als de graankorrel niet sterft

Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. (Joh 12,24)
35 Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ 36 Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. 37 En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders.38 God geeft daaraan de vorm die hij heeft vastgesteld, en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm. 39 Elk aards lichaam is anders; het lichaam van een mens is enig in zijn soort, dat van een dier eveneens, dat van een vogel ook, en ook dat van een vis. 40 Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. 41 De zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de sterren, en de sterren onderling verschillen ook in schittering. 42 Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, 43 wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. 44 Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam. 45 Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. 46 Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. 47 De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. 48 Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. 49 Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.
50 Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid. 51 Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen.53 Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. 54 En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen. 55 Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’ 56 De angel van de dood is de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de wet. 57 Maar laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft. (1 Kor 15, 35-57)
Deze teksten zijn ons welbekend, wij horen ze al ons hele leven lang. Het is de geliefde keuze van priesters en voorgangers bij begrafenissen. In hun homilie borduren ze verder op dit thema van de graankorrel, maar niet zelden gaan ze daarbij jammerlijk de mist in. Het is immers een gewaagde metafoor. Het voorbeeld dat men neemt om iets uit te leggen, te verduidelijken, past immers niet helemaal, men moet zich in allerlei bochten wringen. Dat is des te moeilijker met het beeld van de graankorrel, dat iedereen vertrouwd was in een hoofdzakelijk agrarische gemeenschap en nog steeds is in onze verstedelijkte maatschappij.
Laten we even stilstaan bij de tekst van Johannes:
Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. (Joh 12,24)
Dat een graankorrel moet gezaaid worden, in de aarde geplant, dat is duidelijk. Als je dat niet doet, dan blijft die korrel gewoon een korrel. Dat de korrel daarbij zou sterven, dat is een andere kwestie. Het lijkt vermetel om een zaadje aan de aarde toe te vertrouwen in de hoop dat er iets zal mee gebeuren, maar dit is in onze beschaving zo normaal dat niemand er nog bij stilstaat. Wij weten nu eenmaal dat je bloembollen en zaden onder de grond moet stoppen. Wij weten ook dat ze niet sterven, maar dat ze zullen ontkiemen wanneer de weersomstandigheden dat toelaten. Of men dat destijds, rond het begin van onze tijdrekening ook wist? Het is mogelijk dat Schriftgeleerden en filosofen daarover toen nog in het ongewisse waren, maar ik kan me niet voorstellen dat boeren en landmensen, tuinbouwers en plantenliefhebbers ook maar even zouden aarzelen: het graan sterft niet, de nieuwe scheuten komen niet uit het niets, maar uit de graankorrels die men in de grond heeft gestopt, je kan dat met het blote oog zonder enige moeite zien.
Het beeld dat de evangelist hier gebruikt, is dus niet perfect. Het is natuurlijk wel zo dat uit één korrel een nieuwe plant te voorschijn komt, die als alles goed gaat ook een aar zal ontwikkelen, waarin ettelijke graankorrels tot rijping zullen komen. Maar ook dat beeld past niet bij de bedoeling van de evangelist.
Dit is het vervolg van de tekst: 25 Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven.
Je moet dus eerst sterven, voor je het eeuwig leven kan verwerven. Dit is een zeer weerbarstige gedachte: het geloof in het hiernamaals als een eeuwig leven was geen gemeengoed onder de Joden en ook Jezus’ prediking heeft daarop slechts vaag gealludeerd. Velen interpreteerden zijn boodschap over het Rijk der Hemelen immers als een wereldlijk rijk, als een herstel van de autonomie van de Joden. Hoe dan ook, het beeld van de stervende graankorrel als garantie voor het eeuwig leven is slecht gekozen.
De context is deze: Jezus is triomfantelijk Jeruzalem binnengegaan. Zijn prediking is ten einde, nu komt de tijd van zijn lijden en dood. Hij vergelijkt zich met een graankorrel, die slechts vruchtbaar kan worden wanneer je die in de grond stopt. Als je een mens in de grond stopt, dan is dat omdat die dood is. Niet zo met een graankorrel en dat is waar de vergelijking mank loopt.
Jezus klampt zich niet vast aan het leven, hij weet dat hij moet sterven. Waarom, dat is op dit moment van het verhaal nog niet duidelijk en zijn toehoorders begrijpen dan ook niet wat hij zegt. Ook de apostelen weten niet wat er te gebeuren staat. Pas in de komende dagen zal Jezus hen in twee afscheidsreden alles toelichten (Joh 14-16).
Deze passage in Johannes, die niet voorkomt bij de andere evangelisten, is vaak het vertrekpunt voor de homilie bij begrafenissen. Zoals Christus is gestorven en glorieus verrezen, zo zal elke gelovige, op kracht van Jezus’ lijden en dood, eveneens verrijzen. Dit is inderdaad wat Paulus zegt (cf. infra) en wat de Kerk predikt. Jezus is voor ons gestorven, opdat wij het eeuwig leven zouden hebben. Ook wij moeten sterven, maar voor ons is dat niet het einde, wij zullen verrijzen zoals Jezus en met hem in de hemel zijn. Theologisch klopt dat, ook al begrijpen we niet goed hoe de smartelijke dood van één mens een zo formidabel gevolg kan hebben voor álle mensen ooit, voor en na Christus, waar ook ter wereld of in het universum. Zelfs als we aannemen dat Jezus ook echt God is, dan nog is zijn menselijk lijden en sterven voor hem slechts een overgang; hij lijdt misschien als mens, maar weet dat hij zal verrijzen en verheerlijkt worden na drie dagen. Dat valt dus nogal mee.
Als men in de homilie verwijst naar Christus, dan is dat een uitdagende opgave, maar toch theologisch te begrijpen, althans dat is wat men verwacht. Of men het gelooft, echt gelooft, is een andere zaak. Over het hiernamaals weten we immers niets en ook de Kerk geeft geen details. Vele gelovigen en de meest eerlijke priesters erkennen dan ook dat de leer van de Kerk over het eeuwig leven een mysterie is, waarover men slechts op zeer voorzichtige wijze kan spreken, zonder al te veel concrete zekerheden. Overdreven vrome priesters en gelovigen zullen op een bijna fanatieke manier de absolute zekerheid van het hiernamaals afschilderen in de meest realistische beelden: Christus die ons staat op te wachten met open armen, Maria die ons ten hemel begeleidt, de koren van de engelen die onze opgang zingend begeleiden. Dat is het eeuwig leven als een glorievolle verheerlijking, de bekroning van ons mens-zijn. In vergelijking daarmee is ons aardse leven totaal onbetekenend.
Indien men, zoals vaak gebeurt, de beeldspraak van het stervende graan hanteert en uitdiept, dan loopt dat gegarandeerd faliekant af. Wij weten dat de graankorrel niet sterft. Dat staat immers op een andere plaats in de Bijbel, in de gelijkenis van de zaaier:
‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen. 6 Toen de zon opkwam verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed. 8 Maar er viel ook wat zaad in goede grond, en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. (Matteüs 13, 3-8)
Het zaad sterft niet, zelfs niet als het op de rots valt: het is daar alleen maar onvruchtbaar. Zelfs in slechte grond schiet het zaad op. Maar enkel in goede grond kan het wortel schieten, overleven en vrucht dragen.
Zaad bewaart goed, maar niet erg lang. De voorraad energie in een graankorrel is zeer beperkt. Zelfs onder de meest gunstige natuurlijke omstandigheden kunnen zaden niet langer dan enkele jaren bewaard worden. Daarna zijn ze onherroepelijk verloren en verdord. Het verhaal over graankorrels uit de Egyptische piramiden die na drieduizend jaar nog ontkiemen, is een mythe, nep. Je kan zaden enkel langdurig bewaren door ze in te vriezen. In een diepe grot ergens in Noorden van Europa bewaart men de diepgevroren zaden van duizenden planten. Als zaadkorrels sterven, dan zijn ze definitief dood; er is voor hen, net zoals voor de mens, geen wederopstanding voorzien. Het Bijbels beeld van de gestorven graankorrel die duizendvoudig vruchten voortbrengt klopt niet. Enkel levende granen doen dat.
Het is dus vrijwel zinloos om bij de dood van een mens te verwijzen naar de stervende graankorrel: de vergelijking loopt al te mank. Het voortplantingsproces van de mens en dat van het graan lopen parallel, maar niet zoals de Bijbel het zegt. Het is de korenplant die afsterft wanneer het graan rijp is, wanneer de zaden tot volle ontwikkeling gekomen zijn, klaar om geoogst te worden als voedsel, maar gedeeltelijk ook als zaaigraan voor nieuwe planten. Zo sterft ook de mens wanneer zijn tijd gekomen is, omdat hij oud is of omdat ziekte of ongeluk hem treft. Wij mensen planten ons voort door als man en vrouw onze essentiële kenmerken te verenigen en kinderen voort te brengen die op ons lijken. Wij sterven niet bij het voortplantingsproces, zoals het graan en sommige diersoorten. Wij blijven in leven, soms overleven we zelfs onze kinderen.
Dat een mens moet sterven om eeuwig te leven heeft alleen in theologische zin enige betekenis. Elke vergelijking met het graan, dat niet sterft, is misleidend. Het is een ongepaste tekst bij een begrafenis.
Dat kan men van de passage uit de eerste Korintiërsbrief van Paulus niet zeggen. Het is immers een antwoord op een concrete vraag van de gelovigen aldaar: wat moeten wij ons voorstellen bij het eeuwig leven? Wat gebeurt er met ons lichaam? Men zag immers met eigen ogen dat het lichaam afsterft en wegrot of verbrand wordt. Hoe zullen wij dan zijn in het hiernamaals? Zonder lichaam?
Het is goed ook hier de context nog eens na te lezen.
1 Broeders en zusters, ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat u ook hebt aangenomen, dat uw fundament is 2 en uw redding, als u tenminste vasthoudt aan de boodschap die ik u verkondigd heb. Anders bent u tevergeefs tot geloof gekomen. 3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7 Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. 8 Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was. 9 Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. 10 Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben. En zijn genade is bij mij niet zonder uitwerking gebleven. Integendeel, ik heb harder gezwoegd dan alle andere apostelen, niet op eigen kracht maar dankzij Gods genade. 11 Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap, en door die boodschap bent u tot geloof gekomen.
12 Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? 13 Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; 14 en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos. 15 Dan blijkt dat wij als getuigen van God over hem hebben gelogen, omdat we verklaard hebben dat hij Christus heeft opgewekt – want als er geen doden worden opgewekt, dan kan hij dat niet hebben gedaan. 16 Wanneer de doden niet worden opgewekt, is ook Christus niet opgewekt. 17 Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden 18 en worden de doden die Christus toebehoren niet gered. 19 Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.
20 Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen. 21 Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. 22 Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt. 23 Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren. 24 En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft. 25 Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. 26 De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood,27 want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. 28 En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.
29 Wat denken zij die zich voor de doden laten dopen te bereiken? Als de doden toch niet worden opgewekt, waarom zouden zij zich dan voor hen laten dopen? 30 En waarom zouden wij ons voortdurend aan gevaren blootstellen? 31 Elke dag sterf ik opnieuw, broeders en zusters, zo waar als ik dankzij Christus Jezus, onze Heer, trots op u kan zijn.32 In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben bereikt als ik geen hoop had? Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’ 33 Maar vergis u niet: slecht gezelschap bederft goede zeden. 34 Kom tot bezinning, zoals het u betaamt, en zondig niet langer. Sommigen van u hebben geen enkele kennis van God. U moest u schamen. (1 Kor 15, 1-34)
Daarop volgt dan de tekst die ik aan het begin citeerde.
Ook Paulus heeft het moeilijk met de beeldspraak van de stervende graankorrel. Hij is zelf een dwaas, als hij niet weet dat wat je zaait helemaal niet moet en zelfs niet mag sterven, als je wil dat het overleeft. Wat hij vertelt over de planten en de dieren en de hemellichamen heeft helemaal niets te maken met wat erop volgt, want enkel de mens zal verrijzen.
Bij die verrijzenis zullen wij niet met ons aardse lichaam opstaan, maar met een geestelijk lichaam. Er is veel gediscuteerd over deze tekst. In de Vulgaattekst staat: ‘Si est corpus animale, est et spirituale’; in de Griekse tekst is dat respectievelijk ‘psychikon’ en ‘pneumatikon’. De Vulgaattekst, waarop ook de Nieuwe Bijbelvertaling gebaseerd is, spreekt niet van een ziel. De tekst van de Canisiusvertaling doet dat wel, maar heeft dan een lange voetnoot nodig om uit te leggen dat de ziel datgene is wat ons aards en sterfelijk lichaam verbindt met ons verheerlijkt lichaam; de ziel is immers in beide aanwezig. Als wij niet met ons (aardse) lichaam zullen verrijzen, maar met een niet nader bepaald verheerlijkt lichaam, dat in feite geen enkele band meer heeft met het aardse, dan wordt die verrijzenis niet alleen erg onduidelijk en effenaf mysterieus, zeker voor de gewone man, maar ook heel wat minder aantrekkelijk.
Paulus legt hier en elders sterk de nadruk op het feit dat wij het hiernamaals niet moeten zien als een grote slemppartij of een orgie: al onze aardse geneugten en onze zondige begeerten zullen daar verdwenen zijn, we worden ongeveer zoals de engelen en die hebben niet eens een geslacht…
De Kerk heeft steeds de grootste moeite gehad met het overbrengen van de kern van haar boodschap, namelijk dat er na dit leven nog iets anders is. Aanvankelijk was dat dé grote trekpleister en de reden van het succes van de prediking. Als je in onzekere tijden aan de mensen kunt beloven en garanderen dat er na de dood een heerlijk leven is, een genieten zonder einde, het opperste geluk, dan is dat niet niks.
Maar zoals het toen was en nu niet minder: hoe leg je dat uit? Welke bewijzen heb je? Hoe kan je de argwanende mens zekerheid geven? Paulus heeft geen andere boodschap dan: geloof wat ik jullie zeg. En waarom? Omdat hij het heeft gehoord van de apostelen, die het gehoord hebben van Jezus zelf. Omdat Jezus zelf ook verrezen is, als eerste, als voorbeeld: zie je wel dat het kan? En hoe weten we dat hij verrezen is? Van de apostelen en de vrouwen bij het graf. En van Jezus zelf, die verschenen is. En hoe weten we dat? Omdat... enzovoort.
Als je vandaag met een dergelijk verhaal afkomt, verklaart men je gek. Vandaar dat verstandige kerkleiders en priesters zich nu ver houden van concrete uitspraken en beloften. Ze benadrukken vooral het mysterieuze karakter van het hiernamaals en de onsterfelijkheid. Over de hel en het vagevuur spreken ze helemaal niet meer. Kardinaal Danneels zei altijd, wanneer men hem daarover vragen stelde: we weten er niets over; het zal ons duidelijk worden als het zover is; we kunnen er alleen op hopen; het is een gefundeerde hoop, het is zelfs een geloven, omwille van Christus’ boodschap.
Vandaag beseffen steeds meer mensen dat die boodschap zeer veel geloof vraagt, meer dan men bereid is op te brengen. De teksten die ons zijn overgeleverd zijn van een erg bedenkelijke kwaliteit. De samenstelling ervan is suspect. De vroegste geschreven bronnen dateren van meer dan twee- tot driehonderd jaar na de ‘feiten’. Er zijn geen historische bronnen voor zelfs de meest elementaire gegevens uit het Evangelie: de figuur van Jezus of Maria, de apostelen, laat staan voor de vele wonderen en de verrijzenis zelf. De christenen zijn het grondig oneens over de interpretatie van de basisteksten en zijn verdeeld in talrijke onverzoenbare kerken. De katholieke leer die in de loop van de tijden opgebouwd is, heeft in de meeste gevallen meer te maken met de wereldlijke macht van het kerkelijk instituut dan met de boodschap van Christus. Het bestaan van andere, niet-christelijke wereldgodsdiensten is een uitdaging voor de uniciteit en de reddende waarheid van het christendom.
Bij elke begrafenis probeert de Kerk wanhopig en krampachtig de Blijde Boodschap in de verf te zetten: er is leven na de dood, een wonderbaarlijk, heerlijk leven. Er is geen reden tot droefheid: de overledene gaat het eeuwig leven tegemoet en wacht daar op ons.
De realiteit is anders. Wij zijn bedroefd omdat we een geliefde moeten missen. De vage beloften overtuigen ons niet en bieden niet de minste troost, integendeel, ze komen als onwerkelijk, ongeloofwaardig en zelfs misplaatst en belachelijk over.
Wij willen dat onze droefheid ernstig wordt genomen, dat wij mogen rouwen, dat we onze liefde voor de overleden geliefde mogen trouw zijn en dus mogen lijden en afzien bij het verlies, elk op zijn of haar manier, tot de tijd de wonden enigszins heelt. Wij weten dat wij mensen zijn, aardse wezens, verbonden met het leven op deze aarde en beperkt in onze levensloop, zoals alle individueel leven op aarde. Waarom zou de mens de uitzondering zijn? Het religieus geloof is voor de mens een te zwakke basis voor de onmogelijke veronderstelling van de onsterfelijkheid.
Maar zelfs als wij niet alle geloof in een of andere vorm van overleven hebben opgegeven, dan nog zien wij daarin geen reden om ons leven hier op aarde te beschouwen als slechts een korte aanloop naar het eeuwig leven. Wij zijn realisten, we houden er rekening mee dat er niets anders is, dat dit leven onze enige kans is. We willen van dit leven het beste maken, want we hebben weinig redenen om aan te nemen dat er nog iets anders is.
Het moet mogelijk zijn, denk ik bij elke kerkelijke begrafenis, om ook vanuit de Kerk meer zinvolle dingen te zeggen over het leven en de dood dan de manke vergelijkingen en ongegronde en troosteloze fantasieën over het hiernamaals. Om te spreken over het leven dat voorbij is en wat de overledene heeft betekend voor de anderen en voor de wereld, zoals familieleden doen in de voorbeden. Om te peilen naar zijn diepste gedachten, veeleer dan naar zijn vroomheid of zijn trouw kerkbezoek en gebed. Om daarin misschien echte troost te vinden voor de overlevenden, de nabestaanden, namelijk dat ons leven zich hier afspeelt, met elkaar en in de wereld; dat wij wel degelijk allemaal moeten sterven, dat niets normaler is dan dat, dat niemand eraan ontsnapt en dat er dus geen reden is om daarover bedroefd te zijn; dat we enkel mogen wensen dat de dood niet te vroeg komt en dat ze niet te pijnlijk zal zijn, dat onze doodsstrijd en ons lijden niet onnodig zal gerekt worden omwille van zinloze kerkelijke en dus menselijke voorschriften. Laten we de dood ernstig nemen en ze niet minimaliseren of ontkennen in het licht van een lichtzinnig geloof in een eindeloos hiernamaals.
Wij mensen zijn precies als de levende graankorrel: geboren uit mensen, groeiend tot volle wasdom, in staat om op onze beurt mensen tot leven te brengen en in hen iets van onszelf voort te zetten, elke dag levend in het besef dat we zullen sterven, vroeg of laat, voorgoed.



















