weerspiegelt de hemel
een blauwe schijn
van weemoedigheid
dan zoek ik naar namen
verbeeld jaren
van lang geleden
pluk hun kleuren
voor ze in ‘t donker
dreigen te vergaan
schaduwen
zich met mij
vergroeien

weerspiegelt de hemel
een blauwe schijn
van weemoedigheid
dan zoek ik naar namen
verbeeld jaren
van lang geleden
pluk hun kleuren
voor ze in ‘t donker
dreigen te vergaan
schaduwen
zich met mij
vergroeien
als zacht zicht
heb je lief
we laten ons verdwalen
in ruimte en licht
gaan in stroming van beleven
op golven zweven
die ons leven verandert in
ik min je dolgraag
mijn schat
losraak van aarde
bezieling

Het is bezieling wanneer
de stilte mij doet uitkomen
boven een bos vol bomen
die staan te dromen
terwijl ik ze dichtbij
in weids verband
wou lezen als aards
waardevolste raakpunt

het vege
sluipt narrig
over ’t wezen heen
klaagt met
gejaagde adem
het drukke neer
laat slechts los
wanneer men
om hondsdagen weent

nachtwezend
het door licht
en schaduw
bespiedt gezicht
met uitgelezen
zwijgzaam zwarte lippen
wanneer het zich
samen met de maan
ver van ’t leven
spiegelt in kristal
gebarend water
schouderdichtstil water
weerspiegelt haar
eenzaamheid
tot ze het wegrimpelt
in nieuwe aanschijn
een weerkaatsing
schouderdicht
achter zich ziet staan
zo fijn te leven
in de schaduw
van wie
men liefheeft
de zon
tussen werkelijkheid en magie
liefdesspel
heksenkring
vreemd ademhalen
ik reik
naar het licht
dat boven mij drijft
begeef me spiegelend
tussen de banen
van beleven
vreemd ademhalen
wanneer alles om me heen
zich ijl uitbreidt
als enige het zie sneeuwen
terwijl zomer
volop heerst
in zijn verder waaien
dieprode weelde

wanneer jij
je dieprode
weelde opent
wil ik zelfs
in mijn haast
je lezen als teder
die mijn zomer
een mooie
bijklank geeft
een rijkgevulde dis
als energie stroomt
te lang en teveel
heeft ze geleefd
in der hoofd
zo weinig
vanuit de schoot
tot ze de kracht
van zachtheid ontdekte
overgaf aan de lichtheid
die zich diep
in haar verspreidde
ervan genoot
wezenlijk te zijn
het zilverzachte van de maan
de huiverende sterren
die mijn hemel scherven
bedenkelijke wind
welke mistroostig
zwenkt met verlies
over de zovele donkere
bomen getemperd in groei
doen me verlangen
naar het zilverzachte
van de maan
om de einder in volle
alwezigheid te zien
met lange lijnen
opgetild en verder gedragen
door warme handen
met verwachting
tot haar hart
dorst naar
zijn armen
hij haar
met lange lijnen
teder meeneemt
in een dans
zo de moeite waard
erin te bewegen

gestadig blind
voor volle klaarheid
blijven ze
tussen onwetendheid
zwaar hangen
tot ze licht
durven gaan reizen
zichzelf gaan zien
tussen ’t groene bestaan
van leven