Cultuur

Enkele dagen geleden drukte ik hier mijn verwondering uit over het feit dat het biologisch leven op aarde erin slaagt om al de verworven genetische informatie op te slaan in elk van zijn cellen en die zo door te geven bij de voortplanting. Als je dat vergelijkt met wat er gebeurt eens een mensenkind geboren is, dan valt pas op hoe merkwaardig dat is. Een pasgeboren kind is totaal hulpeloos en sterft na zeer korte tijd indien men het aan zijn lot overlaat, het heeft op zichzelf geen enkele overlevingskans. Het duurt zo ongeveer twintig jaar voor een mens geschikt is om zelfstandig een plaats in te nemen in de maatschappij.
Je ziet het spectaculaire verschil: in een zaadcel en een eicel zit alle informatie om een mens te maken. Die ‘kennis’ wordt automatisch overgedragen, gewoon door het fysisch proces. Het gaat daarbij niet om zomaar enkele algemene instructies, maar om een enorme hoeveelheid kennis, die uiterst complex en ongelooflijk gedetailleerd is en een grote mate van betrouwbaarheid heeft. Als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld de informatie die opgeslagen zit in de computers die de robotten in een autoassemblagebedrijf aansturen, dan zit in elke cel wellicht veel meer informatie dan in alle bedrijfscomputers ter wereld samen. Bovendien is de genetische informatie zelfsturend: er is geen enkele invloed van buitenaf nodig om het proces in gang te zetten, te controleren en bij te sturen. Voeding alleen en een geschikt milieu is voldoende. Met al de computers ter wereld zijn we nog lang niet in staat om iets te produceren dat zo complex is als de mens; we komen zelfs nog niet in de buurt. De natuur is ver vooruit op de mens.
Bij elke mens die geboren wordt, wordt het volledig menselijk genoom mee overgedragen. Elke mens begint waar de vorige was, op hetzelfde evolutionair niveau. Al de verworvenheden van miljarden jaren leven op aarde blijven moeiteloos behouden. De ogen die in de mens ontwikkeld zijn, de handen, de hersenen, alles: met een beetje geluk is elke nieuwe mens een zo goed als perfect exemplaar, klaar voor gebruik. Je hoeft een baby niet te leren om zijn ogen te gebruiken of zijn handen of zijn hersenen, of zijn spijsverteringsstelsel. Enkele details wel: het duurt enige tijd voor we onze blaas en onze stoelgang kunnen controleren, voor we kunnen praten. Maar niet lang!
Vergelijk dat nu allemaal eens met alles wat we niet genetisch hebben meegekregen. Praten is een goed voorbeeld: hoewel we van bij de geboorte alles in huis hebben om te kunnen praten, duurt het enkele jaren voor er iets verstandigs uit komt. Lezen duurt nog langer: zeven jaar eer we ermee beginnen en pas na enkele jaren gaat het vlot. Schrijven is nog moeilijker. De letters vormen gaat aanvankelijk erg moeizaam en stuntelig, het duurt enkele jaren voor we ons handschrift gevonden hebben. Maar wat we schrijven is meestal onbelangrijk en weinig origineel. Voor de meeste mensen komt daarin nooit enige verandering: ze kunnen wel schrijven maar ze doen het niet of node. Een heel kleine minderheid schrijft vaak en veel en min of meer origineel. Een nog kleiner aantal mensen schrijft zo goed dat men ze leest. En slechts enkelen bereiken een grote bekendheid en erkenning. Daaraan zie je hoe moeilijk dat proces is.
Als cultuur, want daar gaat het om, in de ruimste betekenis van het woord, zo efficiënt zou overgedragen worden als ons genetisch materiaal, dan zou Einstein op de eerste dag na zijn geboorte al zijn relativiteitstheorie gedebiteerd hebben. Proust zou meteen begonnen zijn aan zijn Recherche, Picasso aan Guernica, Spinoza aan de Ethica, Sjostakovitsj aan zijn symfonieën en Haydn aan zijn strijkkwartetten…
Je ziet wat ik bedoel. Cultuur is een andere dimensie van de mens, een die niet erfelijk is, die niet genetisch overgedragen wordt. Als je een Chinees kind na de geboorte vrijwel onmiddellijk zou overbrengen naar de Inuit op Groenland, zou het geen Chinees spreken maar Inuit. Onze twee Indische adoptiekinderen zijn net zo Vlaams als onze biologische kinderen.
In de ongeveer twee miljoen jaar dat onze soort aan cultuur doet, vanaf de eerste primitieve instrumenten, hebben we ontdekt hoe we kennis kunnen overdragen op een niet-erfelijke manier: door de verworven kennis door te geven, door anderen te leren wat wij kennen of kunnen. In die lange periode is er aanvankelijk een belangrijke gelijklopende evolutie geweest: enerzijds ontwikkelde de mens nog vrij aanzienlijk op genetisch gebied, de echte homo sapiens duikt pas 200.000 jaar geleden op, de moderne mens is maar 50.000 jaar oud. De cultuur hield min of meer gelijke pas met de fysische kenmerken en mogelijkheden van de mens. Hoe groter en sterker de hersenen werden, hoe meer ze gebruikt werden. De echte beschavingsexplosie begon pas toen de mens zijn volledige fysische ontwikkeling had doorgemaakt. Het is ook dan dat het aantal mensen spectaculair toeneemt: de mens is fysisch aangepast aan vele omgevingen en beschikt ook over het verstand om te overleven en zich te verspreiden en verbreiden.
Beschaving, cultuur is veel moeilijker over te dragen dan de genetische kenmerken. Het is een precair gebeuren, er kan zoveel fout gaan, er kan zoveel kennis verloren gaan doordat één bepaalde persoon sterft zonder dat die de specifieke kennis waarover hij of zij beschikt, heeft kunnen doorgeven. Sommige beschavingsgegevens worden ooit een keer ergens ontdekt en verspreiden zich dan razendsnel omdat ze zo succesvol zijn, zoals het wiel. Maar sommige beschavingen in Midden- en Zuid-Amerika hebben nooit zelf het wiel ontdekt, hoewel ze natuurlijk wel de ronde vorm kenden en zelfs met de bal speelden. Andere zijn zeer lokaal en worden angstvallig bewaakt, zoals het vervaardigen van zijde of porselein. Hoe minder mensen een bepaalde kennis hebben, hoe groter het risico dat ze verloren gaat.
Cultuur is voor de moderne mens even belangrijk als zijn genetische informatie. Wij kunnen ons niet voorstellen wat er van een kind zou geworden indien het na de geboorte volledig verstoken zou zijn van alle, werkelijk alle beschavingsgegevens. Er zijn omzeggens geen voorbeelden van dergelijke ‘wilde kinderen’, precies omdat ze zo weinig overlevingskansen hebben. Het is vrijwel onmogelijk voor een mens om op te groeien buiten alle beschaving, hoewel de concrete beschavingsgraad zeer verschillend kan zijn en ook vele vormen kan aannemen. Een kindsoldaat in het oosten van Kongo heeft een andere cultuur dan de dochter van de eerste minister van een Europees land. Wij leven in een beschaafde wereld, in een cultuur. Ik bedoel daarmee niet dat die beschaving, die cultuur volmaakt is, verre van. Beschaving is een relatief begrip, het is veeleer beschrijvend dan normatief. De beschaving is alles wat de mens kenmerkt, maar dat niet genetisch overgedragen wordt. Dat kan, bijvoorbeeld in het oosten van Kongo, een zeer beperkte, zeer agressieve en wrede en in onze ogen weinig verheven ‘cultuur’ zijn, maar het is een vorm van beschaving.
Genetisch materiaal wordt meestal bijna ongewijzigd doorgegeven, omdat het op een zeer eenvoudige manier gebeurt, gewoon door de celdeling. Cultuuroverdracht daarentegen is veel bewerkelijker, we moeten er veel meer moeite voor doen. Het kan ook alle vormen aannemen en het kan alle kanten uit, er is geen vaste norm, er is niet een bepaalde cultuur die vastligt voor iedereen, zoals in het menselijk genoom, dat maar geringe afwijkingen toelaat, bijvoorbeeld de huidskleur en enkele andere niet-essentiële lichaamskenmerken. Niemand weet precies wat er belangrijk is in cultuur en wat niet. Het is iets dat we voortdurend uitproberen, een tijdje gebruiken en dan weer verwerpen. Er lijkt een vooruitgang te zijn, zeker op technisch en technologisch gebied, maar er zijn ook elementen die behouden blijven. De piramiden van Gizeh wekken nog steeds onze bewondering, maar de bloedige religieuze gebruiken bij het afsterven van de farao’s zijn nu ondenkbaar. Cultuur ligt niet vast. Er zijn vandaag drie tot zesduizend talen, maar slechts enkele wereldtalen. Er zijn geen twee mensen die dezelfde cultuur hebben, of dezelfde opvatting over beschaving. Een van de meest geliefkoosde bezigheden van cultuurexperts is het discussiëren over de vraag wat cultuur is.
Maar het
lijdt geen twijfel dat de moderne mens een beschaafde mens is, een cultuurmens,
iemand die leeft in een beschaving, in een cultuur. Dat bepaalt ons net zo goed
en net zo sterk als ons genetisch materiaal. Wij moeten relatief weinig moeite
doen om ons genetisch materiaal veilig te stellen. We leren snel dat bepaalde
stralen schadelijk zijn voor ons erfelijk materiaal, maar voor de rest zijn er
weinig concrete bedreigingen, de natuur heeft zich in die miljarden jaren goed
beveiligd tegen het verlies of de beschadiging van de genetische informatie.
Helemaal anders is het met onze beschaving. Als een mens geboren wordt,
beschikt hij voor de volle honderd procent over al de genetische informatie,
maar nul procent van de beschavingsgegevens. Elke mens moet helemaal van nul
vertrekken. Wij beschikken bij onze geboorte wel over al de kenmerken en al de
middelen, maar cultuur moet elk van ons opnieuw verwerven. Elk doet dat binnen
de perken van de eigen mogelijkheden en binnen de eigen culturele context.
Wij leven niet lang. Kinderen die vandaag geboren worden, hebben een levensverwachting van ongeveer tachtig jaar. Slechts ongeveer dertig tot veertig jaar daarvan zijn echt nuttige jaren. Eerst is er een lange leertijd, tot bijna dertig jaar in veel gevallen. En na de op alle vlakken meest vruchtbare periode volgt (hopelijk) een vrij lange rustperiode. We hebben dus weinig tijd om cultuur te verwerven en om er iets mee te doen. De meesten onder ons zijn in dat proces niet zeer actief. We nemen deel aan het culturele leven, maar op een vrij passieve manier: er zijn meer lezers dan schrijvers, meer kunstliefhebbers dan kunstenaars, meer melomanen dan muzikanten, meer mensen die een huis bouwen of kopen dan architecten, meer zieken dan artsen, meer stemgerechtigde burgers dan politici enzovoort. Er zijn heel weinig filosofen en nog minder moralisten of ethici. Het aantal mensen dat op een grensverleggende, bepalende of invloedrijke manier in het beschavingsproces betrokken is, is erg gering. De rol van enkelingen kan dus ongemeen belangrijk zijn, ten goede of ten kwade. Stalin, Hitler, Pol Pot, Sadam Hoessein. Mohammed, Luther, Spinoza, Diderot, Gandhi (het lijkt gemakkelijker om het ene lijstje te maken of aan te vullen dan het andere…).
Als de beschavingsoverdracht niet goed geregeld is, dan loopt het verkeerd af. In Vlaanderen was de negentiende eeuw er een van armoede, zowel lijfelijk als intellectueel. De scholingsgraad was uiterst laag, de deelname aan de ‘hogere’ (Franstalige) cultuur zo goed als afwezig, de invloed van geloof en bijgeloof overal sterk aanwezig. In Duitsland nam het Nazisme de hele cultuur over en bepaalde hoe alles moest gebeuren, op basis van een verderfelijke ideologie. Hetzelfde gebeurde in de communistische wereld. In de Derde Wereld, zoals in de Vierde, ontbreekt het vaak aan de meest elementaire beschavingselementen: voldoende en verscheiden voedsel, drinkwater, hygiëne, gezondheidszorg, schoolse opvoeding, hoger onderwijs, eerbare werkomstandigheden en werkgelegenheid. Armoede of de concentratie van de macht en de middelen bij enkelen zijn de doodsteek voor beschaving. Democratie vormt altijd en overal het beste milieu.
Cultuur begint bij het individu, maar straalt af op de samenleving. Als we de opvoeding van het individu verwaarlozen of mensen uitsluiten, of de opbouw en de werking van de samenleving niet zo regelen dat iedereen kansen krijgt, dan kan het ergste gebeuren, dat hebben we meegemaakt in de twintigste eeuw, dat maken we ook vandaag mee.
We weten dus wat ons te doen staat. En hoe het niet moet. Dat is al iets.
















