met de stroming mee
heb ik dat wat men
langs de oever ziet
als onbekend gaat
verworpen
om gerugsteund door eigen
verwachting me te richten
naar ’t licht aan de horizon
waar een waarheid ligt
die immer zal schitteren

met de stroming mee
heb ik dat wat men
langs de oever ziet
als onbekend gaat
verworpen
om gerugsteund door eigen
verwachting me te richten
naar ’t licht aan de horizon
waar een waarheid ligt
die immer zal schitteren
Gezegendmidden een goud rode dageraad
ontdekken hoe vogels
in het gesluimer van mijn berk
als talmende poses
kopjes in hun vlerken
de stilte zitten te koesteren
doet me zo gezegend voelen
dat ik voor hen dromen verder uitzaai
verademende werkelijkheidin een weer thuiskomen
ontmoet ik
een donkerte die moeite doet
om voor mijn ogen
terug open te bloeien
een verademende werkelijkheid
die in ver reikende verspreiding
als houvaste vorm
zich zal open vlijen
een begeertehartstocht
noem ik
een begeerte die
diep drift
tot zij zich
vol overgave hecht
als prooi welke
de liefde verwoord
verboden liefdeomdat ze hartjes
blijven tekenen
in de palmen
van hun handen
met gebalde vuisten
ervoor zorgen
dat niemand
ze zal zien
zullen ze als
verboden liefde
ooit hun kleur
verliezen
misschien
zonnekant van levenmet opvallend
aanwezige bloei
op de nog kale takken
vraagt hij gezien te worden
als datgene die de dagen
verder doet opengaan
zonnekant van leven
met doordachte weelde
in de kijker zet
wanneer we vertoeven
in warme wind
horen hoe zijn lach
passie vindt
weten wij weelde
kennen wij ’t graaien
in zuchten verdwalen
met zicht gericht
naar betovering
tot de gloed
onze open harten toedekt
en wij dagdromend
de nacht verder waaien
midden zijn eeuwige schaduwennooit ver weg
kom ik
van zijn onderkomen
omdat ik midden
zijn eeuwige schaduwen
voortdurend verrast wordt
door een golfspel van
duizend en één
warme kleuren
die mij mezelf dwingen
te zien als een mens
welke zich laat leiden
door veranderlijke schoonheid
duurzaamIn al hun eenvoud
staan zij midden
nieuw beleven
die zijzelf hebben uitgezaaid
duurzaam te wezen
als een weelde
zijn dagen en nachten
kennen enkel die schaduw
welke dwars door stilte
achter hem aanloopt
luistert naar wat gedachten
vertellen en hen inzwijgt
opdat zij bij toeval
niet zouden openbreken
als een weelde van
uitlichtende woorden
die toedicht dat inspiratie
vrij spel heeft
als onwaarschijnlijkheidals onwaarschijnlijkheid
dacht ik haar
toen uit grijze wolken
terug sneeuwvlokken
gingen dwarrelen
tot de houvaste groei
van voorjaarsgroen me
de hoop meegaf dat weldra
lente boven winter
uit zou groeien

een bonte verfijning
werd als
allerindividueelste impressie
naar boven toe bewogen
om er als volmaakte zege
van weelde
zich op te richtten
naar ’t zonzilveren licht
eindelijk
met een gevoed hart
licht ontdekken waar klaarheid
transparantie mogelijkheid biedt
zich volwaardig te hervinden
doet me uit nevelige
weifelingen thuiskomen
zelfverzekerd eigen-zinnig
heel en volledig mezelf
eindelijk
in open ruimtealle rotsvaste
winterdwalingen heb ik
lading na lading
aan de nacht gegeven
om in open ruimte wensdromen
te creëren welke lichtglorend
zich verwennen met prille
voorjaarswervelingen
die mij een uitweg bieden
naar een geloven dat
de toekomst zonneklaar
zal schitteren
die ik vader noemdein de kleine kamer
waar ik duister bang
wachtte op een laatste woord
van de man die ik vader noemde
heb ik enkel mijn stilte als aandenken
bij hem kunnen achterlaten
omdat hij ook dan zichzelf
is blijven verzwijgen
tot warmte ging ritselen
in voorjaarswaarheid
viel er sneeuw naar beneden
dekte de wereld toe
als winterse mijmering
die niet wilde wijken
onsterfelijkheid snerpend
geheim hield
tot warmte weer binnendreef
het herbeleven schichtig
ging ritselen
het weggegooide steentje
wanneer ik zie
hoe het weggegooide steentje
cirkels bloeit
weet ik dat het ooit
terug door een hand
zal gekoesterd worden
openbloeiend
wordt ze zacht
met licht omkleed
streeft ze verrijkend verder
groeiend in haar waarde
openbloeiend als
een wonder
met voldoeningals onhergzaamheid
geen raad met me weet
donker laat gaan
terwijl ik
nog volop leef
zal ik haar
tot doem denken
en begraven
in mijn geest
met voldoening
zitten wachten
tot bloei als
mijn enige waarheid
weerkeert
als wondere beheersing
naar hun schaduw
zijn ze gaan uitgroeien
tot leven stuwend stroomt
met glanzend blad
hun eigenheid oplichten
als wondere beheersing
mijn heuvelland
rijk aanzien geeft