hoe dwingt hij zichzelf
tot spring in ’t veld
met open
wrochtend schouwspel
wanneer hij door
schokkende verdraaiingen
binnen harde randen
acht gaat slaan op vaagheid

hoe dwingt hij zichzelf
tot spring in ’t veld
met open
wrochtend schouwspel
wanneer hij door
schokkende verdraaiingen
binnen harde randen
acht gaat slaan op vaagheid
lichtleven
in schemering
stil zichzelf
vermoedend
zoekt ze hoe
haar eigen geur
te verbreiden
vooraleer
te verstrengelen
met lichtleven
in de zon
dein en golf
zacht los
van grauw
en grijs
gestrand
in warm zand
en licht getint
door zon
weerspiegel ik
voor jou
mijn warmte
in eindeloos



wanneer ze zich kwijtend
van eigen bolstering
onthand op d’aarde vallen
is het enkel
met een blik terug
dat we hun toekomst zien
zware tijden
![949391417_3_Hh6N[1].jpg](http://94.100.120.176/1401050001-1401100000/1401054401-1401054500/1401054448_16_djyY.jpeg)
als regen en wind
jouw fluister
verdringt
dan zal ik
je bewegen
bezingen
tot je in totaliteit
weer
welig gedijt
het teloorgeganegemis
weeft het teloorgegane
samen tot herinneringen
die geen haast kennen
het hart
te verlaten
als de dagals de dag over
mijn ogen wrijft
het morgenlicht
zacht trilt
verhul ik mij
in zuiver ijl
geniet nog even
van mijn droom
tot jouw schaduw
mij verder leidt
ik smacht
naar onze werkelijkheid
toegedane dromen
laatste stukje zomer
![394137926_3_EruX[1].jpg](http://94.100.120.100/1399100001-1399150000/1399139701-1399139800/1399139731_16_RzHD.jpeg)
er wacht verval
wanneer wind
me de geur
van gehooid gras brengt
rozen vervuld
van zelfbeklag
hun uitgebloeide
bloembaden wraken
kreten van
krassende kraaien
laatste stukje zomer
wegsneren
met zielsgerucht
er wemelen nog vlinders
over een landschap
dat zo godvergeten oogt
klaar om met zielsgerucht
afscheid te nemen
van een morgen
waar eindeloos mededogen
troost zal vinden
in winterse gehechtheid
hartbrekend
hoe schrei ik
in zijn plaats
tranen
wanneer ik hem
met wijdopen
rooddoorlopen ogen
in weggeteerd gevoel
onafgebroken roerloos
zie kijken
naar spelende stofdeeltjes
die in een zonnestraal
wemelen
het kind in zich
blindelings
zelfs als schemer wroet
in de hoeken van de kamer
waar ik slaap
blijf ik blindelings
vertrouwen in dromen
die me helder laten zien
gedrongen blauw
holle woorden
als er teveel holle woorden
te vloeiend
in verzen wordt neergezet
verzwijgt de inhoud
heel dikwijls de waarheid



danig vermoeid
hurken ze tussen
’t rijpe graan neer
herdromen
het zo broodnodig
lentefrisse van weleer
om de oogst
in de palmen van elkaars
handen te kunnen leggen
klapwiekend warmwanneer regen
mijn wereld
andere muziek geeft
voel ik diep in mij
hetzelfde groen danklied
van de vogels zingen
eindeloos zacht
één en al
klapwiekend warm
met een hart
dat nog zoveel
te beleven heeft

terwijl zijn hand
tegen haar wang
speelsgewijs vraagt
van hem te houden
steelt ze zijn lichaam
met haar ogen
om dichtbij
’t hart te houden
rustig ademend
slaap hervindt
wanneer de nacht
het alleen zijn glimt
gestulpt
toen ruchtbaarheid
ging wedijveren
met extreem
erupterend lichtgeweld
leek ik
te worden gestulpt
in een moment
verder weg dan eigen tijd
met de flow meeals grijze beperktheid
diepdroeve sporen trekt
over strepen groene mysterie
wil ik naar buiten
om met de flow mee
uit te huilen
voor ruimte en tijd
overvloeit naar
gitzwarte werkelijkheid