Genesis: het verhaal van Adam en Eva


Over Het Scheppingsverhaal schreef ik hier al herhaaldelijk. Als je in de kolom aan de linkerkant bij de zoekopdracht de term ‘Genesis’ intypt, krijg je een overzicht van dergelijke teksten. Toch vind ik het nuttig om nog eens terug te keren naar het meest bekende verhaal uit het Oude Testament, dat van Adam en Eva. Het is ons in het geheugen gegrift tijdens de lessen Gewijde Geschiedenis op de lagere school. Kunstenaars van alle tijden hebben het duizenden keren afgebeeld. Het maakt onuitwisbaar deel uit van ons cultureel erfgoed. Maar we weten niet goed hoe we er vandaag moeten mee omgaan. Het verhaal klopt niet meer.
Doe mij en jezelf een plezier en lees de korte tekst eens na, in je eigen Bijbel of door hier te klikken; lees vooral het tweede en derde hoofdstuk over de Tuin van Eden en de zondeval.
Klaar? Dan kunnen we beginnen.
Wat meteen opvalt, is de uitzonderlijke toestand waarin Adam en Eva zich bevinden voor de zondeval. Ze zijn ongerept, volmaakt, onsterfelijk. Het werk dat God hen gevraagd heeft, doen ze met plezier, het vermoeit hen niet. Ze hebben niets tekort. Ze gaan met God om als gelijken. Ze behoeven geen kleding, ze lopen rond in hun glorieuze naaktheid. De dieren en de planten in de tuin vormen geen bedreiging. Ze hebben evenmin nood aan beschutting tegen de weersomstandigheden. Honger of dorst kennen ze niet. Ze zijn volmaakt gelukkig. Wij spreken nu nog van een paradijselijke toestand, naar een Oud-Iraans woord voor een ommuurde tuin dat alle talen sindsdien hebben overgenomen.
Maar schone liedjes duren niet lang. God heeft aan de eerste mensen één verbod opgelegd: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten,maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
Dat is, zoals in alle sprookjes, natuurlijk voldoende voor de mens om het toch maar eens te proberen. Een sprekende slang daagt Eva uit en zij bezwijkt, natuurlijk. Adam doet mee. De gevolgen zijn verschrikkelijk.
Het is duidelijk dat dit een allegorisch verhaal is. Het gaat niet over twee concrete mensen, maar om personages in een verhaal over de eerste mensen. Het is heel normaal dat de mensen zich ooit zijn beginnen afvragen waar zij vandaan kwamen. Van hun ouders, dat was wel wiedes, maar als je verder teruggaat, naar je grootouders, overgrootouders, bet… enzovoort, waar kom je dan uit? Er moet toch ooit een begin geweest zijn?
Vandaag weten we dat er voor de homo sapiens, die zich deze vragen stelde, andere mensachtigen geweest zijn. En daarvoor nog andere levensvormen die we nu als hogere diersoorten zouden bestempelen. En daarvoor allerlei dieren groot en klein, steeds minder complex en zo verder tot de meest primitieve levensvormen, tot het verschil tussen levende wezens en ‘dode’ materie heel vaag wordt. Er is een heel lange en ingewikkelde evolutie geweest voor we aan homo sapiens toe waren. Dat inzicht is er echter maar heel langzaam gekomen: het is pas sinds het begin van de twintigste eeuw dat de evolutietheorie bevestigd en verduidelijkt is. Ook vandaag nog zijn er wellicht meer mensen die geloven in het scheppingsverhaal dan in Darwins leer.
Nochtans was het de mens al heel vroeg opgevallen dat wij heel goed op de dieren lijken, maar ook dat wij er grondig van verschillen. Dieren praten niet en de mens kan zich niet met de dieren vermenigvuldigen. De evolutie van miljarden jaren was grotendeels voorbij toen homo sapiens verscheen. De sporen, zoals fossiele overblijfselen van uitgestorven levensvormen, waren grotendeels verdwenen. Het leek wel alsof de wereld zoals hij was, al altijd zo had bestaan. Als men dus terugging in de tijd, op zoek naar het begin, dan dacht men niet aan voorouders en dieren en planten en bergen en dalen die er anders uitzagen, zoals wij nu doen. Er was weinig reden om te denken dat de wereld ooit fundamenteel anders was geweest.
Als men dus op zoek ging naar het begin van de wereld, dan kwam men vanzelf uit bij een moment waarop alles wat er nu is, zo geschapen werd. Niets ontstaat immers uit het niets, dat zag de mens ook wel. Als je een tent of een huis of een stad wil, dan moet je die bouwen. Als je een kind wil, dan moet je dat maken. Als je een tuin wil, dan moet je die aanleggen en onderhouden. Als je vee wil, dan moet je ermee kweken. Zo komt men bij een scheppingsmoment en onvermijdelijk ook bij een schepper. Ooit was er niets. Dan kwam er een mensachtige figuur (wat anders?), die alles maakte: de hemel en de aarde, het water, de planten en de dieren, de zon en de maan, de dag en de nacht. En de mens, natuurlijk, als laatste en beste, man en vrouw.
Die oorspronkelijke toestand was grondig verschillend van die waarin de mens zich bevond. In feite was die zelfs op alle punten net het tegenovergestelde. Als een mens verhalen vertelt, dan gaan die heel vaak over hoe goed het vroeger was. We weten wel dat we de waarheid daarmee wat geweld aandoen, soms zelfs heel veel geweld, maar we kunnen het niet laten. De mensen uit de oertijd waren helden, halfgoden of zelfs aan God gelijk. Onsterfelijk en zonder pijn of leed, volmaakt gelukkig. Ze hoefden niet te werken, niet te vechten met elkaar en met de wilde dieren, de planten groeiden vanzelf overvloedig, er was drinkbaar water, het was nooit te warm of te koud… Seks was er misschien wel, maar zonder zorgen, zonder dat er kinderen kwamen, want dat was lastig en riskant. Zonder concurrenten ook, zonder afgunst, zelfs zonder verwarrende begeerte die een mens verscheurt en zijn verstand verblindt. Uit de beschrijving van het paradijs en uit elke utopie kan je perfect afleiden hoe het niet was. Hoe goorder de werkelijkheid, hoe glorieuzer onze dromen. Wij schreeuwen ons gemis uit in de verheerlijking van de overvloed.
Eenmaal je een paradijselijk ver verleden hebt waarvan alles vertrekt, moet je natuurlijk ook even uitleggen hoe het komt dat het nu niet meer zo is. Zoals in alle verhalen en alle sprookjes moet er iets mis gaan. In de ervaring van de mens was onheil vaak verbonden met iets wat men verkeerd deed. Je hebt pijn omdat iemand je slaat. Je verliest iets omdat iemand het gestolen heeft. Je gaat dood omdat iemand je vermoordt. Je wordt gestraft omdat je iets hebt gedaan dat niet mag. Aan onze kinderen zeggen we voortdurend: neen! Niet doen! Braaf zijn! Niet aankomen! Afblijven! Dat is van Pappa!
Zo komt er een verbod in de Tuin van Eden. Van die ene boom, daar mag je niet van eten. Waarom niet? Omdat Ik het zeg! En omdat het de boom is van de kennis van goed en kwaad. En omdat je zal sterven als je ervan eet.
Onze auteur, laten we hem Mosje noemen, was een rasverteller. Het is niet Adam die als eerste het verbod van de Heer overtreedt, maar Eva, de gezellin die God hem heeft gegeven. Dat is veelbetekenend in de mannenmaatschappij waarin Mosje leefde. En zij doet dat niet zomaar, maar omdat ze misleid is door een boze geest, onder de vorm van een serpent, een slang. Slangen zijn in alle primitieve gemeenschappen gevaarlijke, listige dieren, die zich verbergen om dan onverwacht toe te slaan. Eva was niet bang van de slang in de Tuin van Eden: de dieren vormden toen immers geen bedreiging voor de mens, ze leefden harmonieus samen. Het was, zoals in alle sprookjes, de tijd dat de dieren nog spraken. Ze luisterde dus zonder argwaan naar de listige slang en dacht: inderdaad, het is vreemd dat God ons verboden heeft om van die ene boom te eten. Wat kan er nu verkeerd zijn met kennis, zeker met de kennis van goed en kwaad? En wat bedoelt God met sterven? In de tuin van Eden was er immers niets of niemand die stierf… Het was de eerste, maar niet de laatste keer dat een verteller een goedgelovige vrouw ten tonele voerde, die zich iets liet wijsmaken door een boosaardige geest of persoon en die haar man vervolgens overtuigde om haar te volgen in haar desastreuze keuze. De leden van de stam, verzameld rond het kampvuur in de woestijn, hingen aan Mosje’s lippen.
Aangezien het echte leven van de mens allesbehalve paradijselijk was, moest onze verteller wel uitleggen hoe dat zo gekomen was. Er was een verbod overtreden. Voordien had de mens helemaal geen behoefte aan de kennis van goed en kwaad, alles was immers volmaakt goed, er was geen kwaad. Nu wel, dus moest de overtreding te maken hebben met het verschijnen van het kwaad, het onheil, de pijn, het lijden en de dood in het leven. Dat wordt gesymboliseerd in het eten van de verboden vrucht. Door iets te misdoen verliest de mens zijn gelukzalige toestand en wordt hij zoals we hem nu kennen. De cirkel is rond, het verhaal is uit. Mosje is vertrokken van de mens zoals hij is, met al zijn miserie en is op zoek gegaan naar de verklarende oorsprong, een etiologie van dat kwaad, in een ver, mythologisch verleden. Hij heeft geschetst hoe alles is ontstaan, ook de mens. Om die oorspronkelijke toestand duidelijk te onderscheiden van de huidige, heeft hij hem afgeschilderd als een ideaal, in alles het heerlijke tegenovergestelde van de pijnlijke werkelijkheid. Maar dan moest hij ook uitleggen hoe daarin verandering is gekomen. De mens doet niet altijd het goede, dat was altijd al zo. En zo kon Mosje terugkeren naar de werkelijkheid en kon iedereen naar bed.
We moeten niet te veel aandacht schenken aan de vrucht of de boom, het had net zo goed een ander symbool kunnen zijn, bijvoorbeeld: deze rivier mag je niet oversteken, of over deze muur mag je niet klimmen, of deze deur mag je niet open doen.
Men heeft de overtreding van Adam en Eva vaak in verband gebracht met seksualiteit. Dat is echter niet noodzakelijk zo. God heeft Adam een gezellin gegeven, want hij zag dat Adam ongelukkig was zonder maatje. Hij kon wel met de dieren spelen, maar hij wou iemand van zijn eigen soort. Aangezien Adam alleen was, moest God zelf wel voor een tweede man zorgen, een mannin, bijvoorbeeld door een rib van Adam te nemen en er een vrouw uit te maken, vlees van zijn vlees. Er staat nergens vermeld of Adam en Eva seks hadden voor de zondeval, er is ook geen sprake van kinderen. We mogen dus niet zomaar zeggen dat het eten van die vrucht een symbool is voor seks. Anderzijds is het wel zo dat na de zondeval heel nadrukkelijk vermeld wordt dat er kinderen zouden komen, met pijnlijke barensweeën. De relaties tussen man en vrouw zouden ook verstoord zijn: Eva zou wel naar haar man verlangen, maar hij zou voortaan haar meester zijn, niet haar maatje… En zo geschiedde: de mensen hadden gemeenschap en hun eerste kind werd geboren.
We moeten er altijd op bedacht zijn dat het verhaal van de schepping en van de zondeval uitlegt hoe de dingen nu zijn, niet hoe ze vroeger waren. De mythische paradijselijke voorgeschiedenis is enkel een literair hulpmiddeltje, een contrast met de schrijnende realiteit, precies om al het akelige van die realiteit des te beter en nadrukkelijker onder de aanacht te brengen van de toehoorders, de lezers.
De fictieve toestand van volmaaktheid is definitief beëindigd na de zondeval. Er is geen weg terug naar de Tuin van Eden, God plaatste een bewaker aan de poort, met een vlammend zwaard.
Dat betekent dat de hele mensheid nu definitief in de bedenkelijke toestand bevindt die iedereen kent. Dat kan je uitleggen, om in de geest van het verhaal te blijven, door te zeggen dat de nakomelingen van Adam en Eva hetzelfde lot moesten ondergaan: de mens is eens en voor altijd verdreven uit het paradijs. Je kan het ook zo stellen: het lot van Adam en Eva wordt overgedragen op hun kinderen en hun kinders kinderen. Letterlijk kan je dan zeggen dat de menselijke gesteldheid, de menselijke natuur, wordt overgedragen door de voortplanting: zo de vader, zo de zoon, of beter: zo de ouders, zo de kinderen. Wil je nog verder gaan, met een beetje krom denken, dan kan je zeggen dat door de fout van de eerste ouders al de nakomelingen de zelfde straf ondergaan. We erven dus de schuld van Adam en Eva. Maar niet alleen de schuld, de gevolgen van hun misdaad. Maar vergeet het niet, het eten van die boom is maar een symbool voor het meer algemene feit dat de mens niet altijd het goede doet. Er is niemand die nooit een overtreding begaat. Los van het verhaaltje zijn we allemaal even schuldig als de fictieve Adam en Eva, zij zijn maar de poppen uit het poppenspel die de zondigheid van iedereen illustreren. Het is dus niet omdàt zij gezondigd hebben dat wij schuldig zijn, het is omdat zij zondig waren dat wij, hun kinderen, het ook zijn, want wij zijn mensen zoals zij.
Hoe meer men in de verhalen de nadruk legt op de donkere kant van het mens-zijn, op het lijden en de dood, op de problemen van het samenleven, op misdaad en straf, op oorlog en vernieling, op de moeite die de mens moet doen om te overleven, hoe meer het doorgeven van het leven op een vergiftigd geschenk begint te lijken. Iemand ongevraagd in dit wereldse tranendal plaatsen, daarmee doen we hen geen plezier. Zeker voor de primitieve mens was dat zo en voor de minstbedeelden in de maatschappij is dat nog steeds zo. Zij ervaren veeleer de lasten dan de lusten van het leven. Lijden en dood zijn vaak op de meest verschrikkelijke wijze aanwezig in het leven van de mens en niemand, ook niet de meest begaafde en begenadigde, de rijkste en de machtigste onder de mensen, ontsnapt uiteindelijk aan de dood. Vandaar dat men de voortplanting zelf in een negatief daglicht is gaan plaatsen, want het is daardoor dat kinderen geboren worden die een allesbehalve aantrekkelijk leven zullen hebben.
Men kan daarin zover gaan dat men weigert om kinderen dat aan te doen en dat men ervan afziet om zich voort te planten. Tot voor kort was seksualiteit voor iedereen onvermijdelijk verbonden met voortplanting en ook nu nog hebben de meeste vrouwen en de meeste koppels geen toegang tot voorbehoedsmiddelen of andere vormen van gezinsplanning. De enige manier om geen kinderen te hebben is dan: geen seks. Seksuele onthouding werd in die omstandigheden aangezien als een verkieslijke houding, omdat op die manier vermeden wordt dat men iemand in het ongeluk van het leven stort. Als men in die richting verder denkt, dan komen we bij een houding die niet alleen voortplanting, maar ook seksualiteit en alles wat ermee te maken heeft als iets negatiefs aanziet.
Wij zijn vertrokken van het verhaal van Mosje, de verteller in de nomadenstam in het Midden-Oosten, drieduizend jaar of meer geleden, bij de eerste mensen die bij het kampvuur fantaseerden over het ontstaan van de mens. We hebben gezien hoe zij de pijnlijke ervaring van hun moeizame strijd om te overleven illustreerden aan de hand van een scherp contrasterende Utopia, het allegorische verhaal van het paradijs en hoe de onvolmaakte mensen door hun eigen schuld uit dat paradijs verdreven werden. Het is een van de vele Bijbelse verhalen over de tekortkomingen van de mens en de straf die daarop volgt: denk aan Kaïn en Abel, aan Noach, aan Sodom en Gomorra, aan de toren van Babel. De God van Israël is een veeleisende, vertoornde, beproevende, bestraffende God, de mens is zwak en laat zich voortdurend van het rechte pad afbrengen. Dat is een constante in het Oude Testament. Het is een zeer getrouwe beschrijving van de onvolmaaktheid van de mensen en van het onheil dat hen voortdurend overkomt. De concrete verhalen in de Bijbel zijn een onontwarbaar kluwen, een tantaliserende mengeling van historische gegevens, van de verhalen over concrete mensen, met literaire toevoegingen, moraliserende interpretaties en ruimschoots hineininterpretieren honderden jaren na de feiten. De toehoorders van Mosje wisten niet altijd goed of hij nu aan het fantaseren was of getrouw de oudste geschiedenis van de stam weergaf. Ze herkenden de symbolen voor wat ze waren, ze hielden van een goede allegorie die in nauwelijks bedekte termen verwees naar een realiteit waarmee ze heel vertrouwd waren, ze kenden de vertrouwde figuren uit de ontelbare keren herhaalde verhalen, zoals wij Jan Klaassen, Faust, Roeland, de gebochelde klokkenluider van de Notre-Dame, La Traviata, Frankensteins monster, kapitein Achab, Hitler of Freddy Mercury.
Er waren evenwel ook mensen die in die verhalen een kans zagen om zich een voordelige plaats in de maatschappij te verzekeren, niet als de gevierde verteller, maar als priester en heerser. Maar dat is voor een volgende keer.

















