at het
voortdurend verkeerd gaat met de Belgische justitie, daar moeten we geen
tekeningetje bij maken. Er gaat geen dag voorbij of het Belgisch gerecht komt
in het nieuws, helaas nooit op een positieve manier. Vaak zijn dat problemen
die ze blijkbaar zichzelf aandoen. Zij slagen er niet in om maatregelen te
nemen die voor de hand liggen, omdat ‘daarvoor geen wettelijk kader is’. Het
gerecht mag enkel doen wat uitdrukkelijk wettelijk toegelaten is. Wijkt men ook
maar één millimeter af van de geschreven wetgeving, dan staat een legertje
advocaten en magistraten klaar met onderzoeken, bijkomende onderzoeksdaden en
uiteindelijk nietigverklaring wegens procedurefouten.
Wet is wet,
zegt men dan. Dat is een opvatting, maar het is niet de enig mogelijke, noch de
enige juiste. Het is zelfs een grove misvatting, een onrecht.
Paulus, de
echte stichter van het christendom, besteedde in zijn Romeinenbrief uitvoerig
aandacht aan de wet. Zo stelt hij dat de wet de mensen op slechte gedachten
brengt:
Ik ben me echter pas door de wet
bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de
wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is.’ (Rom 7,7)
Een vreemde redenering,
maar wel een die opgang gemaakt heeft in het christendom. Het kwam er blijkbaar
vooral op aan om geen aanstoot te geven en dus werd ongeveer alles verboden,
zelfs de Bijbel. Het lijkt wel alsof Paulus daarbij uitgaat van een beeld van
de mens als een oorspronkelijk onverdorven wezen, een Rousseau-achtige nobele
wilde, die enkel door de wet op het idee komt om te gaan zondigen:
Toen we ons nog lieten leiden door
onze eigen wil, werd ons bestaan beheerst door zondige hartstochten die de wet in ons opriep en droeg het
alleen vrucht voor de dood. 6 We waren aan de wet geketend… (Rom 7,5)
Eens leefde ik zonder de wet, maar
door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven. (Rom 7,9)
De wet is er
om de samenleving te regelen, maar de mens slaagt er niet in om de wet na te
leven. Hij kent de wet en weet dus wat toegelaten is en wat verboden. Maar dat
weerhoudt hem er niet van om toch het goede te laten en het verkeerde te doen:
Immers, ik besef dat in mij, in mijn
eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede
doen kan ik niet. 19 Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil
vermijden, het kwade, dat doe ik. (Rom 7, 18-19)
De wet is
niet alleen de aanleiding tot zonde, precies door erop attent te maken door het
te verbieden. Er kan zelfs alleen maar zonde zijn als er een wet is:
Maar de zonde heeft van het gebod
gebruikgemaakt om begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde
krachteloos. 9 Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod
kwam de zonde tot leven 10 en daardoor stierf ik. Het gebod, dat tot leven had
moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden. 11 De zonde heeft
gebruikgemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod
gedood. (Rom 7,
8-11)
Toch is de
wet niet de oorzaak van onze misdaden. We kunnen enkel tegen de wet zondigen
als er een wet is, en de wet die het goede aanprijst, toont meteen ook de
keerzijde, het kwade. Maar dat maakt de wet niets slecht:
Kortom, de wet zelf is heilig en de
geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. (Rom 7,12)
Het is ons
lichaam, met zijn driften, dat ons aanzet om de wet te overtreden:
Wij weten dat de wet het werk van de
Geest is, maar door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde. (Rom 7,14)
Immers, ik besef dat in mij, in mijn
eigen natuur, het goede niet aanwezig is. (Rom 7, 18)
De Nieuwe
Bijbelvertaling zegt hier ‘in mijn natuur’; de Vulgaat zegt: in carne mea, de Griekse tekst: en tei sarki mou, in mijn vlees, zoals de
Willibordvertaling het ook heeft. Dit is typisch Paulus. De mens is zondig van
nature, omwille van zijn lichamelijkheid. Hij kan zijn driften niet beheersen:
Met mijn verstand onderwerp ik mij
aan de wet van God, maar door mijn natuur onderwerp ik mij aan de wet van de
zonde. (Rom 7, 25)
Ook hier staat carne/sarki, het
vlees.
De oplossing
moet komen van Christus en de Geest die hij zendt:
Waartoe de wet niet in staat was,
machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand
gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige
bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, 4 opdat
in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet
langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest. 5 Wie zich door
zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich
laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil. 6 Wat onze eigen
natuur wil brengt de dood, maar wat de Geest wil brengt leven en vrede. 7 Onze
eigen wil staat vijandig tegenover God, want hij onderwerpt zich niet aan zijn
wet en is daar ook niet toe in staat. 8 Wie zich door zijn eigen wil laat
leiden, kan God niet behagen. (Rom 8, 3-8)
Lees daarbij
steeds ‘vlees’ voor ‘natuur’. Dat is de basistegenstelling bij Paulus en in het
hele christendom.
Eens de mens
gelooft in Jezus Christus, hoeft hij de wet niet meer te volgen:
Zo bent ook u, broeders en zusters,
dood voor de wet dankzij de dood van Christus (Rom 7, 4)
we zijn dood voor de wet, zodat we
niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de Geest. (Rom 7,6)
Bij Paulus
is de wet, die door God of de mensen is gemaakt om hun samenleven te regelen,
een zeer onvolmaakt middel. Enerzijds leert hij ons zonden kennen die we anders
niet zouden vermoeden. Anderzijds is de wet niet bij machte om ons tot het
goede te bewegen: ons vlees drijft ons hoe dan ook onvermijdelijk tot de zonde.
Pas wanneer we niet meer aan onze vleselijke lusten denken, maar aan de Geest,
kunnen we zonder zonde leven. Wij zijn dan niet meer uit op de geneugten van
dit leven, maar op een geestelijk leven na de dood:
Maar u leeft niet zo. U laat u leiden
door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die zich niet laat
leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe. 10 Als
Christus echter in u leeft, bent u door de zonde weliswaar sterfelijk, maar de
Geest schenkt u leven, omdat u door God als rechtvaardigen bent aangenomen. 11 Want
als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij
die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn
Geest, die in u leeft. 12 Broeders en zusters, we hoeven ons niet langer te
laten leiden door onze eigen wil. 13 Als u dat wel doet, zult u zeker sterven.
Als u echter uw zondige wil doodt door de Geest, zult u leven. (Rom 8, 9-13)
Het is een
moeilijke denkoefening. De mens is uit zichzelf geneigd tot het kwade, ook als hij,
daarop gewezen door de wet, weet dat hij verkeert handelt. Enkel door een daad
van geloof kan hij zijn lichamelijke neigingen overwinnen. Hij moet dan deze
wereld afzweren en alles zetten op het hiernamaals, waar wij zullen beloond
worden voor het goede dat wij hebben gedaan of gestraft voor het kwade. Wie in
Christus gelooft, zal gered worden, naar de hel met de anderen. Door te geloven
ontvangen wij een kracht die ons toelaat onze natuur te overstijgen, een genade
die ons bevrijdt van onze zondige natuur. Al wat wij moeten doen, is ons
openstellen voor de liefdevolle uitnodiging van God, die ons bereikt door
Jezus, die voor ons gestorven is, opdat wij zouden leven.
Het is een
mystieke redenering. Ze is niet logisch, redelijk, praktisch, filosofisch,
menselijk. Je moet blind geloven in het bovennatuurlijke: God, genade, eeuwig
leven, beloning, straf. Het is de bekende sprong in het niets. Geen wonder dat
steeds minder mensen een dergelijke boodschap nog ernstig nemen.
Een andere
opvatting vinden we in de Verlichting. Daar is de wet niet meer (en niet minder)
dan het geheel van afspraken die mensen onder elkaar maken over de manier
waarop zij vreedzaam en in veiligheid wensen samen te leven. Het is niet God of
de Kerk die de wet uitvaardigt, het is de mens zelf, eventueel via een koning
of een wetgevend lichaam; een andere instantie wordt belast met praktische uitvoering
ervan en de beteugeling van de overtreders. De wetten moeten aangepast zijn aan
de omstandigheden van tijd en plaats, ze kunnen verschillen en evolueren, ze
kunnen bijgewerkt en zelfs afgeschaft worden en nieuwe wetten kunnen in de
plaats komen, naarmate het inzicht evolueert in wat goed is voor de mens en wat
niet, en naarmate de wetten goed of slecht blijken te functioneren.
Dat betekent
ook dat de wetten wellicht steeds onvolmaakt zullen zijn, wij zijn immers maar
mensen en kunnen niet alle consequenties voorzien. Er is dus een verschil
tussen de ideale Wet en de concrete wetten, waarbij de wetten steeds
tekortschieten. Montesquieu zegt het zo: La justice n’est pas dépendante des lois humaines. (Traité
des devoirs) De wetten zijn maar onze povere pogingen om de gerechtigheid
in woorden te vatten. In De l’esprit des lois gaat hij verder: Dire qu’il n’y a rien de juste ni d’injuste que ce qu’ordonnent ou
défendent les lois positives, c’est dire qu’avant qu’on eût tracé de cercle,
tous les rayons n’étaient pas égaux. Duidelijker dan dat kan je het niet stellen. De wetten leggen
zo goed mogelijk vast wat rechtvaardig is, maar het is niet omdat of vanaf het
moment dat ze het vastgelegd hebben dat het ook rechtvaardig is. De wetten zijn
maar waardevol in de mate dat ze de rechtvaardigheid benaderen. Niet wat in de
wet staat is wat telt, maar of de wet rechtvaardig is. Wat telt is dat gerechtigheid
geschiedt, niet dat de wet gerespecteerd wordt.
Lieve
lezers, ik wou dat onze juristen Montesquieu zouden lezen. Wat wij nu zien, is dat
er een spelletje gespeeld wordt met het Gerechtelijk Wetboek. Als het in het
Wetboek staat, dan is het Wet. Staat het er niet in: jammer maar helaas. Is de
wet onvolkomen, duister, dubbelzinnig of gewoon fout? Niets aan te doen. Fiat
iustitia et pereat mundus! Klik op deze link en lees die tekst nog eens
na.
Een
voorbeeld. In Nederland staat een man terecht voor meer dan 80 gevallen van
seksueel kindermisbruik en publicatie en verkoop van de beelden ervan op het
internet. Zijn schuld staat vast, hij heeft de bewijzen immers zelf op beeld
vastgelegd. Tijdens de rechtszaak, die dus niet meer speciaal gaat over de
vraag of hij schuldig is of niet, oordeelt de rechter dat het goed is dat ook
de ouders van de misbruikte kinderen spreekrecht zouden krijgen. Wij zien dat
wel meer: men is gaan inzien dat processen niet alleen voor de schuldigen
belangrijk zijn, maar ook voor de slachtoffers.
Er kwam meteen
protest van de verdediging: dat spreekrecht staat niet in de wet en bovendien
heeft een andere rechtbank zich daartegen verzet en dat behoort dus wel in de
wet, als een precedent.
De
verdediging heeft haar rechten, maar wat heeft dit te maken met recht en gerechtigheid?
De schuld van de verdachte staat vast en dat ontkent ook de verdediging niet.
Wat de ouders zouden kunnen vertellen kan dus geen invloed hebben op de
schuldvraag. Met welk recht verzet de verdediging zich er dan tegen? Het enige
argument dat ze heeft is: het staat niet in de wet dus mag het niet. Om een roemrucht
Vlaams strafpleiter te citeren: dat is quatsch! Onzin, kletspraat dus. Zoals
Montesquieu zegt: elke straal van een cirkel is gelijk aan de andere, of dat nu
in een wet vastgelegd is of niet. Als een rechter meent dat het goed is voor
het verloop van het proces dat de ouders spreekrecht krijgen, dan kan hij
daartoe beslissen, ook als dat niet in een wet staat neergeschreven, zolang dit
niet strijdig is met een andere wet of uitdrukkelijk verboden is.
Gerechtigheid
staat boven de wet. Charles Dickens schreef in Oliver Twist: the law is a(n)
ass, a(n) idiot! … I wish… that his eye may be opened by experience!
Bekende advocaten
doen niets anders dan de wet uitpluizen op zoek naar minuscule vergetelheden,
onduidelijkheden, vergissingen of contradicties, op basis waarvan ze hun cliënt
kunnen vrijpleiten, terwijl zijn of haar schuld meestal onomstotelijk
vaststaat. Hun redenering is: de wet is er voor iedereen en iedereen kan er
gebruik van maken. Binnen de wet is alles toegelaten, tenzij het uitdrukkelijk verboden
is. En alles is verboden, tenzij het uitdrukkelijk toegelaten is. En als het
niet uitdrukkelijk is toegelaten, dan is het verboden. Dit noemt men
legalistisch of wettisch redeneren en het is een verschrikking. Het verheft
menselijke voorschriften tot absolute wetten en het beperkt de rechtspraak tot
het blindelings toepassen van noodzakelijk onvolmaakte menselijk wetteksten.
Zegt een advocaat: ze hadden hun wetten maar beter moeten schrijven! en dat is
een schande. Het gaat er immers niet om dat de wet wordt toegepast, maar dat
gerechtigheid geschiedt, ook als dat buiten de letter van de wet om moet.
Het
gerechtelijk apparaat in België is verlamd door die nefaste legalistische instelling.
Niets is nog mogelijk, alles moet herdaan worden, alles duurt eindeloos lang,
geen enkele uitspraak is nog duidelijk, goed en kwaad zijn niet meer van elkaar
te onderscheiden. De politiek is niet bij machte om er ook maar iets aan te
doen, op grond van de terechte scheiding der machten, maar volkomen ten
onrechte, want de wetgevende macht staat boven de rechterlijke macht. De
juristen, aan welke kant ze ook staan, verzetten zich echter tegen elke poging
om weer een beetje recht te doen wedervaren in hun rechtspleging. Als processen
nog enkel zouden gaan om de schuldvraag, los van alle procedureveldslagen, dan
hadden we genoeg aan een fractie van de juristen. En dat is natuurlijk wat zij
verhinderen, kost wat kost. Uiteindelijk gaat het om hun goedbetaalde job, niet
om recht en rechtvaardigheid.
Het is goed
dat wij nadenken over wet, recht en gerecht. Er hangt immers zoveel van af,
voor alle betrokken partijen. Zonder wetten of gerecht is de democratie dood.
Maar door een waarlijk satanische verkrachting van de ware rechtsprincipes
brengt men evengoed het voortbestaan van de democratische samenleving in het
gedrang. De rechtsstaat moet gevrijwaard worden, dat is zeker. Maar die
rechtsstaat wordt veel grondiger ondermijnd door legalistische juristen dan
door de oprechte bezorgdheid van een rechter om spreekrecht te verlenen aan
ouders die hebben moeten vaststellen dat hun kinderen het slachtoffer zijn
geweest van seksueel misbruik en de blootstelling daarvan via internet.