het beulsrood

het beulsrood
zelfbeschikking
wanneer jij
het breken van mijn kindzijn
tot doel stelt
weet dan gil
ik mezelf
naar een veilige wereld
zal vergeten
de vlucht erheen
enkel het aankomen herbeleven
raakt ze verdwaald
tussen gedogen woorden
op zoek
naar zichzelf
raakt ze verdwaald
in de zin
van bestaan
vergrijsd
enig eigen
de schaduwzijde
ze speelt
in een schouwtoneel
van licht en spel
speelt ze
uitgelatenheid mee
weiger toe te geven
dat warme schijn
niet haar werkelijkheid
blijkt te zijn
een glimp van hoop
binnen de grenzen
van gevoel
waar schaduwen bezwangerd
van het intieme
een glimp van hoop
stralen
geniet het hart
tijdloos
klaagt neer
het vege
sluipt narrig
over ’t wezen heen
klaagt met
gejaagde adem
het drukkende neer
laat slechts los
wanneer men
om hondsdagen weent
pootje baden
blijf jij maar
in je bunker
gemakzuchtig
hunkeren
naar frisheid
ik ga
dit jaar
onder strakblauw
lauw
pootje baden
zo broodnodig
eindelijk
hoogzomer
in mijn leven
te weten
als marionet
toen je niet meer
wou spelen
me verfromfraaid
hebt weggesmeten
word ik
zonder eigen inbreng
door andere handen
een nieuw kleed aangemeten
telkens weer tot ik
boven het oud beperkte uitstijg
eindelijk beslis niet langer
als marionet te worden geleefd
de exoduswanneer in leven
winter zich te vlug laat voelen
zal men halverwege
op weg moeten gaan
omdat achterblijvers
nu éénmaal gedoemd zijn
nooit in zomers rood
uitgestoeid te raken
het is enkel een onweer
wanneer windvlagen
de korenaren
in zijn geel laat dollen
ver geroffel
ons plots
oorverdovend overrompelt
terwijl bliksemschichten
het landschap spookachtig
laat oplichten
vrees dan
geen aanslag
op ‘t zomers beeld
het is enkel een onweer
dat de natuur
verkoeling geeft
moe van 't drukkezelfs daar
waar rijpe vruchten
van de kerselaar
me bloedrood vragen
om ze in manden
weg te dragen
vind ik
moe van ’t drukke een plaats
waar de avond traag
over me heen kan gaan
aangedaan door de stilte
mijn kracht kan hervinden
't tempeest
wanneer ik bij zon
donker droom
het hoogoplaaiende
niet intoom
dan zal ‘t tempeest
met schoon leven
op de loop gaan
boven eigen wereld
slechts één schamele bloem
als alle wouden
worden geveld
alleen sprokkelhout
ons nog vertelt
hoe bomen vol groene weelde
leven geurden
de wind
verwijtend klaagt
hoe hij
in het ongerepte landschap
geen grenzen of bakens
meer vindt
slechts één schamele bloem
in een troostend aanschijn vertelt
dat niks meer is zoals weleer
dan sla ik de ogen neer
in mijn overleven
zoekt verdwalend
alsmaar kringen tekenend
dwarrelt ze
vlinderlicht omhoog
zoekt verdwalend
in het blauw
haar roos
omdat aards
haar wezen
steeds heeft verzwegen
genieten van het fysieke
nadat het losmaken
van een bovenste knoop
ervoor zorgde dat kwetsbaarheid
werd blootgegeven
zocht hij beschroomd
verstrooiing
in het doorbladeren
van dode tijd
in plaats van
te genieten van het fysieke
dat zicht
hem bood
in eigen reflectieterwijl hij
als spraakwaterval
bij hoogtij
en volle wind
in geschiedenis uitmondt
laat zij zich
in stil water verliezen
hopend dat men
in het ruisen haar diepte
weet te vinden
zodat zij
in eigen reflectie
naar open zee
kan drijven
gaandewegdeze nacht zal niet
als een uitgeplooid doodskleed
over haar warrige
wereld hangen
maar gaandeweg
zal ze in het licht
van een wassende maan
werkelijkheid zien oplichten
tot zeisen zullen zingen
arm leven
als bewegend zicht
zich vasthoudt
in een koelte
van steriele volkomenheid
zal arm leven regeren