zinledigheid
in de voortgang
van de tijd
heb je mij
traag uitgeademd
alleen zinledigheid
blijf over
van wat eens
onze liefde heeft verwoord
daarom laat ik je gaan
zonder traan
zal ik schaduwvrij
mijn eigen leven leiden
zinledigheid
in de voortgang
van de tijd
heb je mij
traag uitgeademd
alleen zinledigheid
blijf over
van wat eens
onze liefde heeft verwoord
daarom laat ik je gaan
zonder traan
zal ik schaduwvrij
mijn eigen leven leiden
ongedwongen
waar klank en kleur
me weelderig ontvangen
geur me de bekoorlijkheid
van intimiteit laat kennen
schoonheid van leven
me in verrukking brengt
daar wil ik de kunst
van minnen leren
in ongedwongen innigheid
mijn lichaam weten
vergetelheid
in waanzin schuur ik mij
langs zware muren
struikel af en toe
in de gaten van het denken
raak bedolven onder ellende
tot ik me overgeef
aan chaos
van vergetelheid
de nacht donker en stil
voor altijd bij me blijft
veertiende nacht van de duisternis
wanneer mijn ogen ’s nachts
door het helklare
blind raken
er geen donkerte meer is
waar ik schaduw warm
in kan leven
sterrenluchten
niet langer mijn lichaam
stralend flemen
dan wordt het tijd
wij het kunstmatige
trachten in te dijken
geen onbehagen
maar zachte dromen
terug de nacht dragen
strooi me uit
kist me niet
ben bang in het donker
maar strooi me uit
en laat me herademen
in de bloei van mijn boom
in volkomenheid
in een grijze morgen
lig ik te luisteren
hoe het zacht ademhalen
in mij schreit
zich wil bevrijden
in volkomenheid
een eigen bestaan leidt
vollediger volmaakter
dan dat het ooit
binnenkamers droomde
zichzelf nog even inkuilenwanneer regen
het geploegde land
blank heeft gezet
zal hij blijven kijken
hoe maartse buien
traag verdwijnen
of gaat hij schuilen
bij dit tijdverlies
zichzelf nog even inkuilen
tot door het open raam
de zon hem laat verstaan
dat het zaaien kan beginnen
een verslapen ochtend
en vlaagt er humeurig grijs
in een verslapen ochtend
als je lusteloos alle vleugjes wit
uit een blauwe hemel
laat verdwijnen
dan haast ik mij
warmlachend de deur uit
want weet zelfs jij
houdt me niet meer vast
in grauwe ogenblikken
Blodeuwedd
wanneer in betoverend grensgebied
Blodenuwedd
donker en licht
met elkaar verbindt
elfen en aardkinderen
in de vuurrode gloed
van een opkomende zon
samen spelen
dan zal de nieuwe tijd
vlug openbreken
wedergeboorte van leven
een feit zijn
gebroken ogen
zijn gebeeldhouwd gelaat
waarin gebroken ogen
mij zijn doodsangst laten verstaan
maskeert zijn vroegere persoonlijkheid
en toch vrees ik
het ontzield omhulsel niet
kleed het teder zacht aan
met herinneringen
laat me ervaren
en juist dat stapje verdergaan
waar werkelijkheid
verbeeldingskracht raakt
laat me ervaren
ik troost kan vinden in verhalen
het zweven tussen
fascinatie en fantasie
me heelwat
levensvisie kan bieden
lente
in helderblauw en stralend geel
kleedt de lente
zich warm aan
met prilgroen leven
dra zal zij lucht en aarde
in samensmeltende kleuren bezitten
ons in haar waarheid
naar zomer laten zweven
als vlinderzoals een rups
zich in verstarde slaaphouding
ingesponnen heeft
zo heb jij je
van de wereld afgekeerd
het wordt tijd dat je
een gat in de cocon knaagt
als vlinder
in realiteit ontwaakt
wipt hij met zijn staart omhoog
ziet hoe hij bij zijn lek
een nest van
gras en strootjes maakt
met omstrelend gezang
pronkend baltsend
een wijfje tracht te imponeren
zelfs een worm aanbiedt
om daarna in perfectie
tot paring over te gaan
in haar treurigheid
al leeft ze diep weggedoken
bij ijzige tijden
beweegt slechts af en toe
in haar treurigheid
breekt zelfs bij tussenpozen
telkens weet ze
haar terug op te rechten
om bij lente
in volle vrijheid zichzelf
bloeiend weg te schenken
kommersoms is een gebaar
zo verschrikkelijk
dat je niet wilt
het je raakt
liever eigen lichaam
buitentijds begraven
dan beroering van vroeger
te ervaren
samen
nadat ze
wendend om elkaar heen
vol vrijheid
welbehagen spelen
volg ik hen
in hun ademtocht naar rust
waar het hart van hun liefde
wacht om ontdekt te worden
hebben elkaar haastig lief
hevige windstoten omzeilend
gebroken beelden negerend
hebben wij elkaar haastig lief
langs de modderige karrensporen
die duidelijk omzoomd
door het landschap lopen
naar waar de einder
zich in blauw rood
wakker rekt
lente de dag draagt
wanneer zon er voor zorgt
weiden in zachte nevel ontwaken
weet dan dat winter
zwak op zijn benen staat
vanaf nu
lente de dag draagt
terwijl vlijtige handen
zomer zwaaien
een droomzachte slaapik onderga
voel me hemels aangedaan
wanneer hij de geur
van een droomzachte slaap
door het open raam
naar binnen waait