Que sais-je?
Mijn anti-credo uit een vorig bericht is wellicht wat uitdagend, een heilig huisje dat wordt neergehaald. Op mijn leeftijd kan je het geen kwajongensstreek noemen. Ik heb veel gelezen en veel nagedacht over de problematiek, dat kan niet anders als je katholiek opgevoed bent en je hele sociaal kader katholiek is.
Het Credo nam en neemt een belangrijke plaats in in het geloof, dat kan moeilijk ontkend worden. Doen alsof het niet bestaat is een beetje hypocriet. Daarom wou ik het eens uitschrijven en mijn eigen overtuigingen ernaast plaatsen.
De poëzie van de bijbel is mij niet vreemd, maar ik ben er niet bijzonder door aangesproken. Het Oude Testament getuigt op veel plaatsen van de wijsheid van mensen in ontbering en gevaar, maar iets teveel naar mijn zin van het uitverkozen zijn, het zich afzetten tegen de vijanden. Er is ook heel veel onbegrijpelijk formele zinloze wetgeving, ik kan me niet voorstellen dat men die wetten allemaal kon onthouden, laat staan onderhouden. Ook de godsidee die erin vertolkt wordt, is mij vreemd: een transcendent wezen dat ingrijpt, belonend en bestraffend, dat men moet vereren, dat is voor mij onbegrijpelijk, dat brengt me niets bij, tenzij als metafoor, maar dat is toch de bedoeling wel niet, meen ik.
En dan religie op zich. Men verwart vaak de gevoelens die opgeroepen worden door poëzie, verhalen, muziek, beeldende kunsten, de natuur, met religie. Bachs muziek is geen religieuze muziek, maar uitzonderlijk goede muziek. De Piëtà is aangrijpend, maar daar is in se niets religieus aan. Godsdienst zou zoiets zijn als een positief antwoord op de uitnodiging van het leven. Dat kan ik begrijpen, ik heb een zelfde positieve ingesteldheid. Maar ik noem dat niet religieus, ik heb daar geen God voor nodig. De wereld is een wonderbaarlijk midden, ik sta elke dag versteld van de mogelijkheden en de bedreigingen die ons geboden worden, en geniet van die uitzonderlijke ervaring als mens. Ook ik voel me opgenomen in een groter geheel van tijd en ruimte, waarvan we niet alle dimensies kennen en misschien wel nooit zullen vatten. Maar een god verkleint die wereld voor mij. Zonder god klopt de wereld voor mij, met hem niet.
Ik ben eens in ‘het heilig land’ geweest, dertig jaar geleden of zo. Wat ik daar gezien heb, in de bakermat van twee van de grote godsdiensten, tart alle verbeelding, en dat is vandaag nog zo. In naam van de religie, van god zelve, wordt daar gemoord, verkracht, gestolen, bedrogen, wordt de mens onteerd tot in zijn diepste wezen, met God of Allah als enige verantwoording. Christenen vervolgen christenen, moslims moorden elkaar uit. Vandaag is godsdienst in de wereld een bron van broeder- en zustermoord, geen blijde boodschap.
Ik leid mijn ethische regels af uit onze geworpenheid als mens in deze wereld.
We zijn op deze aarde geboren, dus hebben we een verantwoordelijkheid tegenover ons nest en de hele natuur.
Geboren worden, het leven zelf, is een ongelooflijke gave, ook al eindigt het met de dood; ook dat creëert verantwoordelijkheden.
Wij zijn als mens geboren op deze aarde. We moeten al onze menselijke mogelijkheden optimaal gebruiken.
Ik weet het, dit is heel vaag, maar ik althans heb daar iets aan. En dat kan ik niet zeggen van het overgrote deel van de religieuze boodschap. Er is zoveel in die boodschap en in de geschiedenis van de kerken en de zogenaamde godsvolkeren waartegen ik revolteer of waardoor ik mateloos bedroefd wordt. Er worden zoveel kansen gemist omwille van heilige principes die allesbehalve heilig blijken te zijn.
Ook ik zoek naar de wortels, maar dan eerder in mezelf, in ‘de’ mens zelf en in de medemensen dan in de geschiedenis van een volk, of dat nu het Joodse, het Griekse, het Romeinse of het Westerse is, of het Oosterse. In al die verhalen zoek ik naar de mens, en hoe hij zich verhoudt tot zijn medemens en de wereld om hem heen en de voorbije en de komende generaties. Ik luister naar wat de geschiedenis van de mensheid mij te vertellen heeft, maar ik wordt er niet door gedetermineerd, ik heb geen behoefte aan dogma’s of verplichtingen die ooit om historische redenen zijn ontstaan. Er is geen ander heilig huis dan dat waar je in woont. De mens zal geen afgoden dienen… Ik probeer Antigone te begrijpen en Oidipoes, en Mozes, en Judas, maar voor mij zijn er alleen maar mensen, is er alleen maar een geschiedenis van mensen. Ik zoek de mens in al zijn verscheidenheid, en heb geen behoefte aan een god als sluitstuk, als allesverklarende bovenbouw, en ik voel me daardoor bevrijd van vele menselijke vooroordelen, gedateerde ideologieën en fundamentalistische dogmatiek. Vrij om onbevangen horizonten te verkennen in bescheiden besef van mijn relatieve onbelangrijkheid als individu.
Ben ik dan geen gelovige meer? Ben ik minder gelovig dan jij, bijvoorbeeld?
Ik ‘geloof’ van niet…

