stop


Ik moet zowat vijftien geweest zijn, toen ik tijdens de zomervakantie in het vlas ging werken, zoals dat heette. De eerste weken was dat in de verwerking van het droge vlas van de vorige zomer, nadien, toen het vlas op de velden klaar was voor het maaien, gingen we ook daar aan de slag. Nog later kwam ik aan de enorme machine te staan die de laatste verwerking deed: het hekelen.
Vlas is een fascinerende plant, vooral om wat de mens ermee doet. Er is niets aan de plant dat verloren gaat, vandaar misschien de Latijnse wetenschappelijke benaming: Linum usitatissimum; usitare is het iteratief of frequentatief van uti, gebruiken en betekent dus herhaaldelijk of veel gebruiken en de vorm hier is hier nog versterkt tot de superlatief: dat wat we het allermeest gebruiken. Dat begon al in het neolithicum, zes duizend jaar geleden, overal waar de mens opdook was er ook vlas en werd het gebruikt, enerzijds voor het vervaardigen van textiel (stengel), anderzijds voor olie (zaadjes). Los daarvan is vlas ook een prachtige plant met heerlijk blauwe bloemen, de enige die écht blauw zijn en geen vorm van purper.
De verwerking van de stengel is een lang en arbeidsintensief proces. Na het maaien moet de plant eerst een rottingsproces doormaken, het roten, zodat ze gemakkelijker verder kan bewerkt worden. Dat roten gebeurde vroeger in water, bijvoorbeeld in de Leie, die er een kleurtje van kreeg en dan de gouden rivier genoemd werd. Nu laat men het vlas roten op het veld. Daarna gaat men de soepele en tot 1,2 m lange vlasvezels scheiden van de kortere houterige gedeelten. Met de lange goudblonde vezels maakt men textiel, linnen namelijk, en ook damast en kant. De wat grovere vezels dienen voor het maken van touw en poetskatoen.
De benaming linnen herinnert aan de Latijnse naam linum en het Griekse linon. Linnen is ook ondergoed, met een Frans eufemisme ook lingerie, en beddengoed. In het Engels is lining de voering van kleding of van dozen en zelfs meubels, wat erop wijst dat linnen ook daarvoor gebruikt werd. Een synoniem voor vlaslinnen is lijn, zoals in lijnwaad, maar ook in lijndraaier: een touwslager. Ook lijnzaad heeft de lin-stam behouden; de olie die men eruit perst is dan lijn(-zaad-)olie, en die gebruikt men zowel in de voeding als in de industrie en vooral ook bij het schilderen: onze Vlaamse primitieven waren de eerste om met lijnzaadolie olieverfschilderijen te maken met kleuren die veel dieper en helderder waren dan alles wat voordien kon gemaakt worden.
De houtvezels worden geperst tot meubelplaten.
De ruwere vezels gebruikte men ook in de scheepsbouw, namelijk om er gaten mee te stoppen. Dat woord, stoppen, is zelfs rechtstreeks daarvan afgeleid! Het Griekse stuppè en het Latijnse stuppa slaat op een prop ruwe vlasvezels die men gebruikte om te breeuwen, gaten en kieren te dichten; in het Nederlands is dat ‘werk’, geplozen vlas of hennep (dat we ook kemp noemen en dat niets anders is dan cannabis, heb je hem: cannabis… kemp?). In het Frans zien we stuppa nog altijd in étoupe; je kan een werkprop ook gebruiken als lont en het Frans voor ‘gezwinde lont’ is étoupille; étoupillon betekent dan weer zundgatprop en dat is een ontbrandingsprop die je in het zundgat van een kanon steekt; zundgat komt van het Duitse zünden, ontbranden, en dat is verwant met ons ‘tondel’, de prop ruw textiel die in een tondeldoos gebruikt werd samen met een vuurslag.
In het Nederlands en in het Engels noemen we werk (wellicht van het Latijn vergere, draaien, wringen, wurgen) ook touw, tow; touwen is bewerken, zoals men doet met leer en ook met harde vezels zoals die van vlas en hennep.
Stuppè/stuppa heeft dat zelfde st- dat we ook in onstuimig ontmoetten, met dezelfde betekenis: tegenhouden, stoppen. In het Engels komt het werkwoord to stop voor vanaf 1400 en van daar is het overgegaan in zowat alle talen. Merkwaardig dat het Franse étoupe niet tot dezelfde evolutie heeft geleid…
Eigenaardig toch dat een zo ‘modern’ woord als ‘stop’ van zo ver komt, uit de nevelen van het steentijdperk, toen de slimme mens de heel speciale eigenschappen van een mooie plant ontdekte en intensief ging gebruiken in zijn eigen voordeel.
Etymologie zoekt naar de oorsprong en de geschiedenis van woorden en dat deden de Grieken al. Het heeft tot 1850 geduurd voor men (Darwin en Wallace, vooral) dat ook systematisch als wetenschappelijke methode ging gebruiken in de natuurwetenschappen en zo ontdekte dat net zo min als woorden door God geschapen zijn zoals wij ze nu kennen, ook de diersoorten en de mens niet als volmaakte readymades op de wereld geplaatst zijn door een bijbelse schepper, maar in hun omgeving ontwikkeld zijn tot wat ze nu zijn. Daar kunnen alle creationisten een puntje aan zuigen. En waar die uitdrukking vandaan komt? Waarschijnlijk moeten we daarvoor teruggaan naar de allereerste ervaringen van elk jong zoogdier en elk mensenkind.



















