winterslaap

zullen wij
lente zaaien
om als zomeroogst
binnen te halen
zodat wij warm omgeven
kunnen liggen te leven
winterslaap
zullen wij
lente zaaien
om als zomeroogst
binnen te halen
zodat wij warm omgeven
kunnen liggen te leven
als intens schaduwbeeld

hoe verlang ik
naar de ruimte
waar wij
in hoogst menselijke uiting
het hartstochtelijke nastreefden
zelfs het bloemetjesbehang
de gevoeligheden
van je handen
als intens schaduwbeeld
liet leven



een bonte verfijning
werd als
allerindividueelste impressie
naar boven toe bewogen
om er als volmaakte zege
van weelde
zich op te richtten
naar ’t zonzilveren licht
als vereende luminatie

door lichtgolven heen
pakken wolken zich samen
als vereende luminatie
die woede aan tweent
in het duister van tegenwoordigheid
de hemel tekent
akkerdistels

ik liet hen ondergronds kruipen
wijdverspreide kolonies
van rechtopstaande
scheuten krijgen
waarbij de violette bloemen
tot pluimtrossen
gingen groeien
voor de nectarzoekende bijen
die met hun noeste arbeid
hen als symbool
van weerbaarheid
in mijn tuin verspreidden
geurende dagdromen

hoe durf je bij ’t ontwaken
palaveren over de neergang
van lyrische wanen
wanneer de opkomende zon
bijenkelken opent
zodat je op de bloembodem
een voorraad geurende dagdromen
kunt oogsten
ik droomde in blauw

ochtenddauw
maskeerde kil
het volmaakte
omtreurde stil
het pas ontwaakte
in diepgrauw
ik laakte
het vergrijsde
droomde in blauw
een vergezicht
omzoomd met zonnelicht
na het zwoele
nadat zon en maan
even samen
zalig baden
in onbegrensde koelte
na het zwoele
van een hoogzomerse dag
rekken schaduwen
zich zo lang uit
tot de wereld
donker sluit
en ik de nacht
voel komen
tulpen

eenzaamheid

de nacht bracht
de stilte nog dieper
alle woorden vervaagden
verward in een lege droom
achtergebleven tijd dwong me
tegen een muur van vergetelheid
nauwelijks ademhalend
Het is hard
zwijgen
als een vinger op je lippen
jou uit eigen woorden
doet stappen
nauwelijks ademhalend
jezelf dreigt
te verliezen
terwijl het hart verlangt
naar onvermoede bekentenissen
handenvol

hoe moeilijk was het
ze te verzamelen
handenvol weg te dragen
om in de vloeiende gang
te laten verdrinken
tot er enkel nog de vage kringen
van het diep geborgen zijn
na rimpelen
een broedtijd lang

hij vliegt
hongerig weg
terwijl zij
in de stilte
van het nest
gaat zitten wachten
een broedtijd lang
met het verlangen
haar vleugels uit te slaan
tot hij voldaan
zich over hun kroost
komt ontfermen
de linde

wil ik
het lichtwezen zijn
dat bij je blijft
jouw bloemen
helpt verrijken
zodat bijen
naar je zoete
blijven zoeken
of zeil ik
met het gevleugelde
langs hemelbogen mee
om te zien
hoe jouw prille
viltige zaden
ergens ver van hier
nieuw leven gaan baren
als opengespleten stronk

hij blijft onbewogen
vertijdloosd staan
tussen de beweeglijkheid
van wegvluchtende vogels
tot hij gevat
door een laatste schaduw
alle energie weggeeft
die hij ooit gekregen heeft
als opengespleten stronk
van hoger doel berooid
verhumusd tussen datgene
wat men leven heet
bewustzijn

waar geaardheid
de ruimte heeft
zich te ontvouwen
en ten gronde kan zijn
krijgt persoonlijkheid
een ereplaats
Hondsrozen

met hun zacht
sensuele geur
en wit
maagdelijke kleur
lijken ze drager
van het tedere
tot ik hen
door mijn handen
laat gaan
scherpte
men eerder denken
doorprikt
in de nieuwe adem

hoe wijd het grasperk
kan prijken
wanneer elk stipje wit
voor zich
en toch samen
gaat bloeien
in de nieuwe adem
die hen heeft uitgestrooid
Zegedronken

het is enkel
zijn geur
die in het donker
blijft hangen
tot mijn handen
langs de nacht
de schaduw
gaan herontdekken
vol tederheid
zijn bewegen
zegedronken vang
met mijn verlangen
vandaag misschien of morgen

pas wanneer de struik
gestreeld door zomer
vol bessenrood
te wezen staat
plukken wij samen
het zoete dat
naar steeds meer
zal smaken