hoe graag
wil ik de totaliteit
van ’t beleven neerschrijven
nadat ik
in het voorbijgaan
licht werd aangeraakt
door een vlaag
van verhevigde gevoeligheden
die de liefde belichaamt
laat leven
in stroomversnelling

hoe graag
wil ik de totaliteit
van ’t beleven neerschrijven
nadat ik
in het voorbijgaan
licht werd aangeraakt
door een vlaag
van verhevigde gevoeligheden
die de liefde belichaamt
laat leven
in stroomversnelling
wondere volkomenheid
wanneer ik
in jouw momenten zie
hoe jij jezelf uitzaait
traag gestadig groeit
met algeheel
knoppend mysterie
me verleidt tot binnen
de grenzen van existentie
dan laat ik me dolgraag
door wondere volkomenheid
helemaal veroveren
vol verloren uren
als het lot
keuze wegneemt
jij ligt opgebaard
vol verloren uren
in de schaduw van
een zwarte maan
ween ik
je vergeefse tranen
vlierbloesems

soms donker
af en toe klaar
wezensvreemd
naakt
zo heeft ze
een winter lang
langs de kant
van de weg gestaan
tot ze zich
in witte kantenbloei
als zoet voorjaarscreatuur
ging uiten
uit bedrukking vrij
van ganser harte toeliet
de wereld zich met haar bloei
ging verrijken
ver voor mij
het was door houvaste stilte
dat ik wist te ontdekken
wat ver voor mij
in tijd geschapen is
nog steeds met bezieling
wordt bevloed
door wat geen naam meer heeft
alomvattendheid heet
lichtverworvenheid

toe wees stil met mij
hoor hoe bomen
zachtvloeiend
sierlijk
ingetogen
lichtverworvenheid
prevelen
een waar beeld
van tedere koestering
die wij
door haast
onderwijl
zijn verloren
als vlinder
mijn hart neergelegd
in volkomen licht
op een bed
van zacht gras heb ik
mijn hart neergelegd
opdat het zich
door de strelingen
van bewegend leven
gekoesterd weet
zonder eindeloos gedroom
verder kan
ten dode
met een witgekerfde bast die
zich veel te expressief vertoont
bladerloze dooreengeleefde
naar beneden hangende takken
in elkaar gegroeide wortels die
doodvermoeid de diepte zoeken
zo houdt hij mij een spiegel voor
van eigen sterven
verliefd zijn

nog voor hij zich
in wijd verbreide
groene tooi
krachtig opengooit
word ik door zoet
zacht bloeiende bloemen
verleid tot weerschijn
zo eigen aan verliefd zijn
klaprozen

meegedragen
naar hartje zomer
zo voelt het
wanneer wij in
bloeiende bermen
rode klaprozen ontdekken
die met weloverwogen gebaren
onze brandende passie
natrillend verhalen
leren leven
laat ze diepwortelend
in eigen aard
zichzelf verheffen
tussen hemel
en aarde
schoonheid geven
ons leren
zonder beperking
te leven
zacht zand
door ogenblikken
als ademruimte
vast te houden
zacht zand
warm onder mijn
voeten aan te voelen
leer ik mezelf
weer weten
geen handen

omdat hij
zijn ogen
zou bedekken
die uitdrukken
hoe wel omlijnd
zijn voel
in beslotenheid is
heeft men
hem
geen handen gegeven
zacht kiemend
liefde
ingebed
kolkt en stroomt
ten volle waarachtig
het lichaamsbewuste
gewaarzijn
die mij
de kern leert weten
van waaruit ik
onvoorwaardelijke liefde
durf geven en nemen
zonder het minste
greintje twijfel
de bekende weg
kwijt te raken
tortelend
in gods handen
onder een hemel
die sterren ruimte geeft
om met oneindigheid te spelen
leg ik mij stil in
Gods handen neer
met het oog op een morgen
waar voorjaarslicht
middels zijn voorzienigheid
mij zal leiden langsheen
wonderlijke werkelijkheid
als geboekstaafd

wanneer gelukzalig
zeldzaam ervaren
gewoonweg ineens
mijn pad weet te kruisen
zal ik het volgaarne
diep in de zakken van
mijn jas gaan opbergen
om hen jaren later
één voor één
als geboekstaafd
naast me neer te leggen
het lente wezen