Naar de inhoud

Kroniek

mijn kijk op de wereld
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Archief

Thomas a Kempis, de Navolging van Christus

Thomas Kempis, De imitatie van Christus, vertaald en ingeleid door Frank De Roo, Utrecht: Kokboekcentrum Uitgevers, 2024, ISBN 978 90 435 4131 2, 509 blz., € 39,99 hardcover.

Een van de (weinige) voordelen die je hebt als recensent, is dat je door uitgeverijen, auteurs en de moderator van een recensie-site op de hoogte gebracht wordt van nieuwe publicaties die anders aan je aandacht zouden ontsnappen, en je zo aangezet wordt om die werken te lezen. Wat ons ertoe brengt om dan een boek al dan niet ter recensie aan te vragen, is een complexe aangelegenheid. In dit geval was het bij mij de gelegenheid die ik daardoor kreeg om eindelijk van nabij kennis te maken met een werk dat ik sinds mijn prilste jeugd van naam ken, zonder veel over de inhoud of de auteur af te weten. De aanleiding voor deze publicatie is de 600ste verjaardag van de voltooiing van de tekst in 1424. En het moet gezegd: het is een indrukwekkend eerbetoon, in een lijvige turf van 500 bladzijden, waarvan de vertaling zelf minder dan de helft uitmaakt. De hoofdbrok bestaat dus uit algemene en meer specifieke inleidingen, biografische en bibliografische gegevens, bronnenonderzoek, toelichtingen, en de nauwgezette identificatie van het ontstellende aantal citaten in de Latijnse tekst. Dat alles gebeurt op voortreffelijke wijze door de vertaler, die zich hier ontpopt tot een ware wereldautoriteit ter zake. We hebben hier ongetwijfeld te maken met wat nu kan gelden als de definitieve Nederlandstalige uitgave van dit werk van Thomas (a) Kempis, dat sinds zijn ontstaan ontelbare keren uitgegeven is in vele talen, en tot voor kort als een van de meest gedrukte boeken van de hele wereld gold.

Die spectaculaire populariteit van dat in vele opzichten bescheiden werk is verwonderlijk voor de meeste hedendaagse lezers. De levenshouding die Thomas erin voorhoudt, is letterlijk niet van deze wereld. Hij beweert namelijk dat men zich volledig van de wereld moet afkeren, en zich totaal overgeven aan God. Men moet als het ware een louter geestelijk wezen worden, een soort menselijke engel, en als een volmaakte persoon één worden met de volmaakte God. Meer nog, men moet zichzelf verliezen en helemaal opgaan in God. Dat is niet zomaar ascetisch leven, het is een mystieke vereniging met God, en niet minder dan een voorafname op wat wie zo geleefd heeft te wachten staat na de dood.

Die levenshouding is niet iedereen gegeven, dat geeft Thomas ook zelf toe. Ze is vooral geschikt voor het monastieke kloosterleven, al zal ook daar niet iedereen erin slagen de hoogste volmaaktheid te bereiken. Zo zien we de belangrijke beperkingen van wat hij voorhoudt. Het is een ideaal dat vrijwel niemand kan bereiken. Bovendien veronderstelt het een omgeving waarin uitzonderlijke enkelingen zich daarop kunnen toeleggen dankzij de opofferingen van talloze anderen, die moeten instaan voor het levensonderhoud van enkele begenadigde en uiterst geprivilegieerde personen. Wat wij weten over de toestanden in de kloosters in de middeleeuwen en tot ver in de twintigste eeuw, staat in schril contrast met het ideaal dat Thomas voor ogen had.

Toch is de lectuur van deze middeleeuwse tekst zeshonderd jaar later althans voor mij zeker niet nutteloos geweest. Ik heb genoten van de vele verhelderende toelichtingen van auteur Frank De Roo. Bij het lezen van de vertaling heb ik vaak in gedachten de vergelijking gemaakt met andere filosofische tradities, die veelal tot dezelfde levenswijsheden kwamen, zij het vanuit een ander Godsbeeld, zoals dat van Spinoza. Maar meestal worden dergelijke welwillende interpretaties ongedaan gemaakt door de mystieke taal en stijl en de strengreligieuze ideologie van Thomas Kempis, die meer dan waarschijnlijk mede veroorzaakt is door de precaire middeleeuwse levensomstandigheden. De grootste ellende en levensonzekerheid is niet zelden de voedingsbodem voor utopische verlangens en onrealistische dagdromen.

Zoals ik zei is dit voorzeker de definitieve uitgave van wat vroeger ‘de navolging van Christus’ heette; echter niet alleen omdat ze moeilijk te overtreffen zal blijken te zijn, maar ook omdat de behoefte eraan eerlang allicht volledig verdwenen zal zijn. Deze monumentale publicatie zou aldus weleens een praalgraf kunnen zijn voor het bescheiden boekje van een bescheiden middeleeuwse monnik.

Stuur door

De Griekse bronnen van de Verlichting

Koenraad Verrycken, Dialectiek van de Griekse Verlichting, Brussel: ASP, 2023, 272 blz., 978 94 6117 500 7, € 35 pb.

Het opzet van deze imposante monografie is zeer lovenswaardig: de verdediging van de waarden van de Verlichting tegen het heersende multiculturalisme en het cultuurrelativisme. Dat wordt evenwel slechts helemaal aan het einde expliciet vermeld. Voor het zover is, moeten we ons een weg banen doorheen het dichte struikgewas van Verryckens rumineren. Hij heeft ervoor gekozen om vanuit zijn eigen specialisme, de antieke filosofie, op zoek te gaan naar de verste voorgeschiedenis van de ‘klassieke’ Verlichting van de 17de en 18de eeuw. Zo komt hij, zoals onlangs nog Carlo Rovelli, uit bij de Ionische presocratici, en via het notoire geschrift van Adorno & Horkheimer, zelfs bij Homerus’ Ilias en Odyssee. Goed voor een bijna driehonderd grote bladzijden breed lettertapijt dat algauw voor je ogen gaat wemelen. Die omweg via het boek van Adorno en Horkheimer is niet de enige: ook uitgebreide excursussen over de secundaire literatuur over dat boek en andere, en zelfs over de tertiaire &c., worden ons niet bespaard. Alles wordt in het lang en het breed uitgesponnen. Om in zijn domein te blijven: het lijkt wel Odysseus’ hardnekkig kuise maar zoals haar echtgenoot sluwe gade, Penelope, die elke nacht wat ze overdag geweven had weer uittrok en ’s anderendaags opnieuw ter hand nam. Een andere vergelijking met Verryckens methode en stijl is deze: de repetitieve muziek van Philip Glass, waarbij een thema eindeloos gemoduleerd met nauwelijks merkbare nuances herhaald wordt. Maar als ik mag kiezen…

Let wel, voor wie zich erin wil verdiepen, is deze meer dan grondige studie best interessant. Hoewel ik sinds mijn prilste jeugd vertrouwd ben met Homerus, en zelfs grote delen ervan in het Grieks las, was ik er nog nooit toe gekomen om in Odysseus een voorloper, of zelfs de iconische aanstichter van de Verlichting te zien. Je leest immers zijn avonturen voor wat ze zijn, zonder freudiaanse of filosofische herlezingen en over-interpretaties. Odysseus als de eerste atheïst? Verrycken twijfelt geen ogenblik. Hij ziet in de hele Griekse beschaving een duidelijke trend, merkbaar vanaf het historische begin van haar literatuur, van ontmythologisering. De ‘dialectiek’ uit de titel verplicht hem ertoe om, Hegel, Marx en Adorno & Horkheimer achterna, dan ook een tegenbeweging te zien: elke Verlichting gaat over in een terugval in het duister, zoals de Franse Revolutie in de Restauratie. Die dialectiek is niet alleen een chronologisch verloop, maar synchroon aanwezig in elke periode en elk tijdsgewricht, en zelfs in een en dezelfde persoon.

De auteur heeft een opvallend complexe relatie met mythen. Verlichting is onmiskenbaar ontmyth(ologiser)en, de mot (mite in het Frans) zit in de mythe (Paul Claes). Maar Verrycken gebruikt op elke bladzijde de Griekse mythologie om zijn betoog op te bouwen. Hij behandelt daarbij de eerste (Griekse) mythische held, Odysseus, als was het een historische figuur. Nergens maakt hij de nochtans noodzakelijke sprong naar zijn schepper, de bijna even mythische dichter Homerus. Odysseus is een fictieve figuur, een verzonnen personage in twee oude verhalen. Wat Verrycken hem toedicht, moet dan wel over de auteur(s) van die verhalen gezegd worden. En dat is een zware hypotheek op de geloofwaardigheid van de redeneringen en veronderstellingen van deze auteur, en van de talloze andere auteurs die hij aanhaalt, deels om hen te nuanceren, deels om hen te verketteren, zelden om hen helemaal bij te treden. Mythen zijn mythen, verhalen zijn literatuur, fictie. Ze zeggen iets over de mensen die ze tot stand brachten, maar het zijn geen feiten, en het is geen filosofie, geen wetenschap. De grootste omzichtigheid is geboden wanneer men antieke mythen en verhalen duizenden jaren later gaat interpreteren, om ze te gebruiken als verklaringsgronden voor complexe nieuwe verschijnselen zoals de Verlichting, laat staan onze huidige samenleving. Verrycken gebruikt zijn indrukwekkende eruditie zonder scrupules, hij twijfelt geen ogenblik aan zijn gelijk, alles is voor hem overduidelijk en evident. Hij slaagt erin – bijna, meestal, enigszins – om zijn lezers mee te nemen op zijn odyssee, maar die lezers doen er goed aan om zoals Odysseus wel te luisteren naar zijn sirenenzang, maar zonder zich kritiekloos te laten meeslepen.

Zo had ik de grootste moeite met zijn verregaand iconoclastische interpretatie van Socrates/Plato. Zijn dialectologische methodologie, of moeten we het een vooringenomenheid noemen, verplicht hem om naast of na elke Verlichte denker (Aufklärer)of periode een Gegenaufklärer te ontwaren, en tot mijn niet geringe verbazing bleek dat hier zowel Socrates als Plato te zijn. Laat dat nu precies de figuren te zijn die algemeen het meest als de coryfeeën van het Griekse denken worden beschouwd. De argumenten die de auteur aanvoert voor die gedurfde stellingname overtuigen niet. Het is niet omdat Socrates zijn rede een daimonion noemt dat hij in demonen zou geloven. Het is niet omdat Plato gebruik maakt van mythen, bestaande en door hemzelf bedachte, dat hij in mythen zou geloven of wensen dat men dat doet, veeleer dan rationeel na te denken. Laten we wel wezen: Socrates/Plato (het onderscheid is heidens moeilijk te maken) vormen een hoogtepunt van het rationele denken in de Griekse oudheid, zoals eenieder die Plato leest meteen doorheeft. Men moet de zaken al heel erg hard verdraaien om hen als Gegenaufklärer af te schilderen, wat hier nochtans met verve gebeurt. Een dergelijke obstinatie (de spellingcontrole suggereert obstipatie, maar zover wil ik het niet drijven) met een idee, in dit geval de dialectiek, doet me denken aan een beleidsmedewerker van de huisvestingsdienst van de Leuvense universiteit, die in het aanbod van studentenkamers een zevenjarige opgaande en neergaande cyclus meende te onderscheiden. Het is even weinig waarschijnlijk dat elke filosofische stroming of trend zou gevolgd worden door het tegenovergestelde daarvan, als dat het aantal beschikbare kamers in een studentenstad noodzakelijkerwijs zou bepaald worden door het heilige getal zeven.

Een eindoordeel maken over dit boek is geen gemakkelijke opgave. Er zijn veel redenen om de volgehouden inspanning om tot zinvolle verklaringen te komen te bewonderen, zelfs als men het niet met alle premissen en conclusies eens is. Het opzet van het boek is zonder meer lovenswaardig, we hebben hier duidelijk te maken met een oprechte en geëngageerde aanhanger van de Verlichting. De uiterst breedvoerige stijl en de opeenstapeling van herhalingen is helaas vermoeiend, en is niet van aard om bepaalde onzekere of arbitraire stellingnames tot overtuigende waarheden te maken. Het is dus met gemengde gevoelens dat ik deze recensie afsluit, maar al bij al betreur ik het niet dat ik de nodige – niet geringe – tijd genomen heb om het helemaal aandachtig te lezen. Ik deel de mening van de auteur dat de Griekse beschaving werkelijk de wieg is van onze beschaving, en dat wij beducht moeten zijn voor de vele gevaren die de verworvenheden van die beschaving vandaag bedreigen. Voor zijn inzet ter zake in dit uiteindelijk uitdagende boek zijn wij hem zeker oprecht dank verschuldigd.

Stuur door

Islam en christendom

Danny Praet & Jan Nelis (red.), Islam & Christendom, Brussel: VUBPress, 2018, ISBN 978 90 5718722 3, 324 blz., 24x17 cm., € 35 pb.

De aanwezigheid vandaag van de islam in Europa is onmiskenbaar, maar is zeer verschillend verdeeld over de Europese landen. Er zijn landen waar de islam van oudsher aanwezig is, zoals uiteraard Turkije en Azerbeidzjan (>95%), Albanië (80-95%), en landen waar die nauwelijks doorgedrongen is (< 1%). Daarnaast zijn er een aantal landen waar de islam zeer recentelijk verschenen is, en dat zijn vooral de West-Europese, waar die 3 tot 10% van de bevolking uitmaakt. In totaal gaat het om 44 miljoen personen, 5% van de totale bevolking. Het loont dus de moeite om iets meer te weten te komen over die bevolkingsgroep, temeer omdat die in tegenstelling met sommige andere geneigd is om de aanzienlijk en fundamenteel verschillende culturele en religieuze eigenheid te bewaren, en dus een opvallende aanwezigheid is, die onvermijdelijk aanleiding geeft tot problemen in de samenleving. Onze West-Europese samenleving is in essentie democratisch en gesteund op de Verlichtingsidealen van vrijheid, gelijkheid en solidariteit, wat een scheiding van Kerk en staat inhoudt. De islam is in essentie theocratisch, wat het precies het tegenovergestelde is. Het is goed dat we ons terdege bewust zijn van wat onze waarden zijn, en van het feit dat dat niet de waarden van de islam zijn. We moeten ons zelfs de vraag stellen of twee zo verschillende bevolkingsgroepen wel kunnen samenleven. Dat is zeker niet het geval in de islam-wereld, nu niet en vroeger niet. Ons democratisch model laat niet toe een bevolkingsgroep te discrimineren. Maar meer en meer wordt de vraag gesteld of een democratie de vijanden van de democratie moet toelaten deel uit te maken van de samenleving zonder zich achter de democratische principes te scharen. Onze eigen principes, opgesteld voor de aanwezigheid van de islam door immigratie spectaculair toenam in West-Europa, laten ons niet toe moslims te verhinderen te emigreren, noch hen te verplichten te integreren. Dat is een onhoudbare situatie, en wordt ook door velen zo aangevoeld.

De bundel essays in deze publicatie, die weliswaar al van 2018 dateert, heeft niets aan belang ingeboet, integendeel. Zoals in de andere publicaties van het Centrum voor de studie van christelijke tradities van de Universiteit Gent benaderen de auteurs het thema op een voorbeeldige objectief-wetenschappelijke manier. Dat is niet zozeer als vergelijkende godsdienstwetenschappers, maar vanuit hun eigen vakgebied: filosofie, geschiedenis, taalkunde, letterkunde, kunstwetenschappen. Opvallend daarbij is de manier waarop zij er allen in slagen om onderwerpen en materies die toch niet voor iedereen dagelijkse kost zijn, zo vlot toegankelijk te maken voor een ruim publiek. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het feit dat de essays gebaseerd zijn op lezingen die gehouden werden, mede in het kader van de permanente vorming van de Gentse universiteit. Zonder uitzondering (bijna) zijn de teksten op zichzelf begrijpelijk, dat wil zeggen dat ze geen zaken vermelden die je moet gaan opzoeken voor je ze begrijpt. Waar nodig verschaft een bondige voetnoot handige toelichting, of verwijst keurig naar de bron voor een stellingname of een feitelijk gegeven.

De eerste bijdrage, van de hand van prof. Caroline Janssen, is met haar meer dan honderd bladzijden meteen een indrukwekkende entrée en matière, en bijna een boek op zichzelf, en verantwoordt aldus al volledig de aankoop. Zelden heb ik zoveel bijgeleerd, inhoudelijk en feitelijk, op een zo boeiende manier. Dit is wetenschapscommunicatie op zijn best! Aan de hand van een concrete casus, namelijk de christelijke figuren van Jezus en Maria zoals die verschijnen in de Koran en in de islam, wordt een diep inzicht geboden in het ontstaan en de essentiële kenmerken en doelstellingen van de islam. Zo wordt bijvoorbeeld de sjahada, de kernachtige ‘geloofsbelijdenis’ van de islam: ‘geen god dan God’ (Koran 3:62) verhelderend geduid als iets anders dan het gebruikelijke ‘er is geen andere God dan Allah’, wat een afwijzing van de christelijke God is. Geconfronteerd met een chaotische godsdienstige en maatschappelijke situatie wenste Mohammed een verduidelijking te brengen van ‘het boek’, de Bijbel, in een poging om de talloze interpretaties van de openbaring te verzoenen door ze terug te brengen naar hun oorspronkelijke essentie. Het officiële christendom was toentertijd na onnoemelijk veel discussies het dogma van de triniteit toegedaan, waarbij er drie afzonderlijke goddelijke personen zijn. In de islam wordt de eenheid van God uitgedrukt in de sjahada: er is slechts één God; met andere woorden: de God van de christenen en van de joden is dezelfde God en de God van iedereen. Dat betekende dat Jezus van Nazareth niet God kan zijn, en zijn moeder niet de goddelijke figuur die ze in het christendom werd. Het betoog van deze auteur wordt gekenmerkt door een uitzonderlijk inzicht en een uiterst genuanceerde benadering van de problematiek. Nergens is er sprake van overhaaste stellingnames, maar wordt integendeel voortdurend gewezen op evoluties in de begripsvorming en op de talloze afwijkende godsdienstige opvattingen in de drie godsdiensten van ‘het boek’. Wij zijn gewoon om het te hebben over die drie godsdiensten als monolithische, eenduidige en onveranderlijke structuren. Hier leren we dat de werkelijkheid oneindig veel complexer is, en dat de scheidingslijnen waarover zoveel geschreven en gestreden is, veel vager waren dan we in onze onwetendheid argeloos aannemen.

Van een gans andere aard is de studie over een stokpaardje van Henri Pirenne, de ‘vader van de vaderlandse geschiedenis’, namelijk de rol van de islam in de breuk tussen oudheid en middeleeuwen. Maar hoewel we een grote sprong in de tijd maken, blijft dezelfde genuanceerde benadering van kracht, en komt de nadruk te liggen op de kwestie zelf, veeleer dan op de vraag of de beroemde Pirenne nu eigenlijk gelijk had of niet.

Danny Praet wijst terecht op de onderlinge beïnvloeding van de Arabische en de christelijke wijsbegeerte. Hij heeft het dan over de reële bijdrage van de Arabische filosofie op haar hoogtepunt, maar weerlegt rustig de opvatting als zou het Westen zonder de islam geen weet hebben gehad van de Griekse filosofie. De Arabische vertalingen van de teksten van de Griekse oudheid gebeurden niet op grond van de Griekse originelen zelf, maar van christelijke vertalingen daarvan in het Syrisch, een taal die nauw aanleunt bij het Arabisch, wat latere vertalingen door moslims mogelijk maakte.

De tekst over de Derde Kruistocht is vlot vertaald uit het Engels, en is voor hedendaagse lezers een ware eye opener. Blijkbaar waren er zelfs ondanks de bloedige vijandelijkheden tussen de strijdende partijen voortdurend contacten tussen hen, zowel over hun aanzienlijke zakelijke belangen als over religieuze geschillen en vergelijkingen.

Gedurende achthonderd jaar heersten de moslims (onder meer) over het Iberische schiereiland. Die periode wordt veelal afgeschilderd als een bijna gelukzalige periode van vreedzaam samenleven van moslims, christenen en jaden. Ook dat beeld dient bijgesteld, en dat gebeurt hier op grond van de historische bronnen zelf, die een ander beeld schetsen dan het geïdealiseerde beeld in de hedendaagse Arabisch-islamitische wereld en in het Westen.

De bijdrage over de Nicolaus van Cusa (1401-1464) is fascinerend in haar nauwgezette analyse van twee belangrijke werken van deze vooraanstaande figuur in de kerkelijke politiek, theologie en filosofie. De discussie binnen het christendom over de waarheidswaarde van andere godsdiensten, inzonderheid de islam, en de mogelijkheid om ermee samen te leven wordt door hem weliswaar uitvoerig en ruimdenkend onderzocht, maar toch slagen zelfs de meest vooruitstrevende en welwillende christelijke figuren er niet in om afstand te doen van hun grote gelijk: de islam is uiteindelijk een ketterij en Mohammed een bedrieger.

Het Osmaanse rijk heeft het langste bestaan gekend in de geschiedenis; het is pas in 1923 ten onder gegaan. In een indringend onderzoek wordt de godsdienstige co-existentie nagegaan, vooral geconcentreerd op de periode 1300-1600. De vermeende verdraagzaamheid van de islam tegenover de Kerken en de gelovigen van de veroverde gebieden dient blijkbaar drastisch herbekeken. Dat is niet verwonderlijk, zoals we in onze inleiding al zeiden. In een theocratie is tolerantie een zeer relatief begrip. Het is theocraten altijd te doen om eigen wereldse macht, aanzien en rijkdom, en die wordt alleen maar kleiner als je die met anderen deelt – in tegenstelling tot kennis.

Verhelderend is ook de bijdrage over de interreligieuze situatie op de Balkan. Typisch voor de situatie in dat gebied is de relatieve ondervertegenwoordiging van de islam gedurende de vijf eeuwen van de Osmaanse overheersing: in al die tijd bleef veruit het grootste gedeelte van de bevolking orthodox-christelijk. De tolerantie van het moslimgezag tegenover die godsdienst kwam er in feite op neer dat men die Kerk inschakelde in het burgerlijke bestuur, inclusief het innen van de belastingen ten voordele van het centrale moslimgezag. Discriminatie en zelfs vervolging zijn een betere beschrijving van de werkelijke toestand.

Van Cappadocië kennen de meeste mensen weinig meer dan de vreemde rotslandschappen die toeristen lokken, laat staan dat we iets zouden afweten van de complexe en verre van vreedzame geschiedenis van vierduizend jaar van die landstreek. Ze werd achtereenvolgens ingenomen door de Grieken en de Turken. In 1923 werd in een verdrag tussen Griekenland en Turkije een massale volkerenruil overeengekomen. Meer dan een miljoen orthodoxe christenen werden gedwongen om hun eeuwenoude woonplaatsen in Turkije te verlaten en te her-emigreren naar Griekenland; 380.000 moslims moesten de omgekeerde beweging maken. Dat is slechts honderd jaar geleden gebeurd, maar wie heeft daarvan nu nog weet? Zelfs de betrokkenen blijkbaar niet meer. Het Cappadocisch als taal is zo goed als uitgestorven. Dat is trouwens een ander kenmerk van de islam: waar die godsdienst komt, verdwijnen de oorspronkelijke plaatselijke talen om plaats te maken voor het Arabisch.

Dat wordt bevestigd in het laatste essay, dat handelt over de situatie van de christenen in het Midden-Oosten en de wereld van de islam. Dat christendom in zijn oorsprongsgebied is tot op vandaag allesbehalve eenvormig, maar vertoont een grote culturele en dogmatische verscheidenheid. Het is dat gebied dat het eerst door de islam werd veroverd, en dus het langst heeft moeten proberen te overleven onder een allesoverheersend moslim-bewind. In de praktijk betekent het dat vandaag vrijwel alle christenen daar Arabischsprekend zijn, en dat hun geloofsgemeenschappen op vrij korte tijd marginaal geworden zijn, en vaak meer aanhangers tellen onder emigranten buiten hun oorspronkelijke landen.

Dit is een ongemeen belangrijk, interessant en buitengewoon boeiend boek, en een uitstekende inleiding in een problematiek die elke dag aan belang lijkt te winnen. Als we met moslims moeten samenleven, wat blijkbaar onvermijdelijk is, dan doen we er goed aan objectief kennis te maken met die nieuwkomers, en daaruit desgevallend de nodige conclusies te trekken. Ook voor de betrekkingen met de moslimwereld op wereldschaal mogen we ons niet verlaten op domme vooroordelen, noch op sluwe desinformatie. Een gedegen wetenschappelijk onderbouwde toelichting zoals we hier aantreffen, is dan voorzeker even noodzakelijk als zeldzaam.

Stuur door

Darwin, creationisme, intelligent design

Stefaan Blancke, De schepping na Darwin. Over modern creationisme en intelligent design, Brussel: ASP, 2017, EAN 9789057186943, 88 blz., € 20 pb.

Dit qua afmetingen kleine boekje is althans figuurlijk geen lichtgewicht. Het verscheen al in 2017, maar wordt nu door Borgerhoff & Lamberigts terecht weer onder de aandacht gebracht na hun overname van ASPPress. Zeven jaar later blijkt dat creationisme en intelligent design nog steeds erg aanwezig zijn, en dat de evolutietheorie niet tot de elementaire kennis behoort en nog steeds aangevochten wordt. Ik blijf er stellig van overtuigd dat er geen enkel inzicht is dat belangrijker is voor een goed begrip van het leven op aarde dan de evolutietheorie. Die overtuiging wordt evenwel niet gedeeld door de meerderheid van de bevolking. In het onderwijs wordt aan dat fundamentele gegeven nauwelijks aandacht besteed, en bijgevolg is vrijwel niemand in staat om het in twee minuten uit te leggen, wat nochtans perfect mogelijk is. De auteur verdedigt vanzelfsprekend het idee van de evolutie, zowel zoals het door Darwin bedacht en geformuleerd is, als in zijn huidige vorm, met alle verworvenheden van de moderne wetenschap, maar hij concentreert zich op de tegenstanders ervan, die men vooral of eigenlijk uitsluitend moet zoeken bij gelovigen, en meer bepaald bij fundamentalistische en dus strijdbare gelovigen, een groep die nog altijd even prominent aanwezig is, en misschien zelfs recentelijk nog aan belang gewonnen heeft; het volstaat te luisteren naar wat de voormalige en misschien wel volgende president van de VS openlijk verklaart, om nog te zwijgen van wat gemeengoed is in de islamitische wereld.

De analyses van Stefaan Blancke zijn grondig en degelijk, en voor iedereen – behalve natuurlijk zijn tegenstanders – verstaanbaar en overtuigend. Wat hij echter zegt over falsifieerbaarheid (blz. 67) is wat men ‘kort door de bocht’ noemt. Een theorie wordt vanzelfsprekend niet wetenschappelijk indien die falsifieerbaar is, want dan zouden alle foute theorieën wetenschappelijk zijn, quod non. Om wetenschappelijk te zijn moet een theorie falsifieerbaar zijn, en dat is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde. Wat Popper bedoelde, was dat niet-falsifieerbare theorieën niet wetenschappelijk zijn, niet dat falsifieerbare noodzakelijkerwijs ipso facto wetenschappelijk zijn. Ik heb ook wat aarzelingen over zijn interpretatie van de blijvende en algemene aantrekkingskracht van creationisme en alle teleologisch denken (blz. 79 vv.) en het zogenaamd psychologisch essentialisme. Naar mijn aanvoelen overleven foute gedachten hoofdzakelijk door machtspropaganda vanuit gezagsstructuren, die ze gewetenloos gebruiken in hun eigen voordeel, zonder zich te bekommeren om hun waarheidsgehalte.

Het is in feite jammer dat we het hier en nu nog moeten zeggen, maar een boekje zoals dit is nog heel hard nodig. Of het ook het publiek zal bereiken dat er het meest behoefte aan heeft, namelijk enerzijds de westerse modale burger die grotendeels onverschillig staat tegenover alles wat te maken heeft met fundamentele inzichten van welke aard ook, en anderzijds de aanhangers van traditionele of alternatieve geloofsovertuigingen, is zeer de vraag. Zoals de auteur aangeeft, zijn die laatstgenoemden heel wat handiger en meer succesrijk in het verspreiden van hun nefaste waanideeën dan redelijke mensen in het overtuigen van hun medemensen van de zin van de rede en de onzin van de irrationaliteit.

Stuur door

Satan

Danny Praet (red.), Satan. Een geschiedenis van de duivel, Gent: Borgerhoff & Lamberigts, 2024, EAN
9789464983418, 368 blz., € 39,99 pb.

Een in alle opzichten imposant boek, met zijn ruime afmetingen, drie centimeter dik en een gewicht van 850 gram, met een opvallende voorflap, met talloze afbeeldingen in kleur en in groot formaat, en met een schare van auteurs, allen verbonden aan de Universiteit Gent. Het boek is de weerslag van een gelijknamige lezingenreeks, georganiseerd door het Centrum voor de Studie van Christelijke Tradities van dezelfde universiteit.

Wat vooral opvalt, al is het natuurlijk niet verwonderlijk gezien de ‘afkomst’, is de onbevangen wetenschappelijke benadering van een fenomeen dat toch onlosmakelijk verbonden is met geloofstradities. Het is verfrissend om godsdienstige verschijnselen voorgesteld, geïllustreerd, toegelicht en geanalyseerd te zien zonder dogmatische vooropstellingen. Dat kan evident lijken voor wetenschappers en (andere) ongelovigen, maar wie opgebracht is in een triomfalistisch christendom of een theocratische islam beleeft op elke bladzijde een fundamentele paradigmashift. De duivel en andere wezens, en allerlei rituelen, praktijken en concepten worden herleid tot wat ze zijn: louter producten van de menselijke verbeelding en drijverijen. Hun afbeeldingen en voorstellingen in beeldende kunsten en in de literatuur zijn daarvan de stille getuigen. Uit de studie van dat in onze cultuur zo rijkelijk aanwezige materiaal blijkt – mijns inziens althans – dat de ideeën die eraan ten grondslag liggen niet zozeer spontaan mythisch opgeweld zijn bij eenvoudige mensen, maar veeleer ontsproten zijn aan de perverse bedoelingen van sluwe lieden, met als enig doel eigen gewin en macht. Dat is misschien het enige aspect dat enigszins onderbelicht blijft in deze overigens uiterst verhelderende bundel essays. Culturele antropologen en archeologen leveren waardevol werk bij het ontsluiten van gegevens vanaf de vroegste oudheid, maar zij doen er goed aan de rol te ontsluieren van de aanstichters van de ideeën die zij aantreffen, en van hun motiveringen. Het lijkt me veel minder waarschijnlijk dat mensen, vroeger en nu, schrikbarende ideeën en afbeeldingen bedenken om zichzelf te verontrusten, dan dat sommige mensen anderen schrik willen aanjagen om daarvan zelf beter te worden. Dat blijkt zowel uit allerlei praktijken in de oudheid, de middeleeuwen en zelfs onze modernere tijden, als uit onze hedendaagse tijd. Een overtuigend voorbeeld daarvan is de laatste bijdrage in de bundel, over de duivel in de film. De enige reden om een film te maken over duivelse toestanden is geld verdienen met horror. De enige reden voor het christendom om de duivel in het leven te roepen was om de mensen ‘den duvel aan te doen’, hun schrik aan te jagen, en zo het eigen gezag en de eigen macht en welstand te versterken. Griezelen kan dan al een algemeen menselijk verschijnsel zijn, maar men moet een onderscheid maken tussen de natuurlijke angsten van mensen, bijvoorbeeld voor het donker, of hoogtevrees, of de aanblik van vervaarlijke mensen en dieren, en kunstmatige horror en walg zoals de braakscène in The Exorcist.

De bijdragen van de auteurs zijn van een hoog niveau, zonder te vulgariseren, maar vlot toegankelijk voor een ruim publiek. We krijgen inderdaad een geschiedenis van het culturele verschijnsel ‘de duivel’, in de prehistorie, de oosterse, Griekse en Romeinse oudheid, de christelijke middeleeuwen en hun nawerking, een nuchter bijdrage over magie, een gedegen voorstelling van Satan en demonen in het islamitische culturele erfgoed, een uitvoerige studie van Goethes Faust. De bijdrage over de duivel in Afrika is naar mijn aanvoelen te veel beschrijvend en te weinig duidend. Er zijn gelukkig geen voet- of eindnoten, wel een bibliografie voor elke bijdrage.

We kunnen niet anders dan dit voorbeeldige boek ‘warm’ aanbevelen. Het zal er ongetwijfeld toe bijdragen om het verschijnsel ‘duivel’ in zijn ware, fictieve gedaante te zien, en zo mensen te bevrijden van onnodige irrationele en aangeprate angsten. Dat dat vandaag nog hard nodig is, moge blijken uit de aanwezigheid van de duivel in tal van godsdienstige, fundamentalistische en reactionaire discours.

Stuur door

Humanisme

Marc Van den Bossche & Robrecht Vandemeulebroecke (red.), Humanismen. Filosofische beschouwingen over diversiteit en pluraliteit, VUBPress, 2009, 288 blz., ISBN 978 90 5487 566 6, € 30 pb.

Al in het voorwoord komt het opzet van deze bundel korte opstellen tot uiting. Het zijn 26 bijdragen aan de 28ste Vlaams-Nederlandse Filosofiedag van 2006, georganiseerd aan de VUB. De sprekers van toen werd gevraagd het thema te behandelen van ‘een meervoudige invulling van het begrip humanisme’. Zo geschiedde, zij het met de nadruk op de meervoudigheid. We vernemen verder dat de meeste bijdragen afkomstig zijn van jonge vorsers. Aldus is de bundel voor hen een kans om hun publicatielijst nuttig aan te vullen. De lezers moeten met dat opzet rekening houden: dit is vaak een erg ‘academische’ bedoening.

Reeds uit de eerste bijdragen blijkt dat het de organisatoren, en bijgevolg in ruime mate ook de auteurs gaat om de ‘diversiteit en pluraliteit’ uit de titel, veeleer dan om een concrete invulling van wat het begrip humanisme inhoudt, of wat een praktisch humanisme zou kunnen zijn, al dan niet divers en pluralistisch. Van den Bossche zelf spreekt over kritisch pluralisme, maar lijkt daarmee vooral te bedoelen dat het humanisme kritisch moet zijn voor zichzelf, in tegenstelling tot kritiek te uiten op wat niet humanistisch is. Daarmee is de toon grotendeels gezet. Men vertrekt vanuit de vaststelling dat het ongepast is om heden ten dage een exclusieve en universele filosofie, laat staan een ideologie voor te staan. De concrete veelvormigheid van de menselijke opvattingen in de wereld wordt niet alleen aanvaard als een vaststaand feit, maar tevens als een norm. Humanisme mag niet vervallen in de hegemonie van bijvoorbeeld het dogmatische christendom. Daarom moet humanisme pluralistisch zijn, openstaan voor alle andere levensbeschouwingen, of zelfs daarmee samenvallen of zich daartoe herleiden en beperken. Humanisme wordt dan inderdaad humanismen, of alles wordt een humanisme. Rik Pinxten doet bijvoorbeeld al vele jaren antropologisch veldwerk bij de Navajo. Toch valt in zijn bijdrage op dat hij een mentaal voorbehoud maakt voor de ‘godsdiensten van het boek’. Hij schrijft: ‘We moeten dringend leren om die oude kaders van godsdienst en natiestaat af te gooien’ (34). De pluraliteit en multiculturaliteit, dat wil zeggen het aanvaarden van de eigenheid van anderen is enerzijds de norm voor het humanisme, maar sluit anderzijds in wat hier gepredikt wordt wel de overgrote meerderheid van de wereldbevolking uit. Navajo’s wel, joden, christenen en moslims niet dus.

Vreemd toch. En niet alleen de principiële uitsluiting van die groepen is vreemd, gezien het inclusieve karakter van het nieuwe ‘humanismen’. Uiterst bizar is dat de traditionele humanistische idealen, in hun eenvoudigste vorm van vrijheid, gelijkheid, solidariteit, geen vereiste blijken te zijn voor dat humanisme in het meervoud. Zonder ook maar iets af te weten van de ongetwijfeld rijke Navajo-cultuur, meen ik toch dat de bijdrage daarvan aan de beschaving misschien minder belangrijk is (geweest) dan bijvoorbeeld de Griekse, of de Renaissance, of de Verlichting. Als men multiculturaliteit grenzeloos en vooral principieel kritiekloos vooropstelt, is het gevaar groot dat men vervalt in louter beschrijvend antropologisch onderzoek, in woke-toestanden, en zelfs in precies wat men tracht te vermijden, namelijk nationalismen, over-beklemtoning van etniciteit, en ondemocratische politieke systemen om dat waar te maken. Het nieuwe, meervoudige humanisme danst hier op een wel heel slappe koord.

Verscheidene aspecten van deze problematiek komen op zeer verscheiden wijze en vanuit zeer verschillende oogpunten aan bod in deze bundel. De diverse auteurs benaderen het algemene onderwerp bij voorkeur vanuit hun eigen specialisme, en vaak vanuit de auteur waaraan ze hun eigen academisch onderzoek wijden, en zelfs vanuit de secundaire literatuur daarover. Alle bijdragen blijven daardoor hoofdzakelijk louter theoretisch. Een titel als ‘Eco-communautarisme. Deep Ecology metafysisch gebaseerd op leibniziaanse werelden en sociaal constructivisme’ doet het ergste vrezen, en volkomen terecht. Zelfs het artikel ‘Naar een humaan en ethisch verantwoord zorgtraject’ is door zijn theoretische aanpak veeleer voor andere ter zake onderlegde theoretici bestemd dan voor bijvoorbeeld zorgverleners, of de overigens zeldzaam geworden geïnteresseerde leek. Men kan zich afvragen voor wie dergelijke wetenschappelijke artikels bestemd zijn. Academici lezen die niet, ze weten het al, of wensen het niet te weten. Niet-academisch geschoolden komen er niet eens aan toe. Er worden bijna twee miljoen ‘papers’ per jaar geproduceerd. De helft daarvan wordt niet gelezen, nooit, door niemand. 90 % wordt nooit geciteerd. Ook publicaties als deze zijn elusief. Er zijn bijvoorbeeld in de reeks Humanismen blijkbaar nog enkele andere publicaties verschenen sinds dit ‘nulde’ nummer, maar een volledig overzicht daarvan is onvindbaar. Zoek ook maar niet op de website van het Humanistisch Verbond, nochtans een ideale plek daarvoor. Als je het kopje ‘Publicaties’ al vindt (onder ‘In de kijker’, maar je moet wel zijdelings scrollen), tref je daar sinds jaren een lege doos aan. Een verwijzing naar de ter ziele gegane ASP/VUBPress brengt je naar de website van Borgerhoff & Lamberigts, waar je evenmin een overzicht vindt.

In deze bundel valt vooral het onvermogen op om na ‘de dood van God’ op een opbouwende manier te spreken over humanisme, en al zeker om daarover enige eensgezindheid te bereiken. Men krijgt zelfs de stellige indruk dat die eensgezindheid niet eens wenselijk is. De om-waardering aller waarden wordt dan een ontwaarding aller waarden, of een erkenning van alle bestaande waarden. De waarden die onze beschaving schragen, worden dan gelijkgeschakeld met alle andere. Dat defaitisme is betreurenswaardig en ergerlijk, zeker als zich dat voordoet bij personen die zich humanisten noemen. Corruptio optimi pessima. Of om het Bijbels te formuleren: ‘Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden gemaakt? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.’ (Matteüs 5, 13)

Stuur door

Godsdienstvrijheid

Godsdienstvrijheid

Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van geboden en voorschriften. (UVRM 1948, art. 18)

1. Eenieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.

2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden.

3. De vrijheid van eenieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich ertoe de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te verzekeren. (IVBPR 1966, 1976, art. 18)

Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. (EVRM 1950, 1998, art. 9)

Uit al deze essentiële teksten uit onze belangrijkste universele en Europese verdragen blijkt dat godsdienst (religion) een uitzonderlijke bescherming geniet. Het valt evenwel op dat nergens gedefinieerd wordt wat daaronder moet verstaan worden, en wat niet. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de omstandigheden van tijd en plaats. De vroegste teksten kwamen tot stand in een bijna uitsluitend christelijke context, en voor er sprake was van grootschalige migratie. Godsdienstvrijheid betekende in feite de vrijheid van de bestaande godsdiensten om ongehinderd hun activiteiten te ontplooien in democratische staten. Men hoefde het begrip ‘godsdienst’ niet te definiëren, iedereen wist maar al te goed wat ermee bedoeld werd, men kon er niet naast kijken, ze waren maatschappelijk maar al te nadrukkelijk aanwezig. Ze waren een vast onderdeel van de beschaving, met tradities die millennia teruggaan in de tijd. Ze genoten een enorm moreel gezag en ontzag als de behoeders van het ‘heilige’, dat door vrijwel niemand ernstig in vraag gesteld werd. Zonder veel te weten over niet-christelijke godsdiensten ging men ervan uit dat voor hen hetzelfde gold.

De tijden zijn veranderd. De teksten niet of nauwelijks. Het christendom heeft in de meest westerse landen sindsdien veel van zijn aanhang en invloed verloren. Andere godsdiensten zijn prominenter geworden. De islam is radicaler geworden en heeft in verscheidene landen de macht over de staat overgenomen, en zich over andere landen verspreid door migratie. De belangen en de wetten van staat en godsdienst komen alsmaar vaker met elkaar in conflict. Vooral onder intellectuelen neemt het atheïsme sterk toe, maar in democratieën aanvaarden ook veel gelovigen een bijna volledige scheiding van Kerk en staat. Godsdienst is voor velen niet meer ‘heilig’.

Op de keper beschouwd is godsdienst niets anders dan een vereniging van mensen. Toegegeven, het waren en zijn vaak grootschalige verenigingen, en ze hebben een zeer belangrijke rol gespeeld in onze geschiedenis. Maar er is niets ‘heiligs’ aan een godsdienst, er is geen fundamenteel verschil met andere verenigingen. Het feit dat ze zich beroepen op een hoger bovennatuurlijk wezen heeft wettelijk gezien geen enkel belang, en dat is ook de reden waarom het niet vermeld wordt in de universele en Europese verklaringen en verdragen. Telkenmale de godsdiensten probeerden om dat te laten opnemen in de teksten, heeft men dat uiteindelijk afgewezen, omdat het nu eenmaal onbewijsbaar is. Er is met andere woorden geen enkele reden om bijzondere afspraken te maken voor godsdiensten. De bepalingen over godsdienst maken deel uit van de meer algemene teksten over de vrijheid van gedachten en van handelen. Alles wat daar over godsdienst gezegd wordt, geldt met andere woorden onverminderd voor alle godsdiensten en voor andere verenigingen en organisaties, en voor alle individuen, ook voor ongelovigen, atheïsten, vrijdenkers, humanisten, secularisten of hoe men ze ook wil noemen. Aan de andere kant leidt het ontbreken van een definitie van godsdienst ertoe dat om het even welke organisatie zich een godsdienst kan noemen. Ook dat was niet echt voorzien toen de basisteksten opgesteld werden, maar sluwe lieden maakten er wel gebruik van om zich te verzekeren van al de privileges en voordelen van dat beschermende statuut. Het bewijst ten overvloede dat het in al die teksten ontbreekt aan ernstige juridische, filosofische, sociologische grondslagen. Men doet uitspraken over een maatschappelijk verschijnsel zonder het te definiëren. Dat is om moeilijkheden vragen.

En die heeft men ook gekregen. Het christendom heeft sinds zijn ontstaan een fundamenteel probleem met (onder meer…) seksualiteit. Aanvankelijk achtte men die overbodig, aangezien het einde der tijden nabij was. Toen dat uitbleef, behield men de notie van de maagdelijkheid, de seksuele abstinentie, als een verplichting voor alle bedienaars en alle religieuzen, en een ideaal voor alle gelovigen. Dat betekent dat iedereen die seksueel actief is, en iedereen is dat op een of andere manier, een zware religieuze overtreding begaat. De personen die gebonden zijn door hun belofte van kuisheid konden zich daaraan onmogelijk absoluut houden, maar omdat een wettelijk kader ontbrak voor hun seksuele activiteiten, konden ze niet anders dan onwettige relaties aangaan, en dat hebben ze altijd gedaan. Seksueel misbruik in de Kerk is derhalve een onuitroeibaar kwaad. De bestraffing ervan is echter altijd uitgebleven, omdat de clerus er niet voor vervolgd werd door de burgerlijke overheid; men gedoogde en liet het aan de Kerk zelf over om eventueel maatregelen te nemen. Die Kerk wist maar al te goed dat men het probleem van het celibaat onoplosbaar is, en gedoogde alles, overal.

Meer algemeen komen Kerken meer en meer in botsing met de burgerlijke wetgeving naarmate hun wetten en voorschriften verschillen van die burgerlijke wetten en voorschriften. Sinds mensenheugenis is er tussen hen een strijd over wie het hoogste gezag heeft, de Kerk of de staat. De hierboven geciteerde teksten zijn daarover duidelijk: kerkelijke voorschriften kunnen ‘aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. (EVRM 1950, 1998, art. 9) Dat bevestigt formeel het hogere gezag van de staat inzake de Kerken, met de vermelde uitzonderingen. Ook die regel is ipso facto van toepassing voor alle verenigingen en organisaties, en er is dus geen enkele reden om die speciaal te vermelden voor godsdiensten; met andere woorden, godsdiensten hebben op basis van hun statuut als godsdienst niet meer recht op uitzonderingen dan andere dergelijke verenigingen, en zijn dus verplicht om alle wettelijke verplichtingen te onderhouden, ook als die strijdig zijn met hun vermeende goddelijke wetten. De burgerlijke wetgeving erkent impliciet of expliciet het bestaan van godsdiensten, maar niet het bestaan van God. Ze ziet godsdiensten voor wat ze zijn: organisaties van mensen.

Dat is uiteraard niet naar de zin van de meeste godsdiensten en hun leiders.

Het Comité Mensenrechten van de Verenigde Naties (Centre for Civil and Political Rights) stelt in zijn General Comment n°22 bij art. 18 (zie hierboven) onder meer dit: (2) Artikel 18 beschermt theïstische, non-theïstische en atheïstische overtuigingen, evenals het recht om geen enkele godsdienst of overtuiging te belijden. (Article 18 protects theistic, non-theistic and atheistic beliefs, as well as the right not to profess any religion or belief.) Niemand kan dus gedwongen worden om kerkelijke of religieuze voorschriften na te leven (5). Men kan ook niet discrimineren tegen anders- of niet-gelovigen: The fact that a religion is recognized as a State religion or that it is established as official or traditional or that its followers comprise the majority of the population, shall not result in any impairment of the enjoyment of any of the rights under the Covenant, including articles 18 and 27, nor in any discrimination against adherents to other religions or non-believers.

Dat beperkt vanzelfsprekend ingrijpend de macht van de grote godsdiensten. Het is zelfs zeer de vraag of godsdiensten een reële kans op overleven hebben als ze de bevolking niet meer kunnen dwingen om tot hun godsdienst te behoren of de voorschriften daarvan na te leven. Dat is wat we overal zien waar een scheiding van Kerk en staat van kracht is; doordat enkel nog de burgerlijke wetten bindend en afdwingbaar zijn, worden kerkelijke wetten niet meer nageleefd. De nadrukkelijke bescherming die godsdienst in al die teksten geniet, is overbodig omdat ze universeel geldig is voor alle dergelijke al dan niet godsdienstige verenigingen. Door uitdrukkelijk alle godsdiensten, ook nieuwe en minoritaire (2) te beschermen, ontneemt men aan elke godsdienst het alleenrecht om algemene verplichtingen op te leggen. De vrijheid van een godsdienst wordt beperkt door de vrijheid om er niet in te (blijven) geloven, om in een andere te geloven, of in geen enkele te geloven.

De rechten van godsdiensten worden aldus op ten minste twee manieren beperkt. Enerzijds zijn ze niet afdwingbaar, en slechts geldig voor wie ze vrijwillig aanneemt, en anderzijds zijn ze ondergeschikt aan de staatswetten. In landen met een democratisch regime betekent dat in de praktijk het einde van de macht van godsdiensten. In die landen ziet men dan ook dat er bijna geen wetten of voorschriften zijn die de rechten van godsdiensten beperken. Dat staat in schril contrast met landen waar de godsdienst alle macht in handen heeft: nergens zijn er zoveel discriminerende en zulke drastische wetten inzake godsdienst, en zoveel inbreuken op de universele verklaringen en verdragen over godsdienstvrijheid als in theocratische regimes, in de praktijk altijd islamitische, die alleen op die manier kunnen blijven bestaan.

De religieuze rechten kunnen ‘slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.’ Er moet dus enerzijds een uitdrukkelijke burgerlijke wetgeving zijn die ingaat tegen de religieuze voorschriften, en anderzijds mag dat enkel wanneer essentieel geachte waarden van de samenleving of fundamentele individuele rechten en vrijheden in het gedrag komen door de religieuze voorschriften. Wat de wet verbiedt, is niet toegelaten, en wat niet door de wet verboden is, is toegelaten. Dat hoeft geen betoog, dat geldt voor alles en voor iedereen. Het specifieke van die bepaling over de godsdiensten is de beperking tot essentiële waarden en rechten. Maar het is het exclusieve en autonome prerogatief van de staat om al dan niet op te treden tegen godsdiensten; enkel het staatsgezag bepaalt wanneer die essentiële waarden en vrijheden gevaar lopen door religieuze voorschriften. Gelovigen en hun vertegenwoordigers kunnen net zoals alle burgers en organisaties daartegen bezwaar aantekenen, maar zolang de wetten gelden, moeten ze zich zoals alle burgers erbij neerleggen.

Strikt gesproken gaat het om woord en wederwoord, welles nietes: in beide gevallen zijn het mensen die een uitspraak doen over andere mensen. In een democratie geldt evenwel dat het hoogste gezag bij de staat berust, die met instemming van de meerderheid van het parlement de wetten opstelt en ze laat handhaven. Dat is de democratische maatschappelijke en politieke afspraak.

In de praktijk zal dat onvermijdelijk aanleiding geven tot controverses. Wat een godsdienst als een essentieel aspect van zijn eigenheid beschouwt omdat het gebaseerd is op een goddelijk gebod, is voor de burgerlijke overheid niet meer dan een willekeurige menselijke regel van een organisatie of een vereniging van burgers. Godslastering is in elke godsdienst reden voor anathema, maar blasfemie is in vele beschaafde landen uit de strafwet verdwenen. Recente discussies over hoofddoeken, die door bepaalde strekkingen van de islam verplicht gesteld worden, maar verboden worden door verenigingen, besturen en instellingen, maken duidelijk dat de meningen grondig verschillen. De toelichting bij art. 18 stelt weliswaar: The observance and practice of religion or belief may include not only ceremonial acts but also such customs as the observance of dietary regulations, the wearing of distinctive clothing or head coverings, […], maar dat verleent geen absolute rechten, gezien de algemene bepaling dat de rechtsstaat in laatste instantie beslist over eventuele religieuze beperkingen. Het feit dat het dragen van een hijab of khimar niet algemeen verboden is, verleent geen recht om die altijd en overal te dragen. Zolang de staat geen algemene wet uitvaardigt, is er niets beslist. Dat laat de weg vrij voor allerhande organisaties om het dragen van hoofddoeken te verbieden in bepaalde omstandigheden (omwille van de veiligheid bijvoorbeeld), of in bepaalde contexten (om de neutraliteit te vrijwaren, op voorwaarde dat ook alle andere ‘symbolen’ dan verboden worden, anders is er sprake van discriminatie). Het is de staat die bij betwisting zal uitmaken of een dergelijk verbod rechtmatig is. Zowel op Belgisch als op Europees niveau zijn dergelijke verboden telkens bekrachtigd. Er is immers geen wet die het dragen van dergelijke hoofddoeken uitdrukkelijk toelaat. Het dragen van een hoofdoek wordt in onze democratie niet beschouwd als een wettelijk vast te leggen recht.

Een andere betwisting betreft het niet-verdoofd slachten van dieren. Er is Vlaamse en Waalse wetgeving die dat verbiedt (2019), en het Europees Hof voor de rechten van de mens oordeelde dat een dergelijk verbod gerechtvaardigd is ter bescherming van het dierenwelzijn als element van de publieke moraal. Dat is een duidelijke toepassing van de afspraken in de bovenvermelde teksten. Het gaat immers om een noodzakelijke wettelijke beschikking ter bescherming van de goede zeden; het nodeloos doen lijden van dieren wordt algemeen afgekeurd, dierenwelzijn is sinds 2 mei 2024 opgenomen in de Belgische Grondwet. Einde discussie, ware het niet dat joodse en islamitische instanties beroep aantekenen bij alle mogelijke hogere rechtsinstanties. In het Brusselse Gewest is er geen specifiek verbod op onverdoofd slachten, dat hebben islamitische activisten verhinderd bij de bespreking in het parlement. Zolang er geen algemeen Belgisch verbod is, kan men daar dus doorgaan met dergelijke praktijken, terwijl in vele andere landen, ook in islamitische, vlees van verdoofd geslachte dieren als halal aanvaard wordt. Zo blijkt nog maar eens dat religieuze voorschriften niet meer zijn dan opvattingen die sommige mensen op een bepaald moment en in bepaalde omstandigheden hebben. Dat staat in scherpe tegenstelling met alle universele en internationale verdragen en verklaringen.

Godsdiensten mogen dan al veel aanhangers tellen, eeuwenoud zijn, en een grote invloed gehad hebben op onze huidige maatschappij, maar dat verleent hun geen absolute rechten, al dan niet gebaseerd op openbaringen door bovennatuurlijke wezens. Van zodra er godsdiensten waren, heeft men hun rechten beperkt. Na de fenomenale toename van de macht van het christendom gedurende de middeleeuwen is in het Westen een beweging op gang gekomen om ten minste Kerk en staat te scheiden, en uiteindelijk de democratische rechtsstaat als het hoogste gezag te erkennen. Die toestand is niet definitief verworven. Grote en kleine godsdiensten vechten die afhankelijkheid aan, eisen autonomie op, en nemen het staatsgezag over waar ze kunnen. Ondemocratische politieke bewegingen nemen de oude coalitie tussen burgerlijk en wereldlijk gezag weer op, met het oog op het instellen van autoritaire regimes.

Het wordt hoog tijd dat men de uitdrukkelijke wettelijke bescherming van godsdiensten herbekijkt. Het gevaar is immers nu niet meer dat men niet vrij is om zelf te kiezen voor een godsdienst, zoals in de 16de en 17de eeuw, maar dat de godsdiensten het gezag van de staat fundamenteel in vraag stellen en openlijk bestrijden. Godsdienstvrijheid is een universeel recht voor elk individu. Dat betekent echter niet dat alle godsdiensten een bevoorrecht statuut moeten krijgen, alleen maar omdat zij een godsdienst zijn. Wanneer zij een gevaar betekenen voor de democratie, kan en moet de samenleving zich daartegen met alle wettelijke middelen beschermen. Dat zal al moeilijk genoeg zijn, aangezien de tegenstander, de godsdienst, zich niet gebonden acht door die wettelijke beperking, en onwettelijke middelen en in het geval van de islam individueel en zelfs staatsgeweld niet schuwt.

Welbegrepen godsdienstvrijheid is terecht een mensenrecht. Godsdiensten vormen echter sinds hun ontstaan een bedreiging van de rechtsstaat en van de beginselen van vrijheid, gelijkheid en samenwerking. Zij zijn de oorzaak van talloze bloedige conflicten en onnoemelijk veel menselijk leed. Als er iets is dat we met zekerheid over godsdiensten kunnen zeggen, is het wel dat ze niet vredelievend zijn. Wie beweert de absolute waarheid te bezitten, ontkent dat anderen die kunnen hebben, en rust niet voor iedereen die ene absolute waarheid aankleeft. Er is nooit een objectieve reden geweest om aan godsdiensten een geprivilegieerd maatschappelijk statuut toe te kennen, en vandaag hebben we met de kennis die we hebben over hun geschiedenis en hun doelstellingen, alle redenen om hen elke voorkeursbehandeling te ontzeggen, en er scherp op toe te zien dat zij de staatswetten strikt en integraal naleven, zo niet zal de geschiedenis zich herhalen.

Stuur door

Ethiek en humanisme

Yoni Van den Eede & Karl Verstrynge (red.), De maakbare moraal. Visies op ethiek en humanisme, Brussel: VUBPress, 2019, ISBN 978 90 5718 876 3, 296 blz., € 30 pb.

Deze bundel van wetenschappelijke artikels blijkt voor de geïnteresseerde leek nog behoorlijk toegankelijk. Toch moet men ermee rekening houden dat de auteurs niet ononderbroken eigen ideeën naar voren brengen, maar naar goede academische gewoonte hoofdzakelijk andere academici aanhalen, hetzij in parafrases, hetzij in (vertaalde) citaten, en met bibliografische verwijzingen en originele citaten in voetnoot. Dat alles wordt dan ingepast in wat toch als een eigen betoog kan gezien worden, door de keuzes die de auteurs maken uit de beschikbare vakliteratuur, maar vooral door de beoordeling van en de commentaren bij de aangehaalde bronnen. Soms haalt men vooral aan, soms horen we vooral de stem van de auteur van het artikel. In het eerste geval is het vooral de aangehaalde auteur die de intellectuele waarde van het artikel bepaalt, in het laatste geval de intellectuele waarde van de auteur van het artikel. Het kan vriezen, het kan dooien.

Wanneer de auteur zich beperkt tot een of twee dergelijke bronnen blijft het allemaal nog te volgen. Het wordt moeilijker als men er ook nog secundaire literatuur bij betrekt, dus teksten die zelf een commentaar zijn op de reeds aangehaalde teksten, en soms zelfs commentaren bij en interpretaties van die secundaire literatuur. Op den duur weet men niet meer wie er aan het woord is, of wat de opvatting van de auteur van het artikel zelf is.

Het ideaal van elke schrijver is, of zou moeten zijn, om zelfs ingewikkelde of ongewone zaken begrijpelijk voor te stellen. Met academici heb je weleens de indruk dat ze denken dat van hen verwacht wordt dat ze eenvoudige of gewone zaken zo ingewikkeld mogelijk voorstellen. In enkele van deze artikelen lijkt dat het geval: de lezers moeten zich door een dicht web van jargon, abstracties, theoretische uitleg en geleerddoenerij werken om uiteindelijk vast te stellen dat het om doodgewone zaken gaat, die men ook zonder al die uitleg zelf ook weet. Maar, zeggen de academici dan in koor, dat is een ander soort weten. Dat zal wel, maar af en toe wenste ik toch dat de auteur me haar geleerd geleuter had bespaard, of het gebruikt had voor een minder triviaal onderwerp. Diem perdidi.

Een ander lovenswaardig aspect van dergelijke wetenschappelijke publicaties is lezers kennis te laten maken met bepaalde zienswijzen uit de vakliteratuur waar ze normaliter zelf niet zouden aan toekomen. In bijna alle artikels in deze bundel is dat het geval, maar een enkele keer is dat minder geslaagd, bijvoorbeeld wanneer een auteur zich beperkt tot een enkele andere auteur, en diens ideeën uitvoerig toelicht, zeker wanneer dat om een (heel) bekende auteur gaat. Helemaal oninteressant wordt het wanneer die auteur bovendien zelf veeleer oninteressant is.

Het thema van de bundel, de maakbaarheid van de moraal, wordt in de negen artikels telkens vanuit zeer verscheiden standpunten benaderd. Meestal nogal pertinent, af en toe veeleer zijdelings. Nu is er bij elk artikel een bibliografie; als men die zou samenvoegen, zou men vaststellen dat er heel weinig overlapping is, zo verscheiden zijn ook de gebruikte en aangehaalde bronnen.

Al bij al een typisch product van de academische wereld, met al de positieve en minder positieve kenmerken van dien. De afweging daarvan zal heel sterk afhangen van de eigen aard van de lezers, en van hun incasseringsvermogen.

Stuur door

De vos en de egel

De vos en de egel

Een kennis wees me op de Nederlandse auteur Wessel te Gussinklo (1941-2023), die me onbekend was, en bezorgde me de recensie die hij maakte van diens boek Palestina als adderkluwen. De Israëlische tragedie (2008), een werk dat vooral kritisch is voor de Palestijnen, zonder evenwel Israël al te lichtvaardig vrij te pleiten. Dat was voldoende om mij op pad te zetten om meer te weten te komen over deze auteur. Ik keek vooral uit naar zijn boek met de uitdagende titel Wij zullen aan God gelijk zijn en eeuwig bestaan (2015). Ik was enigszins verwonderd dat het boek nergens nog te koop was, ook niet bij uitgeverij Koppernik, en zelfs niet tweedehands. Ik vond het evenmin in de bibliotheken in de buurt. Uiteindelijk heeft mijn kleinzoon, zopas Master Oude geschiedenis aan de KU Leuven, het voor mij ontleend in de bibliotheek van de Letterenfaculteit, waar het zo te zien zonder vaak ter hand genomen te zijn in de boekenrekken een laatste rustplaats had gekregen.

Mijn verwachtingen waren blijkbaar te hoog gestemd. Na goed honderd bladzijden hield ik het ten slotte voor bekeken. De auteur zou zeven jaar aan zijn magnum opus gewerkt hebben, maar ik kon er weinig origineels in aantreffen. Hier en daar vielen me ook onnauwkeurigheden op. Dat begon al met de titel, die ik vrij gemakkelijk in zijn correcte Bijbelse context kon situeren, temeer daar hij in een meer volledige versie als een van de drie motto’s voor het boek gebruikt is: ‘Wij zullen een toren bouwen die tot in de hemel reikt en aan God gelijk zijn, en voor eeuwig bestaan. Maar God sloeg ze met vele talen en ze dwaalden weg over de aarde en keken naar de Toren van Babel niet meer om.’ De auteur geeft als bron enkel ‘Genesis’. De vindplaats is het elfde hoofdstuk van Genesis, vers vier. Dat luidt evenwel als volgt: ‘Nu zeiden ze: Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.' Ik zocht tevergeefs naar een vindplaats voor de versie van Te Gussinklo, en moet dus veronderstellen dat het een verdichtsel van hemzelf is, waarin hij ook de daaropvolgende verzen samenvat. Enkel in een helaas anonieme tekst op de website van het katholieke godsdienstonderwijs ‘Thomas’ vond ik een passage die erbij aansluit: ‘Deze bestond erin een toren te bouwen waarvan de spits tot aan de hemel reikt, als een poging van de mensen om aan God gelijk te worden gesteld en zo controle te kunnen uitoefenen op de realiteit.’ De bron voor die uitspraak wordt ook hier niet vermeld, misschien is het wel Te Gussinklo?

Auteurs zijn meestal eigenzinnige mensen, en Te Gussinklo was dat zeker ook. Maar met citaten moet je ook als auteur en vooral als essayist zorgvuldig omgaan, zeker als je die als titel en als motto gebruikt, en vooral als ze algemeen bekend zijn omdat ze uit een voor de hand liggende bron komen. Je moet de mensen niet zonder goede reden op het verkeerde been zetten. Hugo Claus deed dat weleens als mystificatie, of als een inside joke, wat iemand als Paul Claes evenwel meteen doorhad.

Die onverklaarbare afwijking van het origineel bleek niet de enige te zijn, en wijst op een meer algemene onzorgvuldigheid in het omgaan van de auteur met zijn bronnen, die hij overigens vrijwel nergens vermeldt. Dat is bevreemdend voor een werk van die omvang en met dat opzet: een cultuurfilosofisch essay over zowat de hele wereldgeschiedenis en alle grote beschavingen. De auteur schrijft in nogal hoogdravende auctoriële taal en stijl, alsof alles wat hij naar voren brengt zelfbedacht is, wat natuurlijk onmogelijk is. Als men de bronnen die men gebruikt niet aangeeft, kunnen de lezers ze niet nagaan. Als men dan ook nog eens foute bronnen vermeldt, is het hek helemaal van de dam. Ik heb toen mentaal afgehaakt. Ik las nog enkele hoofdstukken verder, maar dan hield ik er mee op.  Het aanbod was schraal, de exuberante taal ging allengs vervelen, en het vertrouwen was zoek.

Op bladzijde 38 heeft de auteur het over ‘de vos en de egel uit de fabel van Aesopus’. Die verzameling behoort tot het gezamenlijk cultureel erfgoed, maar ik kon me die fabel niet meteen herinneren. Na wat goochelen met Google vond ik daarover een uitstekende tekst op Wikipedia.  Het is het verhaal van een vos die overdekt met bloedzuigende vliegen bij een rivier ligt, waar een egel voorbijkomt en hem aanbiedt die parasieten voor hem weg te halen. De vos wijst het voorstel heftig af, want, zegt hij, nu zijn die vliegen volgezogen, en laten me met rust; als je die weghaalt, komen er nieuwe en die zuigen zich dan op hun beurt vol. Het verhaal verwijst naar maatschappelijke parasieten, zoals vorsten, adel, rijken, ambtenaren, priesters, die zich tegoed doen aan werkende mensen; als je die uitschakelt, komen er gewoon andere voor in de plaats…

Die fabel blijkt evenwel niets te maken te hebben met wat Te Gussinklo bedoelt, zoals blijkt uit de context. De verwijzing slaat dus niet op de fabel van Aesopus, maar op een eenregelig vers van Archilochus, een Griekse lyrische dichter uit de zevende eeuw voor onze tijdrekening. Zenobius, een Griekse spreekwoordenverzamelaar uit de eerste helft van de tweede eeuw, haalt een fragment van hem aan, dat veel later ook Erasmus opnam in zijn Adagia. Het is echter vooral bekend geworden door het gelijknamige essay van Isaiah Berlin The Hedgehog and the Fox (1953). Dat is ongetwijfeld waar de auteur de mosterd haalde. In het Grieks luidt het kernachtig: πόλλ' οἶδ' ἀλώπηξ, ἀλλ' ἐχῖνος ἓν μέγα. Ik vertaal het vrij als ‘een vos kent vele zaken, maar een egel één grote zaak’. Over de interpretatie bestaan vele meningen. Een daarvan ligt voor de hand: de vos staat bekend als een uiterst sluw dier, dat veel streken heeft om zijn prooi te verschalken en om te ontsnappen aan vijanden en achtervolgers; een egel niet: die rolt zich bij het minste gevaar op in een quasi ondoordringbare bol. Men kan de vergelijking op allerlei manieren doortrekken voor mensen, of voor schrijvers, zoals Berlin doet. Het is ook een mooi beeld voor het verschil tussen mensen met een open ingesteldheid en fundamentalisten, niet het minst over de Godsvraag.

Toen ik die vergissing opgemerkt had, was mijn argwaan gewekt. Ik vond het dan weer  niet de moeite waard om enkele andere zeldzame min of meer expliciete bronvermeldingen na te pluizen, zeker als ze gevolgd worden door ‘naar ik meen’ of ‘vermoed ik’, waarmee de auteur zichzelf al te gemakkelijk ontslaat van de verplichting om ze te verifiëren. Ze zijn ook niet gemakkelijk op te zoeken in de tekst: er is geen index van namen, geen zaakregister, geen bibliografie, geen voetnoten, niks.

De eerste 100 van de 360 bladzijden zijn in veel opzichten teleurstellend. Een dergelijk groots opgezet werk staat en valt met de kwaliteit van het geleverde opzoekingswerk en het genie van de auteur. Op beide punten schiet Wessel te Gussinklo tekort. Over de rest van het boek moet ik mijn oordeel opschorten: ik ben er niet aan toe gekomen, maar de schuld daarvoor ligt helemaal bij de auteur.

Er is iets diep tragisch aan een dergelijk onaf werkstuk. Met wat goede raad en begeleiding zou het toch mogelijk moeten geweest zijn om in zeven jaar tijd, zelfs als men ondertussen nog andere bezigheden had, met dezelfde materialen over hetzelfde onderwerp een evenwichtiger en zo meer genietbaar boek tot stand te brengen. Nu blijkt zijn titel en motto profetisch. Zijn poging om een taaltoren te bouwen die tot in de hemel reikt, en zo aan God gelijk te zijn, is ook zonder goddelijke tussenkomst geëindigd in een Babelse spraak- en denkverwarring. Zijn boek is onvindbaar, niemand kijkt er nog naar om. Zo vergaat het iemand die zichzelf nochtans tot de belangrijkste schrijvers van Nederland rekende, en die in de loop der jaren inderdaad met enkele prijzen geëerd werd. Literair succes is een wildfire, een lopend vuurtje, een opflakkering. Om blijvend te branden, is er meer substantie vereist.

 

Stuur door

Perfide

Johan Temmerman, Behoud het goede. Wat de kennis van religie ons leert, Brussel: ASP, 2022, 264 blz., € 30 pb.

Wat doet een boek van een docent en decaan aan de protestantse theologische faculteit (Brussel) in de catalogus van de vrijzinnige uitgeverij ASP (2006-2023, nu Owl Press van Borgerhoff & Lamberigts)? Waarom heb ik ‘in hemelsnaam’ dat boek gelezen? En waarom het bespreken? Zelden ben ik zo heen en weer geslingerd tussen interesse en afkeer, tussen bijval en ergernis. Meer dan eens wou ik het opgeven, maar telkens slaagde de auteur erin me toch weer te doen doorgaan, tot het spreekwoordelijke bittere einde.

Het betoog van Temmerman is perfide, dat wil zeggen vals, trouweloos, verraderlijk, niet te goeder trouw.

Als ‘theoloog’ en ‘gelovige’ behoort hij blijkbaar tot een uiterst ‘seculiere’ strekking, die door anderen als puur atheïsme zal herkend worden. Voor hem is er geen openbaring, geen bovennatuurlijke God, geen Kerk, en de geschiedenis van het christendom is er een van kwaadaardige vergissingen. Hij steunt zich voor zijn betoog op zowat alle bekende tegenstanders van geloof en klerikalisme en citeert en parafraseert hen uitvoerig.

Maar er zijn addertjes onder het gras. Zoals de titel van het boek aangeeft, is hij er weliswaar op uit om het slechte te verwerpen, maar wenst hij het goede te behouden, een verwijzing naar Paulus: ‘Blust de Geest niet uit,  kleineert de profetische gaven niet, keurt alles, behoudt het goede’ (1 Tess 5:19-21). Wat het slechte is, daarover laat hij even weinig twijfel bestaan als de new atheists (voor wie hij overigens geen goed woord over heeft). Maar wat is dan het goede? We komen het niet te weten. Er is wat vaag en wollig gepraat over tradities, maar die heeft hij al duchtig de das omgedaan. Er is wat achterbakse kritiek op het modernisme en op onze hedendaagse maatschappij, maar hoe daaraan te verhelpen is verre van duidelijk. Er zijn twee versies van dit boek in een editie verweven: enerzijds de vrijzinnige godsdienstkritiek, anderzijds de geniepige gelovige kritiek daarop, soms aan de hand van veeleer twijfelachtige academische referenties.

Hij beroept zich voortdurend op Darwin en prijst evolutie, maar ik heb de stellige indruk dat hij geen woord begrepen heeft van het principe van de evolutie en de natuurlijke selectie, die bij hem ‘culturele selectie’ heet. Evolutie ontstaat door toevallige erfelijke mutaties bij de voortplanting die een voordeel blijken op te leveren voor de dragers. Temmerman heeft veeleer Lamarck voor ogen: levende wezens passen zich aan de omstandigheden aan, en dat moeten wij ook doen met godsdienst: bewaren wat eeuwig en goed is en verwerpen wat tijdgebonden en slecht was. Dat heeft niets met Darwin te maken, noch met Dawkins of zelfs Blackmore. Godsdiensten of religieuze elementen kunnen als ‘memen’ muteren, maar niet op de biologische manier, er zijn immers geen genetische dragers. Ze muteren misschien enigszins alsof het genen waren, maar dat zijn ze voor alle duidelijkheid niet. De Reformatie is geen toevallige mutatie in de zin van Darwin. Wat Temmerman voorstaat is dat evenmin, maar een aanpassing van mensen aan gewijzigde omstandigheden en inzichten, in de zin van Lamarck. Overerving en natuurlijke selectie is dan niet gegarandeerd, en zo gaat de vergelijking vernietigend mank.

Dat is wel vaker het geval met Temmermans vergelijkingen. Zo heeft hij het over de tweelingzusjes Anna en Clara (geloof en wetenschap), die elkaar aankijken door een venster dat aan de ene kant spiegelglas is, en aan de andere kant doorzichtig. Ik bespaar je de warrige beeldspraak die daaraan gekoppeld is. Idem voor de dalende roltrap waarop de ‘moderne mens’ probeert naar boven te lopen, maar zo blijft stilstaan: het klopt gewoon niet.

En zo gaat het alsmaar door, het hele boek lang. Telkens lees je instemmend een uitvoerige kritiek op de godsdienst en een loftuiting op de rede, maar krijg je vervolgens een bijna middeleeuwse waarschuwing te horen tegen te veel menselijke hoogmoed. Om horendol van te worden, echt waar. Vandaar mijn beschuldiging in de aanhef van mijn recensie: dit is een perfide betoog. De vergelijking maken met de wolf in schaapskleren gaat niet echt op, Temmerman is geen boze wolf; hij hult zich wel in vrijzinnigheid, maar slaagt er niet in zijn gelovigheid te verhullen. Dat is zijn goed recht, maar ik noem het toch intellectueel oneerlijk. Hij eigent zich niet te goeder trouw en dus ten onrechte de ideeën toe van de vele denkers die hij aanhaalt in hun betoog dat fundamenteel haaks staat op zijn gelovigheid, hoe modern die zich hier ook voordoet. Onder zijn (god)geleerde toga gaat een protestantse apologeet schuil. Hij mag dan al voortdurend pleiten voor een samensmelten van tegengestelden, maar hoe men het ook draait of keert, geloof en wetenschap zijn ten gronde onverenigbaar, wat Temmerman in zijn gelijknamige boek van 2019 ook moge beweren. Zelfs deze grootscheepse poging daartoe kon niet anders dan faliekant aflopen.

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten