Ontluikende rozen
Het was lente en de klare dag
herboren in de krokusrode morgen
verjoeg met aangenaam gevoel
de bijtende kou.
Voor het aanbreken van de dag
was het weer al te streng geweest
voorbode van de warmte van de dag.
Ik slenterde door de besproeide tuinen
over de haakse paden, begerig
naar het genot van het volle daglicht.
Hier hing de rijp gestold
aan de gebogen grashalmen
en prijkte op de kronen van de groenten,
daar speelden ovale druppels
op de brede koolblaren.
Hier vergenoegden zich bedauwde rozenperken
zoals men die vindt in Paestum
in de opkomst van een nieuwe dageraad.
Daar glansde her en der een parel
op de berijpte struiken die verdween
bij het eerste gloren van de dag.
Was het nu de dageraad
die uit de rozen zijn roze tint putte
of verleende het rijzende daglicht
hen die en zo hun kleur.
De dauw is eender en de kleur
de morgen maakt ze gelijk
want Venus is de ene Godin
van de Morgenster en de roos.
Wellicht is ook hun geur eender
maar de ene waait uiteen hoog in de lucht
terwijl dichterbij de andere heviger is.
De godin van Paphos
heersend over ster en bloem tezamen
verleent aan beide een zelfde purperen
pracht.
Toen brak het ogenblik aan
waarop de ontluikende bloemknoppen
zich ontplooiden in eendere blaadjes.
Hier is er een groen gedekt
met een nauwsluitende blarenhoed
daar toont een andere haar purperrood
met een aller-fijnst streepje.
Hier opent er een de verheven kroon
van haar fraaie obelisk en bevrijdt
de tip van haar purperen knop.
Een andere ontknoopt bovenaan
haar samengesnoerde kleed
reeds bedacht om zich te sieren
met zijn blaadjes.
Zonder aarzelen nu spreidt ze open
de glorie van haar glimlachende kelk
en laat de opeengepakte meeldraden zien
van haar purperen binnenste.
Een andere heeft nog maar net haar hoofd
in volle vurige gloed gekleurd
verbleekt nu verlaten
door haar verlepte blaadjes.
Ik verbaasde me over de snelle roof
en dit vluchtige seizoen
waarin rozen wijl ze ontluiken
al helemaal verwelken.
Zie hoe de rode manen van een purperen
bloem
afvallen terwijl ik spreek
en de aarde fonkelt donkerrood bedekt.
Al de levensvormen, al de nieuwgeboren
brengt één dag voort en vernietigt
dezelfde dag.
Betreurenswaardige Natuur
die de bloemen slechts kort genadig is.
Wat je aan geschenken voor onze ogen tovert
ontruk je ons meteen.
Zolang als één dag
zo lang is het leven van een roos.
In hun jeugd belaagt de oude dag hen al.
Wat de rode dageraad aanschouwde
bij het prille ontluiken
ziet hij bij zijn terugkeer
aan het einde van de dag
oud en afgeleefd.
Maar zo hoort het:
hoewel ze in weinige dagen ten onder gaat
verlengt de roos haar leven
en volgt zo zichzelf op.
Komaan dan meid
pluk de rozen
terwijl de bloem jong is
en jeugdig je kracht
denk eraan
dat je leven zo voorbij is.
Dit is mijn vertaling of omzetting als je
wil van een Latijns gedicht, De rosis
nascentibus. Ik kan je niet zeggen wie de auteur is, want men weet het
niet. Ooit is het toegeschreven aan niemand minder dan Vergilius zelf, maar dat
geloven de latinisten vandaag niet meer. Al te veel eergierige auteurs hoopten
door hun werk toe te schrijven aan de allergrootsten het prestige van hun
aanzien en gezag op hun eigen werk te doen afstralen. Een andere kandidaat was
Magnus Deci(m)us Ausonius, een laat-Romeins auteur die rond 393 in Bordeaux
stierf. Maar als je dit gedicht in zijn vrij omvangrijk en verscheiden werk
gaat zoeken, wacht je niets dan verwarring en teleurstelling.
Een onverdachte autoriteit als Lewis &
Short, toch niet de minste onder de wetenschappelijke Latijnse verklarende
woordenboeken, vermeld s.v. rosa dat
de band van die bloem met Venus te vinden is bij Ausonius: sacred to Venus: Idyllia 14; cf. id. ib. 6, 76 and 92. Maar wie op
zoek gaat naar de Idyllia of Edyllia van Ausonius komt van een kale reis thuis:
zij komen niet voor als titel in de lijst van zijn werken. We moeten dus
besluiten dat iemand op een bepaald ogenblik een verzameling of beter: een
selectie heeft gemaakt uit de gedichten van Ausonius en die afzonderlijk heeft
uitgegeven onder de titel Idyllia. Wanneer dat gebeurd is? Geen idee. Het kan
zowel in de Oudheid gebeurd zijn als in de Renaissance, dat geeft ons ongeveer
tien eeuwen om in te grasduinen.
Wie op zoek gaat… Lieve lezer, zoals
Multatuli moet ik toegeven dat mijn verhaal eentonig is. Je zal het niet
geloven, maar ons gedicht over de ontluikende rozen staat niet in het werk van
Ausonius. Eén van de tekstuitgaven heeft het in een appendix, met de vermelding dat het gaat om een gedicht van
‘wellicht oudere datum’, maar van een anonieme auteur, ‘wellicht’ uit de vierde
eeuw (en dus niet van Vergilius, 70-19 voor onze tijdrekening). De
toeschrijving aan Ausonius zou pas gebeurd zijn door Aleander in een
tekstuitgave van 1511. Zou dat misschien onze Idyllia zijn?
Waarom ik me zo verbeten op deze tekst
geworpen heb, wil ik jullie graag verduidelijken.
Vooreerst beken ik gefascineerd te zijn
door de roos als symbool. Ik schreef daarover een tekst die ik zelf nog steeds als
een van mijn meest interessante beschouw. Ik nodig je uit om die nog eens na te
lezen, want in wat hierna volgt, verwijs ik vaak naar die eerdere tekst. Klik
dus even hier:
https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=395
Voor ons is de roos het symbool van brandende
liefde; dat behoort tot onze cultuur. Als je iemand een of meer rode rozen
schenkt, dan is dat bijna steeds een duidelijke boodschap van liefde of diepe
genegenheid. Wij staan daar niet bij stil. Ik wel natuurlijk, ik wil nodig
weten hoe we daartoe gekomen zijn en wanneer. Allerlei instanties willen ons
laten geloven dat dit al zo was in de klassieke Oudheid. De roos was toen
inderdaad bekend en wijdverspreid, dat zal elke geschiedenis van die bloem je
duidelijk maken. Maar ik heb vergeefs gezocht naar een klassieke Griekse of
Latijnse tekst waarin dat onomwonden kan vastgesteld worden.
In mijn wanhoop deed ik zelfs een beroep op
mijn vriend Paul Claes, uitnemend latinist, literatuurkenner, vertaler, dichter
en romanschrijver. Hij bevestigde de gevestigde opvatting en verwees naar de Anthologia Palatina, een verzameling van antieke teksten. Ik dus op zoek
daarin, maar, lieve lezers, eentonig is mijn verhaal…
Onlangs deed ik nog maar eens een poging,
die me een hele dag van het PC-kastje naar de muur van mijn bibliotheek liet
hollen. Ik vertrok nogmaals van Lewis & Short, kwam dan weer bij Ausonius
en vond uiteindelijk het gedicht over het ontluiken van de rozen, klik hier als
je graag de Latijnse tekst eens leest:
http://www.hs-augsburg.de/~Harsch/Chronologia/Lsante01/Vergilius/ver_apro.html
Maar wat ben je met een tekst in het
Latijn? Ook voor mij is dat zo goed als Chinees, met dat verschil dat ik met de
hulp van een goed woordenboek na een dagje werk een omzetting in het Nederlands
kan aanbieden van dit Latijns gedicht (en niet van een Chinees). Ik weet niet
of er al Nederlandse vertalingen van bestaan, maar ik behoud me toch het
copyright voor van deze versie. Men mag ze raadplegen en aanwenden voor
persoonlijk gebruik en vermelden met mijn naam, dank u wel.
Hebben we nu een aanduiding dat de roos sacred to Venus is? Het lijkt er wel op:
sideris et floris nam domina una Venus (v.
14) en: communis Paphie dea sideris et
dea floris (v. 16), je herkent deze verzen wel in mijn vertaling. Merk op
dat vers 14 klopt met de eerste verwijzing in Lewis & Short; de tweede en
derde kan ik maar nakijken als ik ooit een exemplaar van de Idyllia vastkrijg. Maar
is dat een bewijs dat de roos reeds in de oudheid het symbool was van de
liefde? We weten dat dit gedicht niet van Vergilius is, dus is het geen bewijs voor
de klassieke periode; het is ‘wellicht oud’, maar hoe oud? De toeschrijving aan
Ausonius zou ons een bewijs leveren voor rond 390, wat al heel laat in de
Romeinse tijd is, maar wij weten dat die toeschrijving onterecht is… Als we
zouden aannemen dat het Aleander was die het gedicht opdiepte uit ik weet niet
welke gedrukte bundel of duister manuscript, dan zitten we in 1511 en dat is de
Renaissance.
Ik besluit dan maar ten voorlopige titel dat
we nog steeds geen bewijs of zelfs maar een betrouwbare aanduiding hebben voor
een band tussen de roos en Afrodite of Venus in de klassieke oudheid en dat dit
verband dus uit een latere periode moet dateren, zoals ik stelde in mijn tekst
over de uitdrukking sub rosa.
Toevallig bracht Google me na talloze pogingen
nog eens op de prachtige en voortreffelijke website Theoi, klik hier voor een leerrijk bezoek: http://www.theoi.com/. Daar vond ik een
interessant lijstje van citaten die onze godin in verband (zouden) brengen met
onze roos.
Laten we ze even doornemen.
Het eerste is een fragment uit de Anacreontea, een onderdeel van de Anthologia Palatina, met gedichten die
ten onrechte toegeschreven zijn aan Anacreoon (570-488); ze dateren uit de
ruime periode die gaat van 100 voor onze tijdrekening tot de zesde eeuw. We
lezen in fragment 35 dat de ‘zachte roos de adem is van de goden en de vreugde
van de stervelingen, de glorie van de Kharites (de Gratiën) en de vreugde van
de Erotes (of Amores, halfgoden in het gevolg van Afrodite/Venus) met hun rijke
guirlandes en van Afrodite; het is
een onderwerp voor poëzie en een gracieuze plant van de Muzen’.
De roos wordt hier uitbundig geloofd, maar
slechts terloops, naast al de andere goden, halfgoden, muzen en de dichters aan
Afrodite toegeschreven. Erg overtuigend is dit niet. Als we er dan nog bij
bedenken dat het gaat om anonieme en vrij late Griekse teksten, die zelfs tot
de vroege Middeleeuwen kunnen behoren…
Fragment 44 is nog vager voor een concrete
toewijzing aan Afrodite: er is zelfs geen rechtstreekse band, enkel via haar
zoon Eros/Amor.
Een volgend fragment (288), toegeschreven
aan Ibycus (zesde eeuw voor onze tijdrekening) zegt: Kypria (=Afrodite, de
godin van Cyprus) en Peitho met de zachte oogleden brachten jou op te midden
van de rozenbloesems. Tja…
Dan komen we bij Pausanias, die leefde in
de tweede eeuw, de tijd van Marcus Aurelius. Hij maakte een Beschrijving van
Griekenland, wellicht op grond van eigen waarneming tijdens zijn reizen. In
boek 6, 24, 6-7 lezen we: ‘Er is daar ook een heiligdom voor de Gratiën; de
beelden zijn van hout, de kleren verguld, de aangezichten, handen en voeten
zijn van wit marmer. Een van hen houdt een roos vast, die in het midden een
teerling en de derde een kleine mirtentak. De reden waarom ze deze dingen vasthouden
kunnen we hieruit raden. De roos en de mirte zijn aan Afrodite gewijd en
verbonden met het verhaal van Adonis, terwijl de Gratiën van alle goden het
meest verwant zijn met Afrodite (&c).’
Is dit de smoking gun of beter de geurige roos die we zo wanhopig zoeken?
Wel… Ten eerste kunnen we Pausanias niet echt een vroege auteur noemen en dus
niet representatief voor het oude Griekenland en wat Rome betreft niet voor de
Republiek, enkel voor het latere keizerrijk. Bovendien vindt hij het nodig om
uit te leggen dat de mirte en de roos aan Venus gewijd zijn, wat erop wijst dat
dit niet evident was of algemeen geweten. Vervolgens is het niet een beeld van Afrodite
dat de roos in de hand heeft, maar een van de Gratiën. Pausanias sleurt
Afrodite er met de lieflijke lokken bij, mag je wel zeggen. Want de verwijzing
naar Adonis klopt ook niet. Volgens het klassieke mythologisch verhaal
besprenkelde Afrodite het dode lichaam van Adonis met nectar en veranderde zo
elke druppel bloed in een… nee, geen roos maar een anemoon!
Volgens een heel recente en weinig
betrouwbare tekst op het internet zouden de eerste rozen ontstaan zijn toen
Venus haar teen kwetste aan een doorn toen ze Adonis bijstond in zijn laatste
uren, maar wat daarvan de oorsprong zou zijn, behalve een rijke verbeelding van
een romantische herbariste, is me niet duidelijk.
Bij Apuleius, de auteur van het Satyricon, die leefde rond 150, vinden we in ‘De Gouden Ezel’, een
onderdeel van de ‘Metamorfosen’, een korte verwijzing naar een aantrekkelijke
plek waar, naast vele andere planten en bloemen, ook ‘enkele schitterende rode
rozen’ stonden; die plek, zegt hij, doet hem denken dat het de woonplaats is
van Afrodite en de Gratiën’ (4.2). Ook hier is het veeleer een amalgaam van
verschillende elementen, waaronder weliswaar ook enkele rozen, dat naar
Afrodite verwijst; men kan hier bijgevolg evenmin spreken van een expliciete en
directe band tussen de bloem en de godin.
Dan belanden we bij Nonnus, een epische
dichter over wie we bijzonder weinig weten, zelfs niet in welke eeuw hij
precies leefde, wellicht de derde of vierde eeuw na het begin van onze
jaartelling. Hij schreef (naast een parafrase van het evangelie van Johannes!)
een epos over Dionysos en zegt daarin: ‘de mirte, een kruid van de passie, dat
(Afrodite) evenzeer bemint als de roos en de anemoon.’ (32.10) Een late, meer
dan vage bron, een vrij algemene toewijzing van allerlei bloemen en planten aan
Venus. In een verder fragment zien we wel rozen, maar niemand betwist dat die
in de oudheid alom tegenwoordig waren om met hun geur de omgeving enigszins
draaglijk te maken voor beschaafde menselijke omgang; dat die ook bij
huwelijken gebruikt werden, betekent nog niet dat ze specifiek met Venus of de
liefde verbonden waren, ze kwamen immers bij álle gelegenheden aan bod.
Ten slotte is er nog een vage tekst over
‘een schilderij van Zeuxis, in de tempel van Afrodite in Athene, waarop een
heel jeugdige Eros afgebeeld staat, omringd door rozen’ in de Suda, een
Byzantijnse encyclopedie uit de tiende eeuw. Vage band met Afrodite zelf, heel
late bron.
Als dat alles is waarmee men voor de dag
kan komen, dan blijf ik, nog steeds voorlopig, op mijn standpunt dat de roos pas
in de Middeleeuwen het symbool is geworden van de liefde.
Ik vond nog een verwijzing naar Bonaventure
Des Périers, een Franse auteur die rond 1543 gestorven is in Lyon en die onder
de titel Des Roses een bijna
letterlijke vertaling schreef van ‘ons’ gedicht (aangezien niemand anders het
als auteur opeist). Ik citeer een kort stukje, dat aandachtige lezers
moeiteloos zullen herkennen:
…
Pour
donc un peu recréer mes espritz
au
grand verger tout le long du pourpris
me
promenois par l’herbe fresche et drue.
Là je
veis la rose épandue
et
sur les choulx ses rondelettes gouttes
courir,
couler, pour s’entrebaiser toutes
&c.
Die tekst deed bij een Duitse Goethe-enthousiast
in 1894 een belletje rinkelen: hij herkende in de aanvang van Des Roses de eerste verzen van een vroeg
gedicht van Goethe: Zueignung (er is
ook een korter, later gedicht van hem met dezelfde titel):
Der
morgen kam; es scheuchten Seine Tritte
Den
leisen Schlaf, der mich gelind umfing.
Dass
ich, erwacht, aus meiner stillen Hütte
Den
Berg hinauf mit frischer Seele ging; &c.
Maar daarin is nergens sprake van rozen.
Ik wil jullie ook dit zeer bekende gedichtje
van Robert Herrick (1591-1674) niet onthouden, omdat het zo goed aansluit bij
ons thema en zowat helemaal gestolen is uit het anonieme De rosis nascentibus of, meer waarschijnlijk, Des Périers’ Des Roses.
To the Virgins, to Make Much of Time
Gather ye rosebuds while ye may,
Old Time is still a-flying:
And this same flower that smiles to-day
To-morrow will be dying.
The glorious lamp of heaven, the sun,
The higher he's a-getting,
The sooner will his race be run,
And nearer he's to setting.
That age is best which is the first,
When youth and blood are warmer;
But being spent, the worse, and worst
Times still succeed the former.
Then be not coy, but use your time,
And while ye may, go marry:
For having lost but once your prime,
You may for ever tarry.
Dit is mijn omzetting voor wie zelfs dit
simpele Engels te lastig is:
Aan de jonge meisjes, opdat ze hun tijd
goed zouden gebruiken
Verzamel de rozenknoppen zolang je kan
de oude tijd vliegt immer heen
dezelfde bloem die je vandaag toelacht
zal morgen sterven.
De glorieuze hemellamp, de zon
hoe hoger ze stijgt
hoe sneller zal haar loop voleindigd zijn
en hoe dichter bij het ondergaan.
Er is geen betere leeftijd dan de eerste
wanneer het bloed en de jeugd warmer zijn
maar wanneer ze afgelopen zijn, volgen
slechtere
en de slechtste tijd komt altijd na de
vorige.
Laat je dus niet pramen en gebruik je tijd
en zolang je nog kan, trouw dan
want eens je je jeugd verloren hebt
kan je wel eeuwig blijven dralen.
Het thema van het plukken van de rozen
herinnert onvermijdelijk aan Horatius’ Carpe
diem (Carmina, 11). De Latijnse
tekst vind je hier, samen met heel wat toelichting, in het Engels: http://www2.cnr.edu/home/sas/araia/horace1.11.html
Deze Nederlandse vertaling is van Anton Van
Wilderode, natuurlijk. Hij zal me vanuit de hemel wel geen copyrights
aanrekenen, ik haalde de tekst uit zijn ‘Liederen uit mijn landhuis’, en wel
het exemplaar dat hij speciaal voor mijn zoon Dirk dedicaceerde in 1988.
Zoek niet te weten (het is ongeoorloofd)
welk levenseinde de goden voorbeschikken
aan mij, aan jou, Leuconoë, lief gekje!
Probeer niet verder naar de calculaties
te gissen van Chaldeeuwse wichelaren!
Veel beter is het lijdzaam te aanvaarden
wat ons te beurt zal vallen. Om het even
of Jupiter je nog méér winters toestaat
of thans de lààtste geeft die de Thyrrhenum
tekeer doet gaan tegen de puimsteenriffen:
wees wijs, filtreer je wijn, doe liever
afstand
van iedere verwachting in de verte.
Het is immers kort dag. Terwijl we praten
ontvlucht de tijd ons treiterachtig.
Geniet ten volle van de dag van heden
en reken niet te zeer op die van morgen!
Vergeten we ondertussen ook het Sonnet voor
Hélène niet van Ronsard dat ik hier enkele dagen geleden vertaalde en dat
eindigde met:
Vivez, si m’en croyez, n’attendez à demain :
Cueillez dès aujourd’hui les roses de la vie.
Klik hier voor de volledige tekst: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=596000
Ik besluit met een opmerking over ‘ons’
gedicht. Misschien is het je bij eerste lezing van mijn vertaling niet
opgevallen, maar ik vind het niet alleen erg fris en modern aandoend, maar in
de beschrijving van de ontluikende rozen ook nogal overduidelijk erotisch… of
is dat mijn oude-bokken-lusten-groene-blaadjes verbeelding? Klik hier om alles
te weten over deze uitdrukking: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=157
Dank dat je met mij deze lange wandeling
wou maken door de rozentuinen van de poëzie en de geschiedenis.
Karel