Mag alles?


Als iedereen een eigen mening mag hebben en die ook verkondigen, betekent dat dan dat alle meningen evenwaardig zijn? Vanzelfsprekend niet. De vrijheid van meningsuiting is eigenlijk een verbod, een negatieve waarde: men zal de vrijheid van mening niet onderdrukken. Dat is de boodschap, maar die zegt niets over de respectieve waarde van elke mening. Er wordt enkel gesteld dat in een samenleving het onderdrukken van meningen verkeerd is. Het is evident dat racisme verkeerd is, maar men kan iemand niet veroordelen op basis van zijn racistische overtuigingen, doch enkel op grond van het ‘aanzetten tot rassenhaat’ of wanneer iemand op racistische gronden mensen discrimineert.
In een democratie moet men toelaten dat iedereen denkt wat hij of zij denkt en zegt en schrijft, ook als dat ideeën zijn die niet met de waarheid, de moraal of de welvoeglijkheid stroken. Een dief zal menen dat diefstal mag, een overspelige vindt overspel toegelaten enzovoort. In een democratie mag dat, ik bedoel: zij mogen dat denken en zelfs zeggen en schrijven. We kunnen en mogen nu eenmaal geen ideeënpolitie op de been brengen.
Maar in een democratie zijn er wel wetten die sommige activiteiten verbieden, verbodsregels die we afspreken in onderling overleg. Diefstal behoort daartoe, omdat het toelaten van diefstal tot chaos leidt. Geweld evenzo.
Maar wat met overspel bijvoorbeeld? Vroeger was dat bij wet verboden en strafbaar. Is dat nog zo? In 1987 werd overspel in België als misdrijf afgeschaft, in 2007 werd overspel als grond voor echtscheiding uit het wetboek geschrapt. Het feit van een seksuele verhouding te hebben met een andere persoon dan de echtgenoot is op zichzelf dus niet meer strafbaar, tenzij in enkele zeer specifieke gevallen: minderjarigen, de eigen kinderen of die van de partner. In sommige landen is incest tussen volwassenen, bijvoorbeeld broer en zus, nog steeds verboden bij wet; overtreders kunnen in de gevangenis belanden, hun kinderen kunnen hen ontnomen worden.
Als we aannemen dat de maatschappij bepaalde handelingen kan verbieden, zoals diefstal, moeten we dan ook aanvaarden dat ze incest kan verbieden, ook een huwelijk tussen een broer en zus die bij de geboorte gescheiden werden? Wij moeten ons telkens afvragen op welke gronden dit zou kunnen gebeuren. Iets is niet verboden omdat het altijd al zo geweest is, of omdat een godsdienst het zegt. Wij moeten zelf nadenken over wat mag en wat niet.
Voor de godsdienstige moraal is het eenvoudig: de kerk verbiedt het en beroept zich daarbij op een goddelijk verbod, vermeld in een heilige Schrift, of op de interpretatie daarvan, of op een traditie, gestaafd door teksten van heiligen en belangrijke theologen en vastgelegd in kerkelijke documenten met dwingende kracht. Dat kan ook de vorm aannemen van een beroep op de menselijke natuur, zoals de kerk die interpreteert.
Voor de ongelovige heeft dat geen bindende kracht, aangezien hij of zij niet aanvaardt dat er een goddelijke openbaring is waarop de kerk zich zou kunnen steunen. De kerk is een vereniging van mensen, meer niet en alle mensen kunnen zich vergissen, niemand is onfeilbaar. De traditie is niet meer dan dat: een gewoonte; er zijn goede en slechte gewoonten, er is dus geen reden om de traditie als een absoluut argument te aanvaarden. Wat de kerk bestempelt als de menselijke natuur is slechts één opinie en het feit dat die opinie in de loop der tijden ook binnen de kerk aan veranderingen onderhevig is geweest en het voorwerp van intense discussie, wijst erop dat de kerkelijke inzichten niet onveranderlijk zijn en dus niet absoluut.
Heeft een ongelovige dan niets om zich op te steunen en mag men alles doen, zoals men ook alles mag denken en zeggen en schrijven?
Dat is een ernstige denkfout. Wanneer men in de universele rechten van de mens de vrijheid van mening heeft opgenomen en ook de bescherming van de meningsuiting, dan is dat omdat het tegendeel, het beperken of verbieden van de vrije meningsuiting en het bestrijden van opvattingen steeds leidt tot ergere inbreuken op de mensenrechten: vervolging, broodroof, foltering, moord op onschuldige burgers. Er kan geen individuele vrijheid zijn wanneer men niet vrij is in zijn denken en wanneer men zijn gedachten niet mag verwoorden en propageren. Een maatschappij kan nooit alleen maar het koesteren van bepaalde gedachten als een misdrijf beschouwen, noch kan ze het simpel uiten van meningen bestraffen. Dit behoort immers tot de onvervreemdbare rechten van elke mens. Wie daaraan raakt, raakt aan de fundamenten van het mens-zijn zelf: een mens die niet vrij kan denken en spreken, is geen mens meer in de volle betekenis van het woord.
Dat is het principe. Vanzelfsprekend zal men in de praktijk verplicht zijn om sommige beperkingen op te leggen, om misbruik van dit recht tegen te gaan. Een goed voorbeeld staat al in de Tien Geboden: ‘gij zult geen vals getuigenis afleggen’. Een maatschappij kan niet aanvaarden dat men manifest liegt over belangrijke zaken en zo anderen ernstig benadeelt. Ook hier wordt onze vrijheid van spreken begrensd door de vrijheid en de integriteit van anderen. Vandaar dat laster en eerroof nog steeds strafbaar zijn.
Ethische principes en regels hebben te maken met het samenleven van mensen. Iemand die erin zou slagen om helemaal alleen te leven, heeft geen behoefte aan een dik wetboek. Als wij iets verkeerds doen, heeft dat meestal te maken met anderen.
Wij moeten daarbij vooral een onderscheid maken tussen denken en doen. Denken gebeurt in de intimiteit van de persoon en niemand mag daarin binnendringen en met geweld beperkingen opleggen of iemand dwingen om in een bepaalde richting te denken of niet te denken. Wij mensen moeten onze gedachten ook kunnen verwoorden, voor onszelf en voor anderen, want het is pas dan dat ze vaste vorm krijgen en kunnen getoetst worden op hun waarde. Denken en het uiten van de gedachten kan nooit verkeerd zijn en mag dus nooit verhinderd of belemmerd worden. Men kan in principe nooit iemand schaden door iets te denken of die gedachte te formuleren.
Ik zeg wel: in principe. We zagen het al: wanneer iemand een leugen vertelt over iemand anders en die persoon daarmee ernstig moreel of materieel nadeel berokkent, dan is er geen sprake meer van het louter ‘formuleren van een mening’, maar van een bewuste daad met de bedoeling te schaden. Men mag met andere woorden wel denken dat politici zakkenvullers zijn, men mag die mening ook uiten, zelfs in geschrifte, maar het is iets anders als men een bepaalde politicus ervan beschuldigt dat hij zich onrechtmatig heeft verrijkt in zijn functie. Dat is immers een beschuldiging van corruptie en dat is geen mening, maar een manifeste daad, een directe aanslag op de eerbaarheid van de betrokkene en dan moet men ook kan bewijzen wat men zegt.
Retournons à nos moutons. We zien dus dat er een essentieel verschil is tussen denken en doen. Daar waar het denken een individuele bezigheid is, moeten we het handelen als een maatschappelijke activiteit omschrijven. In een samenleving is het noodzakelijk voor de goede orde dat we de omgang tussen de mensen en hun manier van zich te gedragen in de wereld op bepaalde punten regelen. Het is de mens zelf die de tijdelijke, steeds bespreekbare regels daarvoor vastlegt op een evenwichtige en democratische manier. De grondslag voor die regels is de mens als individu, samenlevend met anderen op deze aarde en de elementaire waarden voor de mens zijn vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Dat kan verder uitgewerkt worden. Zo zijn we stilaan gaan inzien dat ook de andere levensvormen op aarde bestaansrechten hebben die we moeten respecteren. Ook moeten we de mensenrechten uitbreiden tot de komende generaties, wat meebrengt dat wij hun toekomst niet in het gedrang mogen brengen. We moeten er anderzijds op letten dat we ons niet laten verleiden tot al te gedetailleerde regelgeving. Vaak is het verstandiger om de grote principes duidelijk vast te leggen. Over de toepassing kan een rechtbank desnoods uitsluitsel bieden. Justitie is niet het blind toepassen van miljoenen regeltjes, maar het wijs bewaken van de fundamentele rechten en plichten.
Zo komen we tot een onderliggende waarde, die nog voorafgaat aan de drie traditionele inzichten van de Verlichting. Ik bedoel het biologisch leven zelf. Al onze wetten en voorschriften steunen uiteindelijk immers daarop: het in stand houden van het leven.
Nochtans is het biologisch leven op aarde in feite een toevallig verschijnsel. Wij kennen geen andere plaats waar er zelfs maar een spoor van leven is in het universum. De kans dat wij ooit in contact komen met een andere intelligente levensvorm is statistisch gezien nihil. Het leven is hier spontaan ontstaan, uit de combinatie van de basiselementen waaruit de aarde bestaat. Er is dus geen Schepper, die alles gemaakt heeft, al dan niet met een bedoeling, zeker niet met de bedoeling uiteindelijk de mens te laten ontstaan. De hele evolutie is een spel van toeval en van de wetmatigheden van de materie. Er had even goed geen mens kunnen zijn, of een totaal andere oppersoort, de dinosaurussen bijvoorbeeld, of de mieren. Maar als het leven toevallig is, waarom is het dan zo belangrijk? Op zich heeft het leven immers geen enkel belang, het is geen absolute waarde. Op de maan en misschien wel in heel het quasi oneindige universum is er geen leven en daar heeft het leven dan ook geen enkele waarde, alleen hier. In het geheel van het universum en van de eeuwigheid is het leven hier op aarde overigens totaal onbeduidend.
Het leven heeft bijgevolg enkel belang voor al wat leeft. Het is een relatieve waarde die enkel geldt voor levende wezens, hoe groot of hoe klein ook. Want het leven kenmerkt zich door deze zeer duidelijke eigenschap: het wil in leven blijven en/of het leven doorgeven. Dat zien we in elk leven en dus ook in de mens. Het leven is genetisch zo geëvolueerd dat die individuen en soorten die het meest kans hebben om te overleven, geselecteerd worden en dat de andere uitsterven of aan belang inboeten. Op dit ogenblik is de mens de hoogst ontwikkelde levensvorm, met de grootste impact op de aarde en haar onmiddellijke omgeving.
Is het bestaan en het voortbestaan van het biologisch leven op aarde (of ergens anders) een absolute waarde? Ja, voor dat leven zelf, voor alle betrokken levende wezens en dus ook voor de mens. Biologisch zijn wij gericht op het in stand houden van ons lichaam en dat van onze naasten en op de voortplanting, het ononderbroken in stand houden van het leven. Wij maken deel uit van het geheel van het leven op aarde en delen zo in de élan vital, in de ontplooiing van het leven op aarde. Dat is het absolute basisgegeven en dat weerspiegelt zich in al onze wetten. Gij zult niet doden! Niets is zo heilig als het leven zelf. Niets is belangrijker dan in leven blijven. En aangezien we sterfelijk zijn, is niets belangrijker dan de voortplanting, of we dat nu zelf doen of niet. Er is geen enkel geval bekend van een levensvorm die als doelstelling heeft om zichzelf uit te roeien. Het verhaal van de lemmingen die zich in een collectieve suïcide in zee storten, is totaal verzonnen. De beelden in de Disney film daarover zijn opgezet spel: men had de arme diertjes ergens anders gevangen en slingerde ze over de rand van de klippen met een soort van lopende band…
Gevallen van zelfdoding en zelfopoffering bij de mens doen daaraan niets af. De mens heeft als soort een verstand ontwikkeld dat in staat is om de basisinstincten te negeren en tegen te werken. Het vermijden van ongewenste zwangerschappen is al heel vroeg een typisch menselijke bezigheid geweest, die op onze dagen tot in de perfectie technisch gerealiseerd hebben. Dat laat seksualiteit toe buiten elke context van voortplanting. Mensen kunnen beslissen om zich helemaal niet voort te planten. Mensen vermoorden andere mensen in onvoorstelbaar groten getale, om allerlei redenen, geen van alle valabel. Met ons verstand zijn we bij machte om dingen te doen waartoe geen enkel dier in staat is, ten goede en ten kwade. Maar dat neemt niet weg dat in elke mens toch die genetische voorbestemdheid zeer sterk aanwezig is om het eigen leven en dat van de genetisch meest gelijkenden te beschermen en voort te zetten.
Onze ethiek zal derhalve met dit fundamenteel gegeven rekening moeten houden. Elke wet, hoe algemeen of specifiek ook, kunnen en moeten wij toetsen op zijn compatibiliteit met de biologische levenswet. Dat is evenwel niet altijd gemakkelijk. Er zijn schrijnende situaties waarin we keuzes moeten maken tussen tegenstrijdige biologische belangen die beide op zichzelf helemaal te verdedigen zijn. Wanneer bij een gecompliceerde zwangerschap het kind enkel kan overleven door de moeder te laten of zelfs te doen sterven, of omgekeerd, dan is de keuze niet tussen leven en dood maar tussen het leven van de ene en dat van de andere mens. In dat geval zal men andere elementen moeten inroepen en dat zullen voor elke persoon andere argumenten zijn, steeds met dramatische gevolgen voor alle personen die in het conflict betrokken zijn.
In zeker één geval kan men de vraag zeer scherp en principieel stellen, namelijk voor de doodstraf. Mag de maatschappij of mag een andere mens iemand ombrengen omdat hij of zij een misdaad heeft begaan, hoe zwaar ook? Ik meen van niet. Ik meen dat het niet geoorloofd is dat men een medemens bewust doodt, zonder dat daartoe een noodzaak bestaat en zolang er andere middelen zijn om te verhinderen dat die persoon nog andere zware misdaden zou begaan. De dood kan nooit als straf gebruikt worden, want voor de persoon in kwestie is dat geen straf in de echte betekenis van het woord, namelijk een lijden dat men iemand oplegt. De dood is geen lijden, de dood heft in tegendeel alle lijden op. Een terdoodveroordeling is steeds een wraakactie, geen bestraffing. Dit is een duidelijk voorbeeld van een geval waarbij men uit de fundamentele gegevenheid van de mens als biologisch levend wezen kan afleiden of een bepaalde maatschappelijke afspraak, in dit geval de doodstraf, moreel verantwoord is. Een mens mag in die omstandigheden nooit over het leven van een medemens oordelen, dat recht heeft hij niet, het recht op leven gaat in dit geval voor op de wraak of de vermeende bestraffing door de maatschappij.
Ik zeg wel: in deze omstandigheden, dus wanneer een rechter een oordeel uitspreekt over die vorm van bestraffing van een misdadiger. Wanneer men mij anderzijds zou vragen of men een rechter daarvoor dan moet vervolgen, dan antwoord ik negatief: de rechter moet zich houden aan de bestaande wetten, of ontslag nemen. Ook zo voor iemand die een passionele moord pleegt, of zeker voor wie iemand doodt bij de verdediging van zijn eigen leven of dat van zijn geliefden. Wij moeten aanvaarden dat wanneer er een conflict is tussen het leven van de aangevallene en de aanvaller, de aangevallene het recht heeft om zijn eigen leven en dat van zijn geliefden te laten voorgaan op dat van de belager.
Hoever kunnen we daarin gaan? Mag men ook doden om have en goed te beschermen? De rechtspraak is daarin duidelijk: het is verboden, maar in de meeste gevallen zal men beslissen om opschorting van straf te verlenen.
Zelfs de bescherming van het leven is dus geen absolute wet. En als dat er geen is, dan zijn er geen absolute wetten. Dat is het grote verschil met de moraal van de godsdiensten. De geboden en verboden zijn daar absoluut of worden toch zo gesteld: Gij zult niet doden! Gij zult niet masturberen! Gij zult geen vlees eten op vrijdag! Gij zult geen overspel plegen! Het verbod geldt dan gewoon omdat het voorgeschreven is en het is voorgeschreven op grond van Gods woord, er moet niet over gediscuteerd worden en als er moet over gepraat worden dan is het de kerk die het laatste woord heeft, het gezag berust bij haar.
Voor een atheïst is dat onaanvaardbaar: enkel de burgerlijke maatschappij mag wetten opstellen en doen naleven. Wanneer de burgerlijke wetgeving niets zegt over een of ander onderwerp of het uitdrukkelijk toelaat, dan kan geen enkele andere instantie dat verbieden of (doen) bestraffen. Let wel: de gelovigen kunnen zich vrijwillig onderwerpen aan bepaalde religieuze regels, in zoverre die niet in strijd zijn met de algemene wetten. Zo kan niemand gedwongen worden om een abortus uit te voeren of iemand the euthanaseren. Maar wanneer het leven van de moeder in gevaar is, of wanneer een terminale patiënt onmenselijke pijnen lijdt en er is geen enkele andere arts ter beschikking, dan primeert de algemene wetgeving op het religieus verbod. De maatschappij kan en moet dan de arts die zich onttrekt aan zijn burgerlijke plicht veroordelen en op een gepaste, begripsvolle manier bestraffen.
Moeten wij dan ook wetten naleven die tegen onze eigen opvattingen indruisen? Jazeker, indien die wetten legaal en op democratische wijze tot stand gekomen zijn. In de meeste gevallen voorzien onze wetten trouwens voldoende voorzieningen om individuen die zich door die wetten benadeeld achten, de kans te geven om zich eraan te onttrekken op een volkomen wettelijke manier. Wie geen legerdienst wenste te doen om principiële redenen kon vroeger, toen de legerdienst verplicht was, een alternatieve burgerdienst doen. Een jurylid dat zich van bij de aanvang van een belangrijk proces uitspreekt tegen de doodstraf zal steeds gewraakt worden door de aanklager. In de landen waar de doodstraf nog bestaat, zal men niemand verplichten om die zelf uit te voeren.
Men kan de bestaande en als onrechtvaardig ervaren wetten bestrijden, men kan proberen om ze te veranderen, maar zolang ze gelden, moeten wij ze naleven, dat zei Socrates al en lang na hem ook Spinoza en dat geldt nog steeds. Wanneer wij ermee instemmen om in een bepaalde maatschappij te leven, dan moeten wij daarvan de consequenties dragen en beseffen dat elke maatschappij onvolmaakt is. Wij moeten er dan ook voortdurend op toezien dat de maatschappij geen wetten oplegt die een bedreiging vormen voor het leven hier op aarde. Wat de mens betreft, moet men steeds voor ogen houden dat elk individu beschikt over onvervreemdbare fundamentele rechten en vrijheden, die wij samen afgesproken hebben.
Laten we dat tot slot eens toepassen op het geval van incest tussen een broer en een zus die bij de geboorte van elkaar gescheiden werden, apart opgroeiden en ‘toevallig’ op elkaar verliefd werden, en vervolgens op een bepaald moment tot de ontdekking kwamen dat ze biologisch broer en zus zijn. Wat moet hier de houding zijn van de maatschappij?
Ik meen dat de maatschappij het recht niet heeft om daarin autoritair tussen te komen. Men kan met de betrokkenen overleggen, hen wijzen op de mogelijke gevaren voor de gezondheid van de kinderen die uit hun huwelijk zouden geboren worden, hen psychologisch begeleiden in hun bijzondere relatie enzovoort. Maar wanneer die twee individuen beslissen om samen te leven als een koppel en ook kinderen te verwekken, welke grond zou de maatschappij kunnen inroepen om dat te verbieden, om wetten goed te keuren die dat verbod vastleggen? Tegen welk principe zondigen die twee mensen? Kunnen wij uit de fundamentele biologische wet afleiden dat hun verhouding immoreel is? Ik meen van niet. Zij betekenen vanuit hun specifieke relatie geen gevaar voor zichzelf of voor hun omgeving. De gevaren voor hun eventuele kinderen kunnen perfect medisch opgevolgd worden en bij ernstige afwijkingen kan en moet men tijdig ingrijpen. Incest is met andere woorden in dat geval geen misdaad, er zijn geen slachtoffers, er hoeven er geen te zijn, er is geen overtreding van een morele wet. De betrokkenen waren zich niet bewust van enige overtreding, aangezien ze niet eens wisten dat ze broer en zus waren. Het feit alleen van het ontdekken van hun biologische verwantschap vormt geen bedreiging van de openbare orde en verandert op zich ook niets aan de relatie die ze als individu samen aangegaan hebben.
De kerk zal dergelijke relaties steeds zonder meer veroordelen: incest is verboden, punt. Waarom? Daarom!
Als ongelovige humanist en atheïst kunnen wij gelukkig wel praten over dit en dergelijke gevallen, in alle vrijheid en openheid en zonder vooroordelen. Wij kunnen afwegen wat wij als maatschappij zouden winnen met het brutaal afdwingen van een betwistbare, op taboes en onwetendheid gestoelde wet en wat de concrete betrokkenen verliezen, als vrij individu, als koppel, als gezin; wij kunnen overwegen welk onnoemelijk leed wij hen zouden aandoen door hen met geweld te scheiden, hen te bestraffen en op te sluiten, hun kinderen af te nemen…en waarom? In wiens naam?


















