open licht
waar door
open licht bestraald
zoveel dwalingen braken
voelde ik
mij openstromen
volgegoten met geluk
werd warmte
als waardevolste bezit
naar mij toegeschoven
open licht
waar door
open licht bestraald
zoveel dwalingen braken
voelde ik
mij openstromen
volgegoten met geluk
werd warmte
als waardevolste bezit
naar mij toegeschoven
als grijs rag
je wilt me begraven
terwijl ik leef
alle herinneringen kisten
die ooit zijn geweest
maar vergeet niet
dat ik kan spoken
als grijs rag
in je gedachten blijf dolen
tot de dood
elk spinsel laat zwinden
in zonovergoten realiteit
als de dag
zich zienderogend
losmaakt uit dromen
openbloeiend de tederheid
van mijn verhaal
meedraagt
zal hij in zonovergoten realiteit
een allesoverheersende liefde
ten toon spreiden
zoek je weide
een grote oogst
als gladgestreken plooien
in het glooiende
een grote oogst verwoorden
sluit de nood
naar rust
de poort
onomstotelijkwanneer zonnestralen
door het bladerdek heen
het licht aan praten
beheerst zijn uitgerekte schaduw
als onomstotelijk de dag
terwijl hij eigenlijk
liever onbevangen trillend
in de vrijheid
van een nieuwe maan
zichzelf wil vertellen
tussen 't kaf en 't korenschraal geel
doet me hongeren
naar het dorsen
waar de taal der vlegels
het trimmelen en trezelen
van de wanmolen
me tussen
’t kaf en ’t koren
een rijke oogst beloven
verhaal me
staar niet
uit het donker
naar een rood
ondergaande zomer
maar verhaal me
over leven
je zoektocht
naar een eigen wereld
soms zo ver weg
af en toe
vanzelfsprekend
dicht nabij
met hart en ziel gegrift
het beulsrood
zelfbeschikking
wanneer jij
het breken van mijn kindzijn
tot doel stelt
weet dan gil
ik mezelf
naar een veilige wereld
zal vergeten
de vlucht erheen
enkel het aankomen herbeleven
raakt ze verdwaald
tussen gedogen woorden
op zoek
naar zichzelf
raakt ze verdwaald
in de zin
van bestaan
vergrijsd
enig eigen
de schaduwzijde
ze speelt
in een schouwtoneel
van licht en spel
speelt ze
uitgelatenheid mee
weiger toe te geven
dat warme schijn
niet haar werkelijkheid
blijkt te zijn
een glimp van hoop
binnen de grenzen
van gevoel
waar schaduwen bezwangerd
van het intieme
een glimp van hoop
stralen
geniet het hart
tijdloos
klaagt neer
het vege
sluipt narrig
over ’t wezen heen
klaagt met
gejaagde adem
het drukkende neer
laat slechts los
wanneer men
om hondsdagen weent
pootje baden
blijf jij maar
in je bunker
gemakzuchtig
hunkeren
naar frisheid
ik ga
dit jaar
onder strakblauw
lauw
pootje baden
zo broodnodig
eindelijk
hoogzomer
in mijn leven
te weten
als marionet
toen je niet meer
wou spelen
me verfromfraaid
hebt weggesmeten
word ik
zonder eigen inbreng
door andere handen
een nieuw kleed aangemeten
telkens weer tot ik
boven het oud beperkte uitstijg
eindelijk beslis niet langer
als marionet te worden geleefd
de exoduswanneer in leven
winter zich te vlug laat voelen
zal men halverwege
op weg moeten gaan
omdat achterblijvers
nu éénmaal gedoemd zijn
nooit in zomers rood
uitgestoeid te raken
het is enkel een onweer
wanneer windvlagen
de korenaren
in zijn geel laat dollen
ver geroffel
ons plots
oorverdovend overrompelt
terwijl bliksemschichten
het landschap spookachtig
laat oplichten
vrees dan
geen aanslag
op ‘t zomers beeld
het is enkel een onweer
dat de natuur
verkoeling geeft
moe van 't drukkezelfs daar
waar rijpe vruchten
van de kerselaar
me bloedrood vragen
om ze in manden
weg te dragen
vind ik
moe van ’t drukke een plaats
waar de avond traag
over me heen kan gaan
aangedaan door de stilte
mijn kracht kan hervinden