Naar de inhoud

Kroniek

mijn kijk op de wereld
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: ex libris

Sceptisch

Olivier Boehme, Scepsis. Over wankelend vooruitgangsgeloof, Brussel: ASP, 2023, 168 blz., ISBN 9789461174772, € 25 pb.

Vanaf de eerste bladzijde van dit boek bekroop me een onbehaaglijk gevoel, dat allengs naar lichte wrevel oversloeg, en dat me bijgebleven is tot de laatste bladzijden. Was het het onderwerp, dat je ook kan omschrijven als pessimisme? Was het de alomtegenwoordige figuur van Schopenhauer, niet de meest opwekkende onder de filosofen? Of was het de weinig gedecideerde benadering van de auteur, die je voortdurend doet afvragen wat zijn bedoeling is, zijn oogpunt, zijn methode, zijn eigen standpunt? Was het omdat verscheidene heterogene delen van het boek al eerder in andere contexten verschenen zijn en het geheel daardoor minder is dan de som van de delen? De auteur wordt historicus genoemd, maar we hebben hier niet te maken met een klassiek historisch werk. Het is ook geen typische Ideengeschichte, noch cultuurfilosofie of -sociologie, geen politicologie of economie. Wat het dan wel is, blijft voor mij na lezing nog een open vraag. Ik ben geen voorstander van etiketten en hokjes, maar je weet tenslotte graag waarmee je bezig bent, waaraan je je mag verwachten. Hier voelde ik me niet op mijn gemak, ik vond mijn draai niet, ik miste een rode draad.

Dat maakt het verdraaid moeilijk om een beoordeling te maken van deze bundel van min of meer samenhangende korte opstellen. Sommige daarvan bespreken een of andere auteur, sommige al onbekender dan andere, of een of ander werk, of een stroming of periode in de geschiedenis, of een recente ontwikkeling, het kan allemaal. Er is een overvloed aan materiaal, maar het wordt meestal vrijblijvend aangeboden, en soms zonder veel diepgang. Dat viel me vooral op bij het zo belangrijke en mij dierbare thema van de Verlichting, in combinatie met de Franse Revolutie. Beide komen voortdurend ter sprake, maar de auteur dringt niet door tot de kern van de zaak, en lijkt uit te gaan van de veronderstelling dat iedereen wel weet hoe dat zit, quod non. Hijzelf blijkt geen weet te hebben van het magistrale werk van Jonathan Israel, en dat wreekt zich. Je begint je dan ongerust de vraag stellen hoe het zit met de rest van zijn achtergrond. Het is onbetamelijk om je van Paul Hazard af te maken met enkele algemeenheden en een nietszeggend citaat. En wat heb je eraan dan weer te vernemen dat ‘Julius Frauenstädt, Philipp Batz alias Mainländer en Julius Bahnsen op vaak eigenzinnige wijze aan de slag gingen met de geestelijke nalatenschap van Schopenhauer’? Er is veel namedropping, en veel toelichting waarop je niet zit te wachten. Alles wordt bovendien auctorieel gepresenteerd alsof de auteur het voor de gelegenheid hoogstpersoonlijk zelf bedacht heeft, terwijl het uiteindelijk allemaal toch vooral geleende boekenkennis is. Lees die boeken beter zelf, al was het maar één. Wat hij zelf denkt, komen we overigens niet te weten. Ach, het draagt allemaal bij tot een al bij al ronduit frustrerende lectuur. Een van de tussenkopjes luidt ‘Gesofisticeerde onbenulligheid’. Ik zou het niet beter kunnen verwoorden.

Stuur door

Catechismus

Charles le Hardy de Beaulieu, Catechismus van de Universele Moraal, vertaling en inleiding door Patrick Stouthuysen, Brussel: ASP, Liberaal Archief: Blauwe Maandag-reeks, 2017, 94 blz., ISBN 978 90 5718 696 7, € 30 pb.

In een werkelijk voorbeeldige inleiding schetst professor Stouthuysen (VUB) het leven, de carrière en de verwezenlijkingen van deze uitzonderlijke figuur uit de 19de eeuw (1816-1871), binnen het ruimere kader van zijn tijd. Alleen al die inleiding is de aanschaf van dit boekje waard. Zelden las ik een zo heldere uiteenzetting over de Belgische geschiedenis van voor de Eerste Wereldoorlog, een periode die in mijn geschiedenislessen compleet ontbrak, hoewel ze van cruciaal belang is voor een goed begrip van de huidige politieke en ideologische toestand van ons land.

De vertaling van de Catechismus is gekenmerkt door dezelfde nauwgezetheid en dezelfde voortreffelijke taalbeheersing van de auteur. Het resultaat is een uiterst leesbare tekst, wat gezien het gedateerde origineel voorwaar geen sinecure kan geweest zijn.

Het belang van die tekst is reëel maar relatief. Als historisch document is hij interessant als een illustratie van de ideeën die toentertijd te vinden waren bij althans sommige vooraanstaande liberale figuren uit het hoger onderwijs. We vinden er werkelijk vooruitstrevende en ethisch zeer hoogstaande standpunten in terug, zowel over het individu, het gezin als de samenleving, die we vandaag zonder meer kunnen onderschrijven. Aan de andere kant doen enkele uitspraken, zoals trouwens het hele opzet van een catechismus, hopeloos verouderd aan. Dat is vooral het geval met de enkele korte paragrafen over de onzedelijkheid. Niet alleen wordt met geen woord gerept over wat daarmee bedoeld is, maar verbindt men aan onzedelijkheid dezelfde gevolgen als aan de drankzucht: ‘snelle veroudering, gepaard gaande met allerhande kwalen en vroegtijdige dood.’ Het zou een citaat kunnen zijn uit een kerkelijk handboek. Morele opvoeding kon toen blijkbaar nog zonder te spreken over seksualiteit, behalve een impliciete en terloopse vermelding in de context van het huwelijk en dan nog enkel naar aanleiding van de voortplanting, die beschreven wordt als een algemene plicht. Die preutsheid in een tekst bestemd voor jongeren was misschien kenmerkend voor de tijdsgeest, maar strookt niet met de openheid en de vooruitstrevendheid die de auteur zo opvallend siert in alle andere aangelegenheden, bijvoorbeeld over de gelijkheid van man en vrouw, over lijfstraffen voor kinderen, over arbeidsverhoudingen, over kolonisatie, oorlog, revoluties en in het algemeen het gebruik van geweld voor het oplossen van conflicten. Op die opvallende lacune na is de Catechismus zo al niet vormelijk, dan zeker wel inhoudelijk nog steeds een meer dan bruikbare morele handleiding, die daarom al onze aandacht en bewondering verdient.

Stuur door

Filosofen te koop

Lucianus, Filosofen te koop, vertaald door Vincent Hunink, Gorredijk: Uitgeverij Noordboek, 2024, 96 blz., ISBN 9789464712025, € 17,90 pb.

Dit fraai uitgegeven boekje past op een bijzondere manier in de interessante reeks Noordboek Filosofie: het is geen filosofie, maar juist een satire op enkele van de belangrijkste filosofen uit de Griekse Oudheid. Het is een dialoog, of beter een kort toneelstuk, een burleske, waarin filosofen te koop aangeboden worden zoals dat blijkbaar met slaven gebeurde op een veiling of een openbare verkoop op een marktplaats. De eigenaar is niemand minder dan oppergod Zeus zelf, de veilingmeester Hermes, een van de vele bastaardzonen van Zeus, de god van de handel – en van de dieven –, en de boodschapper van de goden. De achtereenvolgens te koop gestelde filosofen zijn Pythagoras, Diogenes, Aristippus, Democritus en Heraclitus, Socrates, Epicurus, Chrysippus, Aristoteles en Pyrrho, al worden ze in de tekst niet nominatim vermeld: je wordt verondersteld hen te herkennen aan hun beschreven uiterlijke kenmerken en aan wat ze vertellen, of juist doordat ze niets zeggen, of wartaal uitslaan. Dat maakt deel uit van de hele farce, natuurlijk. De bekende vertaler heeft zijn uiterste best gedaan om de Griekse tekst, die op de tegenoverliggende pagina’s is weergegeven, levendig en aangepast aan onze tijd te presenteren. Zo heeft hij voor de passages die in de originele tekst in het Ionische Grieks staan naar eigen zeggen het Zuid-Nederlands gebruikt, wat deze Vlaming althans niet altijd helemaal geslaagd vond. Omdat zelfs dan niet iedereen alle hilarische allusies en dolle grollen zal vatten, is er een vrij uitgebreid nawoord, waarin nuttig commentaar toegevoegd wordt bij de vertaling, en toelichting bij elk van de filosofen.

De tekst is erg kort, amper een dertigtal paginae in het Grieks en in vertaling, heel ruim bemeten, zoals dat gebruikelijk is met toneelpartituren, met voor elke tussenkomst de aanduiding van de spreker, en met enkele regieaanduidingen, toegevoegd door de vertaler. De uiterlijke verzorging van het boekje is aantrekkelijk, maar het blijft een vrij hoge prijs voor wat het maar is: een klucht, een lachertje.

Stuur door

Democratie

Rudi Laermans, Democratie zonder politiek? Paul Verbraeken-lezing #19, 2024, Gent: Owl Press, 2024, 96 blz., isbn 9789464946673, € 15 pb.

Paul Verbraeken en de eponieme lezingen waren me onbekend, Rudi Laermans niet, ik las en besprak al eerder werk van hem. Veel van wat ik toen over hem schreef, blijft waar en is ook hier kenmerkend aanwezig, vooral zijn voorliefde voor abstracte woorden en gezochte uitdrukkingen en een sterk theoretische betoogtrant. Dat stoorde me ook nu aanvankelijk, maar algauw werd ik geboeid door de inhoud. Zoals de titel enigszins enigmatisch aangeeft, gaat het hier om de essentie van wat democratie is, en wat politiek betekent voor die democratie, en of democratie ook zonder politiek kan, en hoe dat dan eventueel mogelijk is, en of dat ook goed en wenselijk is.

De auteur legt in tien korte maar vooral concieze hoofdstukken uit wat wij onder die overbekende begrippen precies moeten verstaan, en vooral hoe democratie en politiek in de praktijk tewerk gaan. Ondanks het vele jargon, sommige erg abstracte formuleringen, talrijke neologismen en gewild complexe uitdrukkingen (wat dacht je van ‘burgerisme: de onpolitieke deliberatieve democratie’; ‘van sociaalliberale democratie naar marktsoevereiniteit’; ‘gedepolitiseerde efficiëntielogica: de neoliberale democratie’; ‘expertocratie en governance’, om maar enkele flagrante voorbeelden te noemen), heb je als lezer snel door dat het onderwerp van groot belang is, en dat de auteur er heel zinnige zaken over te vertellen heeft, die je op eigen risico negeert.

In de bibliografie die op het laatste hoofdstuk volgt, geeft hij nauwkeurig aan waar hij de mosterd haalde. Dat bewijst zijn brede interesse en belezenheid en de wetenschappelijke ernst waarmee hij zich van zijn taak gekweten heeft, en geeft de geïnteresseerde lezer tevens de kans om een en ander zelf eens na te lezen. Ik vermoed dat men daarbij zal vaststellen dat sommige geconvoluteerde uitdrukkingen daarvandaan komen. Technische termen uit het Engels of het postmodern Frans laten zich nu eenmaal niet zonder hardnekkig verzet vertalen in begrijpelijk Nederlands.

Het boekje van bescheiden omvang laat zich niet moeiteloos lezen, en eerlijk gezegd heb ik plaatsvervangende frustratie ervaren voor de toehoorders van de lezing, die de hele boterham in een keer te verorberen kregen, en alles meteen moesten slikken én verteren. Ik deed er enkele dagen over, met lange tussenpauzes om een en ander te laten bezinken, en zelfs dan moest ik af en toe terug pedaleren om een cryptische definitie of een subtiel onderscheid tussen twee valse vrienden na te kijken (‘democratische politiek’ en ‘democratiepolitiek’). Maar gaandeweg moest ik toegeven dat het betoog volkomen helder was, en er geen woord te veel of te weinig in het boekje staat. Precies door zijn nogal uitdagend veeleisende stijl noopt Rudi Laermans de lezer ertoe altijd goed bij de les te blijven en een meer dan slaperige het-zal-wel houding aan te nemen. Al de inspanningen die hij van de lezers vraagt, blijken meer dan de moeite waard te zijn.

Terwijl de auteur door het hele betoog heen voorbeeldig blijk geeft van een volstrekt objectieve wetenschappelijke belangeloosheid en ideologische neutraliteit, viert hij in het laatste hoofdstuk de teugels, en geef hij ongebreideld vrije loop aan zijn duidelijk ‘sociaaldemocratische’ voorkeuren. Ik meen begrepen te hebben dat zulks in goede aarde zal gevallen zijn, en wellicht zelfs van de spreker verwacht werd door de toehoorders van de Paul Verbraeken-lezingen.

‘Kortom’ (een lievelingswoord van Rudi Laermans), dit boekje is een zeer doordacht en doorwrocht essay over essentiële kwesties in onze samenleving, en aldus warm aanbevolen lectuur voor de betere lezers.

Stuur door

Over geloof en psychologie (recensie)

Hanneke Schaap-Jonker, Goed voor de geest. Over geloof en psychologie, Utrecht: KokBoekencentrum, 2024, 158 blz., 9789043541435, € 17,99 (hc)

Het leek een goed idee om eens iets te lezen over godsdienst vanuit psychologische hoek. Dit boekje leek een goede aanleiding daartoe. Het eerste hoofdstuk heeft als titel: ‘Wat is geloof? Geloof kun je psychologisch onderzoeken.’ Precies, dat is wat ik bedoelde. Maar gaandeweg blijkt dat dat niet is wat de auteur bedoelt. Zij is theoloog en (klinisch) psycholoog, en ik althans had moeten weten dat theologen geen wetenschappers zijn, wat ze daarover zelf ook zeggen. Wat hier beschreven wordt, is naar mijn aanvoelen geen godsdienstpsychologie, dat wil zeggen een onbevangen wetenschappelijk psychologisch onderzoek naar godsdienstige fenomenen, maar veeleer een therapie voor mensen met mentale problemen zoals godsdienstwaan, of voor gelovigen die met hun godsdienst worstelen. Voortdurend wordt benadrukt dat godsdienst geen oorzaak is van die mentale problemen, maar veeleer de oplossing. Mentale problemen, ook verslaving, zouden veel minder voorkomen onder gelovigen, enzovoort. Het klinkt allemaal heel goed en vroom, maar het komt erg eenzijdig over. Ik neem aan dat gelovige zielzorgers er iets kunnen aan hebben, en eventueel zelfs een occasionele gelovige patiënt, maar voor ongelovigen is dit onzin. Misschien, heel misschien geen gevaarlijke onzin, maar niettemin onzin. Dat is een hard oordeel, maar het is beter dat je het weet voor je het overigens fraai gepresenteerde en goed geschreven boekje koopt, en dat is waarvoor er recensies zijn: niet alleen om mensen aan te moedigen, maar ook om hen te waarschuwen als dat moet.

Stuur door

Judith Butler, Wie is er bang voor Gender? (recensie)

Judith Butler, Wie is er bang voor gender?, Utrecht: Ten Have, 2024, 351 blz., eindnoten, register, € 24,99 (pb).

Ik lees sinds 1968 bijna uitsluitend in het Engels, Frans, Duits en Latijn, maar toen ik de aankondiging zag van de Nederlandse vertaling van Judith Butlers Who’s Afraid of Gender? (New York: Farrar, Straus & Giroux, 2024) heb ik me toch laten verleiden. Wat de vertaling betreft, viel dat best mee, men hoeft niet te aarzelen als men liever Nederlands leest.

Wat de het boek zelf aangaat, moet ik bekennen dat ik voortdurend geaarzeld heb, en nu het boek uit is, aarzel ik nog steeds. Het is, en ik druk me voorzichtig uit, een uitdaging. Dat geldt zowel voor de taal en stijl als voor de inhoud. Butler schrijft in een soort van veredelde spreektaal. Ze formuleert haar gedachten zoals ze blijkbaar bij haar opkomen. Dat betekent enerzijds dat het betoog heel levendig en geëngageerd is, maar anderzijds dat er nogal wat herformuleringen en zelfs herhalingen zijn van dezelfde gedachten in de loop van de 300 bladzijden van de tekst. Niet dat dat echt stoort: veel van die gedachten zijn vrij complex en vernieuwend, zodat verschillende benaderingen en formuleringen helpen om ze te doen doordringen. Ik vond het op den duur wel vervelend om op bijna elke bladzijde een of andere vorm van het woord ‘fantasma’ terug te vinden; op de achterflap alleen al zelfs twee…

De inhoud is inderdaad, althans voor mij, vrij radicaal. Ik heb het feminisme altijd een warm hart toegedragen. Wat we hier krijgen, gaat echter veel verder. Het vraagt, nogmaals: althans voor mij, heel wat mentale openheid, om niet te zeggen: acrobatie, om de gedachtegang van de auteur te volgen. Maar het loont zonder enige twijfel al de moeite die men er zal willen (en moeten!) voor doen.

Wat ‘gender’ precies is, wist ik niet, en na lezing weet ik het nog altijd niet precies. Voor Butler dekt het vele ladingen, en dat zet ze gaandeweg op een al bij al heel bevattelijke manier uiteen. Ik zal daarop niet dieper ingaan, dat lijkt me zo goed als onmogelijk in kort bestek. Haar persoonlijke standpunten worden onverbloemd uit de doeken gedaan, en ze gaat de confrontatie met haar (vele…) vijanden niet uit de weg, integendeel. Men zou zelfs kunnen zeggen dat het hele boek een afrekening is met zo niet alle, dan toch een heel groot aantal van haar vijanden aller aard.

De vraag is niet of haar betoog geloofwaardig overkomt, want dat is zeker wel het geval. Ze schetst een indringend beeld van zowel het individu als van de samenleving dat grondig verschilt van het traditionele beeld waarmee de meesten onder ons, de jongste generatie wellicht uitgesloten, opgegroeid zijn. De vele en radicale correcties die ze voorstelt, of liever: opeist, zijn evenzoveel uitdagingen voor de argeloze lezer.

Mij althans heeft ze overtuigd. (Ik neem deze gelegenheid te baat om te vermelden dat ‘ze’ liever heeft dat men over haar niet met vrouwelijke persoonlijke voornaamwoorden spreekt en schrijft, maar dat ze daarvan niet echt een punt maakt; ik vind het vooralsnog ondoenbaar om haar voorkeur te volgen en haar genderneutraal ‘hen’ te noemen (singular they, them): ‘hen verwierf wereldfaam’(achterflap)? Ze is officieel non-binair, en lesbisch.) Na dit boek blijkt het onmogelijk om niet grondig anders te denken over tja, gender, allicht? Met andere woorden over de rol die de menselijke seksualiteit in al haar vormen speelt in het leven van het individu en in de samenleving. Ik weet niet of de wereld die Butler hier schetst ooit algemeen en algemeen aanvaard zal worden, maar het ziet ernaar uit dat we hier te maken hebben met een reële en ingrijpende paradigmaverschuiving. Als je mee wil zijn, is dit boek onmisbare lectuur.

Stuur door

Over grenzen, Mark Elchardus

Mark Elchardus, Over grenzen, Deurne: Ertsberg, 2024, 174 blz., isbn 9789464750911, € 22,50 (gebonden).

Dit boek-essay van de befaamde socioloog en publicist Elchardus is, ik beken, het eerste dat ik van hem lees, en het heeft me verrast. Het bevestigt weliswaar al het goede dat ik over hem gehoord heb en in die zin was het een aangename kennismaking. Hij is erudiet, belezen, uitstekend geïnformeerd, scherpzinnig intelligent, ernstig, niet vooringenomen, helder denkend, meeslepend, objectief… wat wil je nog meer?

Wel, dat valt te bezien. Als je op zoek bent naar een diepgaande studie over dit onderwerp, grenzen, en alles wat ermee te maken heeft, dan ben je niet aan het juiste adres. De auteur benadert het onderwerp in 169 (!) korte stukjes, die telkens een relevant aspect verhelderend naar voren brengen. Dat gebeurt bijna altijd aan de hand van opvallende recente en oudere anekdoten, en verwijzingen naar en citaten uit belangrijke, maar niet zelden vergeten wetenschappelijke werken. Tussendoor weerklinkt voortdurend de bedachtzame maar scherp oordelende stem van de oude(re) wijze, die kritisch reflecteert op de wereld waarin hij zich tot zijn eigen niet geringe verwondering bevindt, en af en toe de teugel viert van zijn persoonlijke wrevel of ergernis. Die caleidoscopische methode levert het eponieme aantrekkelijke resultaat op, en dat zal voor de meeste lezers allicht meer dan volstaan; wie toch meer wil, kan desgevallend terecht bij de geciteerde werken in de bescheiden voetnoten.

Als lezer moet je wel vooral zelf op zoek naar rode draden, synthetische oordelen en de bottom line van de opvattingen die de auteur al dan niet expliciet voorstaat en dus impliciet aanprijst. Zijn grenzen nu goed of slecht? Is nationalisme te verkiezen boven kosmopolitisme? Is migratie een noodzaak of een noodzakelijk kwaad? Is democratie de beste van alle slechte staatsvormen, of een onhaalbare utopie? Is het neoliberale kapitalisme de bron van alle welvaart of van alle kwaad? Heeft globalisering ons rijkdom en vrede gebracht, of aan de rand van de afgrond? Elchardus heeft daarover altijd wel iets zinnigs en belangrijks te zeggen, maar zijn enerzijds heeft slag om slinger ook een anderzijds.

Inzonderheid de onvermijdelijke migratieproblematiek blijft zo een Sisyphussteen des aanstoots. Telkens je denkt de oplossing ontwaard te hebben en klaarstaat om blij je instemming te betuigen, wijst de auteur fijntjes of olijk maar steeds ongenadig op een aspect dat onderbelicht was gebleven, en dat de olifant in de kamer weer abrupt in de schijnwerper plaatst. Legale migratie is goed, illegale is slecht, zoveel is duidelijk, maar wat maakt de ene goed en de andere slecht? Grenzen. Grenzen zijn er om overschreden te worden, dus om niet te werken. Dat is wat we nu beleven, maar wat de mensheid altijd al meemaakt, en op alle gebied. In deze veelzijdige en veelkleurige bundel van bevattelijke en boeiende essays vind je veel vragen en veel antwoorden, maar veel vragen blijven onbeantwoord, en niet weinig antwoorden roepen nog meer vragen op; zoals goede essays horen te doen, nietwaar?

Stuur door

Een betere zaak waardig.

Franciscus Van den Enden, Vrije staatkundige stellingen, Vertaald en ingeleid door C.L. Vermeulen, Gorredijk: Noordboek, 2022, 9789056158149, 128 blz., € 19,90 pb.

Er was destijds, meer bepaald in 1990, heel wat te doen, althans in het wereldje van het Spinoza-onderzoek, rond de toewijzing van een anonieme publicatie uit 1662 aan Franciscus Van den Enden (1602-1674). Dat gebeurde ‘tegelijkertijd’ door twee onderzoekers, Marc Bedjaï en Wim Klever, al is het niet onwaarschijnlijk dat Klever kwansuis de mosterd haalde bij Bedjaï. Beiden zagen in dit werkje van Van den Enden, van wie men al wist dat hij destijds Spinoza (1632-1677) inleidde in het Latijn, een voorloper van de geschriften van Spinoza zelf. Dat werd vrijwel onmiddellijk in twijfel getrokken door andere (en betere) specialisten, niet het minst door Frank Mertens en Jonathan Israel. Klever publiceerde al in 1992 een transcriptie van de tekst uit 1662, samen met een uitvoerige inleiding. Het probleem met Wim Klever (°1930) is dat hij steeds al te gepassioneerd te werk gaat, meestal ten koste van de wetenschappelijke sereniteit, objectiviteit en betrouwbaarheid. Het Nederlands van het midden van de 17de eeuw is voor de hedendaagse lezer al een zo goed als onoverkomelijke hinderpaal; bovendien is de transcriptie niet altijd accuraat gebeurd. Een nutteloze publicatie dus: ik heb ze al die tijd al in huis, maar ik heb er nooit meer dan enkele bladzijden van gelezen. Om al die redenen is deze vertaling, of hertaling door C.L. Vermeulen een goede zaak. Het Nederlands draagt weliswaar bewust duidelijk de sporen van het origineel, wat op zich veeleer een verdienste is, maar is met enige moeite toch vrij goed leesbaar.

Wanneer men er de tekst van Van den Endens boekje op naslaat, is het zonder meer verbijsterend dat –behalve Wim Klever – iemand ooit heeft kunnen denken dat het om een ‘proto-Spinoza’ gaat, en dat Spinoza zijn inspiratie zou gehaald hebben uit dit geschrift, of bij deze leermeester. Van den Enden is geen filosoof, en geen politicoloog, zelfs geen politicus. Het is een erg matige amateur, niets meer. De ideeën die hij verkondigt zijn niet origineel, zijn voorstellen zijn onrealistisch, zijn betoog is stuntelig, zijn redeneringen kortzichtig, zijn opvattingen banaal. Elke vergelijking met Spinoza is een regelrechte grove belediging aan diens adres. Zelfs de omgekeerde veronderstelling, namelijk dat Van den Enden door Spinoza geïnspireerd zou zijn, is een miserabele miskleun. Op geen enkel ogenblik blijkt dat Van den Enden ook maar iets afwist van Spinoza, wiens belangrijke werken hij klaarblijkelijk niet eens kende; het is overigens zeer de vraag of hij over de intellectuele capaciteiten beschikte om die zelfs maar te lezen.

Over de tekst kunnen we dus kort zijn. Het is een amateuristisch pamflet van een weinig hoogstaande randfiguur, gelardeerd met toentertijd gangbare opvattingen over de toestand van de Verenigde Provinciën in het midden van de 17de eeuw, zonder enige filosofische diepgang, zonder politiek of economisch inzicht, zonder veel blijken van mensenkennis of zelfs maar van gezond verstand. Dankzij deze hertaling kunnen we ons daarvan eindelijk rekenschap geven, zonder ons te moeten verdiepen in archaïsch Nederlands. Dat is zeker een grote verdienste van deze publicatie, maar door de bedenkelijke kwaliteit van het origineel is het uiteindelijke resultaat veeleer twijfelachtig, en op zijn minst sterk gecompromitteerd. Noordboek-Filosofie heeft zoals gewoonlijk voor een vlekkeloze uitgave gezorgd. Allemaal inspanningen een betere zaak waardig.

Stuur door

Feminisme

Anna Maria Van Schurman, Verhandeling over de aanleg van vrouwen voor de wetenschap, vertaling Renée ter Haar, Inleiding Angela Roothaan, Gorredijk: Noordboek, 2021, 9789056157678, 109 blz., € 17,90 pb.

Dit is een heruitgave van een eerdere, in de handel niet meer beschikbare publicatie uit 1996; de inleiding en de vertaling zijn ‘nieuw bewerkt voor deze uitgave’. De inleiding beslaat 48 bladzijden, de Verhandeling zelf amper 18 bladzijden. Een beperkte (18 blz.) maar interessante briefwisseling rond hetzelfde thema is toegevoegd van Van Schurman met de hugenoot- theoloog André Rivet (1572-1651).

De figuur van Anna Maria Van Schurman (1607-1678) verdient al onze aandacht. Haar uitzonderlijke intellectuele capaciteiten werden al vroeg opgemerkt door haar vader, en zij ontwikkelde zich hoofdzakelijk door thuisonderricht en zelfstudie tot een opmerkelijke dilettante, in de beste betekenis van het woord; ze was als vrouw immers de facto uitgesloten van de professionele beoefening van haar niet geringe wetenschappelijke kwalificaties. Daardoor moest ze zich beperken tot contacten, hoofdzakelijk per brief, met vele geleerden en vooraanstaanden van haar tijd, en de publicatie van enkele geschriften van haar hand. Een daarvan, zij het van een veeleer bescheiden omvang, wordt hier op voorbeeldige wijze aangeboden in de reeks Noordboek-Filosofie.

Hoewel toentertijd, dat wil zeggen de eerste helft van de zeventiende eeuw, de kwestie van de emancipatie van de vrouw ook bij andere auteurs al ter sprake kwam, vormt de verhandeling van Van Schurman toch een opmerkelijk vroeg betoog ten gunste van de wetenschappelijke vorming van de vrouw, op grond van overtuigende logische argumenten. Andere, mannelijke auteurs vertolkten integendeel de gangbare conservatieve en paternalistische opvattingen van hun tijd over de vrouw. Enerzijds baseren die zich op de feitelijke toestand dat vrouwen bijna nooit deelnemen aan het wetenschappelijk bedrijf wegens hun huiselijke rol in de maatschappij, anderzijds op vooringenomen opvattingen over ‘het zwakke geslacht’. Ook Spinoza vertolkt in de Staatkundige verhandeling (Wereldbibliotheek, 2014, 2015²) soortgelijke ideeën, maar hij laat toch de mogelijkheid open dat vrouwen de facto niet kunnen deelnemen aan het wetenschappelijk onderzoek of bijvoorbeeld aan staatszaken omdat ze er niet toe opgeleid zijn, en niet omdat ze daartoe van nature niet geschikt zouden zijn. Hij wijst erop dat het vooral het laakbare gedrag van mannen is dat verhindert dat ze deelnemen aan hoger onderwijs en aan het bestuur van de staat. Toen Van Schurman uiterst uitzonderlijk toestemming kreeg om aan de universiteit van Utrecht de colleges bij te wonen van de gereformeerde theoloog Voetius, was dat in een speciaal daartoe vervaardigde kooi… Vandaag zijn vrouwelijke studenten ruimschoots oververtegenwoordigd in verscheidene hogere opleidingen, maar stellen we vooral bij mannelijke academici nog steeds denigrerende houdingen vast, wat ten minste ten dele verantwoordelijk is voor de opvallende ondervertegenwoordiging van vrouwen onder hoogleraren en onderzoeksdirecteurs. Blijkbaar heeft men het er nog steeds moeilijk mee dat vrouwen anders zijn dan mannen in zowat alles wat ze doen, en dus niet zelden een andere, maar geenszins minderwaardige invulling geven aan taken die tevoren vrijwel uitsluitend door mannen verricht werden.

Angela Roothaan leidt de lezers vlot en met grote kennis van zaken in in leven en werk van Van Schurman. De levendige hedendaagse Nederlandse vertaling van Renée ter Haar laat niets te wensen over. De uiterlijke verzorging van het boek is voortreffelijk. Alle lof dus voor deze tijdige opgefriste heruitgave van een publicatie uit 1996, met een vertaling van een belangrijke Latijnse tekst uit 1641.

Stuur door

Tijdverspilling

Jos Stollman, Waarom de tijd (niet) stroomt. Zoektocht naar het wezen van de tijd vanuit het perspectief van natuurkunde, (neuro)psychologie, filosofie en spiritualiteit, Gorredijk: Noordboek, 2024, 256 blz., € 22,50 pb, 9789464711417.

In dit vrij korte bestek probeert de auteur de tijd te beschrijven vanuit alle mogelijke, en enkele onmogelijke oogpunten. Dat kan verhelderend zijn, omdat de tijd inderdaad verscheidene aspecten heeft. Het kan ook de zaak nodeloos ingewikkeld en duister maken, omdat met ‘tijd’ compleet verschillende zaken bedoeld zijn vanuit de verschillende oogpunten. De contradicties, anomalieën en paradoxen die daaruit voortspruiten zijn legio, en vooral in de eerste honderd bladzijden komen die uitvoerig aan bod, tot grote frustratie en irritatie van de arme lezers, die immers kop noch staart krijgen aan wat hun voorgeschoteld wordt. De auteur benadrukt herhaaldelijk dat we ons daarover geen zorgen moeten maken: het is normaal dat we het allemaal niet begrijpen, het is immers ook onbegrijpelijk.

Dat is echter niet wat een lezer wil horen. Niemand wil voor een domoor doorgaan. En als iets onbegrijpelijk is, dan lijkt het onwaarschijnlijk dat het juist en waar is. Nochtans is dat wat we voortdurend te horen krijgen: al deze zaken zijn contra-intuïtief, niemand begrijpt ze, maar ze worden bevestigd in theorie en in de praktijk. Overigens hebben ze voor ons leven hier op aarde geen enkel belang. Waar zijn we dan in feite mee bezig?

Zeker een deel van de problemen ontstaan doordat de auteur probeert de verschillende oogpunten met elkaar te verzoenen, wat uiteraard ten enenmale onmogelijk is. Voor de gewone mens is tijd een kwestie van afspraken maken. Als ik zeg: we spreken morgen af om 14 uur bij het station in Leuven, dan is er weinig kans dat er iets fout loopt. We beschikken immers over uitstekende uurwerken, die ook nog de dag en de datum aangeven, zodat we ons zeker niet vergissen. Dag en nacht zijn voor iedereen duidelijke indelingen, en zelfs de jaren kunnen we ongeveer tellen aan de hand van de seizoenen. Met de maan zijn we minder vertrouwd, maar als we erop zouden letten, zouden we ook die opeenvolgende cyclussen kunnen volgen. Maar haal daar alsjeblief geen relativiteitstheorie en tijdsdilatatie bij, en verhalen over de tijd die trager verloopt naargelang men zich (veel!) sneller beweegt of dichter bij een (veel!) groter object komt.

Dat laatste mag dan al waar zijn, maar het blijft puur theoretisch, want die hoge snelheden halen we op verre na niet, en de in de nabijheid van enorme massa’s komen we niet. Overigens begrijp ik nog altijd niet wat er met die tijdsdilatatie feitelijk bedoeld wordt. Men zegt: als een klok met grote snelheid rond de aarde gevlogen wordt, loopt ze bij aankomst achter op een klok die ter plaatse is gebleven, dat is een bewezen feit. Maar wat is er dan gebeurd? Zijn de onderdelen van die klok dan trager gaan lopen omdat de klok aan hoge snelheid bewoog? Of iets minder onderhevig was aan de zwaartekracht op die grote hoogte? Is het mogelijk dat loutere beweging een dergelijke vertraging veroorzaakt? Bij extreem hoge snelheden is die vertraging van de tijd zeer aanzienlijk: als iemand in de ruimte zou reizen aan een tiende van de snelheid van het licht, zou die al veel trager ouder worden dan iemand die op aarde bleef. Maar, zegt men, de ruimtevaarders zouden dat niet merken, de tijd zou voor hen even snel blijven verlopen. Ik durf het hopen voor hen, want een dergelijke vertraging van de levensprocessen zou op zijn minst erg vervelend zijn, en in de praktijk dodelijk vanaf het eerste ogenblik. Een andere uitleg is dat de af te leggen afstand korter is geworden. Alsof dat begrijpelijker zou zijn…

Dat is maar één voorbeeld van de anomalieën waarmee we geconfronteerd worden. En omdat die in dit boek niet opgelost of zelfs maar enigszins verklaard worden, maar steeds weer herhaald meegenomen worden in het verdere verhaal, blijft alles even onbegrijpelijk, nee, het wordt nog onbegrijpelijker naarmate we met andere aspecten kennismaken en met de opvattingen van filosofen, met ruimtetijd, de kwantumtheorie, tijdreizen, het nu, het ik, het bewustzijn…

De oorzaak van al die onbegrijpelijke toestanden is dat Einstein ontdekt heeft dat de snelheid van het licht absoluut is, wat ook de positie of de snelheid van de waarnemer is. Als dat zo is, dan moeten inderdaad andere, ogenschijnlijk onveranderlijke elementen in de vergelijkingen, zoals de tijd, variabel zijn. Gelukkig voor ons heeft dat wegens de onvoorstelbaar grote snelheid van het licht, bijna 300.000 km per seconde, geen of slechts een uiterst marginaal effect op ons dagelijks leven, en zelfs voor het grootste gedeelte van de wetenschap.

Toegegeven, het is geen gemakkelijke materie voor leken (en voor nog enkele anderen, vrees ik). Na lezing van dit boek ben ik al bij al niet wijzer geworden, hoewel me zeer veel informatie toegestopt wordt. Na de eerste honderd bladzijden had ik het bijna vertwijfeld opgegeven uit onvrede met de irritante methode van de auteur. Niet dat de tweede helft meer verhelderend is, maar wat je daar leest is tenminste (meestal, min of meer) verstaanbare taal.

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten