veertiende nacht van de duisternis
wanneer mijn ogen ’s nachts
door het helklare
blind raken
er geen donkerte meer is
waar ik schaduw warm
in kan leven
sterrenluchten
niet langer mijn lichaam
stralend flemen
dan wordt het tijd
wij het kunstmatige
trachten in te dijken
geen onbehagen
maar zachte dromen
terug de nacht dragen

