als het diepbenauwde
zich zwart
tegen de ruiten plakt
het in zichzelf beslotene
niet meer ademen kan
omdroomt ze
‘t duister hartwezen
met licht

als het diepbenauwde
zich zwart
tegen de ruiten plakt
het in zichzelf beslotene
niet meer ademen kan
omdroomt ze
‘t duister hartwezen
met licht
wanneer schichtig grijs
waarom in wurggreep
van takken zitten wachten
tot de zon opkomt
wanneer schichtig grijs
je reeds de weg biedt
naar openheid

onder het zilver
van dauw
vleit zich een droom
naar werkelijkheid
bloeit zacht
begeerte
in ‘t verblindend spel
van tederzachte beelden
toekomstgericht
met groei begaan
in herhaling blijven ervaren
hoe graag geef ik
mezelf de vleugels
van lang geleden weer
om als fee
droomzwevend
tussen lichtkleuren
met spelende magie
tovenaars en spoken
op afstand te houden
vervreemding
ondanks dat grijze bewolking
de windstille kruinen
in voortvarende verbeelding
warm tracht toe te dekken
spreekt vervreemding
koud op ons in
standvastigheid
zwaarzuchtend
in het grenzenstellend grijze
worden gehechtheden losgelaten
dwalen ze zwaarzuchtend
in onstuimige draaikolken
naar omwentelend leven
vuurwerk
in een ommezien
neemt ze stil
het beleven mee
om zoveel later
met verbeelding
de spinrag weghalend
naar eigen vermogen
te voorzien
van kleuren
rebellerend weliswaar
maar oneindig meer
genietend dan eerst
tweede bloei
koestering
zo lang verstrengeld
en gevangen
het eindeloos verlangen
dat voor bloei
telkens werd terug gesnoeid
tot jij het prille
zo diep in mijn schoot
de ruimte gaf
zich in alle openheid
te ontplooien
de liefdesbron
zo teder zacht aangeboord
maakte dat ik kan geloven
dat koestering ook
in mijn wereld hoort
elf november
als opvallende volkomenheid

het is passie die spreekt
wanneer ze zich als
opvallende volkomenheid
in het prille kille
weten in te nestelen
door hun donkere veren
laag na laag op te schikken
schoorvoetend

elk neergevallen blad
dat ik schoorvoetend aanveeg
spreekt stille vervreemding
van wat ooit gaande is geweest
sibillijns
sibillijns spreidende vleugels
namen mij mee tot net boven
de schemering van lover
een vlinderend hoge beloning
tot aardse levenshaast
de droom versmoorde
begin november
wanneer najaarslicht de zeggingskracht
van troosteloosheid overweldigt
weiden en velden begin november
doet geuren en glanzen
waarom nestelt leven
zich dan steeds dieper in
de trambaan

als een net uitgerolde rode loper
noopt de trambaan mij
langsheen mooiigheid van bestaan
zielenwezend op weg te gaan
Droomdood (nav bezuinigingen in de zorg)
in radeloze uren
wachten
naar verwachting
maakt me
behoeftig naar
een zelfgeschapen kamer
waar ik droomdood
de dag durf
voorbij slapen
zonder enige schaduw
voor rode wijdte
zich verdiept
naar alle verten
droefavond zwerkt
dwing me
zonder enige schaduw
te gaan slapen
en verleidt me
pas tot opstaan
wanneer zonnebanen
als warme vanen stralen