genieten
omdat ik wil
dat we doorgaan
met genieten
pluk ik
haar geur en kleur
cultiveer ze rijk uit
in mijn gedachten
om uit de grond
van mijn hart
mooier dan ooit
te laten opbloemen
genieten
omdat ik wil
dat we doorgaan
met genieten
pluk ik
haar geur en kleur
cultiveer ze rijk uit
in mijn gedachten
om uit de grond
van mijn hart
mooier dan ooit
te laten opbloemen
ver voorbij
in een afwezig bewegen
ontdoet hij zich van haast
waait met de wind mee
de werking van het licht langs
om ver voorbij de rest van de wereld
en randen van onmacht
hemzelf een nacht
zonder schaduw te geven
geurende dagdromen
hoe durf je bij 't ontwaken
palaveren over de neergang
van lyrische wanen
wanneer de opkomende zon
bijenkelken opent
op de bloembodem
een voorraad geurende dagdromen
kunt oogsten
bewegend herbeleven
als bij valavond
een allegorie
van licht en donker
als lijkwade
van de grond loskomt
deemster vertolkt
bevleugelt zij het
met een zacht
bewegend herbeleven
van een wondere dag
met louter liefde
en zon

zoveel zachter
valt de avond
de hele wereld stil
midden in ’t heelal
wanneer ik onder
schroom eeuwig zilver
heimwee vreemd
de ruimte vind
samen met jou mij
in toevlucht te dromen
inlevend
als de geur van hooi
door de avond wervelt
houden we op
reizigers te zijn
vlijen ons neer
in doorluchtig duister
dat zich gehecht heeft
aan natuurs zachtheid
om inlevend het beleven
als alomvattend vast te houden
in eigen wondere zekerheid
midden monotoon geluid
dat tot in de diepste hoeken
woord en weerwoord fluistert
zit zij vol twijfel
een kind van god te wezen
tot gekleurd licht binnenkringelt
grijze stenen en bleke
lijven wegwimpelt
oog in oog met schervende
beelden haar gelaat oplicht
in eigen wondere zekerheid
zichzelf en geloof weervindt
rustig rijzend
net zoals je wortels
die steeds dieper
de weg van het water volgen
langsheen talrijke bronnen
op zoek naar monding
groei je
bovengronds
zo rustig rijzend uit
tot volmaakt wezen
op zoek naar je hemel
boven bezorgdheid
met zachte schijn
in gevoel van beweging
die liefde louter
puur omschrijft
halen wij populieren
uit hun schaduwen
opdat ze net als ons
boven bezorgdheid
zouden uitgroeien
orde scheppend in chaos
sterk komen te staan
in aards
wezenlijk verhaal

zoeter
dan de zwoelste zomer
bloei ik bloemen
voor je open
omdat ik je
als zinderende vlinder
licht als wind
wil blijven zien
gewoontegetrouw
dag in dag uit
van je wil blijven houden
mijn spring-in-‘t-veld lief
met wijdopen hart
zo veelzijdig fascinerend
komt het vanzelf tot leven
een explosie van innerlijk streven
dat in een oogwenk
zijn eigen weg gaat
met wijdopen hart
de ziel een stem geeft
ongetemd leven

Ongetemd leven
hongerend naar aarde
wil ik boomstammen aaien
ritselend blaren horen vallen
vleugjes geur van allerhande
bloeiende bloemen opvangen
ongeremd kinderlijk speels
me helemaal overgeven
aan ongetemd leven
tijd vergeten
gelukkig wezen
een vlugge vlinder
wieg me stil
verzwijg mijn tranen
wieg me stil
draag verhopend
hoop mee
wanneer ik wakker lig

door de zon getroffen
weerlicht de fine-fleur
van ’t Breivelds’ park
openlijk haar glorie
een stonde maar
want echter later
werpt ze zich verder
als enkel steen
zwaartepunt
van wat is geweest
vleugelkrachtin een kronkelweg
van ervaren
horen hoe de einder
geluid weer toetst
brengt me vleugelkracht
bij eb
mij in herhaalde herhaling
midden noodweer
in rimpelend beleven achterlaten
maakt het zo moeilijk
mezelf keer op keer
weer te vinden
als liefde vonkt
levensbenieuwd
verdrink ik
in lichtsprinkels
met zachte haast
ademloos
tranen barend
om in diepe nasleep
ogenblank
tot rust te komen
gegrond geaard
wording gewaar
die hartslag vraagt
zo ben ik gegrond geaard
zelfbewust van bloesem
tot vrucht uitgegroeid
eeuwigdurende verworvenheid
binnen een moment van eenheid
snoezelen handen
zachte golfjes van verlangen
in fonkelend water
die dromen levend laat opborrelen
als tijdloos rijke bron