Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Archief

Transcendent en immanent

We moeten het eens hebben over een essentieel begrippenkoppel, namelijk transcendent en immanent. Over het onderscheid tussen die twee zijn dikke theologische en filosofische boeken geschreven; men zou zelfs kunnen stellen dat alle theologie en filosofie over dat onderscheid gaat. Laten we eens kijken of we het zinvol kunnen duiden.

Met immanent bedoelen we dat er slechts één werkelijkheid is. Alles wat we een zijnswaarde toekennen, behoort tot één en dezelfde structuur. Er is dus niets dat daarbuiten valt, er is niets dat op een andere manier ‘is’. Men noemt dat monisme, van monos, het Griekse woord voor enig, alleen. Wie aanneemt dat er twee zijnswijzen zijn, is dan een dualist en stelt dat er dingen zijn die het eerste zijnsniveau overschrijden of transcenderen.

Het monisme is natuurlijk de eenvoudigste structuur. Alles wat is, behoort tot hetzelfde domein en kan dus ook volledig vanuit die structuur verklaard worden. Men kan nooit een beroep doen op een totaal andere structuur of op totaal andere wezens om die eerste structuur te verklaren. Dat is precies wat er gebeurt in het dualisme: de hogere structuur, het transcendente is de wezensgrond en de verklaring van al het andere en verschilt daarvan fundamenteel. Het transcendente heeft te maken met het goddelijke, met God zelf.

Wie vasthoudt aan een eenheidsstructuur van het zijn, aan het immanente, heeft geen behoefte aan een bovennatuurlijke God die de verklaring is van alles. Voor de monist is denken aan een totaal andere vorm van zijn een contradictio in terminis: zijn is een absolute categorie, je bent of je bent niet, iets is of het is niet, er zijn geen alternatieven. Zijn is zijn. Er zijn ongetwijfeld eindeloos veel manieren van zijn, maar ze hebben allemaal ten minste één gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat ze behoren tot hetzelfde universum. Dat wil in de praktijk zeggen dat ze in principe voor de mens kenbaar zijn, dat ze tot onze leefwereld behoren. En dat op zijn beurt veronderstelt op zijn minst een band met het materiële.

Het zou echter fundamentele een vergissing zijn wanneer men daaruit zou besluiten dat alleen het materiële bestaat. Dat het materiële bestaat, is voor ons een evidentie. Die materie heeft echter bijzondere vormen aangenomen, die wij levende wezens noemen, en die materiële wezens hebben in en met hun lichaam vermogens ontwikkeld waarmee zij actief kunnen ingrijpen in hun omgeving. Zij geven zin en betekenis aan de materiële dingen en aan de andere levende wezens. Zij denken. Dat is een activiteit van materiële wezens, die men ook objectief kan waarnemen, bijvoorbeeld met gesofisticeerde meetapparatuur, in de hersenen. Men kan zo echter (voorlopig?) hoofdzakelijk vaststellen dat er een dergelijke activiteit is; de inhoud en de betekenis van die activiteit op die manier doorgronden is enkel mogelijk voor primaire gedachten, niet voor meer complexe ideeën of conversaties. Dat kan alleen in een echte communicatie tussen personen, vooral door de taal. Er is dus een aspect van de werkelijkheid dat gebaseerd is op de materie, maar die zelf niet materieel is, namelijk de inhoud van onze denkactiviteit, de betekenis die wij aan de dingen en de gebeurtenissen geven.

Het is dus geenszins zo dat de werkelijkheid zich beperkt tot het zintuiglijk waarneembare. Niets is meer reëel dan ons denken en voelen, niet alleen als een activiteit van ons lichaam, maar vooral als zingeving van ons bestaan. Die mentale dimensie van onze lichamelijke denkactiviteit behoort echter uitsluitend en volledig tot de wereld waarin we leven; zij is ontstaan uit de evolutionaire aanpassing van levende wezens aan hun omgeving, zonder enige inmenging vanuit een bovennatuurlijke dimensie. De mens is niet meer dan een dier met uitzonderlijk verfijnde mentale mogelijkheden die we in andere gradaties ook aantreffen bij andere levende wezens.

Dat is een eerste probleem in de discussie over het onderscheid tussen immanent en transcendent. Dualisten hebben de neiging om onze mentale vermogens los te maken van de materie. Ze spreken van een geest, een ziel, een verstand enzovoort en ze bedoelen daarmee iets dat in wezen niet materieel is, dat de materie overstijgt, dat dus behoort tot de transcendente wereld waar ook God zich bevindt. De ziel bestaat voor hen werkelijk, los van de materie. Ze is dan ook onsterfelijk, onzichtbaar, niet tastbaar enzovoort. Ze kan bestaan los van het lichaam waarin ze huist tijdens het leven. Ze heeft daardoor iets goddelijks.

Monisten zijn het daarmee absoluut niet eens. Voor hen zijn onze mentale vermogens onlosmakelijk verbonden met ons lichaam. Als dat lichaam sterft, is het ook gedaan met die bijzondere vermogens, net zoals een tijdelijke of permanente beschadiging of defect van de hersenen onmiskenbare gevolgen heeft voor onze mentale vermogens, ons denken en voelen.

Voor alle duidelijkheid: ik ben natuurlijk een aanhanger van het monisme. Als we daarvan vertrekken, al was het maar als een veronderstelling, dan is het dualisme weliswaar een fundamentele vergissing, maar anderzijds toch een verschijnsel waarvoor we een verklaring moeten geven: waarom denkt men zo? Waarom hebben zoveel mensen zo lang zo gedacht? Waarom denken nog steeds miljarden mensen zo? Wat is het mechanisme dat mensen zo doet denken? Wat is de functie van het dualisme en van het vooropstellen van het transcendente, van God?

Voor een rechtgeaarde monist is er geen sprake van transcendentie of God. Er moet dus een reden zijn waarom sommige mensen toch zo denken. Die reden kan, nog steeds vanuit onze immanente redenering, niet zijn dat er een andere dimensie is, zoals de dualisten beweren. Als er met andere woorden geen God is, waarom hebben de mensen die dan uitgevonden?

Gelovigen beweren dat op die manier de werkelijkheid het best kan verklaard worden en dat op die basis de mens het best kan leven en samenleven. Meer nog: wie niet in God gelooft, kan onmogelijk de hele werkelijkheid verklaren en kan ook niet leven zoals het hoort. Maar hoe weten ze dat? Omdat sommige mensen dat zeggen. En hoe weten zij het? Omdat God het hun, naar hun eigen zeggen, rechtstreeks heeft geopenbaard. Gods bestaan en alles wat daaruit volgt is dus, volgens de monistische en immanente redenering, een verzinsel van mensen. Het kan dan een welmenende waanidee zijn, een loutere vergissing, of een boosaardige list, waarmee men mensen om de tuin leidt, met een verborgen agenda. Als het gewoon een vergissing is, dan kan men dat ook inzien, gewoon door het gezond verstand te gebruiken. Als het een list is, die men met alle middelen probeert in stand te houden, vooral indoctrinatie en intimidatie, is het veel moeilijker om die list en die arglistige mensen en structuren te ontmaskeren, zeker voor eenvoudige mensen.

Wat kan de reden zijn van een dergelijke grootschalige manipulatie? Laten we even stellen dat die misleiding gebeurt met de beste bedoelingen, namelijk om de wereld zo leefbaar mogelijk maken voor iedereen. Maar dan moeten we aannemen dat de mensen die ons dat voorhouden ons enerzijds iets voorliegen over de grond van de zaak, namelijk het bestaan van een transcendente structuur en van God, maar anderzijds toch het beste met ons voorhebben. Bovendien moeten we ook aannemen dat zij gelijk hebben met dat te doen en dat uitgerekend en alleen zij ook nog weten wat het beste is voor ons allen en voor het hele universum. Dat wordt moeilijk, natuurlijk. Het volstaat te kijken naar wat zij ervan terecht gebracht hebben om in te zien dat er meer dan één haar in de boter is.

De wereld die door de godsdiensten beheerst wordt, is verre van volmaakt, ondanks alle beloften. De godsdienstige mens is niet beter dan de ongodsdienstige, en ook niet gelukkiger. Godsdienst is veeleer een splijtzwam en een reden tot haat en oorlog dan een oorzaak van vrede en welvaart. De enigen die echt baat hebben bij de godsdienst, zijn de bedienaars en sommige aanhangers van de eredienst.

De transcendente structuur die de dualisten hebben uitgedacht, is een middel om hun macht te legitimeren. In plaats van te spreken uit eigen naam, beroepen zij zich op God, het Almachtig Opperwezen. Veel beter kan men niet doen. Door een maatschappelijke structuur uit te bouwen die volledig berust op het principe van de Almachtige, Alwetende God, onderwerpen zij iedereen, niet aan die overigens onbestaande God, maar aan zichzelf, de bevoorrechte dienaars van God en de enigen die zijn boodschap kunnen verkondigen en verklaren. Toon mij een arme priester en ik zal geloven.

Wanneer filosofen spreken over het transcendente, gaat het met andere woorden niet over een puur filosofische veronderstelling met betrekking tot de structuur van het zijn, maar over een maatschappelijk fenomeen waarbij sommige mensen anderen misleiden met vergezochte waanideeën, met uiteindelijk als enige bedoeling het verwerven en behouden van macht, aanzien en bezit in de maatschappij.

Men kan mij natuurlijk verwijten dat ik uitga van een veronderstelling, namelijk dat het monisme waar is, en het dualisme bijgevolg onwaar. Hetzelfde kan echter gezegd worden van het dualisme, dat de transcendentie en het bestaan van God vooropstelt. Bovendien meen ik dat, louter filosofisch gezien, het monisme meer waarschijnlijk moet geacht worden dan het gelovig dualisme, dat immers steeds afhangt van een andere inbreng dan de filosofie zelf, namelijk het gratuite, arbitraire aannemen of geloven dat een dergelijke bovennatuurlijke structuur werkelijk bestaat en dat ze zich aan de mens openbaart.

 

Stuur door

Tolerantie, ofte verdraagzaamheid

Tolerantie, ofte verdraagzaamheid.

Een onvermijdelijk gevolg van pacifisme, ofte vreedzaamheid, is tolerantie, ofte verdraagzaamheid. Als we afzien van het gebruik van geweld, kunnen we immers niet anders dan aanvaarden dat anderen anders zijn, omdat we dat niet kunnen verhinderen met geweld. Er zijn allicht andere middelen dan fysiek geweld, of het dreigen daarmee, om iemand tot andere gedachten te brengen, maar niet zelden is er toch sprake van een of andere vorm van geweld, zoals bij propaganda of sterker nog, indoctrinatie. Maar zelfs het loutere weigeren om verdraagzaam te zijn, kan al een vorm van geweld zijn. Het is mijn stellige indruk dat onze huidige tijd gekenmerkt wordt door een toename van de intolerantie, en bijgevolg van geweld in vele vormen. Heden ten dage is zowat alles polemisch. Men neemt geen vrede met het vaststellen dat men van mening verschilt, noch met het objectief, niet-agressief verwoorden en duiden van die meningsverschillen, nee, elke woordenwisseling of monoloog moet polemisch zijn om goed te zijn. Meer nog, men moet consequent de daad bij het woord voegen, wil men geloofwaardig zijn.

Ik neem het voorbeeld van de Israëlische dirigent Lahav Shani (°1989). Ondanks zijn uitstekende staat van dienst, die door niemand in twijfel getrokken wordt, werd hij (samen met de Münchner Philharmoniker) geweerd voor het Festival van Vlaanderen, en ook een gepland optreden in Bozar wordt nu gecontesteerd: drie bestuursleden nemen ontslag, de partij Groen eist dat het concert geschrapt wordt, en de afdeling cultuur van de socialistische vakbond ACOD uit scherpe kritiek. Dat gaat allemaal duidelijk veel verder dan het laten blijken van ongenoegen, of het verwoorden van een mening: het komt neer op een beroepsverbod, niet alleen voor de dirigent zelf, maar ook voor het orkest waarvan hij chef-dirigent is, als opvolger van een indrukwekkende lijst topdirigenten zoals Kempe, Celibidache, Levine, Thielemann, Maazel, en Gergiev (met wie de samenwerking in 2022 verbroken werd wegens zijn nauwe banden met Poetin). Shani, die ook chef-dirigent is van het Israëlisch Filharmonisch Orkest, wordt verweten dat hij zich niet duidelijk genoeg zou distantiëren van het optreden van Israël in Gaza, wat hijzelf betwist, terecht verwijzend naar zijn expliciete uitspraken ter zake.

Het is dus blijkbaar voldoende dat bepaalde personen de indruk hebben dat men hun radicale opvattingen over de politieke situatie in Israël en ‘Palestina’ (nog steeds niet erkend door België) niet deelt, om te eisen dat iemand persona non grata wordt, ook voor zaken die niets met de situatie te maken hebben, zoals een concert van klassieke muziek. Men stelt zich niet tevreden met het uiten van een mening, men eist dat die eenzijdig gecontesteerde zaken niet doorgaan, wat anderen daarover ook mogen denken. Het gaat er dus niet om anderen te overtuigen, maar om de eigen mening door te drukken. Men wil met andere woorden verhinderen dat iets gebeurt, veeleer dan een gesprek daarover op gang te brengen.

Dat is ondemocratisch. In een rechtsstaat mag alles gebeuren wat niet verboden is. De vrijheid van meningsuiting laat toe dat men protesteert, zolang dat protest zelf niet strijdig is met de wet en de openbare orde. Men mag vanzelfsprekend ook ontslag nemen uit protest, maar dat wijst op een intolerante houding, omdat men weigert het gesprek aan te gaan en zich neer te leggen bij de beslissing van de meerderheid. Eisen dat een concert geschrapt wordt gaat te ver, meen ik: een politieke partij is geen betrokken partij in de discussie over het al dan niet plaatsvinden van een concert, haar belangen worden daardoor niet geschaad.

In deze en andere zaken gaat het me om het democratische overleg tussen mensen die over talloze zaken grondig van mening kunnen verschillen, maar toch tot compromissen bereid zijn. Als men het nooit eens raakt, als men zich nooit neerlegt bij wat de meerderheid beslist, kan er vanzelfsprekend niets meer gebeuren: er zal altijd wel iemand zijn die niet akkoord gaat. En dat is wat we zo vaak zien: één persoon, of een groep, of een instantie… verzet zich tegen iets, en daardoor wordt de hele zaak geblokkeerd. Overigens beweer ik niet dat de meerderheid altijd gelijk heeft, een meerderheid kan zich evengoed vergissen als een minderheid, of één persoon. Ik bedoel enkel dat bij betwisting een democratische meerderheid beslist, of ze nu gelijk heeft of niet. Dat is ook wat ik versta onder tolerantie ofte verdraagzaamheid, namelijk dat men onder alle omstandigheden de vrijheid van mening en meningsuiting respecteert, en dat men tevens eenieders vrijheid van handelen aanvaardt, zolang dat niet strijdig is met de wet of het algemeen belang. Wie dat niet doet, maakt zich schuldig aan machtswellust.

Concreet volgt daaruit dat men zijn ongenoegen kan uiten over het optreden van een dirigent, om welke reden dan ook, en op welke manier ook, maar dat wanneer een meerderheid zich daar niet tegen verzet, men niet mag verhinderen dat het optreden plaatsvindt, en dat zelfs niet mag wensen.

Meer algemeen is het meer dan wenselijk dat men afziet van blokkeren, beroepsverboden, ernstige verstoringen van de openbare orde, het banaliseren van uitdrukkingen als ‘onaanvaardbaar’, ‘onverenigbaar’, ‘genocide’, ‘misdaden tegen de mens(elijk)heid’ en dies meer. Aan de andere kant is het nodig dat we onze stem — beschaafd — blijven verheffen telkens wanneer wij ervan overtuigd zijn dat het algemeen belang in het gedrang komt, en zelfs wanneer wij menen dat anderen ongelijk hebben in een kwestie van enig belang. Uit die vreedzame confrontatie van mensen en ideeën komt waarheid en waarde voort, niet uit het opleggen of afdwingen van eenzijdige opvattingen.

Dat betekent ook dat de ideale wereld, waarin iedereen het met iedereen over alles eens is, niet voor morgen is, en waarschijnlijk ook niet voor later. We zullen dus moeten leven met meningsverschillen en met minder dan ideale situaties, zowel in onze eigen directe omgeving als op wereldvlak. Het blijft evenwel mijn heilige overtuiging dat we vooruitgang maken, globaal gezien, en dat steeds meer mensen het steeds beter hebben. Dat maakt de uitzonderingen helaas des te schrijnender.

Stuur door

Een ware Jood?

Natanaël: een ware Jood in wie geen bedrog is?

Veel van onze gevleugelde woorden komen rechtstreeks uit de Bijbel. Dat is nauwelijks verwonderlijk als we bedenken hoe die Bijbel het leven van talloze mensen blijvend getekend heeft. Eeuwenlang waren de Bijbelse verhalen, de Gewijde geschiedenis de enige literatuur die ze tijdens hun leven te horen kregen.

Een van de gezegdes is: ecce vere Israelita, in quo dolus non est. Dat wordt weleens gezegd om iemand te prijzen om diens eerlijkheid, oprechtheid, de afwezigheid van elke kwade bedoeling of arglist. Niet zelden gebeurt dat in een overlijdensbericht, een in memoriam, in obituaria en grafredes: de mortuis nil nisi bene, spreek over de doden geen kwaad.

Het citaat komt uit het Johannesevangelie 1:47. Dit is de context:

43Toen Jezus de volgende dag naar Galilea wilde vertrekken, trof Hij Filippus aan en zei tot hem: “Volg Mij.”  44Deze Filippus was van Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.  45Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.”  46Natanaël smaalde: “Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen?” Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.”  47Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: “Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!”  48Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Gij mij?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom zitten.”  49Toen zei Natanaël tot Hem: “Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.”  50Jezus antwoordde: “Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgenboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.”  51En Hij voegde er aan toe: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.”  

De ruimere context is de roeping van de apostelen. Het begint als een fait divers: Jezus komt een man tegen, Filippus genaamd, en zegt hem gewoon: volg mij. Blijkbaar deed Filippus dat, zoals de vorige geroepenen, en verbleef hij enige tijd in Jezus’ gezelschap, maar dat wordt hier niet vermeld; dat was voor hem nochtans voldoende om ervan overtuigd te raken dat Jezus een heel bijzondere persoon was, niemand minder dan de Messias, de Gezalfde, voorzegd door Mozes zelf in de Wet, en door de profeten. Want dat is wat Filippus vervolgens zegt aan Natanaël, kennelijk een vriend of dorpsgenoot die hij ontmoet. Die Natanaël is niet meteen overtuigd, en zegt smalend: Jezus van Nazareth is de Messias? Dat zal! Wat voor goeds kan er uit die uithoek van Galilea komen? Filippus overhaalt hem toch om Jezus te gaan opzoeken. En dan komt onze gevleugelde uitspraak van Jezus: Kijk, dat is waarlijk een man zonder kwaad opzet! Natanaël is verbaasd over die woorden: hoe kan Jezus dat weten zonder hem te kennen of iets over hem vernomen te hebben? Jezus antwoordt: je zat onder een vijgenboom toen Filippus jou aansprak. Natanaël is verbluft, en treedt Filippus bij in nog krachtiger bewoordingen: rabbi, meester, Zoon van God, koning van Israel. Jezus doet er nog een schepje bovenop: je bent onder de indruk van mijn kunsten? Je hebt nog niets gezien!

Het is best wel een vreemde perikoop, vind ik. Het begint al met de roeping van Filippus, die zonder aarzelen ingaat op Jezus simpel woord: volg me. Dat kan uit nieuwsgierigheid geweest zijn, maar meer komen we daarover hier niet te weten. Dan is er Jezus’ verrassende uitspraak bij het zien van de hem onbekende Natanaël: wat brengt hem ertoe die met woorden te prijzen die we nu nog gebruiken om iemands hoogste lof te zingen? Waarom noemt hij hem ‘Israëliet’? Dit is een hapax in de Evangelies, het woord komt nergens anders voor. Wat is, of was er verkeerd met Nazareth, de geboorteplaats van Jezus, behalve dat het een onooglijk gehucht was in Galilea, ver van Jeruzalem, en dat niet eens vermeld wordt in de Joodse Bijbel? Die en de vele andere vreemde elementen in dit einde van het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie hebben commentatoren van meet af aan verleid tot allerlei verklaringen en veronderstellingen.

Vooreerst is er verwarring ontstaan over het woordje ‘waarlijk’. In de originele Griekse tekst is dat alèthoos, in het Latijn vere, en dat zijn allebei bijwoorden. Al heel vroeg is dat in het Latijn het bijvoeglijk naamwoord of adjectief verus geworden, en dat verandert de betekenis aanzienlijk. Het wordt dan: ‘Ziedaar een ware Israëliet in wie geen bedrog is.’ Dat is ook de vorm waaronder de uitspraak in het Nederlands bekend is. De term ‘Israëliet’ betekent dan niet meer dan ‘Jood’, iemand zoals alle andere Joden toentertijd in die landstreken; er had evengoed kunnen staan: ‘mens’. Maar omdat Jezus hier uitzonderlijk die specifieke term gebruikt, is men gaan zoeken naar een bijzondere reden daarvoor. Natanaël zou dan geen persoon zijn die zich onderscheidt van sommige anderen doordat hij niet arglistig of bedrieglijk is, zoals mensen nu eenmaal soms wel zijn, maar veeleer doordat hij een Jood is, en Joden nooit bedriegers zijn: een ware Jood, komma, in wie geen bedrog is; in tegenstelling tot ‘een ware Jood in wie geen bedrog is’, zonder komma, waarbij er ook onder de Joden bedriegers zijn. Wanneer we vandaag over iemand zeggen dat hij een ware Jood is, in wie geen bedrog is, gebruiken we de eerste betekenis, die stelt dat Joden geen bedriegers zijn. Als we immers zouden veronderstellen dat er ook bedriegers zijn onder de Joden, kunnen we maar beter die term weglaten, en zeggen: dat is een waarachtige mens, in wie geen bedrog is.

Door het bijwoord ‘waarlijk’ te veranderen in het adjectief ‘waar, ware’, veranderen we niet alleen de oorspronkelijke betekenis, maar komen we serieus in de problemen bij het verklaren van de tekst: ofwel kan men ons verdenken van antisemitisme, omdat we van Natanaël zeggen dat hij —uitzonderlijk! — geen bedrieger was, terwijl Joden dat gewoonlijk wel zijn; ofwel van een onterecht filosemitisme, waarbij we zouden beweren dat ware Joden, of alle Joden zonder bedrog zijn, alsof iemand slechts een ‘ware Jood ‘ is als die zonder bedrog is.

De hele context wijst erop dat we hier niet te maken hebben met een historisch verslag over ware gebeurtenissen aan het begin van Jezus’ openbare leven, maar met een gebrekkig fictief verhaal over de roeping van enkele van de eerste volgelingen van Jezus van Nazareth, de traditionele Twaalf Apostelen. Filippus wordt in de synoptische Evangeliën slechts eenmaal vermeld, namelijk in de lijst van de twaalf; bij Johannes komt hij behalve in onze perikoop ook nog voor bij de broodvermenigvuldiging (Joh. 6:5-7), als boodschapper (12:20-22) en bij het Laatste Avondmaal (14:8-9), maar nooit met enige rol van betekenis. De eerste volgeling kennen we niet eens van naam, de tweede blijkt Andreas te zijn, en die spreekt zijn broer Simon aan, en die krijgt bij zijn eerste ontmoeting met Jezus al meteen te horen dat hij ‘de rots’ zal heten (Kefas, Petrus); bij Matteus (16:18) voegt hij eraan toe dat hij ‘op die rots zijn Kerk zal bouwen’. Dat is evident een latere toevoeging uit de tijd dat er al een Kerk was, en Petrus daarvan de (of een) leider was. Andreas speelt in het Evangelie evenmin enige rol van betekenis.

Al de magische elementen in deze perikoop lijken veeleer goedkope fabeltjes die Jezus’ bovennatuurlijke macht, zijn goddelijkheid en zijn statuut van Gezalfde (Messias, Christus) moeten bewijzen, en die uit latere tijden afkomstig zijn.

Laten we besluiten. Zoals wel vaker is het nog steeds gebruikte gevleugeld woord over de ware Israëliet in wie geen bedrog is, weliswaar afkomstig uit het Evangelie, maar is het tekstueel onnauwkeurig en tevens compleet uit zijn context gerukt. Bovendien is het in zijn context onderdeel van een verwarde, duidelijk twijfelachtige passage die enkel bij Johannes voorkomt, en helemaal geen uitspraak over de al dan niet betrouwbaarheid van Joden in het algemeen. Veeleer dan iemands bijbelvastheid, laat staan exegetische kennis te bewijzen, wijst het gebruik van deze uitdrukking vandaag veeleer op enige algemene culturele belezenheid, zonder overigens veel betekenisvols bij te dragen aan wat men met die uitdrukking over iemand zegt. Vandaag iemand anders dan een Jood een ware Israëliet noemen is op zich al riskant; elke verdere uitleg over bedrog is in die context om moeilijkheden vragen.

In een tijd van toenemende vermenging van culturen in onze samenleving zijn westerlingen weleens geneigd om zich te beroepen op hun eigenheid, en dan komt de joods-christelijke traditie onvermijdelijk ter sprake. Uit het bovenstaande blijkt dat we dat argument maar beter met enige voorzichtigheid en vooral met voldoende kennis van zaken hanteren.

 

Stuur door

Het heilige & het taboe, Herman De Dijn

Herman De Dijn, Het heilige & het taboe. De herontdekking van het rooms-katholicisme, Antwerpen: Otheo Books, 2026, 255 blz., hardcover, € 25,99.

Wat moet een atheïst als ik met een boek als dit? Vooreerst ken ik de auteur, Herman De Dijn, sinds onze studententijd aan de Leuvense universiteit, en werkten we nadien allebei ons hele actieve leven aan diezelfde universiteit, hij als hoogleraar, ik in de administratie en het beheer; bovendien hebben we allebei Spinoza bestudeerd en over hem gepubliceerd; en ten slotte zijn we sinds kort zelfs buren. Ook in onze andere publicaties hebben we ons voortdurend over dezelfde aangelegenheden uitgesproken. Maar daar houdt elke gelijkenis dan ook op. Herman is overtuigd en wervend katholiek, ik overtuigd atheïst. Ik ben het dan ook met niets van wat hij in dit boek beweert ook maar enigszins eens. Zoals hij zelf herhaaldelijk expliciet schrijft, zijn onze opvattingen fundamenteel onverzoenbaar. Dat vind ik doodjammer. Want over de allerdiepste grond van de zaak kan men het nooit oneens zijn: ‘waar het om gaat’ (het meest gebruikte cliché in het boek) is het geluk van de mensen in de samenleving.

De diepe, fundamentele, ja onverzoenbare verschillen gaan dus over de middelen. Voor De Dijn en het rooms-katholieke christendom bestaat er een bovennatuurlijke drie-ene God, naast nog andere bovennatuurlijke wezens (engelen, duivels, heiligen) en heilige zaken. Het is een complex en tot in de details door de eeuwen heen grondig uitgewerkt systeem, dat grote invloed heeft uitgeoefend in deze wereld, en dat op vele plaatsen nog doet. Zowel Herman als ikzelf zijn daarin opgevoed, maar ikzelf heb nooit geloofd. Herman wel, en hij is dat geloof trouw gebleven tot op zijn huidige gezegende hoge leeftijd. Dat respecteer ik vanzelfsprekend, maar dat verhindert niet dat ik meen dat hij zich ofwel volkomen vergist, ofwel bewust ad captandum vulgus spreekt en schrijft. Met dat laatste bedoel ik de vele filosofen, theologen, schrijvers en kunstenaars die zich als priester of leek tot het christelijk geloof bekend hebben en hun vaak indrukwekkende kennis en kunde ten dienste gesteld hebben van de Kerken, maar wier geloof niet altijd even ongetwijfeld of onbetwijfelbaar was als ze lieten uitschijnen; vaak was dat omdat hun aanzien, welstand en macht onlosmakelijk met hun trouw aan dat geloof en de Kerk verbonden was. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Welk van beide alternatieven op Herman De Dijn van toepassing is, zullen we wellicht nooit weten, en het doet er ook niet echt toe, behalve voor hemzelf. Zijn vergissing is in beide gevallen dezelfde, hoewel ze erger zou zijn in het tweede geval.

Waarin bestaat nu onze onverenigbaarheid (veeleer dan onverzoenbaarheid, die wederzijdse verdraagzaamheid lijkt uit te sluiten)? De auteur heeft het voortdurend over niet-materiële aspecten van het bestaan, het ‘reëel-symbolische’, de ‘niet-natuurlijke door symbolen vorm gegeven realiteit’ (18). Daar scheiden onze wegen. Ik ben een naturalist, materialist, monist: voor mij is er slechts één werkelijkheid, en die is materieel. De mens benadert het universum met alle menselijke capaciteiten, en duidt het in complexe gedachten en vertolkt die in benaderende bewoordingen. Godsdiensten menen dat ze om de werkelijkheid te verklaren een beroep moeten doen op een zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en op een wereldlijke hiërarchische organisatie om die geopenbaarde verklaring te verwoorden en andere mensen tot geloof in en eredienst aan het bovennatuurlijke te brengen. Ze menen dat het goddelijke rechtstreeks almachtig alomvattend ingrijpt in de wereld, al kennen ze de mens noodgedwongen maar schoorvoetend enige autonomie toe, zij het dan uitsluitend om het evident kwade te doen, en ook wat zij zelf daarnaast als het kwade bestempelen. Het christendom gelooft dat God mens is geworden in de historische persoon Jezus van Nazareth, die door zijn kruisdood de zondige mensheid met God verzoend heeft.

Ik heb dat toch wel erg onwaarschijnlijke en eindeloos verder uitgewerkte en aangedikte verhaal nooit kunnen geloven. Van kindsbeen af aan zag ik in dat het niet echt waar was, maar echt een verhaal, helemaal verzonnen door mensen. Herman De Dijn denkt daarover helemaal anders. Hij verdedigt uit alle macht die zich openbarende bovennatuurlijke werkelijkheid, en al de verbijsterende theologische en liturgische consequenties die de christelijke Kerken sinds hun ontstaan in de loop der eeuwen eraan verbonden hebben. Hij beweert bij hoog en bij laag dat de mensheid alleen daardoor kan gered worden, niet alleen met het oog op de wederopstanding na het laatste oordeel, maar ook van alle onheil in onze moderne wereld.

Wat Herman De Dijn hier debiteert, terwijl hij onverveerd Paulus’ gladius Fidei hanteert, is consequent conservatief, wat op zich geen schande is; maar het is veel meer dan dat, het is agressief aartsconservatief, op het rabiaat fundamentalistische af. Dat brengt hem ertoe om niet alleen al wat niet-godsdienstig is misprijzend af te wijzen en ongenadig te veroordelen, zonder ook maar één ogenblik blijk te geven enige kennis van, laat staan waardering voor eventuele valabele tegenargumenten, of om die bewust te verzwijgen, verblind door het eigen nochtans pijnlijk onwaarschijnlijke grote gelijk, maar ook om elke inhoudelijke of vormelijke evolutie binnen de Kerken, ook de katholieke als ketters af te doen. Met verdedigers als deze heeft de godsdienst en de Kerk voorwaar geen vijanden meer vandoen.

Onze auteur ziet zelfs hoopvolle tekenen voor een revival, zoals de ondertitel van zijn boek aangeeft, al geeft hij toe dat dat niet zozeer in West-Europa merkbaar is. Dat beweren zou ook heel moeilijk zijn: de secularisering is hier doorgedrongen tot in de kerkelijke ideologie en structuren zelf, en de ontkerkelijking is massaal en onomkeerbaar. Zijn stem is dan ook die van een eenzaam roepende in de woestijn, die compromisloos een compleet ongeloofwaardige — veeleer dan een ‘ongelooflijke’ — boodschap predikt, een kwalijk relict van een voorbije illusie zonder toekomst, getuigend van een hopeloos gefrustreerde aftandse geloofsovertuiging, die overigens nooit aanspraak kon maken op veel echte bijval, van een heilloos puritanisme, een fanatiek uitdagend traditionalisme, en een verwijtend nostalgisch pessimisme, dat bovendien schaamteloos en onvergeeflijk stekeblind blijkt voor de onvoorstelbare misdaden waaraan kerkelijken zich schuldig gemaakt hebben en blijven schuldig maken, en dat zich maar niet kan neerleggen bij het finale debacle van een onzalige, onder het mom van een godsdienstige heilsleer gewelddadig opgedrongen wereldse machtsideologie.

Veel van wat hier naar voren gebracht wordt, kwam al uitvoerig aan bod in eerdere publicaties van zijn hand. Verwacht dus niets nieuws, behalve een nog meer wereldvreemde en geradicaliseerde, ja uitdagende en soms zelfs scheldende taal, die het boek amper leesbaar maken voor zelfs deze welwillende lezer: ik beken dat ik me wegens de ergerlijke inhoud slechts met tegenzin door de hoofdstukken en de vele eindnoten heb geworsteld. Wat de auteur ook moge beweren, van filosofisch inzicht of methode is hier geen sprake, en al evenmin van theologie; vaak heeft het meer weg van een lezing voor zeldzame gelijkgestemde reactionaire Rome-getrouwen, of een homilie op een retraite van een ultraconservatieve sekte; niet zelden zijn het zure oprispingen bij de voor hem teleurstellende gebeurtenissen en ontwikkelingen in de wereld. Ik weet niet welk doelpubliek de mij overigens onbekende uitgeverij Otheo voor ogen had, maar ik kan me nauwelijks een groep of zelfs een individu voorstellen, binnen of buiten de Kerk, dat onverdeeld gelukkig zal zijn met deze péchés de viellesse, op althans enkele van de geciteerde auteurs na, allicht.

Si tacuisset, philosophus mansisset.

Stuur door

Sofokles: Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes

Sofokles, Vier helden, Aias, Herakles, Elektra, Filoktetes, Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur, Eindhoven: Damon, 2026, 350 blz., hardcover met leeslint, € 29,90.

Na de eerdere uitstekende vertaling van de drie Thebaanse tragedies rond Oidipous en Antigone (klik hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2625951) brengen Patrick Lateur en Uitgeverij Damon ons nu de vier overige bewaarde tragedies van Sofokles (496-406) in het bekende fraaie formaat dat de uitgaven van Damon kenmerkt en siert. Wat ik toen schreef blijft integraal gelden en wordt door deze nodige en bijzonder nuttige aanvulling bekrachtigd.

Het viel mij weer op dat je een zo’n tragedie op vrij korte tijd kan lezen zonder enige moeite: je blijft zonder meer geboeid door het verhaal, de dialogen en de scenische illusie die ook in deze ‘moderne’ vertaling zorgzaam bewaard blijven. Des te meer verwondert het me dat we toentertijd op school slechts moeizaam enkele verzen gelezen hebben van Homeros, en ik me weinig of niets herinner van andere Griekse auteurs, hoewel we vier tot zes uur per week Griekse les hadden, vijf jaar lang. Ook nadien heb ik deze tragedies nooit gelezen, hoewel ik toch enkele duizenden boeken gelezen heb in mijn leven. Dat is dus zonder enige twijfel de grote verdienste van de onvolprezen vertaler, Patrick Lateur, die al zoveel gedaan heeft voor de ontsluiting van de klassieke en met name de Griekse literatuur. In een tijd dat men de mond vol heeft van de verdediging van onze Westerse waarden past het dat we teruggrijpen naar de bronnen van onze beschaving, en in het besef van onze afhankelijkheid van het genie van mensen die vijfentwintig eeuwen geleden leefden, leren inzien wat precies die waarden zijn, en waarom andere, minder verheven en minder integere waarden, die ons vanuit andere tradities komen aanwaaien en zelfs bedreigen, resoluut ontkracht en afgewezen moeten worden.

Ook in deze tragedies gaat het in de eerste plaats om mensen, om hun aanvoelen, hun emoties, hun afwegingen, hun redeneringen, hun overhaaste of juist weloverwogen daden, en de gevolgen daarvan. Af en toe wordt verwezen naar goden, maar dat zijn niet meer dan pro forma literaire conventies en namen die men traditioneel geeft aan juist dat aanvoelen, die krachtige elementaire emoties, zoals liefde en haat en wrok, hoop en vrees en wanhoop en vreugde en wat die met mensen doen; en aan het wereldbestel, zoals het lot, de natuurwetten, leven en dood, ziekte, moord en vergelding.

Deze tragedies hebben hun Sitz im Leben, hun omkadering en hun herkenbaarheid in de rijke Griekse mythologie en literatuur. Het zijn als het ware commentaren, toevoegingen, parafrases, prequels en sequels op vooral de Homerische verhalencyclus, die toentertijd alom bekend was. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen hoe zelfs de kleinste allusie voldoende was om bij het publiek de juiste snaar van het collectieve geheugen te doen trillen. Als wij in onze huidige eigen cultuur zouden moeten gaan zoeken naar eenzelfde even algemeen gedeeld gedachtengoed, dan zou dat ons snel tot algehele en uitzichtloze verwarring brengen. Welke figuren, thema’s, verhalen uit onze beschavingsgeschiedenis zijn in onze veel grotere wereld alom bekend en geapprecieerd, tenzij precies die enkele uit de klassieke oudheid zoals Oidipous, Elektra, Antigone, Odysseus, Heracles, Orpheus en Erydice, Hector en Achilles? Het is niet verwonderlijk dat grote figuren uit de wereldliteratuur niet zelden naar dergelijke figuren teruggegrepen hebben als inspiratiebron voor hun eigentijdse (her)scheppingen.

Het belang van publicaties als deze kan dan ook niet overschat worden. Uitzonderlijke vertalers als Patrick Lateur, die nog bij machte zijn om op eigen kracht en met grote kennis van zaken deze teksten uit het oorspronkelijke Grieks voor een zo ruim mogelijk publiek te onthullen en te vrijwaren, kunnen niet genoeg geprezen worden om hun onverdroten inspanningen, die hun even weinig roem als gewin opbrengen, zonder dat hen dat blijkbaar ooit ontmoedigt. En een even uitzonderlijke uitgeverij als Damon verdient een ereplaats in de helaas steeds meer bedreigde, altijd al dun bezaaide rij van ernstige instellingen die zich nog bekommeren om ons gezamenlijke culturele erfgoed, en niet toegeven aan de ontstellende banaliteit van kookboeken, reisgidsen, thrillers, egotrippers en pornostrippers. Tolle, lege!

Stuur door

Goede Vrijdag 2026

attende Domine et miserere

 

ik heb gebeden

zoals me werd geheten

ze wisten zelf niet beter

of wouden het niet weten

 

holle frasen lege woorden

gepreveld zonder zin

die niemand verhoorde

als was mijn woord te min

 

ik heb gebeden en gezocht

als kind en ook later

toen bloed en rede in mij vocht

met het verlangen naar een Vader

 

het mocht niet baten

hoe ik ook smeekte en vroeg

om een woord een teken te laten

een wenk was me al genoeg

 

maar zelfs dat was mij niet vergund

ik wend me af in arren moede

van wie me geen blik waardig gunt

geen oren heeft naar mijn vrees of woede

 

ik heb gebeden en bitter geweend

me geweigerd geweten en verlaten

om niet geen genade verleend

aan mijn armzalige zelf overgelaten

 

tot ik mijn rug heb gerecht

opgestaan

het gevecht

ben aangegaan

 

er was geen Vader en geen zonde

wat men ook beweerde of beval

er was alleen de diepe wonde

de laffe leugen van de zondeval

 

bevrijd van last van eeuwen

kon ik koppig mijn eigen weg gaan

mijn diepe onschuld uitschreeuwen

geen mens kon me in de weg nog staan

 

de hemel was leeg

de aarde vervuld van belofte en pracht

was wat ik zomaar kreeg

de stralende zon in ruil voor de nacht

 

Karel D’huyvetters

Goede Vrijdag 2012

 

 

 

 

 

 

 

Stuur door

Laïcité en godsdienstvrijheid

Laïcité en godsdienstvrijheid

In 2025 werd in Frankrijk enige aandacht besteed aan het 120-jarige bestaan van de laïcité, zoals die geformuleerd werd in de befaamde wet van 1905. In Franstalig België wordt die term gebruikt voor wat in Vlaanderen veelal vrijzinnig humanisme genoemd wordt. In beide landen is er een grondwettelijke scheiding van Kerk en Staat, wat een breuk betekent met de eerdere verregaande verstrengeling van de christelijke, en vooral de katholieke godsdienst met het staatsapparaat. Die scheiding kwam tot stand door het verzet van linkse politieke partijen en niet-gelovige en agnostische intellectuelen en wetenschappers tegen het klerikalisme, de inmenging van de godsdienst in de staat, inzonderheid het onderwijs, de gezondheidszorg en de zorg voor weduwen, wezen en ouderen, de kunst en cultuur, en de morele en levensbeschouwelijke principes en hun toepassingen.

Men heeft echter een zware prijs moeten betalen voor die wettelijke scheiding van Kerk en Staat. In de wet werden namelijk de verschillende Kerken officieel erkend, en werd het aan hen toegestaan om hun activiteiten ongehinderd te ontplooien, al werd althans in Frankrijk de subsidiëring van de godsdiensten afgeschaft, met uitzondering van het onderhoud van de kerkelijke gebouwen, die eigendom van de staat werden als ze voor 1905 gebouwd waren.

Vandaag verdedigen alle Franse godsdiensten ten minste publiekelijk die wet van 1905, en ook in België zijn de Kerken best tevreden met de grondwettelijk verankerde godsdienstvrijheid. In België worden bovendien de wedden van de bedienaars van de erkende erediensten al sinds 1801 betaald door de staat; de staat subsidieert katholieke scholen, ziekenhuizen en andere caritatieve instellingen, zoals dat ook gebeurt voor de niet-confessionele, met beperkte uitzonderingen en verschillen.

Men zou dus kunnen veronderstellen dat tout est pour le mieux dans ce meilleur des mondes, maar niet iedereen is het daarmee eens. De Belgische situatie is allesbehalve een strikte scheiding van Kerk en Staat, gezien de zware subsidiëring van de godsdiensten en hun (neven)activiteiten, waarvoor iedereen, dus ook niet-gelovigen betalen, terwijl minder dan drie procent van de bevolking de wekelijkse eredienst bijwoont, slecht één op drie kinderen gedoopt wordt, minder dan een op tien huwelijken kerkelijk bekrachtigd wordt, en minder dan een op drie begrafenissen kerkelijk is. Er is dus een overgrote meerderheid in België die niet meer feitelijk kerkelijk is, en de trend van die secularisatie is stijgend.

Dat betekent dat veruit de meeste mensen niet gelovig zijn. Ze zijn dan agnostisch: ze hebben geen enkel bewijs of kennis van het bestaan van dergelijke wezens; of antiklerikaal: dan is men voorstander van de scheiding tussen Kerk en Staat, en tegen de inmenging van de Kerk in de staat; of atheïstisch, dat wil zeggen dat ze niet geloven in het bestaan van een persoonlijk bovennatuurlijk opperwezen; of anti-theïstisch: dan verzet men zich tegen het geloof in dergelijke wezens als onwaar en als schadelijk voor wie erin gelooft en voor de gemeenschap; of antigodsdienstig: dan is men niet alleen gekant tegen het geloof in dergelijke wezens, maar ook tegen individuen, organisaties en instellingen die dat geloof voorstaan en verbreiden; in feite is men dan niet tegen godsdienstigheid als dusdanig, laat staan tegen godsdienstige personen, maar tegen godsdiensten. Er zijn verschillende combinaties mogelijk: zo kan men antiklerikaal zijn zonder atheïst te zijn; of atheïst, maar niet anti-theïstisch en antigodsdienstig.

Ikzelf ben dat allemaal, overtuigd en fervent.

Daarbij wil ik evenwel met klem benadrukken dat ik even overtuigd en fervent pacifist ben. Dat betekent dat ik vooropstel dat er onder geen enkel beding geweld mag gebruikt worden om de overtuigingen die ik deel en voorsta te verspreiden en te bevorderen, of zelfs ze te verdedigen. Ik veroordeel daarom de inspanningen van het Sovjetregime, die in Albanië en onder de Khmer-rouge om de godsdienst uit te roeien in die landen, net zoals ik het geweld veroordeel waarmee godsdiensten elkaar bestreden hebben en bestrijden, en het even gruwelijke geweld waarmee ze niet-gelovigen vervolgd hebben en blijven vervolgen, evenals elke gedwongen bekering, en elke bestraffing van apostasie. Ik pleit voor een verregaande ideologische, levensbeschouwelijke en religieuze verdraagzaamheid of tolerantie, maar dat sluit niet uit dat ik mijn eigen opvattingen ter zake wil kunnen uiten, en anderen daarvan proberen te overtuigen, niet het minst door te wijzen op de flagrante onwaarheden en de manifest erg schadelijke aspecten van alle godsdienstigheid.

Er zijn dus twee betekenissen van laïcité. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat in Franstalig België die term uitsluitend en trots gebruikt wordt voor de georganiseerde vrijzinnigheid, dus voor mensen die expliciet niet gelovig zijn, en hun seculiere waarden verdedigen en uitdragen. Ze houden het niet alleen bij de zo verregaand mogelijke scheiding van Kerk en Staat, maar staan uitdrukkelijk voor een niet-confessionele levensopvatting. De godsdiensten en hun gelovigen zien in de wettelijke laïcité van de staat uitsluitend de vrijheid die ze daardoor hebben om hun godsdienst te belijden en te propageren. In ruil voor die vrijheid hebben ze afstand gedaan van hun klerikale aanspraken, en aanvaarden dat de publieke ruimte ‘neutraal’ is, maar dat laatste veeleer schoorvoetend: voortdurend proberen ze toch hun invloed te laten gelden, denk maar aan het hoofddoekendebat. De godsdiensten zijn wel voorstanders van de wet op de laïcité, om de bekende voordelen die dat voor hen oplevert, maar geen onverdeelde voorstanders van de laïcité van de samenleving; het liefst zouden ze willen dat iedereen gelovig was, zodat de ook de staat gelovig zou zijn, een theocratie, en dat is niet alleen de doelstelling van de islam.

De wetten op de scheiding van Kerk en Staat zijn er niet gekomen door de godsdiensten, wel integendeel: zij hebben die uit alle macht tegengewerkt en tegengehouden. Het zijn de niet-gelovigen en de niet-fundamentalistische, rationeel denkende gelovigen (als die er al zijn…) die de laïcité bedacht en doorgevoerd hebben, om zo toch enigszins de geüsurpeerde macht van de godsdiensten aan banden te leggen. Het is in hun strijdende traditie dat ik mij met mijn opvattingen plaats. Ik ben voorstander van godsdienstvrijheid, maar een beetje zoals de godsdiensten voorstander zijn van de wet op de laïcité: het liefst zou ik willen dat de godsdiensten hooguit een marginaal verschijnsel zouden zijn, zoals het katholicisme in België vandaag, en dat de samenleving vrij zou zijn van godsdienst: in 1905 was dat een nieuwe interpretatie van godsdienst-vrijheid, namelijk de vrijheid om geen godsdienst aan te kleven, ongehinderd en vanzelfsprekend vrij of bevrijd van godsdienst te zijn.

Imagine, no religion!

Stuur door

Gered door het geloof

Godsdienst als panacee?

Het valt me op dat er recentelijk her en der columns en opiniestukken verschijnen, van onder anderen (te)veelschrijver Rik Torfs, waarin een lans gebroken wordt voor de godsdienst als een middel tegen zowat alle kwalen van onze moderne tijd, niet het minst de beruchte burn-out die zovelen treft. De oorzaak, zo beweren althans deze en andere gelovige auteurs, is het nihilisme van onze huidige tijd. Wij hebben de godsdienst verlaten, en er is niets in de plaats gekomen. Die leegte brengt vertwijfeling mee, of ten minste onverschilligheid, banaliteit, verveling, het zwarte gat. Toen we nog met zijn allen godsdienstig waren, kwamen dergelijke beschavingsziektes niet voor. We hadden een doel om naar te streven, en die motivering gaf ons zekerheid, of toch hoop, of zelfs het geloof, dat bergen verzet.

Vreemd genoeg kijken die auteurs met danig misprijzen neer op die gelovigen van vroeger, die ze ervan betichten dat ze nauwelijks iets afwisten van hun geloof, zich wel (ongewild) lieten dopen, hun eerste en plechtige communie deden, gevormd werden, en voor de Kerk trouwden, maar zich voor de rest bitter weinig gelegen lieten aan de vele verplichtingen en verboden van de Kerk, laats staan dat ze zich zouden verdiept hebben in de meer arcane mysteries van de christelijke dogmatiek. Kijk: ofwel was iedereen vroeger diepgelovig, en waren er toen geen burn-outs, ofwel was de overgrote meerderheid slechts nominaal gelovig, en was er dus geen echte motivering, geen zekerheid, amper hoop, en zo goed als geen geloof.

Beweren dat er vroeger geen psychische problemen waren omdat iedereen gelovig was, is de waarheid wel heel erg veel geweld aandoen. Integendeel! Ontelbaar zijn de eenvoudige gelovigen die in vertwijfelde gewetensnood en diepe wanhoop terechtkwamen door de voorschriften en de leer van de Kerk ernstig en vaak letterlijk op te nemen, waardoor de innerlijke tegenspraken en de onhoudbare bovennatuurlijke aanspraken in al hun schrijnende onwaarschijnlijkheid onvermijdelijk naar voren kwamen. Het christelijke geloof is fundamenteel ongeloofwaardig, het vereist dat men afstand doet van het gezond verstand en de logica, en een sprong waagt in het ijle, om te geloven wat onmogelijk en ondenkbaar is. Voor velen werd die sprong helaas een salto mortale.

Moderne apologeten zeggen nu dat het allemaal niet zo bedoeld was, dat het om symbolen en beeldspraak gaat, en dat daarin juist de schoonheid en de kracht van de boodschap gelegen is. Dat geloven in feite een illusie is, maar wel een ‘nuttige’ illusie. Dan komt het christendom op één lijn met alle andere dergelijke illusies, godsdiensten, sekten, heilsmiddelen, verkooppraatjes, politieke programma’s, piramidespellen, wonderolie en designer drugs. God bestaat niet echt, maar als we doen alsof, komt het allemaal wel goed.

Quod non. Het ging vroeger, toen iedereen zogezegd nog geloofde, helemaal niet goed. Het gaat nu veel, ongelooflijk veel beter, en voor zoveel meer mensen, en wel inzonderheid daar waar de godsdienst zo goed als verdwenen is. Het is dan ook niet misplaatst ten minste te veronderstellen dat het ene, namelijk de spectaculaire vooruitgang van de welstand en de beschaving, alles te maken heeft met het andere, namelijk de achteruitgang van het geloof en het klerikalisme. De bewijzen liggen voor de hand, ook voor het tegenovergestelde: waar het geloof onder dwang —is er een geloof dat niet onder dwang tot stand komt en standhoudt? — aanwezig is, is de graad van beschaving altijd aanzienlijk lager, evenals de welstand. Vrijheid, gelijkheid en solidariteit, de idealen van de Verlichting die ongelovigen nastreven,  zijn afwezig in gelovige instellingen en staten. Niemand ontvlucht de vrije wereld om te gaan leven in een achterlijke staat of gemeenschap, wel andersom. Dat belet bepaalde mensen niet om vanuit hun geprivilegieerde positie in een vrij en nog nauwelijks gelovig land te pleiten voor het herstel van een vermeende gouden eeuw, toen de Kerk het voor het zeggen had, en niemand een burn-out kreeg, tenzij letterlijk, op de brandstapels van het geloof.

Het valt me telkens weer op dat die vermetele apologeten zonder uitzondering (goed tot zeer goed) betaald worden door de Kerk, dat ze hun aanzien en hun invloed te danken hebben aan hun publieke trouw aan de Kerk en haar gezag, en dat ze daarzonder ongetwijfeld stuk voor stuk zonder meer onbenullige randfiguren zouden zijn. In feite zijn zij de valse profeten voor wie in Matteüs 7, 15 gewaarschuwd wordt, ‘mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn’, overigens een beeld dat we al vinden bij Aesopus, die 600 jaar eerder leefde. Ze zijn niet bezorgd om de anderen, maar uitsluitend om hun eigen hachje, hun veilige situatie, hun ruime materiële voordelen en hoge welstand. Zij zijn de echte parasieten van onze maatschappij, die zich voeden en verrijken zonder te werken, en dan bovendien nog het lef hebben om ons de les te lezen, en ons proberen wijsmaken dat wij het helemaal verkeerd voor hebben als we onze wereld proberen uit te bouwen tot een plaats waar het voor iedereen goed is om te leven, en ons enkel bekommeren om het leven na onze dood als het om het leven van onze nakomelingen gaat.

Je moet met andere woorden al behoorlijk betoeterd zijn om je ook nog maar enigszins door dergelijke praatjes te laten misleiden. Laten we liever de passage in Matteüs 7, 15-23 ter harte nemen:

‘Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zult ge ze kennen. Plukt men soms druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, noch een zieke boom goede vruchten. Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Aan hun vruchten dus zult ge ze kennen.
   Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan? Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! ‘

Stuur door

Het christendom en de gelijkheid onder de mensen

Het christendom en de gelijkheid onder de mensen

Het is niet ongebruikelijk dat zelfs sommige onbetwijfelbaar niet-christelijke auteurs verwijzen naar het christendom als een bron van onze huidige waarden. Een typisch voorbeeld daarvan is het citeren van een passage uit Paulus’ Brief aan de Galaten: ‘Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij een persoon in Christus Jezus.’ (Gal 3, 28). Dat klinkt inderdaad heel nobel en radicaal, maar er zijn wel enkele caveats.

Vooreerst is het zo dat er geen enkel historisch bewijs is voor het bestaan van de figuur van Paulus. Hij wordt uitsluitend vermeld in christelijke teksten, zoals Frodo enkel in die van Tolkien en zijn adepten. Van wie de brieven zijn, is erg onduidelijk, en ze zijn zeker niet allemaal van dezelfde auteur. De vroegste tekst van de Galatenbrief dateert van rond het jaar 200, dus anderhalve eeuw na de vermeende ‘feiten’. Het is meer dan waarschijnlijk dat die tekst een complexe ontstaansgeschiedenis heeft gehad.

Bekijken we dan de tekst zelf.

Al meteen moet opgemerkt worden dat het citaat in zijn onmiddellijke context moet gelezen worden. Het wordt voorafgegaan door deze zinsneden: ‘Want gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed.’ Pas dan komt de tekst over Joden en heidenen &c. Het gaat dus niet om een universele uitspraak over de gelijkheid van alle mensen, maar om alle gedoopte christenen, die precies door dat doopsel gelijken zijn. Wie niet gelooft in Jezus Christus is zelfs geen kind van God!

Ik gebruikte de Willibrordvertaling van 1975, maar meer recente vertalingen wijken daarvan niet betekenisvol af. Als we dat vergelijken met de klassieke Latijnse tekst van de Neo-Vulgaat, dan valt op dat er niet staat: ‘er is geen Jood of heiden meer &c., maar ‘immers eenieder die in Christus gedoopt is… is geen Jood of Griek, is geen slaaf of vrije, is niet mannelijk en vrouwelijk’. Door te vertalen ‘er is geen Jood &c. meer’, of ‘er zijn geen Joden &c. meer’, verruimt men ongegrond de betekenis van het citaat nog verder dan al het geval was door het weglaten van de voorafgaande zinsneden. In de Griekse tekst, waarop zowel de Latijnse als de Nederlandse gebaseerd zijn, zien we dat het gaat om de (mannelijke!) ‘kinderen Gods door het geloof in Christus’. De uitdrukking ‘geen… meer’ staat niet in het Grieks, noch in het Latijn. We moeten dus veeleer lezen: ‘Jullie die in Christus gedoopt zijn, zijn bekleed met Christus. Je bent Jood noch Griek, slaaf noch vrije, noch mannelijk en vrouwelijk, want jullie zijn allen één in Christus Jezus’. Het is dus enkel het geloof dat mensen één maakt, wat ze verder ook zijn. Iedereen kan tot het geloof komen of ertoe gebracht worden, maar dat betekent nog niet dat iedereen gelijk is in alle opzichten.

Het christendom heeft een lange traditie van dat zeer selectieve gebruik van Bijbelcitaten, die vaak volledig uit hun context gerukt worden. Dat is ook hier het geval. Want waarover gaat het in deze tekst? De eerste christenen waren Joden, dat staat vast: ze vormden een van de sekten die onder de Joden bestonden in het Hellenistische syncretisme. Bij de verbreiding van de christelijke ideeën onder niet-Joden ontstond er stilaan een controverse over de Joodse rituelen en gebruiken: moesten die ook nageleefd worden door niet-Joodse bekeerlingen? Dat was wel degelijk het geval voor wie zich tot het Jodendom bekeerde. Terwijl er gedurende lange tijd veel onduidelijkheid was, en de joodse godsdienst door tal van christenen en andere bekeerlingen aangekleefd werd, waren er algauw ook twee radicale stellingen. De ene hield vol dat alle christenen, ook de niet-Joodse, alle voorschriften van de Wet moesten naleven; de andere beweerde met evenveel klem dat niet-Joden daartoe niet konden verplicht worden. Ongetwijfeld ging het dan om de meer zichtbare en drastische Joodse voorschriften, inzonderheid de verplichte (mannelijke) besnijdenis, en in mindere mate de strenge voedselwetten. Vooral de besnijdenis was een probleem, zeker bij volwassenen, bij de volkeren waar dat niet gebruikelijk was, of als barbaars beschouwd werd, zoals bij de Grieken en de Romeinen. ‘Paulus’ verdedigt hier de stelling van de nieuwe sekte, tegen die van de traditionele Joden, ongetwijfeld om zo gemakkelijker volgelingen aan te trekken. Zo kon het christendom aanspraak maken op universaliteit, terwijl het Jodendom beperkt bleef tot de Joden, op een beperkt aantal expliciete bekeringen en een wat groter aantal sympathisanten en twijfelaars na.

Het is in die context dat we ons citaat moeten lezen. Het christendom richtte zich uitdrukkelijk tot alle mensen, en niet alleen tot de Joden. Door een initiatierite, het doopsel, kon iedereen opgenomen worden in een gelovige gemeenschap die Jezus Christus als voorbeeld nam. Voor die gelovigen golden de traditionele specifieke wetten, voorschriften, rituelen en gebruiken van de Joden evident niet. Weliswaar waren er voor de christenen nieuwe gebruiken en nieuwe voorschriften, waarvan sommige verdacht veel op de oude joodse bleken te lijken.

Daaruit besluiten dat er binnen het christendom hoegenaamd geen onderscheid meer gemaakt werd tussen de mensen, is een verregaande vergissing. Het volstaat een blik te werpen op andere teksten van ‘Paulus’ en andere kerkvaders, waarin zowel over de vrouw als over slaven, ‘vreemdelingen’, kinderen, grijsaards, zondaars, homoseksuelen, andersdenkenden &c. de meest denigrerende zaken verkondigd worden. Het is ook meer dan evident dat de christelijke Kerken (in het meervoud, want er is nooit één christelijke Kerk geweest) altijd een ongemeen sterke hiërarchie gekend hebben, die elke vorm van gelijkheid ten enenmale uitsluit.

Stellen dat het christendom aan de basis ligt van de moderne gelijkheidsgedachte getuigt dan ook van een totaal gebrek aan historisch inzicht. Meer nog: in het licht van de fundamentele ongelijkheid en onverdraagzaamheid die het christendom sinds zijn aanvang en tot op de dag van vandaag kenmerkt, moet men al compleet te kwader trouw zijn om zich daaraan te wagen. Als er één instelling en één ideologie is die elke gelijkheid onder mensen principieel uitsluit, en zich altijd verzet heeft en zich nog steeds mordicus blijft verzetten tegen de idealen van de Verlichting: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, dan wel het christendom.

Stuur door

Muziek beluisteren anno 2026

Music for a while…

Zo lang als ik me kan herinneren heb ik altijd naar muziek geluisterd, zo veel mogelijk, en zo goed mogelijk. Maar nooit had ik zelfs in mijn wildste sfan-dromen (ik was een sciencefiction fan van het eerste uur) kunnen vermoeden wat me vandaag in de schoot geworpen wordt. Alle muziek die ooit opgenomen is, is nu op elk ogenblik te mijner beschikking, waar ik ook ben, en de kwaliteit van de weergave is spectaculair. Onze hoogtechnologische beschaving maakt dat mogelijk. Vooreerst is er de noodzakelijke digitalisering van oude en nieuwe muziekuitvoeringen, die toelaat die te reproduceren op steeds betere hifi afspeelapparatuur, die overigens zeer betaalbaar geworden is. Al wat je nodig hebt is een digitale muziekwinkel en audiostreamingdienst, die toegankelijk is via je PC, tablet of smartphone. Je kan luisteren via die apparaten, of het geluidssignaal doorsturen naar een hifi geluidsinstallatie naar keuze, of naar een hoofdtelefoon, of oortjes, of hoorapparaten.

Tot niet zo lang geleden was je als melomaan aangewezen op radio- en tv-uitzendingen, en op dure vinyl fonoplaten en cd’s, die bovendien veel plaats innamen bij verzamelaars. Nu krijg je voor minder dan € 15 per maand onbegrensde toegang honderd miljoen ‘tracks’ in alle mogelijke domeinen van de muziek. Streaming heeft nu al een marktaandeel van ongeveer 70 % tegenover cd’s en vinyl,  die een nichemarkt geworden zijn voor mensen die toch graag een fysiek voorwerp in handen hebben; om louter emotionele redenen, trouwens, want de muziekkwaliteit van streaming is, althans in de betaalde vorm, zelfs beter dan de beste andere muziekdragers. Streamingdiensten bieden bovendien allerlei extra diensten, zoals het opbouwen van een eigen digitale collectie, playlists, artikels over muziek en muziekapparatuur, encyclopedische gegevens over componisten, composities, artiesten, muziekgenres en -instrumenten, enzovoorts. Elke week verschijnt er een overzicht van een honderdtal nieuwe cd’s die meteen digitaal ter beschikking zijn met een simpele muisklik. Je hoeft overigens niet telkens een nieuwe keuze te maken voor de muziek die je wil horen: het programma kiest zelf muziek die lijkt op je laatste keuze, al dan niet binnen je eigen ‘bibliotheek’. Je kan ook willekeurig laten kiezen binnen een bepaald genre of een onderdeel daarvan. De mogelijkheden zijn waarlijk eindeloos, en moeiteloos, en bijna gratis. Een hemelsbreed verschil tegenover vroeger, toen muziek beluisteren, zeker voor klassieke muziek, weggelegd was voor een kapitaalkrachtige elite.

Voor melomanen zoals ik is dit werkelijk de hemel op aarde, het nec plus ultra: ik kan me niet voorstellen dat het nog beter kan. Maar dat was ook mijn aanvoelen toen de cd’s verschenen, en digitale radio… En onlangs vroeg ik me af of er ook een videostreamingdienst bestaat voor klassieke muziek, jazz en wereldmuziek en kijk: medici.tv !

Al die nieuwe technologische mogelijkheden veranderen ook het commerciële landschap. Onvermijdelijk zullen er contracten afgesloten worden tussen de artiesten, de opnamestudio’s en de streamingdiensten, dus zonder de producenten van cd’s, zowel voor live als voor opgenomen uitvoeringen. Waar vroeger de platenindustrie de markt aanstuurde,  kan heel die sector zonder meer verdwijnen door de digitalisering en automatisering. Dat maken we overigens ook mee op zowat alle gebieden, denk maar aan de banken en verzekeringsinstellingen, en de telefoonmaatschappijen, waar alles sneller, eenvoudiger en minder duur wordt, om nog te zwijgen van de wereld van de onlineverkoop. En straks verdwijnen ook de kabels uit onze straten, en krijgen we draadloos internet vanuit de ruimte.

Er zijn altijd al spectaculaire technologische vernieuwingen geweest, maar nooit zijn ze zo ingrijpend, zo universeel, en vooral zo snel na elkaar geweest. Dat we dat nog mogen meemaken nu we tachtig geworden zijn!

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten