Kindertotenlieder
Kindertotenlieder
Het muziekstuk dat ik u wil voorstellen, ligt me na aan het hart. Al vrij vroeg trok het mijn aandacht, toen ik het toevallig hoorde op de radio. De titel spreekt zeer direct aan: “Kindertotenlieder”. Geen banaal onderwerp, eerder een thema waarop ook nu nog vele taboes rusten. Later, toen ik zelf kinderen had, voelde ik dat nog beter aan. Enkele aangrijpende vertolkingen, zeker die van onze nationale en dus helaas totaal miskende alt Ria Bollen, maakten dat deze compositie een speciale plaats kreeg in mijn lijstje van dierbaarste muziekstukken.
Het gaat om vijf gedichten bij het afsterven van kinderen, op muziek gezet voor zangstem en orkest of piano.
De gedichten zijn geschreven door Friedrich Rückert, een Duitse dichter uit de streek van Coburg, waar ook ons koningshuis oorspronkelijk vandaan komt: Saxen-Coburg-Gotha. Dat is in het noorden van Beieren, helemaal in het oosten van Duistland, in de richting van Tsjechië. Hij leefde van 1788 tot 1866 en was in zijn tijd zeer bekend als dichter. Hij was leraar en doceerde later ook aan de universiteit. Zijn specialisme was het Oosten, zowel het Midden-Oosten als het verre, dus zowel de Arabische wereld als India, China en Japan. Hij was op dat punt autodidact, dat wil zeggen dat hij het grootste gedeelte van wat hij wist zelf had opgezocht, zonder ooit op school of universiteit daarvoor geleerd te hebben. En hij was werkelijk heel begaafd, hij kende verscheidene oosterse talen, wat hem in staat stelde om veel van die literatuur, die toen vrijwel totaal onbekend was in Europa, in vertaling te brengen. Zo vertaalde hij ook de Koran.
In het gezin werden tien kinderen geboren, wat toen niet ongebruikelijk was; er waren drie meisjes en zeven jongens. Karl Julius werd geboren in 1832 en stierf na een paar dagen. Ernst was geboren in 1829 en stierf in 1834; Luise leefde van 1830 tot 1833. In 1831 stierf ook zijn vader, en in 1835 zijn jongste zus, Maria, 25 jaar oud. Het waren dus zware jaren voor de familie.
Na zijn dood in 1866 ontdekte men in zijn papieren een groot aantal gedichten, geschreven rond 1834 en gewijd aan zijn overleden kinderen. De gedichten, die we nu Kindertotenlieder noemen, werden pas in 1872 uitgegeven, eerst 425 gedichten, dan nog eens 18. Er zijn er erg korte bij, slechts een tiental regels, maar ook vrij lange. Ze geven de gevoelens weer van de ouders, brengen herinneringen aan de jonge kinderen, proberen het diepe leed te verwoorden en te verwerken.
Vandaag zijn die gedichten enkel nog bekend door de verwerking van vijf ervan in een compositie van Gustav Mahler, met dezelfde titel: Kindertotenlieder. Mahler schreef er drie in 1901 en nog eens twee in 1904, toen ze samen werden gepubliceerd en opgevoerd. De gedichten, die ik hierbij in mijn eigen werkvertaling geef, lijken nu wat verouderd, maar spreken toch nog aan, door hun eerlijkheid, door de zuivere gevoelens en de treffende beelden. Maar wat Mahler ermee deed, is wonderbaarlijk. Hij kon ze verheffen tot subtiele, gesublimeerde meesterwerken, die ook de moderne mens intens beroeren en diep verrijken. Wie de moeite doet om te luisteren en zich openstelt voor wat Mahler met het orkest en de menselijke stem voor ons schildert, wordt niet teleurgesteld en vindt een schat voor de rest van zijn leven, wat de Grieken een ktèma eis aiei noemden, iets wat je altijd bijblijft.
Gustav Mahler is een van de groten van de moderne muziekgeschiedenis. Hij was dat al tijdens zijn leven, maar de Nazi’s hadden het niet op hem begrepen: hij was een Jood, ook al had hij zich bekeerd, omwille van zijn carrière of uit overtuiging, wie zal het zeggen. Het mocht niet baten: zijn muziek werd tot de ‘ontaarde’ muziek gerekend en verboden. Het duurde tot rond 1960 voor hij weer ruimer in de belangstelling kwam, en bij het einde van de twintigste eeuw was zijn genie overal erkend en werd hij een van de meest gespeelde componisten. Vandaag de dag zijn er talloze opnamen van al zijn composities en wordt hij elke dag wel ergens live opgevoerd, en op de radio kan je hem ontelbare keren per dag horen.
Het leven van Mahler mogen we gerust stormachtig noemen. Hij leefde in die periode rond de eeuwwisseling tussen de 19de en de 20ste eeuw, een ongelooflijk vruchtbare periode en turbulente smeltkroes voor zowat alle kunsten en de hele beschaving, in wat toen het cultuurcentrum van de wereld was: midden-Europa, wat nu Duitsland is, Oostenrijk, Hongarije, en heel wat van de aangrenzende landen, met als onbetwiste hoofdstad Wenen. Hij werd geboren in 1860 en stierf in 1911. Hij begon als begaafd pianist en dan als hulpdirigent ergens in een provinciestadje. Al snel begon hij ook te componeren en ook meer te dirigeren, en wel voor steeds belangrijker orkesten. En dat heeft hij zijn hele leven gedaan. Componeren deed hij tijdens de zomervakanties, in de afzondering en de rust van de bergen, ongestoord, niet afgeleid en volledig geconcentreerd op wat hij deed. De rest van het jaar was hij opgeslorpt door het jachtige leven van het dirigeren, zowat overal ter wereld, ook in Amerika. Hij had de leiding over de meest beroemde orkesten en operahuizen, en ze zullen het geweten hebben, want Mahler was geen gemakkelijke man, niet voor zichzelf en dus ook niet voor anderen. Zijn verwachtingen voor inzet en kwaliteit waren veel hoger dan toneelmeesters, muzikanten en solisten gewoon waren, en compromissen maken deed hij niet, voor niemand, ook niet voor de keizer: het was niet ongebruikelijk dat een aantrekkelijke zangeres ‘slapend’ haar weg naar de top probeerde te maken, en een aanbeveling van de keizer gold als een bevel. Niet voor Mahler dus: alleen de beste artiesten kregen een kans, en enkel als ze bereid waren tot het uiterste van hun kunnen te gaan. Geen wonder dat hij verschillende jobs na korte tijd moest opgeven of daar zelf voor koos. Met zijn professionalisme, dat model staat voor wat wij vandaag voor vanzelfsprekend houden, was hij zijn tijd ver vooruit.
Al stond hij dan aan de wereldtop van het muziekleven, het leven was vaak ook hard voor hem. Hij trouwde in 1901 met Alma Schindler, die twintig jaar jonger was dan hij, en zelf ook een meer dan gewoon begaafd artieste. Hun huwelijksleven was al even stormachtig als zijn carrière. Hun dochtertje stierf in 1906, en dat heeft hen allebei zeer zwaar getroffen. (Een andere dochter van Alma Mahler, uit haar tweede huwelijk, met Walter Gropius, die later beroemd werd als Bauhaus-architect, stierf op achttienjarige leeftijd, en voor haar schreef Alban Berg zijn heerlijk vioolconcerto ‘als herinnering aan een engel’.) Met zijn gezondheid ging het zelden goed: hij was gewoon overwerkt en meestal depressief, je zou voor minder. Hij stierf in Wenen, amper vijftig jaar oud.
Over zijn andere composities kunnen we het op een andere keer hebben. Hij schreef tien symfonieën, vaak voor enorme orkesten, zoals de achtste, die de bijnaam kreeg ‘die van de duizend’ omdat bij de eerste opvoering zoveel koor- en orkestleden op het podium stonden. De menselijke stem fascineerde hem: hij schreef nog meer lied-cyclussen en haalde de gezongen muziek ook binnen in zijn symfonisch werk.
Wie van muziek houdt, houdt ook van Mahler, zo eenvoudig is dat.


