tomeloos
tot de tijd
mij laat ademen
snelt het leven
langs me heen
zal het
tomeloos vertellen
hoe kwetsbaar mooi
het vroeger leek
tomeloos
tot de tijd
mij laat ademen
snelt het leven
langs me heen
zal het
tomeloos vertellen
hoe kwetsbaar mooi
het vroeger leek
in onderlinge samenhang
weg van ondergang
en verderf
zal zij zichzelf
in onderlinge samenhang
leren verkennen
zien en voelen
dat in leven
liefde en intimiteit
een aanzet tot
intense verbondenheid blijkt
met geest en zielnaast het zoeken en weten
vindt men datgene
wat niet te vatten is
maar desondanks
deel uitmaakt
van ons besef
op de hartenklop van levenlangs mijn oude
vertrouwde bomen
die mij reeds jaren hun
wanstaltige tonen
zweef ik
op de hartenklop van leven
met nevelslierten
hoger mee
naar daar waar tijd
geen vat meer op me heeft
ik een speldenkop
van een sterretje heet
als ravenzwart tumult
en gespannen sfeer
boven een omgewoelde wereld
dompelt haar
in sombere gedachten
die gevoed met de waanzin
van een herinnering
voor een hele tijd
als onherbergzaam
laat kwijnen
spoorloos
wanneer men
in neerliggend gras
enkel spoorloos weervindt
dan is ze
aangedaan weggegaan
van zogenaamde betrokkenheid
met enig respijt
emotie
kei neig
rimpelt het
aan de oppervlakte
verdwijnt
na overgave
geruisloos diep
(neig: heel hard – Herzeels dialect)
ongekend
hij omknelt
elk leven
en snelt er
onafgebroken gesloten
eindwaards mee
waar stilte
het van de tijd
overneemt
de meidoorn
waar lichtwerkers
ragfijne zilverdraden
parelen schoonheid
om me heen
nemen me
warm innestelend
steeds hoger mee
waar leven
schoonheid mediteert
zo intens
dat ik mezelf
durf leiden
naar een nieuw begin
verlies ik
als het grijze
mij bedreigt
de wind
me naakt dwingt
verlies ik elke dag
een beetje meer
tot ik uitgebloeid
voorgoed mezelf verzwijg
roodvlammend
uit chaos strijdt ze
roodvlammend naar boven
oogt met haar uitbundigheid
zoveel kracht en warmte
dat zij hem
uit een grijs verleden weet te tillen
en samen liefdeslingerend
de kracht van passie
hoog oplaaiend beleven
verzwijg ik herfst
wanneer bij ’t slinken
van de dagen de zon
de hemel blauw straalt
het zachte ruisen
van de bomen
de stilte niet verstoort
dan verzwijg ik
nog even herfst
en veins volop zomer
kom ik je weer tegen
alleen jouw woorden
heb ik meegenomen
jou ben ik
in ‘ gewoel van leven verloren
ze helpen mij
het pad van gemis
te doorlopen
waar herinneringen blijven stromen
wetende verder dan ooit
kom ik je weer tegen
zullen wij samen
rust beleven
met gebogen hoofd
zelfs toen ze bij
het zingen van haar lied
telkens uit de toon viel
de dirigent haar verliet
als een geslagen hond
met gebogen hoofd
het schouwtoneel afdroop
weet ze achter de coulissen
dat ze met open geest
en voor een heel ander publiek
nogmaals zal spelen
winterslaap
als we nu niet oogsten
zullen we
na de storm hongerig
ondergronds worden gedwongen
nemen we
enkel de geur
van een verdroomde zomer
als herinnering mee
in mistig zicht
hoe ik ook zocht
me binnen de grenzen
van een verpakte ochtend
te weren
het gestremde
liet me
in zijn traagheid
onweten schreeuwen
over waar of onwaar
de roos
binnen de waan
schoonheid verder draagt
leren leven
laat ze diepwortelend
in eigen aard
zichzelf verheffen
tussen hemel
en aarde
hun schoonheid geven
ons leren
zonder beperking
te leven
met verve
wanneer
het schimmenspel
der wolken
door de glinstering
van sterren
wordt beheerst
kan ik de vrees
voor donker loslaten
en me overgeven
aan de fantasie van mijn geest
die met verve
mijn droom kleurt