een bewapeningswedloop niet van aard is om de oorlog te vermijden, maar veeleer om die te doen losbarsten.

Ooit zat ik op de trein in Duitsland, en op een of andere manier kwam in het compartiment een gesprek op gang, waaraan ik in mijn heel gebrekkig Duits naar best vermogen deelnam, over de Tweede Wereldoorlog. Een oude man die als frontsoldaat had meegevochten, keek daarnaar meewarig terug. Wat me vooral trof, en altijd is bijgebleven, is deze uitspraak van hem: je staat tegenover elkaar met een wapen in de hand; als je zelf niet schiet, word je neergeschoten, dus schiet je.

Dat is waarom mensen elkaar uitmoorden in oorlogen: ze zijn door hun politieke en militaire leiders in een situatie gebracht waar het een kwestie is van doden of gedood worden, van doden om te overleven. De echte verantwoordelijken voor de miljoenen slachtoffers zijn, op psychopathische uitzonderingen na, uitsluitend de politieke en militaire leiders.

Waarom die leiders die zware verantwoordelijkheid om op grote schaal mensen te doden toch steeds weer op zich nemen, is voor mij werkelijk onbegrijpelijk, zodat ik geneigd ben te denken dat ze wel degelijk gestoord zijn, gek, waanzinnig. Kan men iets anders denken van Stalin, Hitler, Tojo, Franco, Pol Pot, Mao, Kim Il-sung, om slechts die te noemen? En moeten we niet hetzelfde denken van een aantal figuren die met hen de strijd aangebonden hebben, en niet minder slachtoffers gemaakt hebben?

Onze treffende Latijnse spreuk bevestigt dat: als de goden iemand in het verderf willen storten, maken ze die eerst waanzinnig. Anders gezegd: je moet wel gek zijn om jezelf in het ongeluk te storten. Uiteindelijk is dat ook wat er gebeurt bij zelfdoding. En zeker bij Hitler is het duidelijk dat zijn waanzin hem te gronde gericht heeft, terwijl dictators veeleer uitzonderlijk een vreedzaam einde gekend hebben, zoals Franco.

Maar er is meer. De waanzin van dictators brengt niet alleen henzelf tot een gewelddadig einde, maar talloze anderen, militairen en burgers. Je moet geen genie zijn om dat in te zien. Als de geschiedenis ons iets heeft geleerd, dan wel dit: wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan (Mt. 26:52). Oorlogen lossen niets op, ze bereiken nooit hun doel, ze veroorzaken alleen onnoemelijk veel leed, miljoenen doden, en onafzienbare materiële schade.

Ik weiger dan ook om me aan te sluiten bij al diegenen die vandaag stellen dat ons antwoord op de al dan niet reële buitenlandse militaire bedreiging erin moet bestaan dat wij nog veel meer miljarden gaan uitgeven aan bewapening, die niet gericht is op defensie, dus zelfverdediging, maar op open strijd op het slagveld en in de lucht, en zelfs op preemptive strikes,  preventieve aanvallen, zoals die van Hitler op Polen, en die van Japan op de USA.

Ik ben het evenmin eens met het opleggen van sancties aan ‘vijanden’, aangezien die onmogelijk af te dwingen zijn en op grote schaal omzeild worden, door beide partijen.

Het enige juiste antwoord is overleg, ook als dat moeilijk verloopt, onophoudelijk en niet-aflatend overleggen op alle mogelijke manieren. Zolang mensen met elkaar kunnen praten, is nog niet alles verloren. Waar mensen spreken, zwijgen de wapens.

Ook in ons land zwijgen nu mensen en politici, en laten en doen ze de wapens spreken. Laten we onze stem verheffen en pleiten voor overleg, voor het te laat is en oorlogsstokers zoals de infame Mark Rutte gelijk krijgen met hun self fulfilling prophecies.

De goden brengen weliswaar meestal dictators gewelddadig om die ze eerst in de waanzin gestort hebben, maar niet zonder dat die zelf eerst op grote schaal anderen gewelddadig omgebracht hebben.

Stuur door

persoonlijk

Het is niet mijn gewoonte om hier veel over mijn persoonlijk leven uit te weiden. Maar nu er ingrijpende veranderingen op til zijn, maak ik daarvoor een uitzondering. Lut, mijn levensgezellin (°1942) lijdt al sinds 2018 aan de ziekte van Parkinson. Ik word op 16 januari 2026 tachtig, en ik voel de jaren wegen. Daarom hebben we besloten ons huis te verkopen: 

https://www.immoweb.be/nl/zoekertje/huis/te-koop/werchter/3118/21198996?s=s_XL

en onze intrek te nemen in een serviceflat: 

https://armonea.be/huizen/populierenhof/ 

Ons adres vanaf 6 januari 2026 is: Karel D'huyvetters & Lut De Rudder, Populierenlaan 10 C/0011, 3001 Leuven

Stuur door

de niet zo schijnbare paradox

Op een dag gaat een vader met zijn zoon boodschappen doen met de wagen. Op een kruispunt worden ze aangereden door een andere wagen, die het rode licht genegeerd had. De vader overlijdt ter plaatse. De zoon is zwaargewond en wordt naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht. Op de spoedafdeling komt de dokter van dienst toegesneld en zegt dan in tranen: Ik kan dit niet doen. Dit is mijn zoon!

Dat klopt niet, denk je dan. De vader was toch overleden? Je zoekt naar een oplossing voor de tegenspraak die in dit verhaal besloten ligt. Misschien kom je er zelf op, maar de meeste mensen niet meteen. Het gaat namelijk om een vrouwelijke dokter, de moeder van de jongeman. Evident!

En toch staan we aanvankelijk perplex: hoe kan dat nou? Omdat we bij 'dokter' nog altijd in de eerste plaats aan een man denken. Het verhaaltje hierboven gaat al een hele tijd mee en vroeger was het aantal vrouwelijke spoedartsen nog veel kleiner dan nu. Onze spontane conclusie dat het verhaaltje niet klopt, is dus niet uit de lucht gegrepen. Wij hebben goede redenen om ervan uit te gaan dat de dokter een man is: de allermeeste dokters waren vroeger mannen en ook vandaag zijn spoedartsen dat vaak nog. Het aantal vrouwelijke huisartsen is de laatste jaren spectaculair gestegen, er zijn nu ongeveer evenveel vrouwelijke als mannelijke.

Het is onze manier van denken: we veralgemenen om het ons gemakkelijk te maken. En dat brengt op: in de meeste gevallen heb je namelijk gelijk, enkel in uitzonderlijke gevallen niet. Een veralgemening klopt niet altijd, maar het loont om niet te veel aandacht te besteden aan de uitzonderingen, omdat je dan sneller conclusies kan trekken. In het gedateerde verhaal hierboven loop je vast, precies omdat je geen rekening hebt gehouden met een toentertijd uitzonderlijk geval: de dokter is een vrouw.

Een verhaal of een uitspraak die zo'n verrassende tegenspraak bevat, noemen we een paradox, van het Grieks para, naast en doxa, mening. Het is dus iets dat tegen de gevestigde mening of verwachting ingaat. Je verwacht dat de dokter een man is, maar het is onverwachts een vrouw. Iets dat op het eerste gezicht niet lijkt te kloppen, maar bij nader toezien wel, dat noemen we paradoxaal. Om bij dokters te blijven: er zijn nog nooit zoveel dokters, verplegenden, ziekenhuizen, medicijnen, medische apparatuur enzovoort geweest als nu, maar ook nog nooit zoveel zieken. Amerika is het rijkste land ter wereld, maar één op vijf mensen leeft er in armoede. Als je vrede wil, maak je dan klaar voor de oorlog. Je PC afzetten doe je door op de knop 'start' te drukken. De laatsten zullen de eersten zijn. Ik lieg altijd. Als er een spoorwegstaking is, of aangekondigde wegen werken, is het vaak minder druk op de wegen (omdat men de drukte anticipeert en zo vermijdt).

We weten nu wat een paradox is, maar wat is een schijnbare paradox? Ik las een artikel van een professor psychologie met precies die titel; het gaat over de schijnbare tegenstelling tussen senioren en ICT; dit is de conclusie van het artikel: 'Er is namelijk sprake van een schijnbare paradox: ict zou geen onbereikbaar doel, maar een vanzelfsprekend middel moeten zijn bij het ondersteunen en verbeteren van de cognitieve vermogens van ouderen.' Schijnbare paradox, tot tweemaal toe, en op cruciale plaatsen: de titel en de conclusie. De gangbare mening is dat senioren niet zo goed zijn met de moderne media; dat blijkt maar zeer gedeeltelijk te kloppen (crede Roberto experto, of: ik kan ervan meespreken). Bovendien is bezig zijn met computers en zo ook goed om je mentale functies op peil te houden. De tegenstelling tussen senioren en ICT is dus niet echt, maar vermeend; ze is er niet, of: het is een schijnbare tegenstelling, dus een paradox.

Waarom dan spreken van een schijnbare paradox? Dat is dan een schijnbare schijnbare tegenstelling, of een paradox die er geen is. Maar een paradox die geen paradox is, dat is niets, of alles. Een schijnbare paradox bestaat dus niet. Het gaat hier blijkbaar om een pleonasme (van het Grieks pleon, teveel): we gebruiken meer woorden dan nodig, we zeggen twee keer hetzelfde: een paradox is al 'schijnbaar', dus een schijnbare paradox is dubbel-op.

Je kan de kwestie van senioren en ict ook zo stellen: er is een positieve verhouding tussen senioren en ict die je niet zou verwachten: ze zijn vaak erg goed met de computer, heel wat senioren zijn ermee bezig en het is ook goed voor hen. Er is dus een paradoxale, onverwachte band tussen twee op het eerste gezicht tegengestelde elementen. Ook in dat geval is het gewoon een paradox, geen schijnbare.

Je vindt de uitdrukking ook in het Engels: a seeming paradox en in het Frans: un faux paradoxe en zelfs in het Duits: das scheinbare Paradoxon. Maar als je gaat kijken wat men daarmee bedoelt, stel je altijd vast dat het gewoon om simpele paradoxen gaat, geen speciale. Men weet blijkbaar niet goed wat een paradox is, het is ook zo'n geleerd woord. En dus verduidelijkt men dat op zich nietszeggend of onbegrijpelijk leenwoord met een verhelderende toevoeging die echter al in het woord besloten ligt, zonder dat men het (goed) weet.

Onze conclusie is dus dat een schijnbare paradox... paradoxaal is. Je verwacht dat het een speciaal soort paradox is, niet zomaar een gewone verrassende afwijking van de gangbare mening of verwachting, maar dat is het toch niet, het is gewoon een paradox, meer niet. Een schijnbare paradox is dus een gewone paradox. Het is een pleonasme, zoals: iets opnieuw herhalen, of een verbetering ten goede, of een ronde cirkel, gehandhaafd blijven, een mogelijke kans, Hiv-virus (V staat al voor virus), BIC-code (C = code), ISBN-nummer (N = nummer), de Faerøer-eilanden (øer = eilanden).

Pleonasmen vermijden we maar beter, ze zijn overbodig en verwarrend, zelfs een beetje dom: ze laten zien dat je niet goed weet wat je zegt, of dat je onzorgvuldig bent.

Er zijn dus geen schijnbare paradoxen.

Stuur door

Vrijdenkers: De bedienaars van de erediensten (baron d'Holbach)

De plichten van de bedienaars van de eredienst.

P.H.D. d'Holbach, La Morale universelle, 1776, section IV, chapitre VII

Vertaling Karel D'huyvetters © 2025

Het behoort niet tot het opzet van dit werk, dat enkel tot doel heeft de principes van de natuurlijke moraal uit te werken, de grondslagen te onderzoeken van de gevarieerde godsdiensten die we tot stand gebracht zien in de verschillende contreien van de wereld.
Wat ook de ideeën zijn die de verschillende volkeren zich vormen van de godheid, of van de onzichtbare beweger van de natuur, het is altijd tot de goedheid van dat wezen dat de mensen hun eerbetuigingen richtten; ze moeten verondersteld hebben dat die hun welwillend was, dat die hun gebeden aanhoorde, dat die de macht en de wil had om hen gelukkig te maken; vandaar dat ze tot het besluit moeten gekomen zijn dat de mensen goed moesten zijn voor hun soortgenoten, om zich te conformeren aan de zienswijzen van dat weldadige wezen. Vanuit dat oogpunt bekeken kan de godsdienst niets anders zijn dan de natuurlijke moraal, of de plichten van de mensen, die bevestigd is door het erkende, of veronderstelde gezag van de meester van de natuur en van de mensen, dat niet in tegenspraak kan zijn met de wetten waarmee hun behoud en hun welzijn klaarblijkelijk verbonden is.
Volgens de principes van alle godsdiensten moeten de goddelijke morele eigenschappen en de wilsuitingen als modellen en regels functioneren voor de mensen: al de erediensten die veronderstellen dat de godheid kwaadwillig, wreed, onrechtvaardig, wraakzuchtig is, de mensen vijandig gezind, kortom immoreel, kunnen slechts beschouwd worden als bijgeloof en leugens, uitgevonden door bedriegers die er belang bij hebben de rust van de menselijke soort te verstoren. Een godsdienstig systeem dat een despotische of ongeregelde god zou veronderstellen, in wiens ogen de ongelukken van de volkeren en de tranen van de stervelingen een amusant spektakel zouden zijn, zou onverenigbaar zijn met elke moraal. Zelfs Jupiter, zegt Plutarchus, heeft het recht niet om onrechtvaardig te zijn. Cicero zegt: een god zou niet langer god zijn als hij de mensen niet behaagde. Op een andere plaats stelt deze filosofische redenaar God voor als ‘de behoeder en de vriend van het sociale leven’; hij is volkomen in overeenstemming met de eeuwige wijsheid, die verklaart dat ‘de gemeenschap van de mensenkinderen zijn dierbaarste genot uitmaakt.’

 

Lees de volledige tekst hier:d'Holbach, De plichten van de bedienaars van de eredienst

 

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten