Bewust zijn

Soms denk ik: wat maak ik me zo druk in God en religie? Wat maakt het immers uit?
Mijn leven is inderdaad zo op het eerste zicht niet drastisch veranderd sinds ik besef en proclameer dat ik atheïst ben. Ik denk nu niet anders over politiek, economie, kunst, literatuur enzovoort dan vroeger. Mijn morele standpunten zijn nog steeds dezelfde. Ik gedraag me nu niet anders dan vroeger, er is niets dat ik nu doe of laat omdat ik atheïst ben. Ik heb een katholieke pennenvriend die zich zorgen (en af en toe ook behoorlijk boos) maakt over mijn atheïstisch geschrijf. Maar wij zijn het in feite over heel veel zaken eens. Wat hij zonden noemt, zijn voor mij ook onaanvaardbare inbreuken op de medemenselijkheid. Hij gelooft in het hiernamaals, of beter: hij hoopt erop. Wat is daar verkeerd aan? Hij doet er niemand kwaad mee en als hem dat helpt om het lijden hier op aarde te verwerken, zoveel te beter, toch? Hij gelooft dat God het eerste sprankeltje leven heeft geschapen uit het niets en misschien ook wel de big bang veroorzaakt heeft. Ik stel dan weer dat er geen oorzaak is, dat het universum zomaar ontstaan is en ook het leven. Wat is het verschil? Hij noemt het een mysterie en ik moet toegeven dat we voor geen van beide een sluitende verklaring hebben. Praten we gewoon naast elkaar terwijl we hetzelfde zeggen?
Nee, toch niet.
Mijn gelovige vriend ziet de mens als het hoogtepunt van de Goddelijke schepping. Vroeger was hij er ongetwijfeld van overtuigd dat God de mens heeft geschapen zoals hij nu is, zo staat het ook in Genesis. Nu Darwins theorie als werkelijkheid aanvaard is door de wetenschap, durft men dat in kerkelijke en gelovige kringen niet meer zo stellen. Maar men blijft ervan overtuigd, ook in de meest progressieve kringen, dat God verantwoordelijk is voor wat de mens is, ook als die het resultaat is van een lange evolutie. Men heeft het dan niet zozeer over het menselijk lichaam, want daar is de dierlijke oorsprong te evident om te ontkennen. Nee, men heeft het sinds het ontstaan van het christendom steeds over het niet-lichamelijke, datgene wat ons van de andere schepsels onderscheidt. Dat is in de eerste plaats onze onsterfelijke ziel, maar op een goede tweede plaats komt ons verstand: de mens is een bewust wezen. Zo zijn we in staat om een onderscheid te maken tussen goed en kwaad: het geweten.
Helaas is het steeds onduidelijker geworden wat die ziel zou kunnen zijn en ook het geweten is steeds minder een onderwerp van gesprek. Ook vrome christenen en ernstige theologen beseffen nu dat het menselijk bewustzijn het enige is dat telt, het enige dat reëel is, geen metafoor.
Toch blijven zij het bewustzijn zien als een gave van God, als iets dat de mens gegeven is, iets dat hem anders maakt dan al de andere schepsels. Adam is nog steeds gemaakt van modder, God moet hem nog steeds de eerste levensadem inblazen. Dieren hebben geen ziel en geen geweten, geen bewustzijn.
Descartes beweerde dat ze daarom ook geen pijn kunnen voelen en wij geloven dat nog steeds, anders zouden we de dieren niet zoveel pijn doen. Wij hebben het vaak over het menselijk leed, maar denk eens even aan wat de mens de andere schepsels zoal aandoet, bijvoorbeeld de insecten? De mens is in de christelijke wereldvisie nog steeds de heerser over de dieren, daartoe aangesteld door God. Men gaat er nog altijd vanuit dat het God is die de mens tot echt mens heeft gemaakt, ooit, op een of andere manier, door hem zijn enorm verstand te geven.
Is dat dan niet zo? Kunnen we achter het Bijbels verhaal niet een realiteit zien die ook de wetenschap kan onderscheiden? De mens is immers grondig anders dan de dieren, al was het maar omdat wij spreken en schrijven en elkaar verstaan, omdat wij taal hebben, cultuur, beschaving en ja, ook religie, godsdienst, God. De geschiedenis van de aarde is de geschiedenis van God en de mens, de heilsgeschiedenis. Of niet soms?
Wel… nee.
Wat men in de menswetenschappen, in de filosofie, de theologie en in de leer van de kerk steeds over het hoofd ziet, is de evolutie. Zeker, men geeft met enige wrevel toe dat onze lichamen wellicht geëvolueerd zijn, dat we een van de takken zijn van een bepaalde biologische soort, dat we misschien wel gemeenschappelijke voorouders hebben met andere nu levende wezens, zoals de mensapen en de chimpansees. Maar dat doet er niet echt toe. Wat in het verre paleontologisch verleden gebeurd is, heeft niet echt belang. De evolutie wordt slechts echt interessant als de mens te voorschijn komt, de volmaakte homo sapiens. Pas dan, wanneer God heeft ingegrepen en (van een aap) een mens gemaakt, begint het echt. Zo moeten we, volgens moderne exegeten, Genesis lezen: er waren al allerlei soorten lang voor de mens, maar in de tuin van Eden heeft God voor het eerst rechtstreeks contact opgenomen met de schepping. Hij heeft een redeloos dier begiftigd met een goddelijke vonk en dat heeft het hele verschil gemaakt.
Dat klinkt overtuigend… maar is het ook zo gegaan?
De denkfout die men in deze redenering begaat, is fenomenaal. Men doet alsof het menselijk denkvermogen plots ontstaan is, ergens, op een keer. Alsof er op de vijfde dag nog geen mensen waren en op de zesde ineens wel. Alsof het menselijk verstand uit de hemel is nedergedaald, zoals de zwarte monoliet in 2001 Space Odyssee. Men gaat daarbij voorbij aan het in het oog springende feit dat wij ook vandaag allerlei vormen van verstandelijke vermogens zien in andere schepsels dan de mens. Hoe kan je in hemelsnaam volhouden dat dieren geen pijn voelen? Hoe kan je blijven beweren dat een kat of een hond geen eigen intelligentie heeft, geen gevoelens? Hoe kan je blind blijven voor het zinvolle in het gedrag van kuddedieren, of de totale liefde van roofdieren voor hun kroost? Hoe meer we het dierlijk gedrag bestuderen, hoe meer we leren over onszelf.
Het is niet alleen het menselijk lichaam dat geëvolueerd is, maar ook de verstandelijke vermogens. Net zoals het menselijk oog een parallel heeft in de rest van de dierenwereld, zo hebben ook andere soorten een bewustzijn dat op het onze gelijkt. Wij ontdekken ook steeds meer voorouders van de mens die lichamelijk van het eindresultaat, homo sapiens afwijken, maar die ook, zoals blijkt uit de artefacten en zelfs hele beschavingen die ze hebben nagelaten, een rudimentair bewustzijn hadden, de kiemen van wat later zou open bloeien. Zoals ons wonderbaarlijk oog (en dat van de arend) ontstaan is uit een vage fotosensitieve plek op een eencellig wezentje, zo is ons fenomenale verstand ontstaan uit de basisnieuwsgierigheid van de eerste levensvormen voor hun omgeving.
Verstandelijke vermogens zijn, dat valt niet meer te ontkennen, niet plots ingestort in een ‘stom’ beest. Ze zijn geleidelijk ontstaan, in alle levensvormen en ze zijn geëvolueerd op ontelbare manieren, waarvan homo sapiens er slechts één is. Dat klinkt als een evidentie, en dat is het ook, als je er even bij stilstaat, maar het is een absoluut verbijsterende gedachte als je er wat langer over nadenkt.
Zelfs Darwin aarzelde om het ronduit zo te stellen. Hij legde zich toe op het beschrijven van de lichamelijke evolutie van het leven op aarde; dat die evolutie ook het ‘geestelijke’ zou omvatten heeft hij vaak laten aanvoelen, steeds geïmpliceerd en af en toe zelfs scherp gesteld. Hij heeft uren doorgebracht in de Londense zoo, in trance bij het bestuderen van een gorilla, geschokt en ontroerd door de onmiskenbare menselijkheid van dat dier. Hij heeft steeds aangedrongen op verder onderzoek, precies naar de gemeenschappelijke kenmerken van mens en dier, ook psychologisch en mentaal.
‘Bewustzijn’ is geen kenmerk van de mens alleen, noch is het er in de mens altijd geweest, noch plotsklaps ontstaan. Ook in de menselijke soort is het geëvolueerd van een vage en beperkte aanleg tot het spectaculaire resultaat dat we vandaag kennen.
Deze gedachte is totaal afwezig in het menselijk denken tot ver na Darwin en ook vandaag nog is ze verre van algemeen aanvaard en ingeburgerd. Wij hebben teveel aandacht voor dat ene eindresultaat en te weinig voor de andere vormen van bewustzijn en voor de weg die de verscheidene soorten hebben afgelegd om zover te komen.
Het is een eenvoudige gedachte, maar ze heeft enorme gevolgen.
Darwins theorie heeft de rol van God in het ontstaan en de evolutie van het leven op aarde gereduceerd tot vrijwel niets: hooguit een aanzet, een eerste levensbeginsel, daarna is alles zijn gang gegaan volgens de wetmatigheden van de natuur en het toeval; het leven ontwikkelt zich en houdt zichzelf in stand zonder enige rechtstreekse tussenkomst van buitenaf. Wij moeten dat nu definitief uitbreiden tot de zogenaamde geestelijke of verstandelijke vermogens van de mens en van de andere organismen. Ook die zijn van een nietig beginsel selectief uitgegroeid volgens Darwinistische principes. Meer nog: wij mogen geen onderscheid meer maken tussen die twee aspecten. Het gaat om de evolutie van het leven op aarde.
Laten we even stilstaan bij dat begrip: leven. Wij denken dat we weten wat we daarmee bedoelen, maar is dat zo? Wat zijn de kenmerken van leven, wat is het verschil met dode materie? Zonder al te wetenschappelijk te zijn, kunnen we toch enkele basisvoorwaarden onderkennen.
Levende wezens zijn interactief in contact met wat ze zelf niet zijn. Ze hebben een metabolisme, dat wil zeggen dat ze elementen uit hun omgeving tot zich nemen; dat houdt hen in stand, laat ze groeien en zich voortplanten; zij passen zich aan hun omgeving aan door een selectief proces in opeenvolgende generaties; hogere levensvormen kunnen met elkaar en met hun omgeving communiceren.
Leven kan zeer eenvoudig zijn, bijvoorbeeld een eencellig wezen, maar het heeft alle elementaire kenmerken van het leven. Ook de meest gevorderde soorten hebben al die kenmerken en al de aspecten van hun bestaan kunnen tot die elementaire kenmerken teruggebracht worden. Dat is ook zo voor de verstandelijke vermogens van de mens. Die zijn begonnen in het actieve contact van een stukje materie met zijn omgeving, niet een louter chemische of fysieke inwerking van het ene op het andere, maar het absorberen, het verorberen van het een door het andere, het gebruiken van een stukje buitenwereld voor eigen groei en ontwikkeling. Daarvoor is het nodig dat de omgeving wordt waargenomen, dat men selecteert wat nuttig is en wat schadelijk. Het is ook nodig dat er een actief ingrijpen is, een vorm van agressie, van verovering, van vernietiging van het andere door het op te nemen in het eigen lichaam. Het leven wil in leven blijven en doet daar alles voor, voor het eigen leven maar ook door de voortplanting, een plaatsvervangende voortzetting van het individuele eigen leven.
Leven dat zich niet aanpast aan de omstandigheden, gaat onherroepelijk verloren. Op langere termijn planten de levensvormen die toevallig het best aangepast zijn zich het best voort; de beste genetische kenmerken worden zo overgedragen in een cumulatieve reeks verbeteringen.
Ons bewustzijn is op die manier ontstaan, uit een nietig begin, samen met het leven. Er is geen leven zonder bewustzijn en geen bewustzijn zonder leven. Leven is bewust zijn.
Al het menselijk denken is op een onbegrijpelijke manier duizenden jaren blind gebleven voor deze simpele gedachte. Steeds heeft men deze evidentie ontkend en ze vervangen door de meest ingewikkelde, vergezochte en waanzinnige alternatieven, waarbij leven en bewustzijn steeds formeel uit elkaar gehouden werden. Materie en geest zijn totaal verschillend, zegt de hele westerse filosofie. Gedachten zijn, in hun veronderstellingen, niet tastbaar, zijn van een andere aard dan de dode materie en zelfs dan de levende materie. Bewustzijn, denken, cultuur, godsdienst behoren tot een andere, hogere dimensie, los van de materie. Binnen die basishouding vind je dan alle denkbare en zelfs enkele ondenkbare, werkelijk onbegrijpelijke varianten.
Het heeft echter geduurd tot vrij onlangs voor men stilaan ging inzien dat bewustzijn, in al zijn verscheidenheid en rijkdom, gewoon behoort tot de basiskenmerken van alle leven, dat je denken en leven niet kan scheiden, dat ze niet afzonderlijk kunnen voorkomen.
Er is dus geen afzonderlijke hogere orde der dingen, er zijn geen louter ideële Ideeën, er zijn geen absolute Wetten, geen universele Principes. Er is ook geen ontastbare Wetgever, geen ongeschapen Schepper, geen onbewogen Beweger, geen almachtige en oneindig liefhebbende God die boven de materie verheven is, die buiten het universum staat. Er is alleen dat steeds weer en steeds meer verwonderlijke leven van de materie, dat vormen aanneemt die ons met verstomming slaan, of het nu onze moderne technologische beschaving is of de fenomenale verscheidenheid van het biologisch leven en de onvoorstelbaar snuggere aanpassingen van het leven aan zijn omgeving.
Dat is een fundamenteel inzicht dat pas rond het einde van de twintigste eeuw naar voren is gekomen en dat nu stilaan doordringt tot de mensheid. Wij beseffen nog niet goed waarheen het ons zal leiden, maar we zien al enkele voorafspiegelingen.
Zo zal het besef van de fundamentele eenheid van de natuur ons aanzetten om op een meer respectvolle manier om te gaan met de andere levensvormen. Dat is in de eerste plaats zo voor onze medemens, te beginnen met wie ons het meest dierbaar is, maar uit te breiden tot alle mensen, ook als ze ons vreemd zijn of zelfs vijandig gezind. Wij leven met zeer veel mensen samen op deze wereld en dat is niet gemakkelijk. Er is echter geen enkele verantwoording voor het gewapend bestrijden van elkaar of voor de minachting en onderwerping van de ene door de andere, op welke manier dan ook.
Leven is precair, het is zeer kwetsbaar. Alleen al in leven blijven zelf vraagt een voortdurende zorg en voorzichtigheid. Elke bedreiging kan fataal zijn, een voortijdig einde maken aan het leven. Het is totaal zinloos dat we elkaar dan ook nog naar het leven staan, elkaar geen plekje onder de zon of de regen gunnen. Samenwerking en een rechtvaardige verdeling van de arbeid en van de vruchten van de arbeid en van de rijkdommen der aarde is de beste manier om met zijn allen zo goed mogelijk te leven. Wij moeten al de enorme hoeveelheden energie die we nodig hebben uitsluitend putten uit hernieuwbare bronnen, niet uit het vernietigen van ander leven.
Dieren zijn onze rechtstreekse verwanten, zoals wij bewust van zichzelf en van hun omgeving en dat heeft vele implicaties voor onze manier van leven, in het bijzonder voor onze voedselvoorziening. Planten en ook lagere levensvormen en zelfs de levenloze materie hebben een noodzakelijke functie in het geheel, het milieu. Wij moeten onze biotoop in stand houden en leefbaar maken voor onze kinderen. Onze ingrepen mogen de toekomst niet in het gedrang brengen.
Het individuele leven is tijdelijk, het heeft een begin, een korte duur en een einde; iedereen is kind van iemand, elkeen zoekt zich te ontplooien, niemand ontsnapt aan de aftakeling of de dood. Er is ‘nadien’ geen persoonlijk voortbestaan; de moleculen waaruit we bestaan worden herverdeeld over de materie. Dit leven is onze enige kans. Dat moeten we durven erkennen en er de logische conclusies uit trekken. We moeten ons bevrijden van ideologieën die de volledige ontplooiing van de mens hier op aarde in de weg staan, die hem onderwerpen aan onrechtmatig verworven gezag of die hem tegen anderen opzetten.
Communicatie is levensnoodzakelijk. Elke beperking of manipulatie daarvan is verdacht en verderfelijk. Absolute eerlijkheid in de omgang met elkaar is een kwestie van zelfbehoud, maar tevens de enige mogelijkheid om samen te leven. Het zoeken naar waarheid mag niet aan banden gelegd worden, zolang het individueel en of algemeen belang er niet door geschaad wordt.
We zijn vertrokken van de traditionele levensopvattingen, die van de godsdienst en de filosofie van onze Westerse beschaving. Wij hebben vastgesteld dat zij de wereld niet kunnen verklaren zonder hun toevlucht te nemen tot mysteries, mythen en metaforen; zij kunnen de mens ook niet motiveren tot vreedzaam samenleven, noch de samenleving organiseren tot eenieders tevredenheid. De oorzaak van die mislukking ligt in het onzalige onderscheid dat zij steeds maken tussen het materiële en het geestelijke. Zij negeren het voor de hand liggende: leven hier op aarde is bewust zijn. Er is geen enkel materieel leven zonder een vorm van bewustzijn, er is geen enkel bewustzijn zonder een vorm van materieel leven.
Als we daarvan vertrekken, vallen de stukjes van de puzzel al heel wat beter in elkaar. Dan kunnen we onze eeuwenoude vooroordelen, onze wantrouwige vooringenomenheid, onze nefaste vooronderstellingen en onze kwalijke gewoonten achter ons laten en elkaar en de wereld tegemoet treden in oprechte eerlijkheid. En dat, lieve lezer, is een waarlijk radicale breuk met het verleden.






/art/slides/Interieur,%20aardappels%20schillen;olieverf;paneel;41,7%20x%2031;gesigneerd%20r.o.;$%206000-8000;$%208225.jpg)











