Pentagon Papers

Gisterenavond was er laat op Canvas een uitstekende
reportage over de Pentagon Papers, de
top secret documenten over de Vietnamoorlog die door Daniel Ellsberg
doorgespeeld werden aan de pers. Het was een boeiende en ontnuchterende
bezinning op hoe democratie in de praktijk werkt.
Wij stellen ons Amerika (soms) voor als the land of the free, zoals ze in hun volkslied zingen, de grootste democratie ter wereld. Dat mag dan al zo zijn, maar democratie is een relatief begrip, zoals alle abstracte begrippen overigens. Wat in 1971 voor democratie doorging, zouden wij vandaag veeleer vergelijken met wat toen Oost-Duitsland was, de zogenaamde Duitse Democratische Republiek, de infame D.D.R. Het is niet omdat er verkiezingen gehouden worden, of dat er een parlement is dat er ook echt een democratisch bestel heerst in een land. Verkiezingen en parlementen waren er in alle communistische landen ook al, zij het met voorspelbare uitslagen, zoals de lachwekkende monsterscores van 99,9% bij de herverkiezing van zelfs de meest bloedige dictators.
Tijdens de Koude Oorlog maakte bijna elk land ter wereld zich schuldig aan ontoelaatbare geheime praktijken. Men zag overal vijanden, die met alle middelen, ook de meest verwerpelijke, moesten bestreden worden. Dat was ongetwijfeld een gevolg van de Tweede Wereldoorlog, toen de hele wereld opgedeeld was in vrienden en vijanden, allies en enemies. Daarin is pas met de val van de communistische regimes achter het IJzeren Gordijn enige verandering gekomen. Er zijn nu nog wel enkele schurkenstaten zoals Noord-Korea, Iran en de Taliban, maar Obama zal niet meer over Rusland spreken als the Evil Empire, het Rijk van het Kwaad, zoals Reagan steevast deed.
Wat is een democratie dan wel?
Etymologisch is het woord afgeleid van het Grieks, een samenstelling van dèmos, volk en kratos, macht. Het is dus een politiek systeem waarbij de macht bij het volk ligt. Maar een rechtstreekse, directe democratie bestaat in geen enkel land: het is niet denkbaar dat zelfs in een klein land als het onze iedere burger dezelfde rol zou spelen in het politieke bestel. Een parlement bestaat niet uit álle burgers, maar uit volksvertegenwoordigers. We spreken dan van een parlementaire of representatieve democratie.
Die vertegenwoordigers worden na vrije verkiezingen aangesteld en ze duiden in hun rangen mensen aan die bepaalde politieke en maatschappelijke functies opnemen, telkens voor een bepaalde termijn.
Met vrije verkiezingen bedoelen we dat elke burger zich kandidaat kan stellen, dat alle burgers gelijk zijn voor de wet, dat er geen privileges meer zijn, zoals in het feodale stelsel of de absolute monarchie. We bedoelen ook dat de mensen vrij zijn om een mening te hebben, om ze te uiten, ook als ze niet overeenstemt met die van anderen of van het regime dat aan de macht is.
Geldt in een democratie dan steeds de wil van de meerderheid, heeft de meerderheid altijd gelijk? Dat is een van de problemen binnen elk staatsbestel, ook binnen de democratie. Als mensen bijeen zitten om een beslissing te nemen, is het een democratische regel dat de meerderheid beslist. Maar dat betekent niet noodzakelijk dat het een democratische beslissing is of zelfs dat ze op democratische wijze genomen is. Een voorbeeld zal dat duidelijk maken.
Als een volksvergadering, met welke overweldigende meerderheid dan ook, een maatregel zou goedkeuren die strijdig is met democratische principes, bijvoorbeeld de afschaffing van de vrije meningsuiting of de discriminatie van een bevolkingsgroep, dan is die beslissing desgevallend wel op geldige wijze genomen, maar kan toch niet democratisch genoemd worden.
Evenmin is een beslissing echt democratisch wanneer ze wel in overeenstemming is met de democratische beginselen, maar slechts door een minderheid wordt goedgekeurd. De twee elementen moeten dus aanwezig zijn: meerderheidsbeslissing én in overeenstemming met de democratische principes.
En dan nog is er vaak een probleem: de meerderheid moet ook op een democratische manier tot stand gekomen zijn. Als men bijvoorbeeld de leden van een volksvergadering, het parlement zeg maar, onder druk zet, op welke manier dan ook (omkopen, bedreigen, voorliegen…) om een bepaald resultaat te bereiken, dan hebben we wel een meerderheid, maar geen democratische. Het is evident dat de communistische monsterscores niet het resultaat waren van vrije verkiezingen of van democratisch samengestelde en oordelende meerderheden.
Dat is dikwijls de moeilijkheid in onze moderne democratieën, ook hier bij ons. Wij spreken van particratieën, waarbij het de politieke partijen zijn die de werkelijke macht uitoefenen, niet de individuele verkozenen des volks. Onze vrije verkiezingen gaan niet echt of hoofdzakelijk tussen individuele burgers, maar tussen politieke partijen. Het partijbestuur legt de lijst en de volgorde van de kandidaten voor de verkiezingen vast, bepaalt de thema’s, de strategie, de prioriteiten, de allianties… Het is voor een individu vrijwel onmogelijk om zich als onafhankelijke kandidaat voor te stellen, los van een partij, hoofdzakelijk omdat hij of zij daartoe de middelen niet heeft. Die middelen komen van de staat zelf of van bijdragen van andere burgers en daar geldt het mattheuseffect: het water stroomt naar de zee.
In Vlaanderen spreken we van democratische partijen en andere, om een onderscheid te maken tussen het Vlaams Blok/Belang en alle andere. Die ene partij noemen we ondemocratisch en terecht: zij huldigt principes die niet stroken met de elementaire democratie, vooral het principe van de gelijkheid: het VB erkent immigranten en Moslims niet als evenwaardige burgers. In Nederland heeft men een partij die gelijksoortige denkbeelden voorstaat.
Het is in principe mogelijk dat partijen, of ze nu democratische principes huldigen of niet, democratisch samengesteld zijn en intern op een democratische manier functioneren. Dat dit zowel bij de ene als bij de anderen niet steeds het geval is, daar hoeven we geen tekeningetje bij te maken. Het VB lijkt meer op een dictatuur, door de langdurige concentratie van de macht bij slechts enkele personen en de weinig transparante werking. Maar het is ook een dictatuur van de meerderheid, die ondemocratische populistische ideeën voorstaat.
Men kan zich echter ook terecht vragen stellen bij het democratisch gehalte van álle politieke partijen. Dat is bij de Vlaamse Socialisten steeds het geval geweest en het is vandaag niet anders. Allerlei incidenten en interne afrekeningen maken dat duidelijk, het woord ‘democratisch deficit’ is zelfs openlijk gevallen. Binnen de CD&V heerst eveneens nog steeds een ijzeren partijdiscipline: het zijn de partijstandpunten die verdedigd worden; het aantal keren dat de volksvertegenwoordigers in het parlement hun geweten mochten volgen bij de stemming is op één vinger te tellen. De uitslag van stemmingen in het parlement is voorspelbaar: meerderheid tegen oppositie. Wisselmeerderheden zijn een taboe voor alle patijen, natuurlijk. In de Verenigde Staten zijn er maar twee partijen en dat maakt het nog bedenkelijker: het is ja of nee, er is geen plaats voor nuances.
Er zijn dus heel wat aspecten aan het democratisch karakter van een politiek bestel en van een samenleving en het is onwaarschijnlijk dat er ooit ergens een volmaakte democratie zou kunnen bestaan. We moeten het dus doen met benaderingen van dit ideaal. Dat betekent dat we voortdurend op onze hoede moeten zijn voor afwijkingen en inbreuken op de democratische principes, op alle niveaus en in alle omstandigheden.
De mens is niet steeds lief voor zijn medemens, homo homini lupus. De geschiedenis van het mensdom is er een van onvoorstelbaar geweld, vroeger en nu. Een van de vormen daarvan is de quasi onweerstaanbare neiging van mensen of groepen om dwang uit te oefenen op anderen. Dat gebeurt onvermijdelijk met wapens en wie de machtigste wapens heeft, heeft ook de grootste macht. Dat was vroeger zo en het is vandaag niet anders. Het is duidelijk dat dit geen democratisch principe is.
Daarom moeten wij ons steeds zonder aarzelen en ondubbelzinnig verzetten tegen elk gewapend ingrijpen, ook als dat zou ingegeven zijn door een terechte bezorgdheid voor de democratische principes. Laten we enkele voorbeelden bekijken.
De oorlog in Vietnam was, dat bleek overduidelijk uit de geschiedenis met de Pentagon Papers, geen strijd voor de democratie, noch politiek gezien, noch in de aanwending van de middelen; het was een onverdedigbare ingreep in een soeverein land, met als enige bedoeling het vrijwaren van de ideologische, politieke en economische macht van de V.S. in Indochina.
Hetzelfde moeten wij zeggen over de inval in Irak. Zeker, ook het bewind van Sadam Hoessein was allesbehalve een democratie, maar een gewapende inval door enkele landen, zonder mandaat van de Verenigde Naties en veroordeeld door vele democratieën en alle communistische en ex-communistische landen, is een ongeoorloofde inbreuk op alle internationale rechtsprincipes. Het is een aanfluiting van de democratie en het is onwaarschijnlijk dat men op die manier in een land een democratie kan herstellen of stichten.
Wij moeten ook de eindeloze conflicten en burgeroorlogen in centraal Afrika scherp veroordelen. Wij westerlingen dragen een zwaar koloniaal verleden met ons mee en dat maakt het ons onmogelijk om op een serene manier met onze vroegere kolonies om te gaan. Onder die omstandigheden zijn militaire contacten met hen, van welke aard dan ook, steeds totaal uit den boze. Als wij het regime in Kinsjasa of het leger van dat regime rechtstreeks of indirect steunen, dan zijn wij mede verantwoordelijk voor de misdaden tegen de mensheid die daar ontegensprekelijk begaan worden.
Het is een gruwelijke gedachte dat wij hier in onze militaire scholen sinds jaren de hogere kaders opleiden van een leger dat als een van de meest bloeddorstige ter wereld berucht is. Het is een ijzingwekkende gedachte dat wij met onze subsidies een leger helpen in stand houden dat zich voortdurend schuldig maakt aan vreselijke humanitaire aanslagen op het eigen volk. Het is een surrealistische gedachte dat het Congolese leger hier bij ons op onze nationale feestdag mee zou opstappen in het militair defilé en dat onze ‘jongens’ zouden opstappen in een parade in Kinsjasa ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van onze vroegere kolonie. Welk detachement zouden we daarvoor selecteren? De para’s die tijdens de onlusten in 1960 mishandeld zijn en die op hun beurt ettelijke slachtoffers gemaakt hebben onder de bevolking bij de ‘bevrijding’ van Belgen? Of de afdeling die tien nauwelijks bewapende strijdmakkers verloor in 1994?
Wat kan zelfs een ceremoniële Belgische militaire aanwezigheid in Kongo anders oproepen bij een bevolking die jarenlang door Belgische militairen is onderdrukt in de koloniale periode, dan een diepgewortelde weerzin? Militaire hulp gebeurt onvermijdelijk steeds aan het regime dat aan de macht is, niet aan de oppositie en in Kongo is het regime uitsluitend gesteund op militaire macht. Er zijn verkiezingen geweest, maar wij weten dat ze niet of nauwelijks democratisch waren en wij moeten vaststellen en durven erkennen dat dergelijke verkiezingen geen garantie zijn voor een democratisch bewind of voor een democratische maatschappij. Wij mogen ons niet verbergen, zoals de Belgische regering doet, achter die verkiezingen. Wij moeten durven uitspreken wat iedereen weet, namelijk dat er in Afrika wellicht geen enkel land is dat ook maar enigszins het ideaal van de democratie benadert en dat Kongo in de rij van die ‘prille’ democratieën zeker niet op de eerste plaats staat.
Pieter De Crem, onze Crembo, flamboyant minister van Oorlog, onvermoeibaar wereldreiziger, lakei van de Amerikaanse oorlogsindustrie, christendemocraat en katholiek gelovige, is een gevaarlijke idioot. Hij is dat vooral omdat hij zich daarvan niet eens bewust is. Hij is overtuigd van zijn eigen gelijk, zoals ook Nixon dat was. Hij glorieert in zijn rol als pseudomilitair aanvoerder, would-be veldmaarschalk, condottiere, Führer van ons afgeslankt, jonger en daardoor nu zoveel performanter leger, een leger dat zich op zijn instigatie ver moet houden van vredesmissies en zich concentreren op zijn basistaken: vechten, tegenstanders doden, collateral dammage of niet. Onze F-16 toestellen bestoken in Afghanistan met de meest gesofisticeerde wapens een zootje ongeregeld, de Taliban, ‘religieuze vrijheidsstrijders’ bewapend met gestolen AK-47’s en ineen geknutselde bermbommen. Ook dit is een oorlog die we niet alleen niet kunnen winnen, maar ook, zoals in Vietnam, een onverantwoorde en ongeoorloofde inmenging in een land waar we niets te winnen hebben, maar veel te verliezen.
Wij hebben niets geleerd uit Vietnam of uit andere conflicten, niets.
Dat heeft ook Daniel Ellsberg zich gerealiseerd. Toen hij de Pentagon Papers verspreidde onder senatoren en volksvertegenwoordigers, gebeurde er absoluut niets. Pas toen hij naar de pers trok en Nixon zich als een razende op deze klokkenluider wierp, kwam er enige politieke reactie. Maar dat betekende nog niet dat iedereen de 7000 bladzijden plots ging lezen; dat Nixon niet herverkozen werd; dat men zich onmiddellijk uit Vietnam ging terugtrekken: dat heeft allemaal nog jaren geduurd en Ellsberg is moeten blijven vechten, ook later onder meer tegen de inval in Irak.
Het is goed dat we even blijven stilstaan bij de gebeurtenissen van toen en bij mensen die de geschiedenis eigenhandig hebben veranderd zoals Daniel Ellsberg. Als we zo iemand vergelijken met het onthutsend frivole militarisme van feldwebel Pieter De Crem, dan stijgt het diepe rood van de plaatsvervangende schaamte ons tot over de oren. Wat moeten we aanvangen met dergelijke gevaarlijke idioten? In een democratisch bestel hebben daartoe verscheidene mogelijkheden. We kunnen zelf de alarmbel laten rinkelen, zoals ik hier nu doe. We kunnen ook aan hem en aan de partij waarvan hij een zo prominente vertegenwoordiger is, op de gepaste manier denken bij de volgende verkiezingen. Of we kunnen weer het speldje gaan dragen met het gebroken geweer, het symbool van dienstweigeraars en tegenstanders van oorlog.
Oorlog is immers een misdaad tegen de mensheid.




















