De denker

Onze gedachten zijn precies dat: ónze gedachten, menselijke gedachten, gedragen door de hersenactiviteit van mensen. Dat betekent dat zij gekleurd zijn door wat de mens is, als soort en als individu. Ze zijn bepaald en beperkt door zijn specifiek kennen en zijn kenvermogen. Specifiek voor de mens is, dat het spontaan kennen ondersteund wordt door de wetenschappen en de technologie die de mens heeft ontwikkeld om zijn natuurlijk kenvermogen kracht bij te zetten.
Gedachten zijn essentieel individueel. Wat ze precies betekenen is noch voor elk van ons duidelijk, noch voor ons als mensheid. Ieder interpreteert de woorden en de begrippen anders. Er zijn algemene afspraken, maar er is ook een Babelse verwarring. Niemand is erin geslaagd om voor alles definitieve definities vast te leggen. How do I love thee? Let me count the ways… (Sonnet 43, Elizabeth Barrett Browning).
Wij hebben geen rechtstreekse controle over wat zich fysisch in onze hersenen afspeelt. Onze expliciete, bewuste gedachten staan in rechtstreekse verbinding met de hersenactiviteit, maar zijn er niet aan gelijk, het is een interpretatie ervan. Aan een gedachte hoeft niet noodzakelijk één bepaalde constellatie in de hersenen te beantwoorden. De hersenen zijn veel complexer dan gelijk welke computer, ze werken niet serieel, de ene gedachte na de andere, maar parallel, ontelbare ‘bewerkingen’ quasi terzelfder tijd en dat komt over als intuïtief. Maar welke processen van associatie, herinnering &c zich daarbij allemaal afspelen is wellicht nooit te achterhalen.
Onze hersenactiviteit leidt een eigen leven, het is een autonome activiteit, die grotendeels ontsnapt aan onze directe bewuste controle.
Bewust denken gebeurt in woorden, in taal, die zo typisch is voor de mens. Het is een hulpmiddel dat de mens heeft ontwikkeld in zijn contact met zijn omgeving. Het grote voordeel ervan is de communicatie met anderen, ook uit het verleden, bijvoorbeeld in de wetenschap en de kunsten en op die manier ook met hen die na ons zullen komen.
Gedachten kunnen waanideeën zijn, die aan geen enkele objectieve realiteit beantwoorden: wij noemen zulke mensen waan-zinnig. Maar alle gedachten zijn dat eigenlijk een beetje, ze beantwoorden nooit helemaal aan een objectieve werkelijkheid, die we overigens wellicht nooit helemaal kunnen kennen.
We moeten dus bescheiden zijn als we spreken over ons menselijk bewustzijn, want weten niet goed wat het is en hoe het werkt. Wij kunnen veel als mens, maar niet alles. We zijn beperkt. We zien de wereld altijd vanuit ons menselijk standpunt, zelfs als we dat heel breed zien en we kijken met menselijke ogen. Het universum is ontstellend veel ruimer dan de mens, ook als we erkennen dat de mens daarin een belangrijke plaats inneemt, althans op deze wereld. De mens maakt deel uit van deze wereld, dit zonnestelsel, deze Melkweg en is daarin ontstaan en uitgegroeid tot wat hij is en kan niet buiten die wereld leven.
De mens met zijn hersenen is het resultaat van een lange evolutie. Het bewustzijn is eveneens geleidelijk ontstaan als een functie van onze hersenen. Ons bewust-zijn en bewust denken is slechts een zeer beperkt gedeelte van de totale activiteit van onze hersenen. Onze dromen bijvoorbeeld ontsnappen daaraan vrijwel helemaal.
Dat wij specifieke gedachten hebben, daaraan twijfelt niemand. Wat die gedachten zijn, is echter moeilijk te zeggen. Maar ze zijn er wel. Het is een aspect van het contact dat we hebben met de wereld om ons heen, een manier van in de wereld zijn als mens. Wij benaderen alles met al onze specifiek menselijke kwaliteiten en mogelijkheden en beperkingen. Gedachten zijn niet passief, ze zijn altijd actief, een doen. Denken is niet passief, je moet er alert voor zijn, gericht op bestaan, op de omgeving. Bewust denken is niet altijd accuraat en nooit simpel. We gebruiken woorden voor begrippen die zeer abstract zijn, zoals liefde, geloof, vriendschap, gezelligheid, pijn… We weten min of meer wat daarmee bedoeld wordt, maar het blijft tasten, proberen, benaderen, zoals het beschrijven van de ervaring van een wijn in al zijn synesthetische complexiteit: enkel in een allusieve, alluderende, poëtische taal brengen we er min of meer iets van terecht, iets dat anderen zich kunnen voorstellen aan de hand van onze beschrijving.
Het bewust wakend zijn en het bewust denken komt ons voor als een afzonderlijk domein, waarin wij met onszelf en met anderen in gesprek treden. Het situeert zich binnen in ons, het is iets dat zich in ons afspeelt, vooral in onze hersenen. Wij ervaren het als iets persoonlijks, als onze persoon zelf. Wat wij buiten onszelf waarnemen, valt buiten dat domein. Wat buiten ons ligt, is materieel. Ook ons eigen lichaam behoort tot het materiële, tot de wereld. Wat zich in onze gedachten voordoet, ervaren we als immaterieel, niet tastbaar, geestelijk, mentaal.
Een roos is niet het woord dat we ervoor gebruiken, noch de afbeelding ervan op papier, een schilderij of foto, noch wat wij er ons bij voorstellen. De roos is buiten ons, waarneembaar voor onze zintuigen. Onze waarneming is zeer complex en doet ons lichaam op vele manieren reageren. Onze hersenen spelen daarin de belangrijkste rol. Zo wordt de roos voor ons aanwezig én betekenisvol. Het is niet zomaar een bepaalde constellatie van atomen. Wij herkennen ze als behorend tot die groep planten die we rozen noemen; ze heeft een kleur, een geur, ze staat in een omgeving, ze heeft eventueel een prijs; we associëren ze met andere rozen die we al gezien en geroken hebben, met gedichten over rozen, met de traditie van het geven van rode rozen; we appreciëren die ene roos ook in haar maatschappelijke context: is het een politicus die ze ons aanbiedt tijdens de verkiezingscampagne, of een geliefde op Valentijn?
Er is dus een fysieke waarneming nodig, als die er niet is, dan gebeurt er niets; de roos kan er nog wel zijn, maar ze is er niet voor ons, we weten niet dat ze er is, ze kan er evengoed niet zijn. Er moet zintuiglijk contact zijn.
In dat contact gebeurt er iets in ons dat ook fysisch, materieel is: de lichtstralen die ons oog bereiken, de geur die onze neus bereikt. Er gebeurt iets fysisch, materieel, in onze hersenen. De fysieke waarneming, dus de weerkaatste lichtstralen op ons netvlies en de geurpartikels in onze neus, worden als specifieke signalen naar de hersenen gestuurd en daar verwerkt. Allerlei gegevens in ons geheugen worden daarbij opgerakeld. Er is een intense, frenetieke, nog steeds fysische, chemische en elektrische, materiële activiteit in ons lichaam, geconcentreerd in de hersenen. Dat geeft quasi onmiddellijk aanleiding tot het bewustzijn van wat er gebeurt in dat contact: we nemen een roos waar, we zien haar en we zien haar in haar context. Dat bewustzijn, het herkennen van de roos is dus volledig gesteund op de wereld buiten ons en op wat er in ons lichaam gebeurt in het contact met die wereld.
Een persoon met alle zintuigen actief, maar met een beschadigd bewustzijn, zoals bij de ziekte van Alzheimer, is niet meer in staat om actief in de wereld te zijn. De prikkels uit de wereld bereiken hem wel en worden misschien gedeeltelijk verwerkt, maar de samenhang is verdwenen door een fysieke beschadiging of degeneratie van de hersenen. Er is geen herkenning en geen reactie, geen emotie. Het is noodzakelijk dat er een normaal werkend brein is om alles zijn plaats en zin te geven voor de betrokken persoon. Als het brein normaal werkt, dan is er ook bewustzijn.
Maar de betekenis die gegenereerd wordt door dat contact tussen ons en de buitenwereld, die noemen we niet materieel. Wanneer we de roos benoemen en ons bewust worden van al de emotionele aspecten, gebeurt er iets dat niet tastbaar is, niet waarneembaar tenzij voor onszelf. Wij zijn niet alleen de ontvangers en verwerkers van allerlei fysieke prikkels, wij geven er ook betekenis aan, wij benoemen ze en verklaren ze in al hun aspecten, ook emotioneel, we integreren ze zoveel als mogelijk met wat we al weten en kennen en voelen, interpreteren ze in de situatie waarin we ons bevinden, rekening houdend met ons verleden en onze toekomst. Naast allerlei onbewuste reacties van ons lichaam in dat proces is er ook een bewustwording, iets dat we ook onder woorden en gebaren kunnen brengen. We krijgen de tranen in onze ogen, omarmen onze geliefde en stamelen: dank je, lieverd, voor die mooie roos…
Denken, in de ruimste zin van het woord, is actief zijn in de wereld. Het is de manier waarop wij als mens met de wereld in contact treden. Denken is doen. Of doen alsof, wanneer we onze ogen sluiten en nadenken, wanneer we de impulsen van buitenaf zoveel mogelijk uitsluiten en we enkel met wat er in ons bewustzijn aanwezig is een intern gesprek voeren, grotendeels woordeloos, een overleg met onszelf, waarin we ons standpunt bepalen tegenover het verleden, het heden en de toekomst.
We staan in het stemhokje en aarzelen heel even voor we onze stem uitbrengen: wat gaat er op dat ogenblik allemaal door ons hoofd? Maar we komen toch tot een beslissing en doen dan wat er moet gedaan worden. Het is alsof we even proefdraaien: wat als ik blanco stem? Links, rechts of centrum? We overwegen bliksemsnel de mogelijkheden, de gevolgen, we halen ons weer voor de geest wat we gisteren of daarnet nog dachten en maken dan een afweging en komen dan tot een besluit.
We ervaren dat als een zinvolle bezigheid: bezint voor ge begint. Niet onnadenkend handelen, niet onbezonnen, dat doen enkel kinderen of domme of waanzinnige mensen. We zoeken te overleven in de wereld, bij voorkeur op een aangename, bevredigende manier. Dat lukt het best door ons verstand te gebruiken, door logisch na te denken: wat is de beste manier om mijn doel te bereiken? Maar ook door emotioneel na te denken: hoe zal ik me daarbij voelen? Wat zou ik het liefst doen? We zoeken ons voordeel en ons plezier, we vermijden onheil en pijn.
Met onze enorm sterk ontwikkelde hersenen, onze intensieve, langdurige opvoeding en onze levenslange leeractiviteit overleven we inderdaad in een uiterst complexe globale maatschappij en een al even complexe cultuur. We hebben onze omgeving aan ons aangepast, onze wereld bewoonbaar gemaakt. Die wereld is materieel, tastbaar, maar in tegenstelling tot bergen en dalen, zeeën en oceanen, heeft die gemaakte, aangepaste wereld betekenis voor ons: we hebben tunnels gegraven om onder berg of zee door te kunnen, bruggen gebouwd over rivieren enzovoort.
We leven in een kunstmatige omgeving, niet in de wilde natuur. Onze omgeving heeft zin gekregen, een functie. Een tunnel is materieel, maar als we die gebruiken herkennen we de functie ervan, dan is het niet zomaar een lege buis onder het Kanaal, maar een manier om van Frankrijk naar Engeland te gaan. Dat is de betekenis van de tunnel, daarvoor is hij gemaakt. Onze moderne wereld bestaat voor het grootste gedeelte uit dingen die door de mens gemaakt zijn met een bepaald doel.
De interactie tussen mijzelf en de wereld speelt zich grotendeels, zo niet helemaal, onbewust af, ik heb er nauwelijks bewust controle over. Dat is wellicht wat Spinoza bedoelde toen hij zei dat alles zonder meer oorzaak en gevolg is, zonder de dominante tussenkomst van een autonoom, bijna goddelijk bewust ik.
De mens maakt met heel zijn lichaam deel uit van het geheel van de wereld. De totaliteit van die complexe interactie ontgaat ons grotendeels.
Het klare bewustzijn is niet meer dan een epifenomeen, een bijverschijnsel, zoals het beeldscherm van een computer dat is. De vroegste computers hadden niet eens een beeldscherm en werkten daarom niet minder goed; ook onze computers werken grotendeels op de achtergrond, wat we op het scherm zien is minimaal, een fractie van wat er gebeurt en dan nog in een sterk vereenvoudigde vorm die voor onze ogen bestemd is, een vertaling van een verborgen rapport in computertaal van uiterst complexe fysische gebeurtenissen in het hart of het brein van de computer.
Ons bewustzijn speelt ongeveer dezelfde rol: een gedeelte van wat er gebeurt in de wereld buiten ons en in ons wordt zichtbaar en kenbaar gemaakt, aanwezig gesteld in het bewuste denken en voelen. Wij staan er niet bij stil dat dit slechts een klein gedeelte is van wat er allemaal gebeurt, zowel in de wereld buiten ons als in onze hersenen. Wij zien bijvoorbeeld maar een gedeelte van het kleurenspectrum; ons nachtzicht is erg slecht; we horen en ruiken niet zo goed als andere dieren; onze smaak is bepaald door de evolutie: wat niet ‘lekker’ is, is waarschijnlijk giftig. Andere dieren hebben wellicht een heel ander smaakpalet. We zijn vergeetachtig, onaandachtig, ongevoelig voor heel wat dingen. We missen dus heel veel in ons concreet bewustzijn. There are more things in heaven and earth, Horatio,than are dreamt of in your philosophy.(Hamlet Act 1, scene 5, 159–167)
Is het bewustzijn dan louter een epifenomeen, een bijkomstig nevenverschijnsel, of vervult het een essentiële rol? Dat is een zeer moeilijke vraag. Telkens wanneer we een aspect van het bewustzijn benadrukken, bijvoorbeeld het logisch en rationeel nadenken, moeten we toegeven dat ook dat een activiteit is van het geheel van onze hersenen. We kunnen nooit het geheel uitsluiten, want dan valt ook het deel weg. Een computer kan werken zonder beeldscherm, maar een beeldscherm valt uit wanneer er geen werkende computer achter zit. Wij hebben wel de indruk dat wij soms enkel ons bewust kennen en weten gebruiken, bijvoorbeeld bij het oplossen van een wiskundig vraagstuk of bij wetenschappelijk werk, maar elke wetenschapper zal toegeven dat op elk ogenblik het toeval, de intuïtie, de plotse ingeving, de spontane associatie ten minste even belangrijk is als het strikte logisch opbouwen van een redenering. Maar zelfs de meest formele logica doet een beroep op de gehele capaciteit van ons denkvermogen, niet alleen dat van ons bewust denken.
Kan ik mijn hersenen sturen of sturen mijn hersenen mij? Zoals de vraag hier gesteld is, kunnen we ze niet beantwoorden. We mogen het ‘ik’ niet beperken tot het bewuste ik. Ook als we slapen en dromen zijn we onszelf en dan is ons bewustzijn veel minder en anders actief. Wij zijn ons hele lichaam, niet enkel ons bewustzijn. Onze hersenactiviteit is niet beperkt tot het heldere bewustzijn, dat is slechts één aspect ervan. Wij zijn ook onze dromen, ons onbewust en onderbewust-zijn, onze intuïtie, ons aanvoelen… Ons bewustzijn kan onze hersenen niet besturen, daartoe is het niet in staat, net zoals de meesten onder ons niet in staat zijn om een computer te ‘besturen’, wij kunnen die enkel gebruiken op een voorgeschreven manier.
Ons bewustzijn is een van de resultaten van onze totale hersenactiviteit, een handig hulpmiddel dat zich ontwikkeld heeft in de loop van de evolutie. Onze hersenen hadden hun indrukwekkende huidige afmetingen bereikt lang voor er sprake was van het bewustzijn zoals wij dat nu kennen. Er is dus een periode geweest waarin dat bewustzijn nog zeer primitief was en de hersenen hoofdzakelijk ‘onbewust’ functioneerden. De spectaculaire groei van de hersenen van onze voorouders was een gevolg van hun aanpassing aan de uitdagingen van hun omgeving. Die specifieke, uitzonderlijke fysieke onderbouw creëerde de mogelijkheid voor het ontstaan en de ontwikkeling van het bewustzijn, de taal, de beschaving, de cultuur.
Ons bewust leven speelt zich af op het niveau van dit menselijk, beperkt en onvolkomen bewustzijn. Er zijn vele aspecten van de interactie met de natuur die ons ontgaan en veel van onze voorstellingen zijn inadequaat of totaal imaginair. Hoe de dingen zijn zonder ons bewustzijn is een andere zaak en of we ze ooit zo kunnen kennen is een absurde vraag. De wetenschap benadert de werkelijkheid op een specifieke, gecontroleerde manier, maar ze blijft menselijk en dus is er altijd het risico dat ze inadequaat is, we maken vorderingen maar het einde is nog lang niet in zicht. Maar er is wel degelijk een verband tussen de wereld zoals hij aanwezig is in ons bewustzijn en de ‘werkelijkheid’, hoe precair en onvolkomen dat verband ook moge wezen. We leven niet in een imaginaire wereld. Dat blijkt met overtuigende vanzelfsprekendheid uit de indrukwekkend invloed die de mens heeft op zijn omgeving: wij hebben de wereld veranderd en hebben daarbij gebruik gemaakt van de kennis die wij van de wereld hebben, hoe beperkt en eenzijdig die kennis ook is.
De mens leeft dus in verscheidene dimensies: die van de directe zintuiglijke waarnemingen in het contact met de buitenwereld en met onze eigen lichamelijkheid; die van de wetenschappelijke benadering van de dingen, waarbij we de grenzen van onze zintuigen spectaculair hebben verlegd en de kennis van vele generaties hebben geaccumuleerd; en die van de globale interactie van de mens en de natuur, waarvan we ons slechts zeer gedeeltelijk bewust zijn. Het zijn allemaal aspecten van één en dezelfde realiteit: de aanwezigheid van de mens in de wereld.
Dat enige bescheidenheid over ons kennen en kunnen aangewezen is, blijkt nog het best als we onszelf bekijken. De mens is zo’n ingewikkeld wezen, dat het vrijwel ondenkbaar is dat wij er ooit zouden in slagen om een mens uit het niets te maken. Maar twee simpele cellen, elk bovendien nog gehalveerd, weten alles wat ze moeten weten om negen maand later een nieuwe mens op de wereld te zetten. Daar is niets, maar dan ook niets van bewustzijn mee gemoeid. Onze genen zijn veel slimmer en bekwamer dan de gezamenlijke wetenschap.



















