
Richard Dawkins, The Greatest Show on Earth. The Evidence for Evolution, ix + 470 pp., London, 2009, £ 10 amazon.uk
Deze zomer (2009) verscheen het nieuwe boek van Richard Dawkins, het eerste na de bestseller The God Delusion (2006) en het eerste boek sinds hij emeritus werd in 2008. Zijn bedoeling, zo stelt hij zelf in de inleiding, is bewijzen aanbrengen voor de evolutie, iets dat hij niet expliciet zou gedaan hebben in zijn vorige boeken. Dit is natuurlijk niet zo: je kan niet in boek na boek de evolutie uitpluizen en illustreren op duizend verschillende manieren zonder meteen ook de bewijzen te leveren voor die theorie. Dit is dus gewoon nog een boek van Dawkins, waarin hij zich concentreert op die aspecten van de evolutie die van aard zijn om het tegenstanders erg moeilijk te maken. Hij gaat evenwel de verdedigers van het creationisme en intelligent design niet te lijf zoals hij de verdedigers van het geloof zo flamboyant rechtstreeks aanviel in zijn God-boek. Dit is een wetenschappelijk werk, geschreven in Dawkins’ welbekende en uiterst genietbare directe stijl. Je kan het niet populair-wetenschappelijk noemen of vulgariserend, maar het is wel gericht op een niet-gespecialiseerd publiek.
In het eerste hoofdstuk heeft hij het over de evolutietheorie als wetenschappelijke verworvenheid. Er zijn nog altijd wijsneuzen die, zonder dat ze ook maar iets van Darwin zelf of van zijn opvolgers hebben gelezen, fijntjes opmerken dat het toch maar om een theorie gaat. Dawkins legt geduldig uit wat theorieën zijn en wat hun waarheidswaarde is. Ook de relativiteitstheorie is ‘maar’ een theorie, en de zwaartekracht en nog zoveel andere. De term ‘theorie’ betekent met andere woorden niet dat het om onbewezen of betwiste stellingen zou gaan: de evolutie is door alle mogelijke experimenten bewezen en nog nooit wetenschappelijk tegengesproken door ernstige wetenschappers.
Het tweede hoofdstuk licht de originaliteit toe van het evolutionair denken. We kunnen het ons nu maar nauwelijks voorstellen, maar in Darwins tijd dacht letterlijk iedereen dat elke diersoort, elke plant en elke ‘soort’ van mensen precies zo door God geschapen was in een wonderbaarlijke verscheidenheid. Men bestudeerde elk levend wezen als een zelfstandig verschijnsel, dat helemaal op zichzelf moest en kon verklaard worden, dus zonder verwijzing naar soortgelijke maar lichtjes verschillende wezens, zonder verband met de vele fossielen die men toch al kende en dus zonder enige onderlinge samenhang. Men ging met andere woorden niet terug in de tijd om verklaringen te vinden voor de kenmerken van een plant, een dier of van de mens. En als er dan al enkele geleerden waren die aan het twijfelen gingen, dan stonden die voor het onoplosbaar probleem van het hoe van de evolutie. Zij konden zelfs bij benadering geen overtuigend mechanisme bedenken om van eencellige wezens te komen tot de verbazingwekkende veelheid van soorten van levende wezens.
Darwin was fel bezig, praktisch en theoretisch, met kweken van planten en dieren: duiven konijnen, katten, honden, geiten, kippen en andere vogels; ook kolen, de hele familie: broccoli, bloemkool, koolrabi, spruitjes, boerenkool, duizendkoppige kool, romanesco of groene bloemkool en al de vele variëteiten van de kool zelf: groene, witte, rode. Door selectief in te grijpen in het voortplantingsproces slaagt de mens erin om spectaculaire verschillen tot stand te brengen tussen de exemplaren van één soort, zodanig zelfs dat op den duur de verschillen zo groot zijn dat onderlinge bevruchting niet meer mogelijk is en er dus een nieuwe soort is ontstaan. Dat is precies wat ook in de natuur gebeurt, spontaan, zonder dat er iemand of iets moet ingrijpen.
Het derde hoofdstuk begint met de planten en de technieken die zij ontwikkelden om zich voort te planten, onder meer de verbluffende technieken die ze ontplooiden om insecten aan te trekken. Van daar gaat het verder naar andere organismen die hun vorm hebben aangepast met het oog op seksuele voortplanting: krabben, vissen… Een van de meest merkwaardige voorbeelden is dat van Belayevs vossen. In een fokexperiment probeerde deze Russische geleerde vossen te kweken met als criterium ‘tamheid’. Dit slaagde merkwaardig goed en snel. Maar niet alleen werden de vossen zo tam als honden, ze gingen er ook meer en meer uit zien zoals honden, met de typische kleurvlekken en al. In al deze voorbeelden blijkt duidelijk dat de natuur zelf zeer goed in staat is om tot natuurlijke selectie over te gaan: de evolutietheorie werkt.
Hoofdstuk vier gaat dieper in op het aspect tijd. In Darwins tijd begon men voor het eerst oog te krijgen voor de mogelijkheid dat de wereld ouder was dan wat de Bijbel, of liever enkele niet zeer snuggere religieuze Bijbelverklaarders daarover zegden: zesduizend jaar, dat kon toch echt wel niet kloppen. Maar hoe oud was de aarde? En hoe oud de diersoorten? En waren de huidige soorten er altijd al? En zo niet, wanneer waren ze dan ontstaan? Allemaal revolutionaire vragen. Een van de problemen was het dateren van de getuigenissen uit het verleden. Voor hout kan je dat doen aan de hand van de jaarringen, het aantal en de vorm ervan. Dat lukt niet alleen met bomen die we nu omzagen: je kan ook met dood hout werken en zelfs met fossiel hout. Zo kan je een continue lijn uittekenen van typische jaarringreeksen en zo zelfs miljoenen jaren teruggaan in de tijd.
Een volgende stap zijn de radioactieve klokken. Het principe is vrij eenvoudig. Ik schreef hier al over de structuur van het atoom: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=446532. De radioactiviteit van sommige elementen neemt af volgens een strak schema, een feit dat zelfs creationisten niet kunnen loochenen. Dit laat de wetenschap toe om voorwerpen zoals fossielen te dateren op basis van hun overblijvende radioactiviteit. Men gebruikt daarvoor verscheidene technieken, in combinatie met de identificatie en datering van de lagen waren de fossielen gevonden worden. Carbon 14, C-14 of koolstof 14-datering is de meest bekende vorm van radioactieve datering. Met dit systeem, dat de ontdekker ervan in 1949, W.F. Libby een Nobelprijs opleverde (1960), kon men onomstotelijk aantonen dat de aarde en het leven op aarde veel ouder is dan men ooit voor mogelijk had gehouden, dat de fossiele resten van vergane soorten in een bepaalde volgorde kunnen geplaatst worden. Met andere woorden: de fossielen bewijzen het verloop van de evolutie van het leven op aarde.
Dawkins probeert vervolgens aan te tonen dat evolutie niet steeds zo traag werkt dat ze onmerkbaar is. Hij begint hoofdstuk vijf met een uiteenzetting over de olifanten in Afrika. Uit statistische gegevens blijkt dat het gewicht van de slagtanden van (legaal) geschoten olifanten in Oeganda tussen 1925 en 1960 gestaag daalt. Daaruit leidt Dawkins af dat lange slagtanden hebben een nadeel is voor olifanten: ze worden sneller geschoten, want men schiet olifanten voor hun tanden, voor het ivoor. Olifanten met kortere tanden worden daardoor bevoordeeld: zij leven langer en planten zich vaker voort. De lengte van de tanden is genetisch bepaald. Er zullen dus meer olifanten geboren worden met kortere tanden. Dat blijkt inderdaad uit de statistieken, Q.E.D.
Ik moet bekennen dat ik het moeilijk heb met deze redenering. Vooreerst is er de lange dracht van de olifant (twee jaar) en zijn lang leven (65 jaar). Olifantenkoeien zijn slechts een keer in drie tot negen jaar bronstig. Dat zijn allemaal elementen die wijzen op een eerder trage generatiewisseling: olifanten zijn geen fruitvliegjes. Dawkins stelt dat er een genetische verklaring is voor het statistisch ‘korter worden’ van de (gemiddelde) lengte van de slagtanden. Dat wil zeggen dat de genetische kenmerken overgedragen worden op het nageslacht. De bestudeerde periode is 35 jaar. Stel nu dat in 1925 een olifant met korte slagtanden zich voortplant. Dat geeft een kalfje in, laat ons zeggen 1928. Dat kalfje kan zich voortplanten wanneer het volwassen is, rond zijn 14 jaar. Maar enkel de sterkste olifanten planten zich voort, de jonge stieren krijgen geen kans, ze worden uit de kudde verdreven en moeten een kudde overnemen door een sterke, oudere stier te verslaan of te verschalken. Laten we aannemen dat het kalfje erin slaagt om dat te doen als het 22 is (zo oud was ik ook toen mijn oudste zoon geboren werd). Dat is dan in 1950, 25 jaar na zijn conceptie. We hebben dus een generatie(-verschil) van ongeveer 25 jaar. Dat is de ‘snelheid’ waarmee de evolutie kan werken. Is het dan niet erg verwonderlijk dat op een periode van 35 jaar genetische verschillen al statistisch merkbaar zouden zijn? Is het statistisch afnemen van de lengte van de slagtanden niet veeleer en veel eenvoudiger te verklaren door het afschieten van de olifanten met de lange tanden? Als je uit een populatie van laat ons zeggen duizend olifanten elk jaar bij voorkeur die met de langste tanden afschiet, is het dan niet evident dat je elk volgend jaar in die kudde minder olifanten met lange slagtanden zal vinden? Ik ben dus niet overtuigd door dit voorbeeld. Maar ik ben geen bioloog, ik ben zelfs geen wetenschapper.
Andere voorbeelden blijken wel te kloppen en tonen aan dat wanneer in een soort een breuk optreedt, bijvoorbeeld een geografische scheiding, door een natuurramp of zelfs door de mens, elk van de identieke groepen waarin een soort gescheiden is zich zeer snel aanpast aan de omgeving. Dat gebeurt volgens Darwins’ principes en dus op genetische basis, waarbij de leden van de groep die kenmerken aannemen die een voordeel opleveren in de overlevingsstrategie. Experimenten met bacteriën, die zich supersnel voortplanten, bewijzen zonder meer dat de evolutie zoals de moderne biologie die beschrijft, zich op zeer korte tijd kan afspelen, vrijwel terwijl we erop staan te kijken. Hoeveel te meer dan wanneer er miljarden jaren over gaan?
In het zesde hoofdstuk heeft Dawkins het over de ‘missing link’. Dit was en is het geliefkoosde onderwerp van al wie twijfels wil zaaien over het principe van de evolutie. Als al het leven ontstaan is uit één enkele cel, dan moeten de sporen van die evolutie kunnen voorgelegd worden als bewijs. Men verwacht niet minder dan een volledige reeks van alle tussenvormen sinds die eerste cel die zich heeft gesplitst en de veelheid van leven die we nu kennen. Nu is het bewijsmateriaal, bijvoorbeeld door fossiele resten, bijzonder uitgebreid en verhelderend, maar het is evident dat niet van elke stap in de evolutie van elke soort een exemplaar overgebleven is en dat we dat bovendien ook gevonden hebben. Ongewerveld leven laat zich al moeilijk vangen in een fossiel. Creationisten zullen dus altijd wel in staat zijn om uit te roepen: zie je wel, het is maar een veronderstelling, je hebt geen bewijzen, je kan niet aantonen dat de mens afstamt van een aap, want je kunt geen restanten voorleggen van alle tussenvormen.
Vooreerst vergissen ze zich schromelijk, zoals ook The Reverend Bishop Wilberforce zich vergiste in het beruchte dispuut met Huxley: de mens stamt helemaal niet af van de apen, dat heeft nooit iemand beweerd. De mens en de aap hebben een gemeenschappelijke (verre) voorvader, ze stammen allebei af van iets dat wellicht al meer op een mens trok dan op een aap. Vervolgens vragen ze ook het onmogelijke: er is geen enkele reden waarom van alle tussenvormen van alle soorten een restant beschikbaar zou zijn. Maar dat is ook niet nodig. Al wat je nodig hebt is, zoals in een goede detectiveroman, overtuigend bewijsmateriaal. Met zelfs enkele maar essentiële aanwijzingen kon Sherlock Holmes tot in het kleinste detail een hele voorgeschiedenis duiden. Dat is literatuur, natuurlijk, maat zo werken we toch altijd? Je gaat voort op enkele cruciale gegevens om een theorie op te stellen, een veronderstelling, aanvankelijk, maar die met elk bijkomend argument, met elk materieel bewijs meer overtuigingskracht krijgt.
Niemand zal ooit weten wat zich heeft afgespeeld op die onzalige nacht in 2006, maar de jury heeft Aid Oud veroordeeld tot levenslang en tien jaar voor de moord op twee schoolkinderen en dat uitsluitend op basis van soms zeer technisch bewijsmateriaal. Ook daar beschikte men niet over alle details van het verhaal, maar aan de hand van enkele zeer overtuigende elementen heeft men een theorie opgebouwd over de gebeurtenissen en over de rol van de beschuldigde daarin. En dat was voldoende, ook al schreeuwde hij zijn onschuld uit. Sommige elementen maakten het mogelijk om uit te sluiten dat Aid Oud niet de dader was, bijvoorbeeld de aanwezigheid van bepaalde textielvezels van de slachtoffertjes op zijn kledij.
Enerzijds hebben we dus massale bewijzen voor de concrete evolutie van heel veel levensvormen op aarde, meer dan voldoende om de theorie, het systeem van de evolutie te bewijzen beyond any reasonable doubt, om in rechtstermen te blijven. Het maakt dus niet veel uit of we ook van de mens kunnen bewijzen dat hij afstamt van vroegere soorten, steeds verder terug in de tijd. De mens maakt deel uit van het leven op aarde, staat niet buiten die evolutie, is dus geëvolueerd zoals al het leven op aarde. Maar wij hebben wel degelijk overvloedig en overtuigend materieel bewijsmateriaal voor de specifieke voorvaders van de huidige mensensoort. En toch blijven de tegenstanders steeds weer beweren dat er een ‘missing link’ is, een (door hen) noodzakelijk geachte tussenvorm tussen ‘aap’ en mens. Zij zullen dat waarschijnlijk blijven doen, hoeveel tussenvormen men er ook nog bij vindt. Zij zullen zich niet laten overtuigen, omdat ze dat niet willen. Zij houden het bij een of andere onwetenschappelijke redenering, gesteund op de Bijbel of andere openbaringsgegevens. Er is dus waarschijnlijk geen enkele manier om hen vatbaar te maken voor rede of wetenschap. Hoofdstuk zeven geeft daarvan nog enkele zeer overtuigende ‘bewijzen’.
Hoofdstuk acht begint met een heerlijke anekdote, die ik vrij vertaal.
Professor J.B.S. Haldane kreeg deze vraag van een dame uit het publiek: ‘Professor Haldane, zelfs met de miljarden jaren die u beweert beschikbaar te zijn voor de evolutie, kan ik eenvoudigweg onmogelijk geloven dat het mogelijk is dat je van één enkele cel kan komen tot een complex menselijk lichaam, met zijn biljoenen cellen georganiseerd in beenderen en spieren en zenuwen, een hart dat tientallen jaren blijft pompen, kilometers aan aders en nierbuisjes en een brein dat in staat is om te denken en te spreken en te voelen!’
Waarop de professor: ‘Maar mevrouw, dat heb je zelf ook gedaan. En het heeft je maar negen maanden gekost…’
Een boutade, maar zoals steeds met een diepe grond van waarheid. Blijft natuurlijk de vraag hoe het allemaal in zijn werk gegaan is. Want het menselijk lichaam, om bij dat voorbeeld te blijven, is inderdaad een wonderlijk ding. Het lijkt eenvoudiger om aan te nemen dat er een God is die de mens geschapen heeft zoals hij is en al het andere leven op aarde in zijn oneindige verscheidenheid. Dan hoef je verder niets uit te leggen. Maar vandaag nemen we met zo’n dooddoener geen vrede meer, we hebben bewijzen dat het anders gelopen is. En het ontstaan van een mens uit een bevruchte eicel kan ons veel leren over het hoe en het waarom van de evolutie van het leven op aarde.
We zien het leven zich ontwikkelen uit enkele cellen tot een volledige, zij het hulpeloze mens, maar een die alles al in zich heeft om uit te groeien tot een volwassen exemplaar. Al de informatie is van bij de conceptie aanwezig voor alle verdere fases van de ontwikkeling, tot aan het aftakelingsproces en de dood toe. Die informatie komt niet van buiten af, maar van binnen in. Het zijn de specifieke cellen die ‘weten’ hoe ze moeten groeien en evolueren, het gebeurt op kleine schaal, niet ergens centraal in de hersenen of zo. Dat is de gedachte die Dawkins aan de hand van sprekende voorbeelden hier toelicht. Een mens wordt niet gebouwd (door wie, trouwens?) maar bouwt zichzelf, op basis van informatie die opgeslagen ligt in ons erfelijk materiaal, het DNA.
Hoofdstuk negen gaat over eilanden en continenten en de rol die ze kunnen spelen en concreet ook gespeeld hebben in de evolutie van het leven. Niet alleen letterlijke eilanden, stukken land omringd door zee, maar ook andere afgezonderde elementen in een omgeving die uit iets anders bestaat.
In hoofdstuk tien gaat Dawkins dieper in op enkele aspecten van de vorm van het skelet en de merkwaardige overeenkomsten daarvan in vrijwel alle gewervelde diersoorten. Ook daaruit blijkt de eenheid van de ‘schepping’ en de onderlinge afhankelijkheid van alle leven. Maar nog veel sterker zijn de bewijzen vanuit de moleculaire biologie. Met de ontsluiering van het genoom, het geheel van het genetisch materiaal van een levend organisme, ontdekken we dat we in nauwelijks 2% van ons DNA verschillen van de chimpansee. Met vindingrijke maar betrouwbare technieken is men nu bezig om inderdaad de hele weg terug te gaan en de onderlinge afhankelijkheid uit te werken van alle levende wezens op aarde. Dat zal nog een tijdje duren, maar het gaat wel steeds sneller en elke nieuwe stap bewijst nogmaals dat de grondintuïtie van Darwin correct was.
Het elfde hoofdstuk brengt elementen aan uit de geschiedenis van de soorten. Alle leven komt uit het water en dat kunnen we nu nog zien, na al die miljoenen jaren. Sommige dieren zijn ooit aan wal gegaan, maar sommige daarvan zijn later naar het water teruggekeerd, zoals de walvis en ook dat kunnen we er nu nog aan zien. Sommige anatomische details van planten, dieren en mensen zijn zo vreselijk ‘slecht’ gemaakt, dat het totaal onwaarschijnlijk is dat zij door een superieure geest ontworpen zijn, laat staan een almachtige en alwetende God. Dawkins geeft daarvan talloze sprekende en overtuigende voorbeelden, bijvoorbeeld de ronduit belachelijke, idiote weg die onze spermatozoïden moeten afleggen om van uit de testes naar buiten te komen om hun werk te doen.
Hoofdstuk 12 start met een intrigerend verhaal, namelijk dat van de bomen in een bos. Elke boom wil zoveel mogelijk licht krijgen en groeit dus naar het licht toe, in concurrentie met de andere bomen. Dat is een eindeloze en uitzichtloze strijd, want hoe hoger de ene boom, hoe hoger ook de andere en zo jagen ze elkaar op om steeds hoger te groeien. Daarbij verspillen ze enorme massa’s energie aan het opbouwen van ondersteunend materiaal: wortels, takken, een massieve stam… Als bomen konden afspreken, dan hadden ze allemaal een stammetje van niks en konden ze net zoveel licht opvangen als wanneer ze metershoge stammen ontwikkelden.
Maar bomen kunnen niet praten, de natuur kan niet overleggen. De ‘wetten’ van de natuur zijn onverbiddelijk, ze worden toegepast zonder overleg of medelijden, ze ‘leren’ niet bij. Het ene dier jaagt op het andere, het kan niet anders. Elke specifieke evolutie roept een andere op. Als een cheeta sneller leert lopen, ontwikkelt ook de prooi een reactie: de antilope leert bokkensprongen maken of ontwikkelt meer uithoudingsvermogen dan de sprintende cheeta. De natuur bestaat uit een voortdurende en onvermijdelijke dodelijke bewapeningswedloop. Het is trouwens die wedloop, die concurrentie die elke deelnemer dwingt om zo goed mogelijk te presteren: de snelste antilope ontsnapt, de traagste wordt opgegeten en zo krijgen de dieren met de beste genen de beste kansen om zich voort te planten.
Indien er een intelligente designer zou geweest zijn, dan had die al die nodeloze concurrentie kunnen vermijden, al het leed van de jager en de prooi, al het onzinnige lijden in de wereld. Het feit dat dit niet gebeurd is, dat de wereld is zoals hij is, vormt het beste bewijs van de evolutietheorie en een fundamentele weerlegging van elke theologische of religieuze verklaring van het wereldbeeld. Een theodicee, een verklaring van het lijden in de wereld is niet rationeel verdedigbaar.
In het dertiende hoofdstuk analyseert Dawkins op een briljante wijze de bekende laatste paragraaf van On the Origin of Species van Darwin. Aan de hand van voorbeelden uit de huidige stand van de wetenschap toont hij aan hoe Darwin enerzijds het bij het juiste eind had, maar anderzijds vaak geen idee had waarom dat zo was. Ik citeer die prachtige tekst voor u, een vertaling is niet eens nodig.
Thus, from the war of nature, from famine and death, the most exalted object which we are capable of conceiving, namely, the production of the higher animals, directly follows. There is grandeur in this view of life, wit hits several powers, having been originally breathed into a few forms or into one; and that, whilst this planet has gone cycling on according to the fixed law of gravity, from so simple a beginning endless forms most beautiful and most wonderful have been, and are being, evolved.
In een appendix geeft Dawkins commentaar bij de ontstellende resultaten van enkele enquêtes rond de evolutietheorie. Ook Voor België zijn de resultaten niet bemoedigend: hoewel 74% van de ondervraagden bevestigt dat de mens ontstaan is uit vroegere diersoorten, zegt nog altijd 21 procent, dat is één op vijf, dat dat niet zo is. 24% van de Belgen houdt ook vol dat de mens ooit samen heeft geleefd met de dinosauriërs (aangezien de mens als eerste geschapen is door God).
Een boek als dit is dus niet nutteloos. Vier jaar geleden wist ik niets, maar dan ook niets over de evolutietheorie. Wat ik erover geleerd heb sindsdien, heeft mijn wereldbeeld grondig veranderd, ik durf stellen dat ik een andere mens geworden ben. Het gaat niet alleen over wetenswaardigheden over biologie, helemaal niet zelfs. De evolutietheorie is een fundamenteel andere benadering van de wereld, van het leven op deze planeet en van het merkwaardige verschijnsel mens. Het is de basis van alle denken. Geen enkele wetenschap kan die benadering negeren, zonder te verzanden of in lucht op te gaan. Wij zijn Darwin zeer veel verschuldigd, maar ook aan de miljoenen wetenschappers die van hem de fakkel hebben overgenomen en die ons steeds dichter brengen bij de verheldering van ons bestaan.
Ik ben verheugd u te kunnen melden dat de Nederlandse vertaling onlangs is verschenen: Het grootste spektakel ter wereld, 448 blz., ISBN 10: 9046806510, ISBN 13: 9789046806517, Uitgever: Nieuw Amsterdam, ongeveer € 27,50. Ik hoop dat daarin ook de 32 bladzijden met magnifieke kleurfoto’s opgenomen zijn, die samen met de vele zwart-wit tekeningen het boek opfleuren. De duidelijk veel goedkopere Engelse versie is voorbeeldig uitgegeven als een stevige hardcover, met een krachtige, scherpe en grote letter, een plezier om te lezen. Alleen het beperkt aantal voetnoten is in een onmogelijk kleine letter gezet, enkel met een loep te lezen, jammer. De eindnoten zijn beter op dat punt, evenals de beperkte bibliografie.
Ik heb maar een raad te geven: lezen!