als we dood zijn is 't gedaan - Willem Elsschot


Een van de kernvragen van de filosofie, door alle eeuwen heen, is deze: is er een louter geestelijke realiteit? Men kan dit nog op vele andere manieren formuleren, maar het komt toch op deze grondvraag terug: is er iets dat kan bestaan, los van de materie? Men kan ook blijven discussiëren over deze woorden of andere die men gebruikt: wat is bestaan, materie, geestelijk &c. Maar men ontkomt niet aan de noodzaak om een antwoord te geven op de vraag die zich bij elke filosofische discussie zal stellen: is er een realiteit die de materie overstijgt.
Het antwoord dat de mensheid, meestal bij monde van haar filosofen, theologen en kunstenaars daarop heeft gegeven, was gedurende vele eeuwen bijna uitsluitend positief, zonder ook maar de minste aarzeling. Zelfs met de Verlichting, wanneer de mens zich stilaan bevrijdt van autoritaire bevoogding en zelf onbevangen gaat zoeken naar de waarheid, was men nog niet eens toe aan enige ernstige twijfel over het bestaan van geesten, engelen en duivels en God, natuurlijk, en een ‘geestelijk’ voortbestaan van de ziel van de mens na de dood. En dit is heel lang zo gebleven. Ook vandaag nog zijn mensen die stellen dat er niets anders is dan materie – nog een manier om hetzelfde te zeggen – weinig talrijk en niet echt populair.
Nochtans hebben de voorstanders van een geestelijk bestaan weinig argumenten en hebben dat steeds minder met het voortschrijden van de wetenschap. Weinigen zullen nu nog enig geloof hechten aan het bestaan van boze en goede geesten, van mirakels en andere directe goddelijke tussenkomsten hier op aarde. Wij begrijpen de wereld steeds beter in al zijn facetten en hoewel we weten dat er nog meer is dat we niet weten, toch zijn we ervan overtuigd, van langsom meer, dat alles kan uitgelegd worden door het bestuderen van de materie. We zoeken de verklaringen voor alles in de wetmatigheden van alles zelf, niet meer in andere dimensies, in onverklaarbare invloeden van ‘buitenaf’, bijvoorbeeld een wraaklustige en bestraffende God.
Bovendien heeft nog nooit iemand ook maar enigszins of bij benadering kunnen aantonen dat er iets is dat enkel kan verklaard worden door een beroep te doen op iets dat buiten ons begrip valt, of dat er iets bestaat dat los staat van alle materie. Ook de ‘godsbewijzen’ kunnen zonder meer teruggeleid worden tot kringredeneringen: ze bewijzen slechts waar ze al van uitgaan.
Als we de veronderstelling dat er niets bestaat buiten de materie tot het uiterste doortrekken, als we van die benadering een regel maken, een wet, ja, dé natuurwet, dan heeft dat allerlei consequenties en het zijn vaak die conclusies die we niet willen of durven of kunnen trekken, ook al wijst alles erop dat onze basisregel onvermijdelijk is. Dit leidt tot de paradox dat alle wetenschappers, op enkele zonderlinge uitzonderingen na, ten minste impliciet overtuigd zijn van de regel dat er niets anders is dan materie, en dat de mensheid grotendeels die zelfde mening toegedaan is, zoals ten overvloede blijkt uit al wat we doen, maar dat anderzijds nog heel veel mensen aarzelen om dat ook expliciet toe te geven. Er zijn tijden geweest dat men precies daarvoor op de brandstapel eindigde. Nog niet zo lang geleden was ‘goddeloos’ een scheldwoord en stond atheïsme gelijk met morele verdorvenheid.
Even een etymologische uitstap over impliciet en expliciet, een geleerd duo dat jonge mensen in het secundair onderwijs vaak voor het eerst voorgeschoteld krijgen en niet gemakkelijk verteren. Laten we beginnen met expliciet. De basis is het Latijnse werkwoord explicare en dat heeft vele betekenissen, die alle te maken hebben, letterlijk of figuurlijk, met ontvouwen, uitspreiden, ontplooien, ontwarren, verduidelijken, uiteenzetten, uitleggen. Expliciet betekent dus: klaar en duidelijk. Het tegenovergestelde is impliciet en dat is dan iets dat duister en onduidelijk is, dat wel aanwezig is maar tevens verborgen blijft, dat niet uitgesproken wordt, iets waarvoor men niet openlijk uitkomt, iets dat inbegrepen, verondersteld is zonder dat het nadrukkelijk (of expliciet) vermeld wordt. Expliciteren is dan iets impliciets wél uitdrukkelijk vermelden, impliciteren betekent meestal iets meenemen in de redenering zonder het te vermelden. (Impliceren komt van een ander Latijns werkwoord implicare en betekent iets of iemand ergens bij betrekken.)
Er is dus een tegenstelling tussen wat men doet, zowel in de wetenschap als in de dagelijkse omgang en wat men antwoordt op de vraag: is er nog iets buiten de materie? Bestaat God? Is er een hiernamaals? Men kan moeilijk ontkennen dat de mensheid zich gedraagt alsof het antwoord op die vragen telkens negatief is. En toch aarzelt men. In een televisie-interview antwoordde de rector van de Katholieke Universiteit Leuven, een theoloog, op de vraag: Darwin of Benedictus? spontaan: Darwin! Nochtans zal diezelfde persoon op de vraag: bestaat God? zeker even overtuigd positief antwoorden. Vreemd, toch?
Er zijn geen twijfels meer mogelijk, de wetenschap heeft onomstotelijk vastgesteld dat alle menselijke activiteit, ook het bewustzijn, onverbrekelijk lichamelijk is. Onze gedachten en emoties zijn activiteiten die zich grotendeels in onze hersenen afspelen. Zonder die actieve hersenen en een lichaam dat ze onderhoudt, zijn er geen gedachten of emoties, is er geen zelfbewustzijn. Er is niet ‘iets’ dat men bijvoorbeeld de ziel zou kunnen noemen. Er is niets in de mens dat kan bestaan zonder of los van zijn lichaam. Die hersenen zijn immers geen lege doos, geen louter middel, vehikel, instrument, iets dat zelf onveranderd in staat zou zijn tot de onbeschrijflijk weidse veelheid en verscheidenheid van onze ‘geestelijke’ activiteiten. Onze gedachten zijn, indien we ooit zo ver zouden (willen) geraken in de neuro-wetenschappen, steeds singulier en aanwijsbaar, er zijn fysieke verschillen tussen de ene gedachte en de andere, het zijn gebeurtenissen in de verbijsterende en aan absolute chaos grenzende complexiteit van ons brein.
Filosofen, ook Ludwig Heyde, zie mijn bespreking van zijn boek gisteren, wijzen er vaak op dat men de hersenen niet mag verwarren met de gedachten &c. die ze ‘voortbrengen’. Men wijst dan op het verschil tussen een voldoende en een noodzakelijke voorwaarde: de hersenen zijn evident wel de conditio sine qua non voor de gedachten, maar even evident niet de voldoende voorwaarden voor de gedachten, wat al bewezen is door de zogenaamde hersendood, waarbij de hersenen nog wel bestaan, maar geen (registreerbare) activiteit meer ontplooien; dan zijn er wel hersenen, maar geen gedachten. Er moeten dus nog andere voorwaarden vervuld zijn dan enkel de aanwezigheid van hersenen, zegt men dan en dat mysterieuze en altijd impliciete andere, dat zou dan de ‘geestelijke dimensie’ van de mens zijn, zijn ziel, zijn ego, zijn zelfbewustzijn. Wat die andere voorwaarden zijn, daarover blijft men steeds vaag en doet men steeds een beroep op geloof, overtuiging en het aanvaarden van mysterieuze dimensies van ons mens-zijn.
Merkwaardig hoe zelfs verstandige mensen met zo’n eigenaardige redeneringen kunnen voor de dag komen. Als we aannemen dat er geen ‘geestelijke’ activiteit is zonder de hersenen, dan is daarmee toch alles gezegd? De (actieve) hersenen zijn de noodzakelijke voorwaarde voor geestelijke activiteit; de gedachten die ze ‘doen’ zijn enkel mogelijk ‘in’ de hersenen. Het zijn uiterst complexe fysieke, chemische en elektromagnetische verschijnselen van het brein. Neem de hersenen weg en dat is meteen het einde van de persoon. De gedachten vallen wel degelijk integraal samen met hun fysieke activiteit. Er is natuurlijk een belangrijk verschil in de beleving en de waarneming: wellicht en misschien zelfs hopelijk zullen we nooit in staat zijn om met een toestel iemands gedachten te lezen (al hebben we nu al toestellen die we met onze gedachten kunnen besturen!) en zelfs als we dat zouden kunnen, dan nog zullen we die gedachten anders ‘lezen’ dan ze voor de persoon zelf aanwezig zijn, omdat ze daar ingebed zijn in de wirwar van geheugen, ervaring, begaafdheid &c. die van elke mens een uniek verschijnsel maken. Maar het is een fundamentele en overbodige dwaling om te veronderstellen dat de mens zelfs in zijn gedachten zou kunnen loskomen van zijn lichaam.
Dergelijke opvatting getuigt van een vrijwel onuitroeibaar dualisme, een gespletenheid die meer kwaad dan goed doet, zelfs als hypothese of benaderingswijze ter verduidelijking, als metafoor. Dat is het gevaar van Plato’s grot en van de noumenale wereld van Kant en van elke religie: men neemt zijn wensen voor werkelijkheid, men hecht geloof aan de voorstelling, de afbeelding, het symbool en vergeet daarbij dat het om symbolen gaat, die geen eigen realiteit hebben, die slechts verwijzen naar een werkelijkheid die zonder die beelden niet te vatten is.
Poëzie is belangrijk, godsdienst eventueel ook, maar dan niet als de ultieme verklaring van de mens en de dingen, maar als een benaderingswijze, een levensopvatting, een subtiel omgaan met de rijke complexiteit van het leven, een overlevingsstrategie, een manier van in de wereld te zijn.
Tot het bewijs van het tegendeel gaan we, dat wil zeggen ikzelf en in de praktijk en impliciet ook omzeggens alle medemensen, zelfs de meest fundamentalistisch religieuze, er daarom van uit, zoals we ook doen in de wetenschap, de techniek, de geneeskunde en in de dagelijkse omgang, dat onze wereld verstaanbaar is, in de mate dat wij hem al verstaan, zonder dat we een beroep moeten doen op geesten, op iets dat enkel een geestelijke en dus geen enkele materiële realiteit heeft. Ook een cretionist zal niet aanvaarden dat zijn bankier hem op een dag komt vertellen dat God of de duivel zijn bankrekening heeft geplunderd.
Vanzelfsprekend betekent dat niet dat er niets geestelijks zou zijn: er is wel degelijk een verschil tussen het bewustzijn van een gedachte en haar fysische realiteit in de hersenen, maar het is een verschil van waarneming, van waarnemer, van ervaring, het is een ander aspect, een ander gezichtspunt van één en dezelfde realiteit. Wij spreken over moraal, spijt, liefde, heimwee, misdaad, straf en ontelbaar veel andere begrippen waarvan we de (algemene) betekenis begrijpen, ook al ‘bestaan’ die begrippen niet in de materiële wereld als afzonderlijke en waarneembare ‘dingen’. Ze bestaan voor ons omdat we ze denken en ze zijn reëel omdat ze bruikbaar zijn in de werkelijkheid, omdat ze iets belangrijks uitdrukken over die werkelijkheid. Indien er echter geen enkel ‘brein’ zou zijn om ze te denken, dan zouden ze niet bestaan. Er is (voorlopig) geen moraal in een zwart gat of een verre nevelsluier.
En dan de consequenties…
Zeker in de traditionele westerse godsdiensten van joden, christenen en moslims overstijgt God noodzakelijk de fysieke realiteit: hij is niet materieel en zijn bestaan is evenmin afhankelijk van de gedachten van de mens. Dat botst frontaal met onze opvatting dat er niets kan zijn zonder materiële basis.
Een persoonlijk voortbestaan van de individuele mens is niet echt duidelijk aanwezig in het Joodse ‘geloof’, maar het is wel de sluitsteen en de basis van het christendom en de islam. Wij weten anderzijds dat elke persoon lichamelijk uiteindelijk volledig verdwijnt. Als er dus een voortbestaan is, dan moet dat noodzakelijker wijze een ‘geestelijk’ voortbestaan zijn en dat is ook wat die en andere godsdiensten zeggen. Ook dat is in flagrante tegenspraak met onze stelregel over de materie en het bestaan.
Wij zouden kunnen verder gaan en onderzoeken welke andere veronderstellingen, bijvoorbeeld uit de moraal, gebaseerd zijn op het aanvaarden van een louter geestelijke realiteit. Men zou ook kunnen onderzoeken waarom de mens, eens hij tot de eigenlijk erg eenvoudige vaststelling is gekomen over de materie, toch nog vasthoudt aan allerlei onrealistische veronderstellingen. Het lijkt me echter interessanter en belangrijker om daarentegen aandacht te besteden aan wat de pluspunten zouden kunnen zijn van het expliciet aanvaarden van de basisregel van het naakte bestaan.
Voor elke godsdienst zijn er twee mysteries, onverklaarbare maar onmiskenbare en onvermijdelijke vaststellingen: het lijden en de dood. Het zijn echter alleen maar cruces interpretum, kruisen voor de verklaarders, voor wie redeneert vanuit een godsdienstige overtuiging, vanuit een geloof. Wie aanvaardt dat de materie alles is, dat de mens ‘slechts’ materie is, weet meteen dat met het afsterven van het menselijk lichaam ook een definitief einde komt aan het bestaan de persoon. De godsdienst ontkent dat en stelt daar tegenover dat pas dan het echte leven begint, onbelast door de materie.
Daarmee is echter de dood niet ‘opgelost’: christenen blijven het evengoed moeilijk hebben met het afsterven van een geliefde als atheïsten. Het belangrijkste verschil ligt mijns inziens hierin, dat de atheïst eerlijker is met zichzelf en met zijn medemensen; hij hoeft niet te doen alsof de dood niets is, alsof de overledene naar een beter leven gaat, alsof hij bevrijd is van al de aardse lasten om nu voor eeuwig gelukkig te zijn; hij kan daarentegen toegeven dat enkel het onvermijdelijke gebeurd is; hij rouwt evengoed om het gemis, de leegte die de andere achterlaat; hij weent om de onvolkomenheid van het te vroeg afgebroken leven. Het komt mij althans voor dat het besef van onze intrinsieke en definitieve sterfelijkheid het mogelijk maakt de eigen dood en die van anderen zuiverder onder ogen te zien, dan wanneer er een perspectief is van onsterfelijkheid, waarbij een essentieel kenmerk van alle leven, namelijk dat het aan zijn einde komt, ontkend wordt.
Evenzo voor het lijden. Het ongeluk treft de goeden en de kwaden in gelijke mate en hoewel het individuele leed niet kan afgemeten worden, weegt het toch niet minder op de ongelovige dan op wie vertrouwt op God en het hiernamaals. Maar ook hier kan men troost putten uit het aanvaarden van wat eigen en gemeen is aan alle leven: het is onvolmaakt, lijden is onvermijdelijk en alom aanwezig. De wereld is niet de hel die we doormoeten om de hemelse zaligheid te bereiken, indien we die althans hier zouden verdiend hebben. De wereld is enkel in vergelijking met een hypothetische hemel een tranendal; neem het valse perspectief van de onsterfelijkheid weg, van een eeuwige zaligheid en de aarde is dan wat ze is, met pokken en al, het lijden is geen straf, geen beproeving, geen test, geen opgave, geen wedstrijd, het is gewoon het leven, fascinerend in al zijn tijdelijke glorie en machteloze ontgoochelingen.
Althans één direct voordeel van deze opvatting is meteen duidelijk: de dader van een terroristische zelfmoordaanslag kan zich voor die letterlijk on-menselijke daad niet meer laten motiveren door of beroepen op de rijke beloning die hem in het hiernamaals te wachten staat, althans in een extreem cynische interpretatie van wat men nog amper een godsdienst kan noemen. Hij is dan van bij de planning geconfronteerd met de onmiddellijke gevolgen van zijn vernietiging van zijn eigen leven en dat van onschuldige anderen, de futiliteit van zijn daad in de geschiedenis en zelfs in de directe politieke context. Dan blijkt de diepe uitzichtloze wanhoop die uiteindelijk als enig mogelijke ‘verklaring’ kan aanvaard worden voor alle zinloos geweld, of het nu opgesmukt is met verzen uit heilige boeken of niet.
Onlangs stierf een jonge politieagente bij het beantwoorden van een oproep over een wagendiefstal; ze werd brutaal vermoord door de betrapte daders van een car-jacking. Woorden schieten daarbij tekort en vele van de commentaren en toespraken hebben dit uitvoerig geïllustreerd in hun banale onbeholpenheid. Wat maakt het uit dat ze een jonge vrouw was, net afgestudeerd, zeer toegewijd, voorzichtig, attent voor haar ouders, vriendelijk voor haar collega’s, of dat ze op voorbeeldige wijze haar maatschappelijke verantwoordelijkheid had ogenomen, vooreerst door te kiezen voor haar niet ongevaarlijk beroep en vervolgens en uiteindelijk door zich niet te onttrekken aan het manifeste gevaar van een risicovolle interventie waarbij gruwelijk geweld zonder aarzeling gebruikt wordt door enkele medemensen die alle normen ver achter zich hebben gelaten? Zeker, deze en andere dingen horen gezegd te worden, maar ze maken haar lot niet draaglijker, noch vermogen ze het leed te verlichten van haar ouders en nabestaanden en van haar collega’s. Na haar dood staat haar geen beter leven te wachten om wat haar hier is overkomen, om iets dat ze hier heeft gedaan of nagelaten. Haar dood wordt er niet mooier om.
De dood is voor allen gelijk, voor de daders en de slachtoffers, voor de dapperen en de lafaards, voor arm en rijk, jong en oud. Als we dat kunnen inzien, dan hebben we een stap gezet in de richting van het onvoorwaardelijk aanvaarden van het leven zoals het is. Daaruit volgt geen domme berusting, geen simplistische ontkenning van het leed. Het is niet zoals Epicurus zegt: de dood is niets, want als wij er zijn, dan is de dood er niet, en als de dood er is, zijn wij er niet. Neen, het lijden en de dood zijn het leven zelf, als de weg en het einddoel van alle leven. De dood loert om elke hoek, vrijwel al onze activiteiten zijn een ontwijken en voorkomen van lijden en dood of een instandhouding van het leven, dat van ons en dat van anderen. Elke dag kent meer pijn en onvrede dan beate gelukzaligheid en dan spreken we nog niet over de grote meerderheid van de mensheid, die overleeft in omstandigheden waarin wij als meegesleept in een genadeloze wervelstorm snel en onmachtig zouden ten onder gaan.
De dood is onze reisgezel, het lijden onze schaduw die we nooit kunnen afschudden, die ons op de voet volgt of voor ons uitgaat zonder dat we hem ooit kunnen inhalen; samen behoren ze tot ons natuurlijk milieu, onze habitat. Daarvoor is er geen excuus, geen vergoelijking, noch is er een voor nodig: het is zoals het is en hoewel we niet anders kunnen dan ijveren om het lot van zoveel mensen als mogelijk zo goed mogelijk te maken, toch weten we dat ons pad niet over rozen gaat en dat onze dagen geteld zijn. Wij stappen allen mee in de echte dodentocht, waarbij niemand levend de eindmeet haalt.
Dit leven is al dat we hebben, onze enige kans, daarna is het aan anderen, onze kinderen en die van anderen om het ook te proberen. Maar hoe we ook proberen om de last voor hen te verlichten, om hen voor te bereiden op wat hen te wachten staat, om hun onderweg proviand, geld of troost te bieden of hen zelfs op onze gekromde rug voort te slepen: niemand ontsnapt aan het leed, niemand ontwijkt de dood, de laatste stap, de laatste ademtocht. En daarna is het voor ons gedaan, zoals Elsschot zegt in het gedicht ‘Spijt’ uit 1934, dat ik hieronder afdruk, omdat het niet meteen op het het web te vinden is.
Spijt
Dat in gemelijke grillen
ik mijn dagen kon verspillen,
dat ik haar voorbijgegaan
of een steen daar had gestaan,
dat ik heel mijn zondig leven
heb gekregen zonder geven,
dat mij alles heeft gesmaakt,
dat ik niets heb uitgebraakt,
dat ik niet kan herbeginnen
haar te dienen, haar te minnen,
dat zij heen is en voorbij,
bitter, bitter grieft het mij.
Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vlees zat er nog aan.
Priesters zalven en beloven,
maar ik kan het niet geloven.
Neen, er is geen wenden aan:
als wij dood zijn is ’t gedaan.
Ja, gedaan. Wat helpt mijn klagen?
Wat mijn roepen, wat mijn vragen?
Wat ik bulder, wat ik zweer?
De echo zendt mij alles weer.
Gij die later wordt geboren,
wilt naar wijze woorden horen:
pakt die beide handen beet,
dient het wijf dat moeder heet.
Willem Elsschot, 1934




















