Erfzonde


In een vorige aflevering had ik het over Genesis, het verhaal van Adam en Eva, klik hier. Ik probeerde daar een hedendaagse positieve lezing te geven van het mythische Bijbelse verhaal over de schepping en de zondeval. Het is niet onbelangrijk te vermelden dat de Katholieke Kerk helemaal niet opgezet is met dat soort van actualiserende interpretaties.
Toen de Nederlandse bisschoppen na het Concilie in 1966 een eigen Nieuwe Katechismus uitgaven, waarin vooral Piet Schoonenberg en Edward Schillebeeckx zich aan eigentijdse formuleringen waagden, liep die prompt een officiële veroordeling op door de hoogste kerkelijke instanties: de Romeinse Curie en ten slotte ook Paulus VI zelf. Omdat zowel de auteurs als de bisschoppen weigerden om de opgelegde wijzigingen aan de tekst aan te brengen, werden de opmerkingen van Rome in 1969 afzonderlijk gepubliceerd. De Nieuwe Katechismus was overigens een enorm verkoopsucces in Nederland en Vlaanderen en kende heel snel verscheidene vertalingen. Het was een wereldsucces. Hij bleef van kracht in Nederland tot de publicatie van de behoudsgezinde officiële Catechismus van de Katholieke Kerk in 1992, de Nederlandse vertaling in 1995 en de definitieve tekst in 1997.
Als je die laatste versie vergelijkt met die van 1966, lijkt het alsof die datums omgewisseld zijn: de oudere tekst is op alle punten veel moderner dan de meer recente. De klok is resoluut teruggedraaid. Op elke zelfs timide vernieuwing binnen de Kerk volgt onvermijdelijk een harde restauratie. Dat zegt veel over de evolutie van de katholieke kerk, en niet alleen in de laatste vijftig jaar. Het is tevens een pijnlijke analyse van de vele gestrande hervormingsbewegingen binnen de kerk en bijgevolg van haar overlevingskansen in een voortdurend veranderende wereld.
De Kerk, zowel in haar centrale gezagsorganen als in haar onderzoekscentra, de theologische faculteiten en de opleidingscentra van priesters en religieuzen, is in hoofdzaak steeds zeer conservatief geweest. Vernieuwende of afwijkende opvattingen werden in de kiem gesmoord, door veroordelingen, disciplinaire maatregelen, vervolging, excommunicatie, ja tot de doodstraf op de brandstapel toe. Dat heeft enerzijds te maken met de typische vrees die elk centraal gezag nu eenmaal heeft voor zelfs de geringste aantasting van zijn autoriteit. Toegeven dat men zich kan vergissen zou immers kunnen uitgelegd worden als een teken van zwakte. Erkennen dat iemand die niet tot de gevestigde gezagsstructuur behoort desondanks toch iets verstandigs zou kunnen zeggen of schrijven, zou meteen betekenen dat met het gelijk ook het gezag zou verschuiven van het centrum naar de periferie of naar een nieuw gezagscentrum. Er kan maar één gezag zijn, centraal, allesomvattend en onfeilbaar.
Anderzijds is de gevestigde macht uiteraard ook steeds bevreesd voor elke verandering, ook van binnenuit. Zij steunt haar gezag en haar gelijk immers uitsluitend op onwrikbare, vaste principes van zogenaamd goddelijke oorsprong. Elke twijfel, elke kritiek, elke afwijkende interpretatie, ja elke nieuwe formulering van de oude waarheden kan dan niet anders zijn dan een rechtstreekse bedreiging van de macht. Binnen de katholieke kerk heeft dat geleid tot een fundamenteel conservatisme, het betonneren van alle regels, het voor eeuwig vastleggen van de geloofswaarheden in onveranderlijke termen en het letterlijk interpreteren daarvan, tot in het absurde.
Dat is ook zo voor Genesis, het verhaal over de schepping en de zondeval.
Van bij het ontstaan van het christendom en vooral onder de nefaste invloed van Paulus, is men de relevante teksten van het Oude Testament nog veel meer letterlijk gaan interpreteren dan de Joodse gemeenschap ooit gedaan had en dat wil wat zeggen. In het verhaal over het gevecht van Jacob met de Engel (klik hier) raakt de Engel Jacobs heup aan; dat was voldoende om de joden voor de rest van de eeuwigheid te verbieden om het lekkerste stukje van het rund, de ossenhaas, te eten.
Nadien is hetzelfde gebeurd met alle mogelijke kerkelijke teksten: de brieven van Paulus en de apostelen, de evangelies, de concilieteksten, de pauselijke verordeningen en de teksten van erkende theologen. De kerk besliste wat tot de canon behoorde en dat waren dan de heilige teksten. Wat niet aanvaard werd, was ketterij.
Die dubbele geestelijke armoede, de onzalige combinatie van het letterlijk interpreteren van (geselecteerde) teksten met de botte weigering om nieuwe inzichten onder ogen te nemen, is kenmerkend voor alle godsdiensten. Men vindt ze ook in de Islam, in het Protestantisme, bij Jehova’s Getuigen, bij de Mormonen, ja zelfs in sommige Boeddhistische strekkingen. Het is een zekere weg naar de afbrokkeling en de uiteindelijke totale ondergang, dat heeft de geschiedenis ten overvloede bewezen. Enkel wie zich aanpast, overleeft. Er zijn immers geen absolute waarheden, vastgelegd en geopenbaard door de goden. Er zijn enkel voorlopige, tijdelijke menselijke inzichten binnen een snel evoluerende maatschappij. Wie zich vastklampt aan voorbijgestreefde opvattingen, staat uiteindelijk helemaal alleen met zijn grote ongelijk. Qui a raison contre tout le monde, a tort.
In de loop van de geschiedenis van het christendom is het verhaal van Adam en Eva uitgegroeid tot een van de basisteksten van het geloof. Wat daarin vermeld staat, is waar en wel zoals het er staat en met al wat het impliceert. Dat was vroeger zo en dat is nog altijd zo in de Catechismus van 1997. Wat oorspronkelijk een literair verhaal was, een allegorie, een mythe van een nomadische volksstam ergens in het Midden-Oosten, werd een heilige tekst voor een wereldgodsdienst. Geen wonder dat het ondenkbaar was en is dat iemand aan die tekst zou raken of er een nieuwe interpretatie zou aan geven. Dat hebben ook de auteurs van de Nieuwe Katechismus mogen ervaren.
Het is nauwelijks voorstelbaar hoe absurd ver de Kerk daarin is gegaan. Een goed voorbeeld daarvan is de erfzonde. Zelfs de meest trouwe en vrome gelovigen en de meest gezagsgetrouwe priesters van vandaag weten niet goed wat ze daarover moeten denken of zeggen en dus wordt er vooral nadrukkelijk over gezwegen. Niet zo in de Catechismus van 1997 nochtans en ook niet in de loop van de kerkgeschiedenis. De erfzonde was en is een kernpunt van het geloof. Wie daaraan twijfelt, loopt ook nu nog meteen de meest strenge veroordeling op van de kerkelijke hiërarchie.
Laten we even proberen achterhalen waarover het gaat.
Eva en Adam, zo lezen we in Genesis, hoofdstuk twee en drie, overtreden de wet van God en worden daarom door hem zwaar gestraft; niet alleen zijzelf, maar ook heel hun nageslacht. Aangezien zij de eerste mensen waren, het unieke mensenpaar, betekent dat: iedereen, elke mens die ooit geboren wordt. Ikzelf interpreteerde dat als een verwoording van ons algemeen aanvoelen dat wij als mens onvolmaakt zijn in wat we doen, dat de wereld om ons heen en onze medemensen het ons vaak moeilijk maken, dat het leven een strijd is en geen onverdeeld geluk. Het verhaal over de mythische eerste mensen is niet meer of minder dan dat: een vrij geslaagde beschrijving van onze condition humaine, van onze menselijke natuur.
Maar als dat verhaal het onveranderlijke woord wordt van God zelf, en niet van Mosje de Verteller, dan is dat een heel andere zaak. De Kerk houdt vast aan elk woord van die tekst alsof haar leven ervan afhing (en dat is waarschijnlijk ook zo). Adam en Eva zijn voor haar dus geen literaire figuren, maar echte mensen, die echt bestaan hebben, die echt door God geschapen zijn zoals Genesis het vertelt. Het serpent is geen verpersoonlijking van het kwaad, maar het Kwaad in hoogsteigen persoon, Satan, de Duivel, een geest, een engel die God heeft geschapen, maar die opstandig is geworden en die door God verbannen is, na een felle strijd, naar de hel, waar hij de zielen teistert van de mensen die gezondigd hebben. De boom was geen sprookjeselement maar een echte boom, met echte vruchten en het is door daarvan te eten dat Eva en daarna ook Adam de wraak van God opriepen. De tuin van Eden heeft echt bestaan, er zijn landkaarten waarop de plaats nauwkeurig aangeduid staat. Adam en Eva waren de unieke voorvaderen van het menselijk geslacht, iedereen stamt van hen af. De zonde die zij bedreven hebben wij geërfd door de voortplanting, vandaar: de erfzonde. Elke mens wordt geboren beladen met die formidabele smet op zijn ziel.
Dat heeft natuurlijk zo zijn gevolgen.
Elke veronderstelling dat de mens afstamt van vroegere levensvormen is uit den boze. Darwins opvattingen zijn onmiddellijk door de Kerk als onaanvaardbaar en strijdig met de rechte leer en met de Schrift verworpen. Darwin, die al heel vroeg in zijn leven een agnostische en later een openlijk atheïstische levenshouding had aangenomen, was zich daarvan wel bewust. Onder meer om de gevoelens van zijn vrome echtgenote niet te kwetsen, maar tevens uit vrees voor het schandaal dat zijn ontdekkingen zou verwekken, borg hij zijn teksten op in een gesloten envelop en liet in zijn laatste wilsbeschikking een bijzonder legaat opnemen om ze na zijn dood te laten uitgeven. Gelukkig voor ons werd hij door omstandigheden gedwongen om er toch mee naar buiten te komen, namelijk toen een concurrent onafhankelijk van hem tot dezelfde conclusies kwam en met publicatie dreigde. Vandaag verwerpt de Kerk de evolutietheorie nog steeds integraal. Zij aanvaardt ten hoogste, onder de onweerlegbare druk van de wetenschap, dat de mens fysiek zou afstammen van andere levensvormen, maar ziet in die evolutie de rechtstreeks scheppende hand van God, die de gebeurtenissen zo geleid heeft dat uiteindelijk homo sapiens tot stand kwam, helemaal zoals hij het gepland had. Op dat moment heeft God hem een onsterfelijke ziel gegeven, zoals hij nog steeds doet bij de conceptie van elk menselijk wezen in de moederschoot, daarbij puttend uit een onuitputtelijke voorraad die hij van in den beginne heeft geschapen.
De kerkelijke leer over de erfzonde heeft zich trouwens al heel snel toegespitst op die kinderen in de moederschoot. Als de erfzonde overgaat van de ouders op de kinderen, dan worden de kinderen geboren als zondaars en moeten zij ook vergiffenis krijgen voor die overgeërfde zonde. Sinds Paulus neemt dat de vorm aan van het doopsel. Door het doopsel wordt de gelovige lid van de kerk, worden al zijn zonden vergeven en kan zijn of haar onsterfelijke ziel later in de hemel komen, verenigd met zijn of haar verheerlijkt lichaam. Als men ook dat letterlijk gaat nemen, namelijk het doopsel als een fysieke gebeurtenis, het overgieten met water onder het uitspreken van specifieke woorden, dan is het hek helemaal van de dam en staat de deur wijd open voor de meest afschuwelijke misbruiken. Ik geef u daarvan enkele ongemeen schrijnende voorbeelden. Ik baseer mij daarvoor op het verbluffende boek van Georges Minois, Les origines du mal. Une histoire du péché originel, 439 p., Fayard, 2002 dat ik onlangs met stijgende verbazing heb gelezen en u zeer kan aanbevelen, maar je zal het wel in het Frans moeten lezen, er is jammer genoeg geen Nederlands vertaling.
De grootste schande is ongetwijfeld de barbaarse opvatting dat kinderen die geboren worden maar sterven voor ze kunnen gedoopt worden, veroordeeld zijn om voor de rest van de eeuwigheid verstoken te blijven van de hemelse zaligheid. De grootste kerkgeleerden, inzonderheid Augustinus zelf, en opeenvolgende concilies bevestigen dit keer op keer en voegen eraan toe dat die kinderen zullen branden in de hel, hoe hard dat ook moge aankomen voor de ouders en de familieleden. Sommigen binnen de kerk hebben af en toe minder strenge gevolgen bedacht voor die ongedoopte baby’s, onder meer een soort van voorgeborchte van de hel, waar ze niet gemarteld worden door de duivel, maar toch zoals alle zondaars voor alle eeuwigheid getormenteerd worden door het besef van de afwezigheid van Gods nabijheid. Recentelijk berichtte ik hier over dat voorgeborchte, klik hier.
Vandaag houdt de kerk nog steeds vast aan de regel dat niemand zonder het doopsel naar de hemel kan, maar vertrouwt voor de rest op de oneindige goedheid van God. De menselijke kerk is dus een heel stuk hardvochtiger voor achteloze baby’s dan wat men verwacht van God zelf.
Kinderen moesten dus snel gedoopt worden, want kindersterfte was vroeger afschuwelijk hoog. Bovendien moest die doop gebeuren volgens de regels en de beste garantie daarvoor was om het te laten doen door een priester. In nood mochten ook anderen dopen, maar de risico’s waren enorm. Zo volstond het dat men zich versprak om het doopsel ongeldig te maken. Wie een letter veranderde aan de Latijnse formule was eraan voor de moeite.
Een voorbeeld. Wie per ongeluk, omdat hij of zij geen Latijn kende, zei: …in nomine Matris (in plaats van Patris), et Filii, et Spiritus Sancti, diende een ongeldig doopsel toe. Wie zich om dezelfde reden vergiste en in plaats van In nomine Patris enzovoort zei: In nominis… of het grammaticaal meer correcte In nominibus Patris…veroordeelde daarmee het kind, bijvoorbeeld zijn eigen kind, tot de eeuwige hellebrand. Het gebruik van de meervoudsvorm (‘in de namen van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest’) zou er immers kunnen op wijzen dat men in twijfel trok dat er slechts één God is, in drie goddelijke personen, weliswaar. Ik verzin dit niet, ik verzeker het u en er is nog erger op komst.
Wat te doen bij een gecompliceerde bevalling? Als het kind in gevaar kwam, was het essentieel dat het gedoopt werd. Volgens sommigen volstond het dat er bijvoorbeeld een armpje of een been naar buiten stak om het doopsel te kunnen toedienen. Maar voor de meeste priesters moest het het hoofdje zijn, het hele hoofdje wel te verstaan. Wanneer de moeder stierf voor de geboorte, of zelfs wanneer ze nog aan het zieltogen was, probeerde men door een soort van brutale keizersnede het eventueel nog levende kind alsnog te redden om het te kunnen dopen. Dat was geen werk voor priesters, maar voor nonnetjes die zich daarin gespecialiseerd hadden. Dat heeft geduurd tot enkele nonnen beschuldigd werden van moord op een moeder bij hun al te voortvarende pogingen om het kind te bereiken om het te kunnen dopen.
Zwangere moeders die stierven voor hun kind geboren was namen hun ongeboren en ongedoopt kind mee naar de hemel of naar de hel, al naargelang, waar ze de eeuwigheid zwanger zouden doorbrengen. Enkele Belgische dokters bedachten daarom een systeem, een soort klisteerspuit waarmee wijwater in utero, in de baarmoeder op het hoofdje van het kind kon gespoten worden. Echt waar!
Vreselijk zijn de verhalen over kinderen van rijke burgers die ongedoopt gestorven waren en die naar speciaal daartoe bestemde kapellen gebracht werden, waar de lijkjes op het altaar werden gelegd in afwachting van een wonderbaarlijke opstanding onder invloed van de missen, de gebeden en de wierook die malafide priesters en religieuzen gedurende weken en zelfs maanden opdroegen, ten koste van aanzienlijke geldsommen van de bedroefde en wanhopige ouders. Wanneer de geur van de rottende lijkjes te erg werd, stootte een misdienaar tegen het altaar, of wekte men door het lichtspel van de walmende kaarsen de indruk dat de vale lijkkleur veranderd was, waarop de priester extatisch uitriep voor de louter toevallig aanwezige familieleden: het leeft! En het meteen doopte, in nomine Patris… Ik maak u niets wijs, lieve lezer, ik zou niet durven, over zo een indroevige kwestie. Het beste bewijs dat dergelijke praktijken echt bestaan hebben, vinden we in de uiteindelijke officiële veroordeling ervan door de Paus zelf.
Ik heb even geaarzeld, maar ik wil u dit niet onthouden. Steeds vanuit haar obsessionele ijver om alle zieltjes te redden en alle kinderen zoveel mogelijk te laten dopen, veroorzaakte de Kerk een ware terreur onder de gelovigen. Ouders die hun kinderen niet tijdig hadden laten dopen, waren dus verantwoordelijk voor hun eeuwige verdoemenis. De lijkjes konden niet christelijk begraven worden maar werden in ongewijde grond gestopt. Alsof dat niet voldoende was, vertelde men aan de betrokken ouders dat die kinderlijkjes bij het Laatste Oordeel uit hun graf zouden opstaan om als getuige ten laste te zorgen voor de veroordeling van de ouders. Dit heeft geleid tot een ruim verspreid gebruik om die ongedoopte kinderlijkjes met een houten spie vast te pinnen in hun kistjes, zodat ze niet zouden kunnen verrijzen… Het is onvoorstelbaar, maar het is wel waar. Kan u zich de gevoelens indenken van de ouders die een kind hadden verloren en die wisten wat er met dat lichaampje zou gebeuren? Zo ver ging de vrome wreedheid.
En zo ver gaat ze nog steeds. Ik hoor in gedachten nog steeds de van waanzin doortrokken stem van bisschop Léonard weerklinken die tijdens een toespraak in een kerk de meisjes en vrouwen die een abortus lieten plegen, waarschuwt voor de dag des oordeels, wanneer de onschuldige, vermoorde foetus hen 'zal aanspreken met hun ware naam: Moeder!'
Laten we even terugkeren naar de erfzonde zelf. Ik zei al dat ze de kern vormt van het christelijk geloof. Dat gaat zo. Adam was de eerste mens en hij heeft gezondigd en de hele mensheid met zich meegesleept. Maar God is genadig. Hij stuurde zijn enige Zoon als een nieuwe Adam naar de wereld. Hij stierf aan het kruis in opdracht van zijn Vader (‘niet mijn wil maar de uwe geschiede…’). Door zijn gehoorzaamheid tot de dood, als mens, heeft hij de mensheid gered. Van nu voort staat de hemel weer open, althans voor wie in hem gelooft en die leeft zoals hij het heeft voorgedaan en zoals de Kerk het voorschrijft. Er is een noodzakelijk verband tussen de erfzonde en de verlossing, tussen Adam en Christus. Als Adam de erfzonde niet had begaan, hoefde Jezus niet geboren te worden of te sterven. Als er geen zondeval was, moest de mens ook niet gered worden. Wie dus het verhaal van Adam en Eva en van hun zondeval in twijfel trekt, doet het christelijk geloof op zijn grondvesten daveren.
De kerk heeft de zondige mens nodig om hem te kunnen redden. De Catechismus benadrukt het voortdurend: men kan over de zonde niet spreken zonder te spreken over de overweldigende genade en grenzeloze goedheid van God. Maar ook het omgekeerde geldt: er is maar sprake van de oneindige goedheid van God als er een zondige mens is. Meteen zien we de ongelooflijke kwetsbaarheid van het christelijk geloof: wie twijfelt aan de zondigheid van de mens, heeft geen behoefte aan een Verlosser, geen nood aan het verhaal van het zoenoffer, de kruisdood van Jezus van Nazareth, noch aan een geschapen eerste mensenpaar, aan een mysterieuze zondeval, aan een buitenmaatse bestraffing. Het hele kaartenhuisje stort ineen wanneer men ook maar even nadenkt over de grond van de zaak.
Dat lukt nog het best in het geval van de ongedoopt gestorven kinderen. Tweeduizend jaar na Paulus’ afschuwelijke boodschap en na tweeduizend jaar de mensheid geterroriseerd te hebben met de meest afschuwelijke verhalen en de meest lugubere praktijken heeft de Kerk uiteindelijk toch deze kleine toegeving gedaan: God is (gelukkig voor ons!) niet gebonden aan zijn eigen wetten (of beter: die van zijn Kerk), hij kan de ongedoopte baby’s en de miljarden mensen die sterven zonder gedoopt te zijn toch gratie verlenen als hij dat wil.
Maar het is voor heel veel mensen, vroeger en nu, zonder meer duidelijk: er is geen erfzonde. De mens is niet intrinsiek slecht, dat wil zeggen van nature. Wij zijn niet beladen met een erfelijke schuld. Wij stammen niet af van een stel volmaakte, onsterfelijke voorouders die desondanks door hun eigen dwaasheid uit het paradijs verjaagd zijn en gedegradeerd zijn tot sterfelijke onvolmaakte wezens, niet veel beter dan de dieren in wier vellen God hen hulde om hun schaamte te verbergen. Er is geen enkele reden, behalve dwaze theologische verzinsels, voor de grondig pessimistische opvatting van de mens die de Kerk kenmerkt.
Neen, de mens stamt af van andere levende wezens die nog niet over zijn typische hogere verstandelijke vermogens beschikten. Hij onderscheidt zich van hen door een zelfbewustzijn dat hem, met vallen en opstaan, in staat stelt om in een wankele harmonie te leven met zijn omgeving. De mens is goed noch slecht van nature, hij is eminent in staat tot beide. Hij kent ook het verschil tussen goed en kwaad, in zoverre heeft Genesis gelijk: wij hebben gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Wij kunnen, door zelf na te denken, door met elkaar te overleggen en afspraken te maken, beslissen wat wij als goed zullen aanvaarden en wat wij als slecht zullen veroordelen en bestraffen. We kunnen ons vergissen, maar ook uit die vergissingen kunnen we leren, langzaam maar zeker. Misschien hebben we nog honderd miljard jaren nodig voor we zover zijn, maar wij hopen allemaal dat we ooit, liefst zo spoedig mogelijk, in een echt, letterlijk ‘aards’ paradijs zullen leven, dat we ooit hier op deze aarde of een andere, in vrede met elkaar zullen kunnen leven en sterven.
Godsdiensten vertrekken altijd van een mensbeeld dat het slechte in ons benadrukt. Wij zijn slecht en we moeten beter worden. De Kerk zal ons daarbij helpen. Zij zal voor ons uitmaken wat goed en slecht is, zij zal ons dat opleggen en zij zal ons bestraffen als we falen en belonen als we doen wat zij voorhoudt. De Kerk steunt zich daarbij op informatie die zij rechtstreeks van God zelf ontvangen heeft en die ze autonoom interpreteert. Zij is de enige redding voor de zondige mens. Alleen wie zich volledig aan haar toevertrouwt, zal niet sterven, maar eeuwig gelukzalig leven, niet hier op aarde maar in de hemel. Wie zich afkeert van de Kerk is verdoemd om in eeuwigheid te lijden in de hel, ook al begaat hij geen enkele zonde in zijn of haar hele leven.
Wat een contrast met het humanistisch wereldbeeld! Een mens is geen ziek dier, geen mislukte mythische heldenfiguur, maar werkelijk de (voorlopige) bekroning van de evolutie, de koning der dieren die aan elke soort haar naam geeft en voor hen zorgt, de verantwoordelijke tuinman van dit aards paradijs. Een mens is niet zondig, maar vrij en verantwoordelijk. Wij kunnen zelf het goede kennen en het kwade vermijden, samen met onze medemensen. Wij kunnen ons vergissen, wij zijn in staat tot afschuwelijke wreedheid. Maar wij zijn wat wij zijn. Wij hoeven ons niet te meten met volmaakte mythische voorouders in een fictief verhaal, noch met een volmaakte God. Wij hoeven hier op aarde rekening te houden met een al even volmaakt maar mythisch hiernamaals, waar we weer alles zouden zijn wat we hier niet zijn. De mens is sterfelijk, wij hebben alleen dit leven en dat is ons genoeg. Het is onze enige kans om gedurende korte tijd gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken, of niet. Wat we hier ook doen of laten, heeft alleen gevolgen voor hier en nu, en hier en later, maar niet voor ons als wij er niet meer zijn.
Als we het heel cru bekijken, gaat het echter allemaal niet daarover. Het gaat werkelijk niet om een metafysische of theologische discussie, dat zijn slechts woorden. In de grond is de Kerk, is elke godsdienst niets anders dan een ongelooflijk cynische uitbuiting van de ene mens door de andere in de naam van een verzonnen God. Hoe kan je een priester herkennen in een gemeenschap? Hij is de enige die niet werkt, die zijn handen niet vuil maakt, maar door de anderen onderhouden wordt. Daar gaat het om, sinds homo een beetje sapiens werd. Handige kerels - inderdaad, meestal mannen maar ook enkele vrouwen - wisten hun medemensen met hun mooie praatjes zo ver te krijgen dat ze, uit vrees voor de straf van de goden, de priesters van die goden voedsel gaven, een huis om in te wonen, goud, wierook en mirre, wereldse macht en moreel gezag over alles en iedereen.
Ik bezweer u, in de naam van alles wat mij en u heilig is, in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti en in die van Satan, de Vader van de Leugen zelf. Ik daag u uit: kijk om u heen en zeg me dat het niet waar is!
Hoe lang zullen wij die vuige kaste nog blijven dulden?

















