uitzichtloos
tracht je elders
je gelijk te halen
weet er is geen antwoord
zelfs geen uitweg
die kermt om tumult
uitzichtloos
tracht je elders
je gelijk te halen
weet er is geen antwoord
zelfs geen uitweg
die kermt om tumult
laatbloeiers
laatbloeiers
houden deze zomer
voor me vast
dompelen me onder
in honingzoete herinneringen
met een gouden randje
die me doen inzien hoe
blijvend waarachtig onze liefde
in mijn hart wel is
uiten
maak een ommetje
langs de maan
waar fantasie glimt
het helpt me
woorden gebruiken
om te praten
over wondere dingen
die ik tot nu toe
niet op papier
heb kunnen zetten
bang met mijn lonken
sterren aan de hemel
uit te dagen mijn poëzie
in zich te dragen
blijmoedigheid
omgeven door ’t groene
dat vlinderende schaduwen
op mijn huid werpt
zie ik de zon zoals ik wil
een schroomvallige bevestiging
van mijn blijmoedigheid
waarbij liefde gedijt
kom daarom naast mij zitten
en vertel me
dat hetzelfde in je trilt
voorbode van een storm
waarin we zullen rondzwemmen
zonder enige klaagzang
op de lippen
de vluchteling
eenzaam tussen velen
verglijdt de tijd
zodanig traag
hij benauwd raakt
met flitsende gedachtenbliksems
bewolking die aan droefenis
is gewend geraakt
uit elkaar te halen
om uitzicht te krijgen
op een vrijheid
die hem woord na woord helpt
met een nieuwe bestemming vinden
vertrouwd met hem een kaars
aansteekt wanneer ‘s avonds
angst weer verschijnt
het licht krimpt
heb je lief

midden je woorden
kom ik thuis
vlei me vertrouwd
door je hele zijn
wijl ik met mijn liefde
je innigste raak
bloemen in mijn schoot
oprecht
het kind in mij
binnen mijn eigen
kleine wereldje
waar verpozing heerst
schilder ik voor mezelf
verrassingen
creëer zonder de minste
terughoudendheid
in geel een speelse sfeer
waarmee ik liefde
uit het leven kan halen en
volop het kind in mij beleef
God
hoe mag ik je noemen
wanneer ik zie hoe de bloemen
in mijn tuin openlijk je diepe zelf
voor mij openbaren
waaiend op speelse zomerwinden
je wondere werkelijkheid dragen
zwoel geurend je passie
voor leven uitstrooien
leg je naam op mijn lippen zodat
ik je als hemelsbrede koestering
kan prevelen midden de wereld
die ik liefheb
ik noem je god
maar dat zegt nog niets
met dank aan Cor van Vliet voor de laatste strofe
oneindig vloeiende weelde
een met hem
peppe
midden mijn alleen zijn
heeft ’t verleden
me bij de arm gegrepen
bracht me naar de bank
achterin de tuin
bedacht hoe hij een tak
zoetigheid afbrak en sprak :
huil maar mijn stekelbeeske
ik droog je tranen wel
nu en later
zal nooit overgaan
maar in je hart verblijven
één en al aanwezigheid
samen zijn we naar binnen gegaan
een ogenblik verder

een ogenblik verder
geldt er geen weg meer terug
slechts eenzaamheid
wenkt voor beiden
zij hier
hij aan de overzijde
enkel een schemering van wat
is geweest blijft hen nabij
een oudje van tussen mijn bundel
nog uit te geven gedichten gehaald
in haar bloei
de vlinderstruik uit mijn tuin
je was nooit
zal nimmer zijn
zoals je vandaag
te beleven staat
één en al
honingzoete sfeer
waar vele vlinders
naar toe worden gelokt
en hoe weliger
je gaat wuiven
net als ik
niet meer willen wijken
tot de dag ondergaat
je helemaal vergeten raakt
of zal ik je vannacht
nog dromen
onbespreekbaar mijn dromen
me overgolvend
met haar zilte frisheid
vervloei ik vol van haar
weliswaar met tranen
in mijn ogen
want wat ik in één ogenblik
bij haar gevonden heb
raak ik zo weer kwijt
wanneer ik terug
landinwaarts trek
midden oneindigheid
geef me het nachtelijk beeld
van een hemelschittering
dat leidt tot opbloei
van sensualiteit
een broedplaats vol liefde
midden oneindigheid
schluchsee
waterval van Triberg
voortbestaan van liefde bloesemt
in een ogenblik
bloeit een herinnering open
als wat ooit is geweest
immer zal zijn
een werkelijkheid
die vol in zicht
het voortbestaan
van liefde bloesemt