Pensées philosophiques 21-49, Denis Diderot
Filosofische gedachten XXI - XLIX
Denis Diderot (1713-1784)
XXI
Ik sla de geschriften van een beroemde professor open en ik lees: ‘Atheïsten, ik geef toe dat de beweging essentieel behoort tot de materie; wat( besluiten jullie daaruit?... dat de wereld het resultaat is van de toevallige voortbeweging van de atomen? Dan zou ik net zo graag horen dat jullie me zeiden dat de Ilias van Homerus of de Henriade van Voltaire het resultaat is van de toevallige omwenteling van de letters.’
Ik houd me er ver van om zo’n redenering te maken tegenover een atheïst: een dergelijke vergelijking zou hem vrij spel geven. Volgens de wetten van de waarschijnlijkheidsberekening, zou hij me zeggen, moet ik helemaal niet verwonderd zijn dat een gebeurtenis zich voordoet, wanneer het mogelijk is dat ze gebeurt, en dat de moeilijkheidsgraad van die gebeurtenis gecompenseerd wordt door de veelheid van de bewegingen. Er is een bepaald aantal worpen waarop ik met succes kan wedden dat ik honderdduizend zessen tegelijk kan gooien met honderdduizend teerlingen. Wat ook het precieze aantal letters is waarmee men me zou voorstellen om op een lukrake wijze de Ilias voort te brengen, er is altijd een bepaald aantal worpen die me een kans op succes geeft; mijn kans op succes is zelfs oneindig, indien het aantal worpen oneindig is.
Je zal het wel met me eens zijn, zo gaat hij verder, dat de materie sinds alle eeuwigheid bestaat en dat beweging tot haar essentie behoort. Als dank voor deze toegeving, zal ik samen met jou veronderstellen dat de wereld geen grenzen heeft, dat het aantal atomen oneindig is en dat de ordening die je zo verbaast niet kan ontkend worden. Welnu, uit deze wederzijdse toegevingen volgt niets anders dan dat de kans dat de wereld toevalligerwijze ontstaat wel erg klein is, maar dat het aantal worpen oneindig is, dat wil zeggen dat de ingewikkeldheid van het gebeuren meer dan voldoende gecompenseerd is door het grote aantal worpen.
Als er dus iets is dat tegen de redelijkheid ingaat, dan is het wel de veronderstelling dat terwijl de materie sinds alle eeuwigheid in beweging is, en terwijl er allicht in het oneindige aantal mogelijke combinaties een even oneindig aantal prachtige regelingen zijn, er toch geen enkele van die regelingen zou voorgekomen zijn in het onbegrensd aantal van al degene die zich achtereenvolgens hebben voorgedaan. Bijgevolg moet ons verstand veeleer verbaasd zijn over de veronderstelde duur van de chaos dan over het reële ontstaan van het universum.
XXII
Ik deel atheïsten in in drie klassen. Er zijn er die je klaar en duidelijk zeggen dat er geen God is en die daarvan ook overtuigd zijn; dat zijn de echte atheïsten. Er is ook een grote groep die niet goed weet wat ze ervan moeten denken en die de kwestie net zo goed willen beslechten met kruis of munt; dat zijn de sceptische atheïsten. Maar er zijn er nog veel meer die zouden willen dat er geen God is, die veinzen dat ze ervan overtuigd zijn en die leven alsof ze het echt zijn; dat zijn de snoeshanen van de troep. Ik verfoei die snoeshanen, ze zijn niet echt. Ik heb medelijden met de echte atheïsten: elke vertroosting lijkt me dood voor hen. En ik bid tot God voor de sceptici: het ontbreekt hen aan inzicht.
XXIII
Een deïst bevestigt het bestaan van een God, de onsterfelijkheid van de ziel en al wat daaruit volgt. De scepticus is onbeslist over die geloofspunten. De atheïst ontkent ze. Een scepticus is dus iets meer gemotiveerd om deugdzaam te handelen dan een atheïst, en heeft daarvoor wat minder reden dan een deïst. Zonder de vrees voor een wetgever, de neigingen van het temperament en de kennis van de concrete voordelen van de deugdzaamheid, mankeert de rechtschapenheid van de atheïst elke grond, terwijl die van de scepticus steunt op een misschien.
XXIV
Scepticisme is niet voor iedereen. Er is een grondig en gedesinteresseerd onderzoek voor nodig. Iemand die twijfelt omdat hij de redenen van de geloofwaardigheid niet kent, is een onnozele. Een echte scepticus heeft de argumenten geteld en gewogen. Maar redeneringen tegen elkaar afwegen is geen geringe opdracht. Wie van ons kent hun echte waarde? Als men voor een zelfde waarheid honderd bewijzen aanlevert, zal elk bewijs zijn aanhangers hebben. Elk verstand heeft zijn eigen verrekijker. In mijn ogen is een tegenwerping kolossaal, die voor jou in het niets verdwijnt. Jij ervaart als vederlicht een redenering die mij verplettert. Als wij verdeeld zijn over de intrinsieke waarde, hoe zouden we het dan eens worden over het relatieve gewicht?
Zeg me eens hoeveel morele bewijzen er nodig zijn om op te wegen tegen een metafysische conclusie? Is het mijn bril die vertekent of de jouwe? Als het dan zo moeilijk is om de argumenten af te wegen en als er geen standpunten zijn die geen voor en tegen hebben, en bijna altijd in gelijke mate, waarom beslissen we dan zo haastig? Waar halen we ons overtuigd toontje vandaan? Hebben we niet honderdmaal ervaren dat elke dogmatische zelfgenoegzaamheid revolteert?
‘Men maakt dat ik voor de hand liggende zaken ga haten, zegt ons de auteur van de Essais, als men ze mij als onfeilbaar opdringt. Ik houd van woorden die de stoutmoedigheid van onze uitspraken verzachten en matigen. Aan avonturen waag ik me niet, zegt men wel eens, en dat soort dingen. En als ik kinderen zou moeten opvoeden, dan zou ik hen vooral die bevragende manier van antwoorden in de mand leggen, veeleer dan een beslissende: Wat wil dat zeggen? Ik begrijp het niet. Het zou kunnen. Is dat zo? Het is beter dat ze op hun zestigste nog de manieren van leerlingen hebben bewaard dan dat ze zich gedragen als doctores als ze vijftien zijn.’
XXV
Wat is God? Het is een vraag die men aan kinderen stelt, maar waarmee filosofen heel wat moeite hebben om ze te beantwoorden.
We weten op welke leeftijd een kind moeten leren lezen, zingen, dansen, of met Latijn en meetkunde beginnen. Het is maar als het over godsdienst gaat dat men zich niet afvraagt hoever zijn begripsvermogen reikt. Van zodra het nog maar amper kan luisteren, vraagt men al aan een kind: Wat is God? En op hetzelfde ogenblik en uit dezelfde mond verneemt het dat er dwaalgeesten zijn, en zielen van afgestorvenen die komen spoken, weerwolven, en ook God. Men hamert een van de belangrijkste waarheden erin, op een manier die het mogelijk maakt dat men ze later kan afzweren voor het tribunaal van de rede. En inderdaad, het moet ons niet verwonderen dat wanneer men twintig geworden is en het bestaan van God in je hoofd verward wordt met een hoop belachelijke vooroordelen, men ertoe komt om dat idee te ontkennen en het zo te behandelen als de rechters doen wanneer ze een eerlijke mens tegenkomen die per ongelijk terecht gekomen is een troep onverlaten.
XXVI
Men vertelt ons veel te veel over God. En nog een vergissing: men insisteert niet voldoende op zijn aanwezigheid. De mensheid heeft het goddelijke verbannen uit haar midden. Ze heeft het verwezen naar een heiligdom. De muren van de tempel beletten het zicht erop, daarbuiten bestaat het niet. Dwazen die je bent! Breek die banden die jullie gedachten inperken. Maak God ruimer, zie hem overal waar hij is, of stel dat hij niet bestaat.
Als ik een kind had om op te voeden, dan zou ik het Goddelijke voor dat kind tot een zo reële aanwezigheid maken, dat het hem wellicht minder moeite zou kosten om atheïst te worden dan om zich van God af te keren. In plaats van hem een of andere persoon tot voorbeeld te stellen, iemand van wie hij wist dat hij dikwijls slechter handelde dan hijzelf, zou ik hem bruutweg zeggen: God hoort je, en je liegt! Jongelui willen aangesproken worden op een zintuiglijke manier. Ik zou dus de tekenen om hem heen vermenigvuldigen die verwijzen naar de goddelijke aanwezigheid. Als er zich in mijn huis een gezelschap zou vestigen, dan zou ik daar een plaats voor God markeren en ik zou mijn leerling gewoon maken om te zeggen: ‘We zijn met zijn vieren: God, mijn vriend, mijn leraar en ikzelf.’
XXVII
Onwetendheid en argeloosheid zijn twee bijzonder zachte oorkussens, maar om ze zacht te vinden, moet men een kop hebben die zo knap is als die van Montaigne.
XXVIII
Een kolkende geest en een vurige verbeelding gaan slecht samen met de onverstoordheid van de scepticus. Ze wagen nog liever een gok over hun keuze dan helemaal geen keuze te maken. Ze vergissen zich liever dan in het ongewisse te leven. Of het nu is omdat ze niet vertrouwen op hun armen of omdat ze bang zijn voor het diepe water, men ziet ze altijd vast hangend aan takken waarvan ze beseffen hoe dun ze zijn, maar ze klampen zich liever eraan vast dan dat ze zich zouden laten gaan in de sterke stroming. Ze zijn zeker van alles, hoewel ze niets nauwkeurig onderzocht hebben. Ze twijfelen nergens aan, omdat ze daarvoor zowel het geduld als de moed missen. Ze vallen voor schone schijn die hen bedriegt. En als ze soms de waarheid ontmoeten, dan is het niet op kousenvoeten, maar bruusk, als in een openbaring. Het zijn dogmatische mensen, die men onder gelovigen als bezetenen zou bestempelen.
Ik heb individuen van dat onrustige soort ontmoet, mensen die zich niet konden voorstellen dat men een rustige geest kan verenigen met onbeslistheid. ‘Hoe kan men leven zonder te weten wie men is, waar men vandaan komt, waar men heengaat, waarom men hier is!’ Het doet me iets dat ik dat allemaal niet weet, maar zonder dat me dat ongelukkig maakt, antwoordt de scepticus koeltjes, het is mijn schuld niet dat ik van mijn verstand geen antwoord krijg wanneer ik het de vraag stel naar mijn bestaan. Mijn hele leven lang ben ik al onwetend, zonder me te ergeren, over wat ik onmogelijk kan weten. Waarom zou ik spijt hebben over kennis die ik niet heb kunnen verwerven, en die voor mij ongetwijfeld niet noodzakelijk was, aangezien ik het zonder heb kunnen doen? Ik zou me evengoed, zo zei een van de grootste genieën van onze eeuw, kunnen lastig maken over het feit dat ik geen vier ogen heb, vier voeten en twee vleugels.
XXIX
Men mag van mij wel eisen dat ik de waarheid zoek, maar niet dat ik ze vind. Een sofisme kan mij zelfs meer levendig aanspreken dan een solide bewijs. Ik ben verplicht om in te stemmen met valse stellingen die ik voor waar houd, en om de ware te verwerpen die ik voor vals houd. Maar wat heb ik te vrezen, aangezien ik mezelf niet bewust bedrieg? We zullen in het hiernamaals niet beloond worden voor van onze tegenwoordigheid van geest hier op aarde; hoe zouden we er dan bestraft worden omdat we daarin tekortgeschoten zijn? Iemand verdoemen omwille van foute redeneringen, dat is uit het oog verliezen dat men goed gek moet zijn om zo iemand te behandelen als een booswicht.
XXX
Wat is eigenlijk een scepticus? Een filosoof die aan alles twijfelt waaraan hij gelooft, en die alles gelooft wat hem als waar voorkomt bij het terecht gebruik van zijn verstand en zijn zintuigen. Wil je het nog scherper gesteld? Maak een pyrronist eerlijk, en je hebt een scepticus.
XXXI
Wat men nooit in vraag gesteld heeft, is ook nooit bewezen. Wat men nog niet zonder vooringenomenheid heeft onderzocht, is niet terdege onderzocht. Scepticisme is dus de eerste stap naar de waarheid. Scepticisme moet alomvattend zijn, want het is de toetssteen voor de waarheid. Als een filosoof zich wil verzekeren van het bestaan van God en vervolgens begint met eraan te twijfelen, kan er dan één stelling zijn die niet onder deze test valt?
XXXII
Ongelovigheid is nu en dan het kwalijke kenmerk van een gek, en goedgelovigheid de vergissing van een verstandige mens. Wie verstandig is, kijkt heel ver in de immense mogelijkheden. Een gek houdt niet veel anders voor mogelijk dan dat wat er is. Misschien is het dat wel wat de ene kleinzielig maakt, en de andere overmoedig.
XXXIII
Er is evenveel risico verbonden aan teveel geloven dan te weinig. Het is niet meer of minder gevaarlijk om polytheïst te zijn dan atheïst. Bijgevolg biedt enkel het scepticisme een evenwicht, altijd en overal, tussen die twee tegengestelde overdrijvingen.
XXXIV
Een halfbakken scepticisme is het kenmerk van een zwakke persoonlijkheid. Het verbergt iemand die kleinzielig redeneert en zich laat afschrikken door de consequenties; een bijgelovige die gelooft dat hij zijn God eer bewijst door de voetboeien die hij zijn rede aanbindt; een soort van ongelovige die vreest zichzelf het masker af te rukken. Want indien de waarheid niets te vrezen heeft van het onderzoek, zoals de halfbakken scepticus aanneemt, wat denkt hij dan in het diepste van zijn ziel over die geprivilegieerde begrippen die hij niet durft te testen, die een plaats hebben in een uithoek van zijn bovenkamer, als in een heiligdom dat hij niet durft te naderen?
XXXV
Ik hoor aan alle kanten klagen over goddeloosheid. In Azië is een christen goddeloos, in Europa een moslim, een papist in London, een calvinist in Parijs, een jansenist hoog in de rue Saint-Jacques, een molinist beneden in de faubourg Saint-Médard. Wat is een goddeloze dan nog? Is iedereen het, of niemand?
XXXVI
Als het geweld van de kwezels zich ontketent tegen het scepticisme, komt het me voor dat ze hun eigenbelang verkeerd begrijpen, of dat ze zichzelf tegenspreken. Als het werkelijk zo is dat het voldoende is voor een goede godsdienst om aangekleefd te worden en voor een slechte om verlaten te worden, dat men ze goed kent, dan ware het wenselijk dat een universele twijfel zich zou verspreiden over de hele oppervlakte van de aarde en dat alle volkeren de waarheid van hun godsdienst in vraag zouden stellen. De missionarissen zouden ontdekken dat de grote helft van hun werk al gedaan was.
XXXVII
Wie de godsdienst die hij heeft gekregen door zijn opvoeding niet behoudt uit eigen keuze, kan zich er evenmin op beroemen dat hij christen is of moslim, dan dat hij niet blind geboren is of mank. Dat is een geluk, geen verdienste.
XXXVIII
Iemand die bereid is om te sterven voor een godsdienst waarvan hij weet dat het een valse is, is een waanzinnige.
Iemand die sterft voor een valse godsdienst, waarvan hij denkt dat het de ware is, of voor een ware godsdienst, maar zonder dat hij daarvoor over bewijzen beschikt, is een fanatieker.
De ware martelaar is hij die sterft voor een ware godsdienst, waarvan de waarachtigheid hem overtuigend aangetoond is.
XXXIX
De ware martelaar wacht de dood af. De dweper holt ze tegemoet.
XL
Als iemand zich in Mekka zou bevinden en daar het graf van Mohammed zou gaan beledigen, zijn altaar zou omverwerpen en een ganse moskee overhoop zetten, dan zou men zo iemand meteen op een paal spiesen; hij zou wellicht zelfs niet eens heilig verklaard worden. Vandaag de dag zou men Polyeucte gek verklaren.
XLI
De tijd van de revelaties is voorbij, van wonderen en uitzonderlijke boodschappen. Het christendom heeft geen behoefte meer aan die constructies. Als iemand het in zijn hoofd zou halen om hier bij ons de rol te komen spelen van Jonas en in de straat zou lopen schreeuwen: ‘Nog drie dagen, en Parijs vergaat! Burgers van Parijs, doet boete, hult u in zak en as, of gij zult vergaan binnen drie dagen!’, dan zou die meteen aangehouden worden en voor de rechter gesleept, die niet zou aarzelen om hem naar het asiel van Les Petites Maisons te sturen. Hij zou tevergeefs zeggen: ‘Mensen, houdt God minder van jullie dan van de inwoners van Ninive? Zijn jullie minder schuldig dan zij?’ Men zou zelfs geen moeite doen om hem te antwoorden en niet eens het einde van zijn gepreek afwachten om hem voor een visionair te houden.
Elias mag uit de andere wereld terugkomen wanneer hij maar wil. De mensen van vandaag zijn nu zo, dat het al een groot mirakel zou zijn als hij hier bij zijn terugkeer goed zou onthaald worden.
XLII
Wanneer men het volk een dogma oplegt dat ingaat tegen de gevestigde godsdienst, of een of andere zaak die in strijd is met de openbare orde en rust, en men zou die boodschap rechtvaardigen door middel van mirakels, dan zou het gezag het recht hebben om in te grijpen, en het volk om te schreeuwen: crucifige, kruisig hem! Hoe gevaarlijk zou het niet zijn om de gemoederen van de mensen in handen te geven van een bedrieger of over te laten aan de dromen van een ziener? Als het bloed van Jezus Christus wrakroepend was voor de joden, dan is dat omdat ze, door het te vergieten, geen oren hadden naar de stem van Mozes en de Profeten, die hem tot Messias uitriepen. Er mag zelfs een engel uit de hemel nederdalen en zijn redeneringen staven met mirakels, als zijn prediking ingaat tegen de wet van Jezus Christus, dan gebiedt Paulus dat men die voor godslasterlijk houdt. Men moet iemands boodschap niet beoordelen op mirakels, maar wel op de overeenstemming van zijn doctrine met die van het volk tot wie hij zegt gezonden te zijn, vooral wanneer de leer van dat volk als waar is aangetoond.
XLIII
Gezag moet alle verandering wel vrezen. De meest heilige en meest zachtaardige van alle godsdiensten, het christendom zelf is niet tot wasdom gekomen zonder heel wat heibel te veroorzaken. De eerste kinderen van de Kerk zijn meer dan eens afgeweken van de gematigdheid en het geduld die hen waren voorgeschreven. Laat me toe hier enkele passages aan te halen uit een edict van keizer Julianus. Ze illustreren wonderlijk goed het genie van deze prins-filosoof en de geest van de fanatiekelingen van zijn tijd.
‘Ik had gedacht, zegt Julianus, dat de leiders van de Galileeërs zouden inzien hoe verschillend mijn manier van optreden is van die van mijn voorganger, en dat ze me daarvoor enigszins dankbaar zouden zijn. Ze hebben immers onder zijn bewind te lijden gehad van verbanning en gevangenschap. Men heeft een groot aantal mensen over de kling gejaagd die zij voor ketters hielden. Onder het mijne heeft men de bannelingen laten terugkeren, de gevangenen vrijgelaten en wie vogelvrij verklaard was kreeg zijn verbeurde goederen terug. Maar de onrustigheid en de razernij van dit soort mensen is zo groot, dat sinds ze het privilegie hebben verloren om elkaar te verslinden, om al diegenen te kwellen die gehecht zijn aan hun dogma’s, evenals wie de godsdienst volgt die toegestaan is door de wet, ze geen middel onverlet laten en ze geen enkele kans missen om tot revolte op te hitsen.
Het zijn mensen die geen eerbied hebben voor waarachtige vroomheid en geen respect voor onze instellingen… Nochtans bedoelen wij niet dat men ze naar de voet van onze altaren moet slepen en hen geweld aandoen… Wat de simpele lieden betreft, het blijkt dat het hun leiders zijn die in hen de geest van verzet aanwakkeren, woedend als ze zijn over de grenzen die wij aan hun macht hebben gesteld. Wij hebben ze inderdaad geweerd uit onze rechtszalen en hen het recht ontzegd om testamenten uit te voeren, om de rechtmatige erfgenamen te passeren en zich zo meester te maken van de erfenis… Om die redenen ook hebben wij dit volk verboden woelige bijeenkomsten te houden of te intrigeren bij de priesters die tot opstand aanzetten… Ik hoop dat dit edict onze magistraten veilig stelt, die meer dan eens belaagd zijn door deze muiters, op gevaar af gestenigd te worden…
Dat ze hun leiders vreedzaam opzoeken, dat ze er bidden, zich daar laten onderrichten en daar voldoen aan de vereisten van de cultus die ze van hen hebben vernomen, dat staan wij hen toe. Maar ze moeten afzien van alle opruiende bedoelingen… Indien die bijeenkomsten voor hen een gelegenheid zijn tot revolte, dan is dat op risico van hun have en goed, ze zijn hierbij gewaarschuwd… Mensen die niet geloven, leef in vrede… En jullie, die trouw zijn gebleven aan de godsdienst van uw vaderland en aan de goden van uw vaderen, bezondig u niet aan het vervolgen van uw buren, uw medeburgers, want het gaat bij hen veeleer om een onwetendheid die we moeten beklagen dan om kwaadwilligheid die we moeten bestraffen. We moeten de mensen terug tot de waarheid brengen door middel van de rede en niet met geweld. Wij gelasten derhalve u allen, onze trouwe onderdanen, om de Galileeërs met rust te laten.’
Zo waren de gevoelens van deze prins, die we wel kunnen kwalijk nemen dat hij een heiden was, maar niet dat hij een afvallige zou geweest zijn. Hij heeft de eerste jaren van zijn leven doorgebracht in verscheidene scholen, met verscheidene leermeesters en heeft op rijpere leeftijd een ongelukkige keuze gemaakt: hij heeft helaas beslist om te kiezen voor de godsdienst van zijn voorouders en de goden van zijn vaderland.
XLIV
Wat me verwondert, is dat het werk van deze geleerde keizer voor het nageslacht bewaard is. Het vertoont trekjes die geen afbreuk doen aan de waarachtigheid van het christendom, maar die in voldoende mate in het nadeel uitvallen van sommige christenen uit zijn tijd, opdat ze bij de Kerkvaders in het bijzonder het voorwerp zouden uitmaken van de bijzondere ijver die ze hadden om de werken van hun vijanden te verwijderen.
Het is ongetwijfeld van die voorgangers dat Sint Gregorius de Grote het soort barbaarse geloofsijver heeft geërfd dat hem zo heeft opgezet tegen de letteren en de kunst. Als het alleen van deze kerkvorst had afgehangen, dan waren we nu in dezelfde situatie als de moslims, die voor hun lectuur aangewezen zijn op niets anders dan hun Koran. Wat zou immers het lot geweest zijn van de auteurs van weleer, indien ze in de handen waren gevallen van iemand die taalfouten beoordeelde op godsdienstige principes, die dacht dat het volgen van de regels van de spraakkunst neerkwam op het onderwerpen van Jezus Christus aan Aelius Donatus, die zich in geweten verplicht voelde om de oudheid totaal te vernietigen.
XLV
Nochtans blijkt het goddelijk karakter van de Schrift er niet in die mate duidelijk in aanwezig, dat het gezag van de gewijde geschiedschrijvers totaal los zou staan zou zijn van het getuigenis van de andere, profane schrijvers. Waar moet het naartoe, als we de hand van God zouden moeten onderkennen in de vorm van onze Bijbel? Hoe miserabel is de Latijnse versie wel niet! De originelen zijn zelf ook geen meesterwerken qua compositie. De profeten, de apostelen en de evangelisten hebben geschreven naar eigen goeddunken. Als we de geschiedenis van het Hebreeuws volk gewoon zouden kunnen bekijken als een product van de menselijke geest, dan zouden Mozes en zijn navolgers het moeten afleggen tegen Titus Livius, Sallustius, Caesar en Josephus, allemaal auteurs die men er niet meteen van verdenkt dat ze geschreven hebben vanuit een goddelijke inspiratie. We verkiezen zelfs de jezuïet Berruyer boven Mozes!
In onze kerken bewaren we schilderijen waarvan men ons verzekert dat ze geschilderd zijn door engelen en door de Godheid zelf. Als die werken van de hand van Le Sueur of Le Brun zouden zijn, zou ik me dan verzetten tegen die eeuwenoude traditie? Helemaal niet, waarschijnlijk. Maar als ik die hemelse werken bekijk en keer op keer zie hoe de regels van de schilderkunst geweld aangedaan wordt in de tekening en in de uitvoering, dat de echte kunst overal met voeten getreden wordt, en dan niet mag veronderstellen dat de artiest een kluns was, dan kan het niet anders dan dat ik die traditie als een verzinsel aanklaag.
Welke conclusies zou ik al niet trekken uit deze afbeeldingen voor de Heilige Schrift? Gelukkig besef ik hoe weinig belang het heeft dat wat erin staat goed of slecht geformuleerd is. De profeten hebben er een punt van gemaakt om de waarheid te zeggen, niet om het goed gezegd te krijgen. Zijn de apostelen misschien gestorven voor een andere reden dan voor de waarheid van wat ze gezegd en geschreven hebben? Welnu, om terug te keren naar mijn onderwerp: het was ongetwijfeld van het hoogste belang om die profane auteurs te bewaren die niet anders konden dan overeen te stemmen met de gewijde schrijvers, althans over het bestaan van Jezus Christus en zijn mirakelen, over de typische karaktertrekken van Pontius Pilatus en over de daden en het martelaarschap van de eerste christenen.
XLVI
Een ganse natie, zal je me zeggen, is daarvan getuige geweest; zou jij dat alles durven ontkennen? Ja, dat durf ik, zolang het niet bevestigd is op gezag van iemand die niet tot uw kamp behoort en zolang ik niet zeker ben dat die persoon geen fanaticus of misleider is. Wat nog meer zij: stel dat een erkend onpartijdig auteur me vertelt dat er zich een diepe kloof heeft gevormd in het midden van een stad; dat de goden, daarover ondervraagd, geantwoord hebben dat die kloof terug dicht zal gaan wanneer men het meest waardevolle dat men bezit erin zou gooien; dat een dappere ruiter zich erin gestort heeft en dat het orakel bewaarheid is. Dat zou ik zeker veel minder geloven dan indien die auteur gewoon gezegd had er zich een kloof had gevormd en dat men veel tijd en moeite heeft moeten spenderen om die te vullen.
Hoe onwaarschijnlijker een feit is, des te geringer het gewicht van een historisch getuigenis. Ik zou het zonder enige moeite geloven wanneer een eerlijk man me zou melden dat Zijne Majesteit een totale overwinning heeft behaald op de bondgenoten, maar als heel Parijs me zou verzekeren dat er in Passy iemand uit de dood is opgestaan, dan zou ik daarvan geen woord geloven. Dat een historicus ons wil overtuigen, of dat een heel volk zich vergist, dat zijn beslist geen wonderen.
XLVII
Tarquinius stelt voor om nieuwe afdelingen toe te voegen aan de cavalerie die door Romulus was opgericht. Een vogelwichelaar drukt hem op het hart dat elke innovatie in die legereenheid heiligschennis is, tenzij de goden het toegestaan hebben. Tarquinius is gechoqueerd door de vrijpostigheid van die priester en neemt zich voor om hem te ontmaskeren en om zo een kunst aan de kaak te stellen die zijn gezag doorkruist. Hij laat hem voor zich verschijnen op het marktplein en zegt hem: ‘Ziener, is wat ik denk ook mogelijk? Als jouw kennis werkelijk zo goed is als je je aanmatigt, dan stelt ze jou in staat om mijn vraag te beantwoorden!’
De augur laat zich niet van de wijs brengen, hij raadpleegt de vogels en antwoordt: ‘Ja, Sire, wat jij in gedachten hebt, kan gebeuren.’ Tarquinius haalt een scheermes van onder zijn gewaad en raapt een steen op. ‘Kom hier, zegt hij tegen de ziener, snij deze steen door met dit scheermes, want dat is wat ik in gedachten had.’ Navius, zo heette de augur, wendt zich tot het volk en zegt met grote stelligheid: ‘Leg de steen onder het mes, en ik mag doodvallen als hij niet meteen gespleten is!’ Tegen alle verwachting in stelt men inderdaad vast dat de hardheid van de steen bezwijkt voor de scherpte van het scheermes: hij valt net zo gemakkelijk uiteen als wanneer het mes de hand van Tarquinius had beroerd en ze had doen bloeden.
Het verbaasde volk applaudisseert, Tarquinius ziet af van zijn plannen en neemt de auguren in bescherming. Het scheermes en de kei begraaft men onder een altaar. Men richt een standbeeld op voor de ziener, standbeeld dat nog bestond onder het bewind van Augustus, zoals de profane en de gewijde schrijvers bevestigen, in de geschriften van Lactantius, Dionysius van Halicarnassos en de Heilige Augustinus.
Je hebt de geschiedenis gehoord, luister nu naar het bijgeloof. Quintus, de bijgelovige broer van Cicero zegt hem: ’Wat heb je daarop te zeggen? Ofwel moeten we vervallen in een monsterachtig pyrronisme en hele volkeren en geschiedschrijvers voor dwazen houden en alle analen verbranden, ofwel dit feit voor waar houden. Zou je nog veeleer dit alles ontkennen, dan te aanvaarden dat de goden zich met onze aangelegenheden inlaten?’
Ik kan niet aanvaarden dat een filosoof zijn toevlucht zou nemen tot getuigenissen die enkel bij toeval waarachtig zouden zijn, of onjuist weergegeven of zelfs vervalst door kwade trouw. Men moet zich een opinie vormen door een beredeneerde argumentatie en zich niet neerleggen bij de feiten, vooral wanneer die moeilijk te geloven zijn. (…) Weg dus met de zienerstaf van Romulus, die is verkoold in het hart van een enorme brand. Bespaar me de steen van Navius. In de filosofie is er geen plaats voor dergelijke onmogelijke fabels. Een echte filosoof zou zich er om te beginnen op toegelegd hebben om de ware aard van de vogelwichelarij te bepalen en vervolgens oorsprong ervan te onderzoeken en haar geldigheid. (…) De Etrusken leverden tenminste het bewijs voor hun discipline: een kind geboren uit een ploegijzer! Maar wiens getuigenis roepen wij in? Navius? (…) Gaan we ons nu verlaten, om te oordelen over godsdienstige zaken, op wezens die niets menselijks hebben? (Cicero, De divinatione). Maar dat is wat koningen geloven en volkeren, naties, de hele wereld. Wat is er, werkelijk, meer verbreid dan de onwetendheid? Sinds wanneer doe jij een beroep op de menigte om je eigen oordeel te vormen? (Ibid.)
Dat is het antwoord van de filosoof. Noem me een mirakel waarop dit niet van toepassing is. De Kerkvaders hadden het heel wat problemen om zich de principes van Cicero te bedienen en hebben dan maar verkozen om de avonturen van Tarquinius aan te nemen en de kunsten van Navius aan de duivel toe te schrijven. Een handig hulpmiddel is dat, de duivel!
XLVIII
Alle volkeren hebben van die gebeurtenissen die te mooi zijn om waar te zijn. Zaken waarmee men van alles aantoont, maar die men helemaal niet bewijst; die men niet durft te ontkennen op gevaar af ongelovig te zijn, maar die men niet kan geloven zonder een stommeling te zijn.
XLIX
Romulus verdween uit het midden van de Romeinen, door de inslag van de bliksem, of vermoord door de senatoren. Het volk en de soldaten verspreiden er geruchten over. De verordeningen van de Staat spreken elkaar tegen. Het beginnende Rome is intern verdeeld en van buiten uit omsingeld door vijanden; het staat aan de rand van de afgrond. Op dat ogenblik treedt een zekere Proculeius zwaarwichtig naar voren en zegt: ‘Romeinen, de prins over wie jullie treuren is helemaal niet dood, hij is ten hemel opgestegen, waar hij zit aan de rechterhand van Jupiter. Ga, zo heeft hij me opgedragen, en meldt aan uw medeburgers dat Romulus onder de goden verkeert; verzeker hen van mijn bescherming. Zij kunnen erop aan dat de macht van hun vijanden niets vermag tegen hen: het lot heeft bepaald dat zij ooit de heersers over de hele wereld zullen zijn. Ze moeten deze voorspelling getrouw doorgeven van geslacht op geslacht, tot in de verste toekomst.’
Er zijn omstandigheden die zich gemakkelijk lenen tot bedrog en als men goed kijkt hoe Rome er toen aan toe was, dan zal men toegeven dat Proculeius een hoofdman was en dat hij de gelegenheid te baat heeft genomen. Hij heeft in de geesten een gedachte geïntroduceerd die helemaal niet onnuttig was voor de toekomstige grandeur van zijn land.
Het vertrouwen dat men had in degene die deze boodschap bracht is nauwelijks te geloven. Men kan zich amper voorstellen hoezeer het verdriet over het verlies van Romulus gestild werd van zodra men zich verbeelde dat hij onsterfelijk was. De eerbied die men had voor deze persoon, samen met de vrees voor een reëel gevaar, was voldoende om de legende te bevestigen. Eerst enkelen, daarna iedereen wou Romulus uitroepen tot een god en een zoon van God. (Titus Livius, Ab Urbe condita, I, 16)
Dat wil
zeggen: het volk geloofde in deze verschijning, de senatoren deden alsof ze
erin geloofden, en Romulus kreeg zijn altaren. Maar daar bleef het niet bij.
Weldra was het niet een simpele particulier aan wie Romulus verschenen was. Hij
had zich vertoond aan meer dan duizend personen op één dag. Hij was niet door
de bliksem getroffen, de senatoren hadden zich niet van hem ontdaan ter gelegenheid
van een hevig onweer, nee: hij was ten hemel opgestegen te midden van donder en
bliksem, ten aanschijn van de ganse bevolking. En dit verhaaltje werd
mettertijd nog opgelapt met zoveel materiaal, dat de zelfstandige denkers van
de eeuwen daarna er zeer verveeld mee zaten.
Vertaling copyright Karel D'huyvetters 2012






































