donkere gedachten
regen striemt
de dag
naar de nacht
terug naar
troebel
kolkende dromen
waar we in
donkere gedachten
verdrinken
donkere gedachten
regen striemt
de dag
naar de nacht
terug naar
troebel
kolkende dromen
waar we in
donkere gedachten
verdrinken
met onbegrensd vertrouwen
richting mijn dromen
vliegen vlinders op
ze wakkeren me aan
om op zoek te gaan
naar het alledaagse
waarin zoveel schoonheid
ligt vervat
open bloei
open bloei
zelfs al regent het vandaag
staar ik naar deemster
dat schaduwen draagt
toch verwacht ik
als het kleine kind indertijd
de hemel terug blauw
het groeiende verheven groen
waartussen ik mijn eigen werkelijkheid
weer speels open bloei
niet wetend van elkaar
in de rimpelingen op het water
hervindt hij de bezielende geestdrift
van openbloeiende gedachten
terwijl zij stroomafwaarts
zwicht voor de zee omdat
ze haar streven erin weervindt
uitgestegen boven hulpeloosheid
leegte ontgroeid ontdekken zij beiden
alleen
het kind in hen terug
met jou
de nacht
hij haalt de hemel neer
zonder schaduwen
zelfs
mijn lichaam
ontglipt me
enkel het hart
rumoert stil
zonder te verdrinken
naar een
onomlijnde dageraad
waar ik sterf met jou
zuchtje
als ik in je aanraken
jouw weggaan voel
laat me dan
in onbestemd achter
zodat ik
kan blijven hopen
dat verrukking
me ooit nog omarmt
droom ik mijn droom
Droom ik mijn droom
het licht van de zon dat
door de groene bladeren speelt
legt warme schaduwen neer
op mijn armen - mijn benen
mijn hele lijf
verlicht mijn hart
de last mijner gedachten
met een schat aan emoties
droom ik mijn droom
tot werkelijkheid
zomers
toen ik hen zag rollebollen
met een massa gevoelens
in een kleurrijke voorraad
zoetigheid
ging ik me met
hun passie mee bemoeien
zweefde over smaak en vrolijkheid
van het ene naar het andere hoogtepunt
om me telkens weer
met een kus te laten zinken
in de schoot van schoonheid
kantbloemen
een onuitputtelijke bron
van inspiratie
de kantbloemen
langsheen de trambaan
ze komen zo met
woorden van verrukkelijkheid aan
dat ik midden hun gerucht
mijn weg naar jou hervindt
enig die pioenroos
hoe glimlacht
het tedere roze
zich hunkerend open
een welgevallige sierlijkheid
met een hart
vol spikkeltjes rode passie
zo aards en hemels tegelijk
dat ik blozend
in haar zoete adem verwaai