NIEUW: Blog reclamevrij maken?
" De Afrekening"
Een West-Vlaamse oorlogsthriller in afleveringen
Zoeken in blog

Beoordeel dit blog
  Zeer goed
  Goed
  Voldoende
  Nog wat bijwerken
  Nog veel werk aan
 
23-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Inleiding en verantwoording
Klik op de afbeelding om de link te volgen

 

Het boek, waarvan ik hierachter als smaakmaker het eerste deel laat verschijnen, gaat over jonge mensen uit de Westhoek, gefocust op Westende en de wijde omgeving. Ik ben in die streek geboren en heb er mijn jeugd doorgebracht. Ik noem het verhaal “DE AFREKENING” maar dat heeft niets te maken met mijn leeftijd van 82 jaar...Ik ben er 17 jaar mee bezig geweest en nu zet ik er een punt achter vóór het helemaal uit de hand loopt. Mijn vrienden die het tot nu toe lazen vinden het zeer spannend ,maar wegens de omvang kan dit nooit in boekvorm uitgegeven worden. Daarom heb ik maar beslist het via deze weg te verspreiden en voor de leeuwen te gooien...

Het verhaal zelf loopt over een periode van maart 1938 tot december 1947 – ook al niet niks...- en is opgehangen tegen een historische achtergrond die ik zo waarheidsgetrouw als mogelijk door mijn protagonisten laat beleven.

Hun tragische avonturen beginnen dus bij de aanloop naar W.O.2 en raken onderling verstrikt door de Duitse bezetting. Ze beleven V-Day op zeer uiteenlopende wijze en ondergaan nadien de nasleep van al de dramatische conflictsituaties waarmee de oorlog hen opzadelde...

Mijn personages en al hun handelingen zijn totaal verzonnen, ook al hebben een paar dorpsgenoten uit mijn jeugd werkelijk model gestaan voor de karakters van dit verhaal...Maar aangezien ze ondertussen allemaal naar de eeuwige jachtvelden vertrokken zijn, is het risico dat ze mij nog voortijdig wurgen eerder gering...

Tot daar toe het goede nieuws.

Maar nu komt het : mijn verhaal beslaat vijftien boekdelen van elk méér dan honderd A4-tjes ! Dus zegge en schrijve ongeveer een duizend zevenhonderd bladzijden in totaal :ik heb ze niet geteld. Voor het leesgemak is elk boekdeel samengesteld uit een kleine twintig hoofdstukken van acht à tien bladen. Dit op papier uitgeven zou pure waanzin betekenen en een bedreiging voor het toch al povere bosbestand van Vlaanderen. Dus niet...

Gelukkig bestaat er tegenwoordig zoiets als een CD-brander voor het geval een opgepepte boekenwurm het hele plot in één trek mentaal wil verteren : 20 MB ! Maar ten gerieve van de wankelmoedigen onder u met een zwakkere transit snij ik bij deze mijn vetzuchtig geesteskind in hapklare brokken. Het eerste van 1,25 MB werp ik hierbij in de  wolvenkuil, het tweede broertje volgt dan een maandje later, kwestie van uw leeshonger niet te bederven. Voor de dertien àndere brokken zien we nog wel of ik - bij leven en welzijn ,zoals dat heet – het overdonderend succes via hetzelfde gratis kanaal kan beheren. Want je weet maar nooit of Steven Spielberg  morgen niet plots op mijn dorpel om de filmrechten staat te bedelen: wat moet een simpele mens als ik dan met zo’n probleem aanvangen?

Stoppen met die gratis shit ,natuurlijk!

En tenslotte nóg iets :ik schrijf zo natuurgetrouw als mogelijk over eenvoudige mensen tijdens de crisisjaren van vorige eeuw. Zatlapperij op straat was dagelijkse kost en op alle kermissen werd nog regelmatig het mes getrokken...Een rauwe tijd ,waarin heel wat ouders niet konden lezen of schrijven ,de radio nauwelijks bestond en men nog kranten bijeenzocht om ze tot A-5 formaat te versnijden voor het schijthuis op de koer...

Destijds hadden de ‘Schone Vlaamse gezinnen’ – bij de gratie van een domme meneer pastoor en een dokter die ook niet beter wist – tien ‘jong’ nog in leven en vijf vroeg gestorven aan TBC of kinkhoest...Uit pure frustratie voor deze overwoekerende vruchtbaarheid spaarden de ouders – onder het goedkeurend oog van de buren – de roede niet, wat de zaken meestal nog erger maakte...Veel van deze dompelaars moesten iedere dag zwaar travakken om het hoofd boven water te houden ,want op enigerlei financiële steun uit de gemeenschap konden ze toen nauwelijks rekenen...

Het soort West-Vlaming dat ik in mijn verhaal aan het woord laat, is ondertussen godzijdank uitgestorven. En als ik genadig zeg dat ik hen ‘aan-het-woord-laat’ dan is dat natuurlijk een eufemisme. Want die mensen stonden nooit – en ook nu nog niet – erg bekend voor hun taalvaardigheid. Hun dialect was wat het was: een stort van allerlei buitenlandse verbasteringen, overgoten met gutturale uitwassen en compleet onverstaanbaar voor niet-ingewijden. Omdat die sukkels met zo’n taaltje alle drie woorden over hun eigen tong struikelden, kregen ze het er zélf nogal rap van op hun heupen. En riepen ze in hun wanhoop doorlopend om goddelijke hulp. Begrijpelijk toch ?...Ik hoop het voor u.

Kom mij dus, beste lezer, niet preuts vertellen dat naar uw smaak en bescheiden mening, mijn ten tonele gevoerde stugge voorvaderen nogal gemakkelijk sakkerden en vloekten, want dat weet ik óók ! Maar wat wil je dat ik daar aan doe ?! Hen de mond snoeren ? Dan zou je nooit iets vernemen over die fameuze schat in de duinen waarmee ik straks van wal steek...Dus kan je maar beter met geduld aanhoren hoe ze hakkelend dit verhaal brengen in hun eigen woorden...Het duurt soms wat langer, maar ik verzeker u :het is het wachten waard...Immers :ze doen tegenwoordig zo veel voor de gehandicapten...En vergeet vooral niet :het ABN was destijds nog niet uitgevonden hé ! Dus een beetje begrip, verdorie !

Allee,we zijn vertrokken: vooruit met de geit!

 


                                      DE AFREKENING

 

                               Liefde en haat in de Westhoek rond W.O. II

           

                                            OVERZICHT

                                                                                                                  

                                            Boekdeel A1.

     Beslaat de periode van maart 1938 tot juli 1938. Spreekt over de verdwijning van Dis, over een verleidelijke 'Rudolf' en de Spaanse Burgeroorlog.

 

 

Bijlagen:
Westende.pdf (1013.4 KB)   


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (16 Stemmen)
23-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (3)
24-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 1A
Klik op de afbeelding om de link te volgen

AO1 DE SCHAT IN DE DUINEN.

                                                                             Lombardzijde, maart 1938.  

          " Miljaarde getaarde gevlamde geketste, tegen de muur gekotste en teruggebotste potverdomme!”

  Dis Petré voelde een wilde vreugde in zich opborrelen :eindelijk, EIN-DE-LIJK had hij zijn schat gevonden! Hij wist al jaren dat die obussen vroeg of laat hier ergens te voorschijn zouden komen...En nu lagen ze daar in het schemerdonker van de val­avond: zes lange bruine roestcylinders, ordelijk naast elkaar,  nauwelijks wat opbollend boven het grijze harde zand van de duinpan.          

    “ Ziede wel, dat ik gelijk had!" dacht hij fier, terwijl hij voorzichtig strelend de rij obussen met de hand wat verder uitgroef. "En verdomme nog wel mortieren kaliber 240 ! Potvermiljaarde nondedju !!"

   Het moet gezegd dat Dis, ondanks zijn eerder bosapig uiterlijk, een braaf godsvrezend man was die met dergelijk gevloek geenszins beoogde zijn Heer de stuipen op het lijf te jagen. Maar hij was nu eenmaal een kind van zijn tijd en in die dagen vervingen zo'n seriële krachttermen bij het gewone volk aan de kust driekwart van de adjectieven. Hun gebalde vorm maakte alle verdere omschrijvingen van hun diepdoorvoelde zieleroersels nodeloos. En meteen gunden ze een ontroerde geest de nodige tijd om voor zijn opwellende gedachten het juiste woord te vinden. Een zoektocht die bij ondervinding toch meestal op niets uitliep. Maar dàt even terzijde.                        

  Dis vermoedde reeds lang dat in dit diepe langgerekte duindal, dat de dorpelingen "de doorsteek" noemden, één van de zware houwitser­stellingen had gestaan, van waar­uit de Duit­sers tijdens de Grote Oorlog van '14-'18 de Belgi­sche linies aan de overkant van de Ijzermonding hadden be­stookt, vier jaar aan één stuk door.

Zijn schoonvader had er hem indertijd als eerste op gewezen: " Tijdens de artillerieduels ", oreerde hij tot verve­lens toe, " worden de batterijen alsmaardoor ver­plaatst. Vijf, maximum tien salvo's per stuk...en dan als de weerlicht de paarden aanhaken en wegwezen, vóór die van de overkant de tijd krijgen om terug te schieten !"

   En Bompa Cattrysse zaliger wist er destijds alles van,  van de oorlog: drie jaar in het slijk van de loopgraven, tot hij in '17 "gepakt was door de gas" en - na een eindeloos lijkende hospitalisatie - ontslagen met de graad van adju­dant. Hém mochten ze over kogels, bommen en granaten àlles vragen ! En ook zonder hem iets gevraagd werd, had hij nog jarenlang hijgend en kokhalzend vanuit zijn zetel bij het keukenvenster zijn bloedige wijs­he­den gespuid - of zeg maar gespuwd -, tot hij er in '28 uit­ein­delijk rochelend in was gestikt...

   Toch bleek de man te weten waarover hij sprak: de kust­strook van Lom­bard­sijde stond heel de duur van de oorlog vol zwaar Duits geschut omdat de grond er droog was en de kanonnen er niet in het slijk verdwenen zoals elders langs de overstroomde rechter IJzeroever. Maar ook dààr konden ze zo'n logge vuurmonden in dat mulle zand niet vlug genoeg verplaatsen. Dus hadden ze met het puin van de huizen uit het platgeschoten dorp wegen aang­elegd, kriskras door de duinen, vanaf de stukgereden kasseiwe­gel - de latere Bassevillestraat - tot aan de artille­riestellin­gen, vier- à vijfhonderd meter verder de natuur in. En wie aan kanonnen denkt, zegt 'munitie­de­pot'...Als je dus het uiteinde van zo'n weggetje vond, zat je gegarandeerd héél dicht bij één of andere oude geschutstel­ling, mét bijhorende hopen granaten­. En dààr was het om te doen, voor iemand die met oud koper een centje bijverdiende.

   De over­blijfsels van zo'n steenslagpad had Dis Petré  ont­dekt vlak naast zijn barak aan de Bassevillestraat, waar hij met zijn vrouw Marie en hun twee jongens woonde. Van daaruit volgde het weggetje in de richting van het strand de kronkelende bedding van de dichtgeslibde doorsteek tot voorbij de ‘Apenberg’, de hoogste duintop van de streek. Hier en daar lag nog een stukje pad bloot tussen de ondoordringbare vuurdoornstruiken, die sinds mensenheugenis de verzande zeearm hadden overwoe­kerd. ­Maar als de wilde zuidwesterstormen in het voorjaar dagenlang de duindalen uitschuurden en van al het losse stuif­zand zui­ver­den kwamen er grotere stukken aan de oppervlakte. De harde ondergrond gaf dan gedurende korte tijd ook allerlei àndere geheime relieken van de oorlog '14-'18 prijs : een stuk loopgraaf of een ingestorte onderstand...Nadien, bij kalmer weer, geraakten deze gruwelijke souvenirs langzaamaan opnieuw bedolven onder een vers tapijt wit zand, als werden ze stil toegedekt door een lijkwade. Ik had ook 'mantel der liefde' kunnen zeggen, maar voor zo'n bloeddoordrenkt slagveld lijkt mij dat minder gepast...           

   Deze woeste winden luidden voor een verstokte strandjut­ter als 'den Dis' het oogstfeest in. De zware loden knikkers uit de ont­plof­te kartetsen en granaten, waarmee de vijandelij­ke legers elkaar vier jaar lang hadden uitgemoord, lagen dan met massa's voor 't rapen. En massa's, dat wil zeggen: toch wel een tiental bolletjes per vierkante meter!...Op zo'n dag kon hij soms een hele emmer vol oogsten, méér dan in éénmaal naar huis kon worden gesjouwd. Wees maar gerust dat zoiets aardig wat op­bracht ! Mensen-lief, aan zes frank de kilo, verdiende hij daarmee op één dag méér dan als metselaar op een volledige werkweek!

   Na een eerste razzia op lood, deed hij met zijn twee jongens gewoonlijk nog een toer om 'shrapnels' te rapen :zwaar verroeste stukken staal van duizenden en duizenden opengebarsten obussen. Dat bracht wel veel minder op dan lood, maar daarvan lagen er dan ook tónnen. Rood of geel koper, daarentegen, was heel zeldzaam: af en toe eens een gekartelde reep uit een granaatkraag, of een enkele keer een ontstekingskop.                               

   " Maar", had schoonvader hem ingeprent," met die smeerlapperij ­moet ge nondedju goed oppassen, vent!"... Tjeppe, de ijzer­boer die iedere winter twee à driemaal bij hem de oogst kwam opkopen, was met zo'n spul zijn hand kwijtgespeeld...         

   " En dan mocht hij met z'n zatte botten nog van geluk spreken,of hij was helemaal de pijp uit geweest !"

Dis nam zich voor inderdaad goed op te passen, nu hij eindelijk zijn schat onder ogen had. Het werd toch reeds te donker om nog iets serieus te beginnen...,en morgen was het zaterdag. Dan had hij heel de namiddag de tijd om het zaakje eens op zijn gemak te bekijken...Want ook dàt had zijn schoonvader zaliger hem met horten en stoten hijgend ingeprent:         

   " Hou je poten eraf...als er geen licht genoeg is.... Of als het boven je macht gaat...Maar als g'uw leven beu zijt...prutst dan maar voorts...aan zo’'n blindganger..." Na elke korte uitspraak moest Cattrysse met een schuren­de fluitstoot uit zijn verbrande longen verwoed naar lucht happen en was waarschijnlijk daarom zo kort van stof. Zo had Dis hem ook nooit horen vloeken en van huis uit wist hij dat de meeste "gazées" onder deze beperking nog het ergste le­den...              


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (8 Stemmen)
Tags:De afrekening Liefde en haat Westhoek Wereldoorlog 2
24-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
25-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 1B
Klik op de afbeelding om de link te volgen

  

   Dis' eigen va­der - Bompa Petré, zoals Marie hem nadien altijd had genoemd - was op gebied van bommen en grana­ten geen groot licht geweest. Die had altijd een heilige schrik van dat dui­vels tuig gehad en aanhoudend getracht zijn zoon het "ij­zer s­tro­pen" in de duinen te verbie­den. Tijdens de oorlog had hij in de loopgra­ven van Ramskapel­le ge­diend als chef-brancardier maar was net zo goed bij één van de eerste Duitse Ype­riet-aanvallen besmet geraakt. In '19 was hij in het houten mili­tair noodsa­natorium achter de duin­pol­ders van Westende met zijn mede-patiënt Cat­trysse be­vriend geworden. Niet moeilijk : ze lagen naast elkaar op het zelfde zaaltje. Daar had zijn zoon Dis tijdens het wekelijkse bezoek­uur Marie, het knappe dochtertje van adjudant Cattrysse voor het eerst ontmoet.      

   Toen Adjudant Cat­trysse in '20 uit het sanato­rium werd ont­slagen kreeg hij - als compensatie "Voor Diensten Bewezen Aan Het Vader­land", zoals dat heette - van het Fonds Koning Albert een barak op een voorschoot zandgrond in de Basseville­straat cadeau. Daar kon hij dan in de "warme boezem van zijn gezin voorts liefdevol verzorgd wor­den" hadden ze schijnhei­lig verklaard in een welwillend uit het Frans vertaalde "attesta­tie". Zever in pakstjes, zoals gewoonlijk bij het leger, want veel warme boezem was er in zijn gezin niet te vinden :zijn vrouw was reeds in '18 in de Spaan­se griep geble­ven en van zijn twee kinderen Marie en René moest hij met zijn slecht karakter niet veel liefdevolle zorgen verwachten.

   Toen Dis in '22 rap-rap met Marie trouw­de en als naar gewoonte bij zijn schoonfamilie introk verbeterde de sfeer in de barak er nauwelijks op. Na­ de rasse geboorte van klein Josephtje leek het aanhoudend gekrijs van de zuigeling het nerveus gebas van bompa nog aan te wakkeren en werd het onder­komen al vlug te benauwd. Waarop Marie haar Dis ­aanporde met kunst- en vlieg­werk en "gevonden" bouwmateria­len de woonst met twee hokken uit te breiden. Je moet weten dat "Westende-Bains" vóór de Grote Oorlog een zéér chique badplaats was met een dikke honderd rijkgemeubelde villa's van de "upper-ten". Na vier jaar aanhoudende beschieting door de Britse vloot bleven daarvan geen twee stenen opeen staan maar toch viel er voor de nieuwe dorpsbewoners in deze puinvelden heelwat basisstoffen te "recupereren", zoals dat heette...En Dis was op dàt gebied allesbehalve achterlijk...Drie jaar later, toen ook Leonne­tje  onverhoopt het jonge gezin kwam verrijken,  barstte de barak ver uit de voegen. Nu vond zijn schoon­broer René het welle­tjes en week uit naar een opgelapte ruïne in Nieuw­poort. Om, zogezegd, dichter bij zijn werk te wonen. In feite om eindelijk eens rustig te slapen.

   De opluch­ting na de dood van bompa Cattrysse in '28 was maar van korte duur ge­weest, want toen het jaar daarop de grote krisis uit­brak werd het militair sanatorium om bespa­ringsrede­nen opge­doekt en bompa Petré op zijn beurt aan "hun liefdevol­le zorgen toever­trouwd"...Zeer tegen de zin van Marie, maar Dis hield teveel van zijn vader om hem in een sinister hospi­taal ergens in het Walenland te laten wegteren. Hij dreef - voor ­de eerste én laatste maal als een waar gezinshoofd - zijn wil door :" Pa blijft hier!". Maar nog geen jaar later stikte ook dié sukke­laar in zijn bloedfluimen, net zoals zijn oude vriend Cattrys­se. In dezelfde zetel bij het venster, amper veer­tig. Marie heeft nooit gesnapt waarom de dood van die "last­post" haar man zo had aangegrepen en Dis nam ook niet de moeite om het haar uit te leggen. Maar sindsdien dronk hij meer dan naar gewoonte, als om haar te pesten..                  

 

   Terwijl Dis door het donkere duindal terug naar de barak sjokte, gromde hij nog vergenoegd bij de herinnering aan zijn opstan­dige jonge jaren.

  Thuis vertelde hij voorlopig niets over zijn vondst. Toen hij 's anderen­daags na de middag terug was van zijn werk op de bouwwerf in de nieuwe kazerne naast de Ijzer­monding, groef hij alvast een diepe greppel langs de stapel obussen,  om voorzichtig de omvang van zijn schat te testen.                   

   " Eerst eens goed zien hoeveel er opéén liggen en hoe diep die stapel onder 't zand zit...". Dat viel onverhoopt mee, want onder de bovenste rij van zes, die reeds bloot gewaaid was, staken nog minstens twee lagen: één van zeven stuks en één van acht. Dieper geraakte hij voorlopig niet zonder de greppel te verbreden...Miljaarde, een echt munitie­depot, ij­lings achtergelaten door de wegtrek­kende Duitsers in '18!... Eenentwin­tig zware kanjers van kaliber 240, met elk twee dikke koperkragen : zo'n goudmijn had hij van zijn hele leven nog nooit gezien!...Op de neus van de bovenste zes obussen stak een vervaar­lijke groen-geoxideerde ontstekingskop, maar de vijftien onderliggende waren zo te zien nog ongewapend. Aan de zijkanten van de stapel peuterde hij voorzichtig ­de roestbruine zandkorsten weg om te zien of er soms een valstrik tussen lag - een op scherp gestelde handgranaat misschien - maar hij vond niets verdachts... Veel details kon hij ten ande­re niet onder­scheiden, want de oude granaten zaten stevig aanééngekoekt van de roest. Hij twijfelde nog een tijdje,  maar kon op de duur niet aan de verleiding weerstaan om te pogen die compacte klomp munitie open te breken...                       

  Gemakkelijk ging het niet en hij moest zwaar wrikken met zijn spade om de eerste obussen los te krijgen. Maar toen nam zijn voorzichtige aard weer de bovenhand, want de purper­schemer begon reeds te vallen...Dus stelde hij voor alle zekerheid het loskappen van de koperkragen maar uit tot mor­gen: zo'n delicaat werk kon je beter bij volle daglicht uit­voeren...                                            

   Thuis wou hij zijn vondst niet langer verzwijgen en zijn fier opgeklopte beschrijvingen kruidden het frugale avondeten van hen gevieren, onder de warme gele gloed van de olielamp. Meestal waren ze aan tafel niet veel van zeggen - eten was daarvoor een te belangrijke bezigheid - maar nu voerden de beide jongens het hoogste woord. Op zater­dag kwam dat wel meer voor, want dan was de oudste, Joseph,  terug van Sint-Truiden, om trots verslag uit te brengen over zijn belevenis­sen van de afgelopen week op Saffraanberg, de nieuwe Vlaamse cadetten­school. Daar was hij internist in het derde middelbaar, op kosten van de staat. De studiebeurs voor deze kweekschool van het leger was hem een paar jaar geleden zonder veel moeite toegekend: als kleinzoon van een oorlogsinvalide-adjudant-met-zes-front­stre­pen mocht hij destijds als "prioritair" aan het toelatings­examen deelnemen. En met zijn knappe bol was hij dan ook glanzend geslaagd, zonder problemen. Heel de week ver­bleef hij dus in deze schoolkazerne en kwam enkel zater­dag­avond 'met vergun­ning'...De militaire tucht deed hem geen kwaad - wel in tegendeel - en hij was zo fier als een gieter op zijn cadet­tenuniform. Knappe slanke jongen, een blonderik met de koele grijze ogen van zijn moeder die bij iedere gelegenheid schijn­heilig zuchtte dat "onze Joseph later nog veel malheuren zal doen bij 't vrouwvolk..." Daar­bij sprak hij al vloeiend Frans en voelde zich hier in het dorp een hele me­neer...                    

   Leon, de jongste krawaat, zat nog op de gemeente­school bij  meester Denolf in de voorlaatste klas: een kwikzilver ventje, struis gebouwd met een pikzwarte brosse, helemaal zijn vader...Maar van karakter eerder een doorbijter zoals Marie en voor niets bang. Als je de twee jongens naast elkaar zette zou je nooit denken dat het broertjes waren :zó verschillend. Maar dàt waren zijn vader en moeder tenslotte ook: Dis leek spre­kend op die struise Turkse berentemmer van de cirque, overlaatst, terwijl Marie iets had van dat blonde koorddanseresje. Klein Leonnetje droomde ervan binnen vijftien maanden (en twaalf dagen !) scheepsjongen te worden bij zijn oom op één van de vissersboten in Nieuwpoort en later reder met een eigen sloep. Maar Marie wist heel goed dat de plaatsjes voor jonge gasten op zee maar dun gezaaid waren en remde daarom zijn wilde plan­nen wat af. Ze hadden het wel niet erg breed, maar het magere loon dat hij als manusje aan boord kon verdie­nen zou daar niet veel aan verbeteren. Daarbij, haar Dis had van de heersende werkloosheid zelden last en bracht nog steeds goed binnen. Als die nog een half jaartje kon voort­metse­len aan de nieuwe kazerne achter de vuurtoren voor de "école D.C.A." - ofte opleidingscentrum voor luchtverdediging -  vóór ze in december uitvroren, zou­den ze geen armoede lijden...En de moestuin beloofde goddank deze lente goed op te brengen. Ja, mits in de herfst wat konijnen te strik­ken in de duinen of wat vis te stropen op het strand, zouden ze de komende winter wel weer zonder kleer­scheuren doorkomen...Tenslotte, zeg: wie tegenwoordig een jaar voor­uit kon kijken mocht echt niet klagen, vond ze.                                                                 

   Neen, meende Marie, als het enigszins mogelijk was kon ze Leon - zij het dan dik tegen zijn goesting - beter eerst nog drie jaar naar de 'Ecole Moyenne' in Nieuwpoort laten gaan, zoals meester Denolf had aangera­den. Want met een diploma van lager middelbaar lag de weg naar het brevet van scheepsme­canicien en zelfs dat van schipper wijd open. Met een beurs van het 'Oorlogs-verminktenfonds', wel te ver­staan, want zelf kon Marie die kosten natuurlijk niet meer opbrengen: twee studenten was voor een gezin armoedzaaiers iets van het goede teveel...

   Maar dat was nog toe­komstmuziek :eerst de volgende winter doorkomen...,en dan zien we weeral verder...En hopen dat de vorst in december lang genoeg uit­blijft, zodat Dis kan blijven werken...     

  'Den Dis' be­schreef ondertussen aan tafel in geuren en kleuren zijn vondst en de jongens rekenden opge­won­den voor dat de banden rond de obussen misschien wel tachtig kilo koper zouden kunnen opleveren!       

  "Verdomme, bijna een maandloon !", lachte vader fier. Marie was niet zo uitgelaten als haar 'vent'. En nadien, in bed, bedierf ze de pret met allerlei achterdoch­tige beden­kingen die zijn concentratie verstoorden. Waardoor het nog een stuk langer duurde dan gewoonlijk. En toen zij zich, na zijn "numéro", van hem had afge­keerd, fluisterde ze nuchter over haar schouder: "Ja, ja, Dis, ziet maar heel goed uit uw ogen! Stijf voorzichtig zijn, vent..."              

  "Ik ben àltijd voorzichtig", hijgde hij tevreden achter haar rug. Ze schokschouderde wat bokkig en, terwijl ze de snottige smurrie met het nachthemd van haar onderbuik veegde, zuchtte ze gela­ten: " Een ongeluk is rap gebeurd..."

                        

 

 


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (7 Stemmen)
25-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
26-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 2
Klik op de afbeelding om de link te volgen

                                             Dat zal die duistere schim óók gedacht hebben, toen deze zich de volgende zondagmorgen, in de paarse schemer juist voor zonsopgang over de rij blootgelegde granaten boog. Gisteren namiddag had hij Dis hier zien graven en plots was het duivels plan bij hem opgekomen, waarmee hij definitief een oude rekening hoopte te vereffenen. En de borrels van deze nacht hadden hem de nodige courage gegeven om de laffe twijfel te overwinnen en door te zetten.

Hij spuwde eens flink in beide handpalmen en draaide de grote gastang vast op de groene ontstekingskop van de eerste obus. Die doorroeste rommel loskrijgen beloofde een aardige karwei te worden en veel tijd hàd hij niet..." Linkse draad of rechtse ,dat weet ge verdomme nooit met die smeerlappen! "...Zich met zijn vuurslag in het donker bijlichtend had hij al ontcijferd dat het een tijdontsteker betrof: " Z.Z." kon hij lezen, voor het Duitse "Zeitzünder". Maar uit de rest van de verroeste letters kon hij noch "Rostock", noch "Lübeck" maken, de twee codewoorden voor rechtse of linkse draad...Dat was één van de vele nuttige trucs die de Duitse krijgsgevangenen hem na de Grote Oorlog hadden bijgebracht toen hij meehielp de Ijzer­vlakte ontmijnen. Een rotwerk, dat echter veel geld opbracht. En destijds in zijn zotte jaren kon hij dit vele geld goed gebruiken bij de wijven... Miljaarde, als hij dààr aan terug­dacht! ...Eerlijk gezegd was er sindsdien nog niet veel veran­derd, moest hij toegeven: bij hem draaide alles nog steeds rond het trakteren van de teven. De poen en de poezen, en de zuip natuurlijk... Zoals nu weer met Marie Cattrysse...Dat hij dié nooit rond zijn vinger had kunnen draaien vrat nog steeds aan zijn eigendunk! En dat die stomme geit verdomme indertijd hals over kop met die kloot van een Dis moest trouwen zat hem na al die jaren nog steeds dwars! Maar enfin ,hopelijk kwam daar binnenkort wel verandering in...     

Al wringend voelde hij de koperen kop met een knakje meegeven: ha ,dus tóch rechtse draad ! En de tijdontsteking begon te lopen. Nu nog een beetje doordraaien en de klikken tellen: één per uur vertraging...Hij moest den Dis niet vóór elvenhalf verwachten, dat maakte dus nog vier uur minstens...        

Maar bij het voorzichtig voortwringen aan de kop knerste en tjierpte de droge schroefdraad zo schril door de prille morgen dat van klikken tellen niets in huis kwam. Tot overmaat van ramp begonnen als bij afspraak overal in 't rond de kerkklokken te luiden voor de vroegmis. Met een knetterende vloek wierp hij de gastang van zich af en wilde juist met een ferme schop tegen de hoop obussen zijn woede oprisping koelen toen hij in de verte stemmen meende te horen.                       

Ademloos spitste hij de oren en probeerde tussen het ontluisterend klokkengebeier een menselijk geluid te ze­ven...Uit de duinpan wat verderop tegen de tramlijn vloog de in hun morgendutje gestoorde meeuwenkolonie kwaadkrijsend weg naar het strand :een onmiskenbaar teken dat daar volk liep...En ja hoor, duidelijk nu: twee stemmen...Zat gevloek... Het leek wel een dronkemanskrakeel. Als ze van de duinen achter de grote baan de Doorsteek volgden recht naar Westende-dorp moesten ze bijna zeker hier voorbij... Verdomme ,ook dàt nog!  

Alle pezen gespannen, stokstijf, zijn adem beheersend hoorde hij hen duidelijk dichterbij komen...Kom, beter vlug even op de kam tussen het helmgras wegduiken!

" Miljaarde! Moesten ze me nu hier bij die hoop obussen herkennen, ze zouden me later nogal rap bij m'n pietje stekken, denk ik!" En vlugger dan je van zo'n verlopen vent zou ver­wachten schoot hij vierklauwens de stijle mulle zandhelling op, dook achter een bosje op zijn buik en tuurde in het duister dal vanwaar de stemmen kwamen.

De eerste roze zonnestralen streelden over de hoogste blonde helmgraskopjes, maar de diepe duinpannen lagen nog vol kille grijze schaduwen. Toch zag hij ze nu vanop zijn uitkijk­post duidelijk aankomen :de garde die samen met een andere vent zijn zware zwarte dienstfiets voortduwde waar bij ze alle vijf stappen stilstonden om hun hoogoplopend meningsverschil meer kracht bij te zetten.

" G'ebt geen bewijs, zeg ik !"

" En dàt dan?! Die konijnen komen uit de lucht gevallen ,zeker? Recht in uwen schoofzak! Is dàt een keer geluk hebben, hé!"

Ze waren nu de obussen tot op een dertig meter genaderd maar hadden slechts oog voor elkaar." Ik heb ze gevonden, zeg ik u! In d'eerste struiken links,als ge van 't strand komt..."            

Weer stond de garde stil en keek zijn slachtoffer neerbuigend aan: "Luistert vent, ge weet dat ik u niet goed kan verdragen. En zal ik u zeggen waarom ?"

" Pff! 't Zal weer wat zijn! Altijd de kleintjes die het misdaan hebben, hé! Maar moest ik zo rijk zijn als de brouwer of den baron hier, ge zoudt wel ànders piepen, hé monsieur de gardevil!"

" Rijk of pover maakt voor mij nie uit vent, en wat gij van de politiek denkt nog minder: voor mijn part moogt gij beweren dat de kiekens in Moskou tanden hebben! "

"Moskou, Moskou, daar veeg ik m'n gat aan :ik heb met die moordenaars geen uitstaans !"

" Tiens, da's nieuw!" monkelde de garde," een mens leert iedere dag wat bij..." Ze sjokten samen weer voort. " En luistert goed vent: Baron Crommelinck heeft hier niets mee te maken, tenzij dat het toevallig zíjne grond was waarop ge ging stropen. Maar de wet is de wet: als de jacht gesloten is mag er niemand wild vangen. En zekers niet zonder permis. En nog minder met stroppen! En dan nog op een vreemde grond, verdom­me ! Dat zijn vier overtredingen op rij, als ik goed kan tellen...Maar dat zou ik allemaal nog door de vingers zien, moest ge niet zo liegen! Ge liegt dat ge scheel ziet, en dàt kan ik niet verdragen! En daarvoor gaat ge mee naar den buro voor een proces...Want moest ge eerlijk geweest zijn ,en gezegd hebben: Garde..." Verbijsterd brak hij af: " Wat is me dàt hier, nondedju!!"              

Ze lieten beiden als op bevel de fiets opzij vallen en stapten stijf en traag de laatste vijf meter af tot naast de vrijgegraven stapel granaten. "Wat is me dàt hier ,nondedju de nondedju! Die klootzak wilt zeker heel het dorp opblazen?!"

Boven hen op de duinkam hield de loerder in bange span­ning de adem in: "Oei, dat begint hier fameus te stinken...Met die kapotte tijdontsteking kan dat vuurwerk ieder moment beginnen vlammen: krijg ik verdomme twéé vreemde lijken in m'n nek in plaats van den Dis! En dan nog wel twee waar ik niets aan heb...Kom op vader, de piste in: we scheren ons hier rap weg voor het te laat is !..."

Het ware anders formidabel ge­weest had hij de flukse hemelvaart van die zwarte bosaap mogen meemaken, of beter nog: de helse knal op een foto kunnen vastleggen. Wat stom dat hij er gisterenavond niet aan gedacht had zijn Kodakbox klaar te leggen...Maar enfin, voor spijt was nu geen tijd !

Als een krab sloop hij op zijn buik zijwaarts de blinde helling af en zette het in de schaduw van de volgende duinpan op een lopen. Maar amper een minuutje later hield hij brusk de pas in: "Verdomme, m'n gastang! Die ligt daar nog! En met m'n naam erop geverfd in vette rode letters..."

De garde en de stroper stonden ondertussen de stapel obussen langs alle kanten van op een afstandje te taxeren." Nonde miljaarde de nondedjusche potverdomme !" vervolgde de geschrokken champetter zijn overpeinzingen:" Hier zie, verse scharen in het koper: hij heeft al aan die eerste kop zitten prutsen! Die klootzak was zeker z'n leven beu?"

Zijn maat stapte manmoedig de greppel in maar werd bij zijn schabbernak achteruit gerukt: "Gij niet, hé Charel: met uw pikkels afblijven! Of moet ik er u soms nog een proces bijgeven?"

Toen leek hem een licht op te gaan en dacht hij de oplossing gevonden te hebben: " Luistert, gij zijt soldaat geweest: ge weet wat een uitdrukkelijken order is, hé? Of moet ik zeggen "eine Befehl" omdat ge't zoudt verstaan? Een bevel dat ge moet executeren op straffe van de dood met de kogel..."             

"De kogel, nondedju?" De andere proestte het uit:" Champet­ter, ge gaat mij toch niet doodschieten met uw matrak, zeker? Oejoejoej zeg, strak kak ik nog in m'n broek van de schrik!"          

" De kogel," vervolgde hij onverstoorbaar als stond hij opnieuw in de redoute nummer acht aan de Ijzer. " Ewel, ik geef hier den uitdrukkelijken order dat gij als soldaat de wacht gaat houden bij dezen munitiedepot en niemand gaat laten naderen tot op...laat ons zeggen, twintig meter. Dat zijn de twee kammen links en rechts, die struik gindervoor en daar die rotte plank."

" Maar champetter, ge zijt gij zeker nog zat? We zijn wij niet meer bij den troep, hé :gij hebt mij niets te comman­deren! En vergeet ge niet dat ik aan de verkeerde kant van de Ijzer zat? Bij de Teutoonse barbaren, hé! Für Kaiser und Vaterland! Ge moet mij dus niet teveel vragen, hé! Ik santinel spelen bij dat tuig terwijl gij er nog rap één gaat pakken in de Lekkerbek zeker?! Dat ziet ge verdammt van hier! Scheisse!" Die guturale manier van spreken dankte hij blijk­baar niet uitsluitend aan zijn overvloedig pintelieren....            

" Vent, moest ik willen, ik stak u in den amigo, weet ge dat?! Ge zijt nu Belg geworden voor iéts: als ik commandeer moet gij luisteren op straf van boete! Of ik kan u ook rekwi­sioteren...rekwi...siteren voor een hele dag. Of als ge dat niet verstaat: opeisen, in 't Vlaams... Aufheischen in Deutsch, verstehen! Verdoemde Moef! 't Is alleen omdat ik daarvoor eerst een koppel uur moet staan schrijven dat ik het niet doe..."

Hij begon met de minuut wat van zijn grandeur te verliezen: " Luistert vent, zo kan dat hier niet blijven liggen; dat moet reglementair afgespannen worden of daar komen vodden van. Ik moet gaan bellen naar den buro en volk optrom­melen van de gemeentedienst. En dan de gendarmen van Nieuw­poort en de démineurs van 't leger...En dat allemaal op een zondag morgen! Als ge mij niet helpt zijn de gevolgen voor u en hebt gij de doden op uw geweten. En dan zal ik zorgen dat ge voor jaren de bak in vliegt!... Wat is 't? Eier of joeng ?"

De stroper keek hem wikkend aan: "Na schön...M'n twee Kaninchen zurück én die Prozessen vergeten: dan bleib ik hier op wacht bis die Glocken luiden vorr de hoogmis!" " Eén konijn, en wachten tot nà de mis!" Bij het afbie­den stak de veldwachter zijn handpalm uit gelijk een volleerde paardenkoopman. De stroper klopte af met een kordaat "al-richt" zoals ook Sheriff Taylor in zijn wekelijkse aflevering van 'Ivanovs Cowboyverhalen' steeds zei. Met deze lectuur scherpte hij namelijk zijn kennis van het Vlaams aan...Ze redetwistten nog even wie welk konijn kreeg en duwden dan samen luid sakkerend de zware dienstfiets over de laatste mulle zandrug tot op de bocht van de Bassevillestraat...

"So zie, jetzt wird's schon gaan was !? Oder moet ge vielleicht bis ins dorp geduwd werden !?" Na nog een paar geschreeuwde lieftalligheden over en weer verdween de veld­wachter zigzaggend achter de hoek. De stroper keek hem monk­elend na: hij had de garde met zijn gebroken Duits koeterwaals weer eens flink op zijn paard gekregen.      

" Omdat die zatlap op de hoogte is van mijn verleden moet hij potverdomme niet denken mij daarmee te kunnen chanteren, hé!" Sinds hij twintig jaar geleden in de Borinage werd tewerkgesteld had hij perfect Vlaams leren spreken, of liever gezegd: Limburgs. Het Waals dialekt dat hij er van zijn porion had opgestoken was buiten Charleroi niet bruikbaar. Van de Polen en Wit-Russen in zijn shift had hij wél alle - maar dan ook àlle - uit­drukkingen geleerd in verband met de voortplanting en aanverwante handelingen, volzinnen die hem in de bajes heel populair maakten. Maar met zijn Liiimburrugs kon hij na een paar jaar reeds probleemloos voor de dag komen, dank zij zijn Duitse achtergrond. En juist omdat die superpatriot van een garde steeds over die Teutoonse roots struikelde deed de stroper er graag een schepje bovenop als ze het met elkaar aan de stok kregen.

Terug op zijn "wachtpost" duurde het niet lang voor de stroper gehurkt in de greppel met een takje zat te peuteren in de ongewapende granaatneuzen van de onderste rijen. Eerst kreeg hij enkel roestbruine zandkorsten los maar uiteindelijk begonnen de eerste zwarte kruitschilfers te komen. Het takje was echter te kort om dieper in het granaatlijf te roeren en hij besloot beter gerief te zoeken.

Ondertussen vraten de chemicaliën in de verwrongen tijdontsteker langzaam en geruis­loos de beveiligingsdraad door van de opgespannen slagpin...          

Op tien stappen van de vuurdoornstruiken verderop vond hij de gastang, half in het mulle zand verzonken. Waarom deze zo’n eind van de obussen verwijderd lag was hem een raadsel. Maar de verse koperglinsters op de bektanden logen er niet om :hiermee was wel degelijk aan de ontstekingskop gewrongen. Op de steel stond er in rode verf "P.G." geschilderd. De stroper stak de tang achter zijn broeksriem en zocht zich tussen de doornstruiken een stevig recht takje uit van twee voet lang  dat hij op de terugweg met zijn jachtmes mooi fatsoeneerde.       

Nu kwamen de zwarte kruitschilfers makkelijker los. Hij ving ze in de handpalm op en gooide het goedje zorgvuldig bijeen in zijn schoofzak, bovenop het resterende konijn. En het bleef maar komen! Toen de eerste obus ver leeg leek, begon hij aan de volgende. Een geduldwerkje van lange asem, maar op den duur raakte de zak langzamerhand vol. Zoveel had hij verdomme nog nooit geoogst! Zou dàt even een knal geven,zeg ! Diep verzonken in zijn wonderbare visvangst merkte hij niet eens dat de kerkklok het einde van de hoogmis luidde.           

Verschrikt sprong hij op: hoorde hij daar geen stemmen? Ja, duidelijk: van tien-negen de garde met zijn opgeëist werkvolk! Verdomme, als die mannen iets merkten van zijn kruitdiefstal dan grepen de gendarmen hem bij de eerstvolgende "aanslag van het proletariaat" onmiddellijk bij de lurven! Wat nu gedaan? Daar! Vlug schopte hij wat zand tegen de neuzen van de twee leeggepeuterde granaten en schoot dan als een scheve schicht met zijn schoofzak het duin op! Achter de kam liet hij zich vallen en merkte niet eens de verse sporen die zijn geheimzin­nige voorganger er een paar uur geleden had nagelaten...In ademloze spanning spitste hij de oren... Kinderstemmen ? ! Neen, dat kon onmogelijk de champetter zijn... Loerend door het helmgras zag hij van achter de bocht twee jongens komen aanlopen die hij maar half herkende. Maar de man die toen volgde bleek Zwarten Dis te zijn, de metser van achter den hoek, samen met zijn knap blond wijfje, Marie...

Die zondagmorgen waren de Petré's na de mis bij hoge uitzonde­ring géén pint gaan drinken in de 'Tramstatie', maar recht naar huis gestapt. Pa verwisselde vlug van kleren, vees zijn vettige werkklak op één oor en gevieren liepen ze vervol­gens 'in kolonne per één' de duinen in. Dis trok de kop, gewa­pend met ijzerzaag en beitels. Joseph droeg de spade als een geschouderd geweer en Leon volgde in zijn zog, luid zingend met de zinken emmer over zijn hoofd. Marie sloot de stoet, op blote voeten, haar zondagse schoenen zuinig in de hand. In het zicht van de blootgelegde bommenstapel drongen de jongens opgewonden voor­uit om hardop de opééngestapelde obussen te tellen en - ondanks de van ver geroepen vermaningen van hun moeder - de groene koperkra­gen gulzig te betasten. Pa liet eerst fier begaan tot het met een schok tot hem doordrong dat "zijn schat" in de nacht of de vroege morgen ongewenst bezoek had gekregen. Hij liet echter niets merken maar joeg toch de jongens uit de greppel.

Marie vond het nu ook al welletjes en commandeerde haar kinderen mee terug naar huis: ze moest het konijn voor het middag­eten nog klaarmaken. Een uitvlucht als een ander. En Leon had zoals gewoonlijk vergeten de bottines van zijn Jong-Dinaso-uni­form te poetsen. Allee gauw-gauw , voor­uit ! Joseph kon nog gemakkelijk een stuk van de hof omspitten ,vond ze bits, alvo­rens hij na het eten weer bij de meisjes in het dorp zou gaan pronken met zijn stijfgestreken kadettenkostuum­tje.


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (9 Stemmen)
26-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
27-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 3
Klik op de afbeelding om de link te volgen




Verborgen op de duintop keek de stroper opgelucht de wegwandelende kloek na: hij had er een hekel aan met vrouwen te moeten discuteren. Die kon je moeilijk als slotargument een peer op hun bakkes verkopen, vond hij. Maar van Dis had hij geen schrik, ook al was die Lamme Goedzak een heel stuk breder van schouder...De "uitdrukkelijken order" van de garde gaf onze "santinel" de nodige autoriteit om de sterksten te doen wijken!       

Maar waar bleef die klootzak van een garde toch zo lang, verdomme ?! Rechtop klopte hij voorzichtig de kilte van het zand uit zijn broekspijpen en, met de handpalm als een klep boven de ogen tegen het lage zonlicht ,tuurde hij naar de kerktoren van Westende-dorp...Tien na tien wees de horloge :die zatlap had al lang terug moeten zijn !...Dus kon hijzelf maar beter zijn "consien de santinel" nakomen en opnieuw de wacht optrekken bij die stomme hoop obussen.     

Beneden in het duindal lag Dis de strandjutter op zijn knieën ineengekrompen in de greppel, totaal verzwolgen in het nauwkeurig onderzoek van de schade aan zijn schat.

                      " Nu !" dacht de stroper ! En met een paar langgerekte                hinkstapsprongen stoof hij de duinhelling af tot vlak tegen die                 overjarige foetus in de put aan zijn voeten.                     
                        " Hélaba !!"  

Als een losschietende veer schrok Dis op en viel ruggelings lijkbleek en naar adem snakkend op de rand van de groeve neer. Een wazig zwart spook torende hoog boven hem uit en porde spottend met de voet in zijn zij.

" Ewel Petré ,ge hebt van de schrik toch geen attakke gekregen, zeker?...Niet in uw broek kakken hé, kameraad: ge zit hier nog niét in de hel! Of dacht ge soms dat ik den duivel was? Ja, hé! De duivel, waarvoor vuile fascisten lijk gij me reeds een jaar lang uitschelden! " 

Nu het tot Dis doordrong dat het boeltje niét was ontploft en hij nog steeds tot de levenden behoorde schoot het bloed hem weer naar het hoofd. Op slag herkende hij zijn plaaggeest:Zotte Steiner,de nieuwe schoenlapper en enige militante troskist van het dorp...Een bajesklant die door alle deftige mensen gemeden werd. De pastoor negeerde die vreemde windbuil vol onkristelijke afschuw als "één van de goddeloze bloedhonden uit de Spaanse burgeroorlog" en meester Engel­borghs noemde hem smalend "een analfabete anarchist". Maar het meeste mansvolk beschouwde hem wat meewarig als een genante zielepoot, telkens hij in de kroeg weer eens doorsloeg over de onvolprezen, paradijselijke dictatuur van het proletariaat...         

De vent porde hem met de schoenneus nu wat pijnlijker in de ribben:" Allee Lazarus, oest ! Opstaan en aftrappen hé! Als de garde u hier bij uw pietje stekt vliegt ge den bak in!" Het pasverworven gezag dat hij uit "den uitdrukkelijken order" van de veldwachter meende te mogen puren deed zijn eigendunk vervaarlijk zwellen. Zoals de kikvors uit het sprookje: op het roekeloze af.

Zwijgend, haast plechtig en ietwat stijf steunend op zijn schop verrees Dis uit zijn graf. En nog vóór de amateur-schildwacht zijn twééde voorzichtige stap achterwaarts kon zetten had Lazarus hem als een schicht bij de knoop van zijn sjaal gesnapt. Langzaam en dreigend trok hij, manmoedig de stinkende alkooladem trotserend, de als een vishengel doorbui­gende beunhaas tot tegen zijn zwarte stoppelbaard.                   

"Steiner, ventje, ge hebt weer ' ‘n hoerenchance hé !"      

" Hoezo ,een hoerenchance ??" rochelde de rode kop.      

" Da't zondagmorgen is ,klootzak !"

 De uitpuilende ogen schoten vol vraagtekens.             

" Ik heb op een zondagmorgen nog nooit een gloeiende zot tot spijs geslagen, en dàt is voor een geval lijk gij een dikke hoerenchance! Maar ge kunt begod zeker zijn dat het niet de goesting is die mankeert! Miljaarde nee !!" En vol afschuw wierp hij de gehangene van zich af. Zittend in het zand trachtte deze ,al piepend naar lucht happend ,verwoed de knoop van zijn sjaal los te trekken.         

" Tiens ,Steiner ,ge gaat toch óók geen attakke krijgen ,zeker?! En maakt dat ge de piste in zijt vóór dat ik van gedacht verander, rooje tetting !"

" Godverdomse moordenaar !" hijgde de andere:"dat gaat ge u beklagen,zie !...Daarbij, ik kàn hier niet weg, de garde heeft mij aangesteld als zijn santinel om 't volk hier weg te houden...En gij moet met uw vuil pikkels van die obussen afblijven of heel 't dorp vliegt in de lucht...En dan kunt gij voor de schade opdraaien, zie...De garde kan ieder moment terug zijn met de gendarmes en 't leger,en 't werkvolk om dat af te spannen..."

" De garde ,de garde! Die stond daarjuist nog te zeiken tegen de zijmuur van de "Lekkerbek", dus zal het nog wel effekes duren vooraleer die hier met het leger binnenmar­cheert. Als ge soms goesting hebt van wachten, zet u dan maar ginder op die duin en loopt niet voor mijn voeten !...En blijft in 't vervolg met uw poten van andermans goed af ,als ge d'er geen verstand van hebt :ge had heel de boel kunnen doen ontploffen!"

" Maar vent ! Ik ben van mijn leven nog niet omtrent die obussen geweest ," loog hij vlot "laat staan dat ik eraan geprutst zou hebben!"                                

" Ha zo? En wat doen die nieuwe scharen en voren hier op die kop?" wees hij op de ontsteker, "en die gastang aan uw ceintuur ?!" 

Steiner kon mooi uitleggen dat hij die tang daar in 't zand had gevonden, veel geloof oogstte hij niet. Zo vitten ze nog een tijdje voort. Maar toen Dis aanstalten maakte om met zijn ijzerzaag de eerste koperkraag van de bovenste granaat aan te vallen trok Steiner zich toch voor alle veiligheid op zijn duintop terug. Hij verwachtte ieder ogenblik dat er iets zou gebeuren ,maar toen na tien minuten Dis met hamer en beitel de eerste doorgezaagde koperband losklopte zakte de spanning :die ongelikte beer scheen zijn werk te kennen.             

De zon klom hoger en hoger ,beneden sneuvelde de ene koperring na de andere en de alkool in Steiners kop maakte zijn oogleden zwaar...Hij schrok plots op toen hij Dis hoorde roepen :"'t Is ver schafttijd...Durft verdomme niet voortdoen terwijl ik gaan eten zijn, hé vent !"          

De stroper besloot ook maar eens op te stappen :nu zou de garde toch niet meer komen...Het was vér noen en dan kon die met zijn "consien de santenel" glorieus de pot op!                      

Tegen twaalven hoorde Marie de kusttram met tweetonig hoorngeschal - "Pain-pon !,pain-pon !" - bij de halte van "de Welkom" piepend stoppen. Naast het luiden van de kerkklok waren de trams de voornaamste tijdaanwijzers die het leven van de dorpelingen buitenshuis regelden: "Ge moogt gaan sjotten tot de tram van vijvenhalf..." of "Ziet dat ge thuis zijt vóór de slag van kwart-van-de-zessen !" Enkel oudere mannen droegen een "knol" aan een kettinkje op hun buik ,omdat ze blijkbaar te doof werden om de trams nog te horen...

Heel het huis geurde al lekker vettig naar het zondagse konijn-in-ajuinsaus. Marie liep naar de achter­deur en stuur­de Joseph de duinkam op om Pa te roepen voor het eten. Ze zag hem juist de tuin uitlo­pen toen de helmgras­bosjes aan de bovenrand van de zand­heuvel met een schok opsprongen en zij zelf terug de keuken invloog, midden gen­sters glas, twee stoe­len meesleu­rend. Een oorverd­ovende donderslag daverde door haar huis dat kraakte op de grond­vesten. Het pronkservies schoof van het schab en viel in duizend gruzelementen op de tegels, tus­sen de narinkelende resten van het tafelgerief...

Versuft greep ze naar haar gillen­de oren.           

" Den Dis !"...Met een dierlijke schreeuw kroop ze recht en vloog als gek naar buiten. Joseph stond al terug op de duinkam ,waarboven een stinkende zwarte wolk uittorende die zacht wegdreef over de barak ,richting "Ons Rustoord" en het dorp...

" Gottegottegot! Er is zeker iets ergs gebeurd !" dacht ze onnozel en liep met slappe knieën wanke­lend de tuin door en de zandheuvel op. De zwarte rook was weggewaaid en ze zag in paniek een gifgroene nevel uit de duinpan opwervelen ,een drie  honderd meter vooruit. Juist dààr waar haar Dis vanmorgen had gedolven gaapte nu een geweldig gat ...           

Joseph stond al bij de rand van de trechter verwezen op zijn vader te roepen ,maar Marie besefte instinktief dat het zinloos was. Ze zakte door de kniëen in het zachte zand en hoorde zichzelf wanhopig janken als een jonge hond. Kleine Leon liep haar voorbij ,maar ze zag hem plots niet meer :het daglicht floepte uit.                   

Toen ze weer bijkwam ,ondersteunden twee buurvrouwen  haar het pad af ,terug naar huis. Het duurde even voor ze haar hartsvriendin Jetje Neuville herkende en Stanse van Berkenout ,maar ze verstond door de stoomfluit in haar oren geen woord van wat ze zegden...Binnen in de keu­ken was het zo te zien een ware ravage ,dus hielpen ze haar buiten neer­zitten op de bank tussen de klimroos en de waterton. Celine van over de deur haalde het konijn van het vuur en veegde voor­zichtig de glas­splinters van het deksel ,om iéts te doen...                     

Ze had geen benul van tijd. Steeds meer vrouwen uit de straat klitten meewarig om haar heen in opgewonden gekwebbel en riepen om beurten ver­wilderd :" Maar mensen toch!" ,de handpalmen stijf tegen de wangen gedrukt. De mannen toonden minder medeleven en liepen zonder omzien door de tuin recht de duinen in ,naar de krater. Miljaarde ! Zoiets hadden ze nog nooit gezien: een reusachtig zwartgeblakerd gat van zeker tien meter doorsnede en drie à vier meter diep ,met middenin een plas groezelig grond­water. Op de manshoge wal rondom gaapte heel de buurt naar Dreetje Trotsaert, die bene­den met een tak fier in de vijver stond te dreggen...                   

Na een kwartier kwam de champetter schijnheilig aangere­den, wierp zijn fiets tegen het tuinhek en vroeg dan aan de buurvrouwen nogal overbodig wat hier nondedju aan de hand was...Hij stonk sterk naar bier ,maar uit het koor gekakelde ant­woorden scheen hij toch verbazend vlug te snappen dat hij beter in het dui­n kon gaan kijken. Al verwachtte hij niet ,na zo'n zware klap ,nog veel van zijn vriend de stroper terug te vinden...Enfin ,eigen schuld dikke bult :die klootzak had er maar met zijn poten àf moeten blijven! Nog een geluk dat hij vrijgezel was en ,voor zover de champetter wist, kind noch kraai achterliet...                  

Op de kam kruiste hij een erbarmelijk krijsende Leon, het rood-opgedrongen snuitje vol tranen en snottebellen." Wel vent, wat is 't? Zijde zo erg verschoten ?"

"M'n...Paatje...is weg !" schokte de kleine wanhopig tus­sen twee hikbuien door.  

"Wààr is je Paatje ??...Wat is er gebeurd?...Is het den Dis ,daar ?" vroeg hij ongelovig :"Zeg ,wààr is den Dis verdomme ?" En waar zit verdomme die klootzak van een Steiner, wou hij uitroepen, maar kon zich nog juist in tijd inhouden.    

De snotter begon nog uitzinniger te schreien en strompelde door tranen verblind stijf en struikelend het duin af naar huis.

" Mama !...Maaaaaa !!... Moedertje, ons va is weg !" gilde de jongen verbijs­terd wrong zich wild door de omstaande buurvrouwen en verborg knielend zijn natte snuit in haar schoot.                    Marie staarde star voor zich uit ,stijf rechtop gezeten, een beeld gelijk.­ Afwezig streelde ze haar jongste kindje over de warme zwarte stoppels op zijn kruin alsof het een poes was...

Toen de garde boven op het duin met waterogen beurte­lings naar het groepje vrouwen bij de barak en de mannen bij de dampende trechter blikte, leek plots wat licht door zijn benevelde brein te breken:" Wat zegt ge? Den Dis?...Miljaarde, getaarde ,gevlamde ,geketste, tegen de muur gekotste en teruggebotste potverdomme !!"

Kwestie van even zijn zwaarbenevelde gedachten op een rijtje te zetten...


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
27-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
28-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HISTORISCHE ACHTERGROND
Klik op de afbeelding om de link te volgen
" Beste lezers , omdat jullie waarschijnlijk niet allemààl de tachtig voorbij zijt, en dus de beschreven periode niet aan den lijve hebt beleefd of bewust meegemaakt, vond ik het nodig de naakte historische achtergrond van die dagen zo objectief mogelijk bij te lichten in aparte hoofdstukken, als het ware 'off the record'.  Dit wereldgebeuren beïnvloedde natuurlijk grondig de dagelijkse handel en wandel van mijn personages, ook al hadden die er geen flauw benul van hoe op hoog niveau de vork in de steel zat. Zij reageerden - door hun opvoeding ,bij voorbeeld, of hun politiek engagement, of hun ingepompte afkeer voor buitenlanders en andersdenkenden - enkel op wat zij daarvan méénden te weten, hoofdzakelijk 'van-horen-zeggen', via zwaar gekleurde propaganda of dikwijls door klakkeloos invloedrijke figuren na te lopen. Tracht u maar eens in te beelden hoe weinig wereldwijs uzelf zou zijn als halve analfabeet en zonder de huidige nieuwsmedia...
Gelieve dus verder de idiote uitspraken en de kapitale misstappen van mijn personages in dit licht te willen zien en te begrijpen."


jaak

Bijlagen:
Westende.pdf (1013.4 KB)   


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
28-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
29-02-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 4
Klik op de afbeelding om de link te volgen

AO2BIS DE SPAANSE TIJDBOM.

 

 


 

                                                          Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden door alle legerstaven dikwijls hele divisies zinloos door de vleesmolen gedraaid voor een tijdelijke terreinwinst van nog geen honderd meter. Troepen die tegen deze verkwisting aan het muiten sloegen werden daarvoor zeer zwaar gestraft. Aan het Russisch-Duitse front liepen de zaken in 1917 daarentegen zodanig uit de hand dat hele Tsaristische legerkorpsen er de brui aan gaven en in volle wanorde plunderend terug naar huis trokken. Deze opstand werd door Trotski en Lenin handig uitgebuit, om, na een jarenlange bloedige burgeroorlog tussen "wit" en "rood", in 1922 te eindigen met de machtsgreep van de bolsjevici en de vorming van de USSR.  

Ook in andere landen, zoals in Duitsland na de nederlaag van '18, trachtten de linksen de dictatuur van het proletariaat gewelddadig in te voeren, maar hun verhoopte "wereldrevolutie" mislukte. Zo ook in Spanje, waar de rijke landadel, gesteund door kerk en leger, met hun "pistoleros" revoltes van de wanhopige landarbeiders in het bloed smoorden, zonder dat het gerecht ooit tussenkwam. De oppermachtige Kerk misbruikte haar monopolie in het onderwijs en de gezondheidszorg door de toegang te filteren tot de scholen, hospitalen en sociale steuninstellingen. In de industiesteden en de mijncentra leidde de uitbuiting van de  arbeidslaven tot langdurige wilde stakingen die, onder leiding van de anarcho-syndicalisten van het C.N.T. (Confederation Nacional del Trabajo) en haar militante anarchistische stoottroepen van de sterke F.A.I. (Federacion Anarquista Ibérica), schoksgewijs meer ontvoogding brachten.         

Na de woelige verkiezingen van 14 april '31 deed de koning, Alfonso XIII, troonsafstand en werd de Tweede Republiek uitgeroepen. Gematigd links lanceerde voorzichtige hervormingen maar werd door de F.A.I. gedwongen tot de collectivisering van de landbouwgrond en de fabrieken over te gaan. Ze werden daarbij aanvankelijk tegengewerkt door de socialistische vakbond U.G.T.(Union General de Trabajadores)die echter vlug door de kleine communistische partij genoyauteerd werd en moest bijdraaien. Met hun radicaal programma ter beperking van de macht van leger, kerk en landadel veroorzaakten de links-republikeinen echter een economische chaos die leidde tot een inwendige versplintering en een drang naar autonomie in Catalonië, Baskenland en andere rijkere provincies. Ook de boeren, die zagen dat de beloofde grondverdeling door ideologisch gezeur de mist inging, kwamen weer in opstand. In augustus '32 poogde generaal Sanjurjo de chaos te keren met een zoveelste poging tot staatsgreep van het leger, maar mislukte.

Ondertussen begon de rechtse middenstand zich te organiseren in nationalistische militante verenigingen, zoals de Falange van J.A. Primo de Rivera en de CEDA (Confederacion Espanola de Derechas Aotonomas) van Gil Robles. Toen de meermaals opgelapte regering,  tengevolge van de bloedig neergeslagen opstanden, in september '33 tenslotte viel wonnen de rechtsen de verkiezingen van november '33. 

Het bestuursvacuüm duurde een jaar, tot Generaal Sanjurno en zijn  rebellerende medestanders amnestie kregen en de linkse hervor-mingen werden teruggeschroefd. Weer braken opstanden uit bij de boeren in het zuiden en de mijnwerkers in Asturië. De verenigde arbeidersmilities in Madrid en Barcelona bestormden de kazernes maar werden na vier dagen verslagen. In Asturië duurde de revolte vier weken voor ze in het bloed gesmoord werd (1.000 doden, waarvan 50% sommair terechtgesteld) door troepen uit Marokko,  aangevoerd door generaal Franco.

De zware repressie met 30.000 arrestaties radicaliseerde de links-republikeinse (socialistische) organisaties die hun versnipperde krachten samenbundelden met de communisten, maar waarvan de Stalinisten, Troskisten, anarchisten en andere marxistische strekkingen in hun inwendige strijd om de leiding elkaar regelmatig in het haar vlogen. Toch slaagden zij erin, verenigd in een wankel "Frente Popular", de verkiezingen van 16 februari '36 te winnen. Gematigd links vormde de regering maar werd zeer snel meegesleurd door extremisten van de C.N.T. die de boeren aanzetten de gronden van de landadel te bezetten. De fascistische Falange werd buiten de wet gesteld en veel rechtse voormannen vermoord. Alle gevangenen, ook de gemeenrechtelijke, werden vrijgelaten om plaats te ruimen voor de gearresteerde rechtse militanten. De losgeslagen schurken schuimden nu in gewapende bendes het platteland af. Kerken en kloosters werden geplunderd en platgebrand. De beste legerleiders werden gelimogeerd naar ver van Madrid gelegen provinciegarnizoenen. Franco kreeg een pietluttig commandopostje op de Canarische Eilanden. Zo poogde de republikeinse regering de macht van het leger te fnuiken en verloor daardoor juist de controle over deze generaals, zoals ex-stafchef Mola in Baskenland.

Toen de linkse terreur tegen de Kerk en de landadel uit de hand begon te lopen barstte op 17 juli '36 de rebellie los bij het vreemdelingenlegioen in Marokko en in vele Spaanse garnizoenen in het moederland. Maar generaal Sanjurjo, die de leiding van de coup op zich moest nemen, stortte met zijn vliegtuig neer. Twee dagen later vloog Franco van Tenerife naar Tetuan in Marokko om de leiding over te nemen, maar ondertussen mislukte de staatsgreep in het moederland. De rebellen van o.a. Madrid en Barcelona werden binnen een paar dagen verslagen door de gewapende arbeidersmilities en massaal gefusilleerd, maar in veel noordelijke steden en rond Gibraltar hielden ze verbeten stand.

 

 

( Wordt vervolgd)

Bijlagen:
Spanje 1936-1939.pdf (1.7 MB)   


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
29-02-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
01-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 5
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A03      DE HECATOMBE.

                                                          

 

Dis was inderdaad in rook opgegaan: hoe wanhopig Joseph ook rondkeek, hij vond niets meer...Hij dwaalde verder verwezen door de duinpan en als iemand uit de straat hem al aansprak, scheen hij dat niet te horen.

De champetter trachtte tevergeefs de kwetterende kijklustigen aan te zetten om naar lichamelijke resten te helpen zoeken,  maar niemand bleek veel goesting te hebben om daar op in te gaan. Waarschijnlijk uit afkeer voor zijn bezopen gedoe of uit angst plots met de bloedige resten van hun verdwenen buurman geconfronteerd te worden. Vooral door dit laatste walgelijke vooruitzicht trokken de meesten zich wat weifelend terug op de omliggende duinkammen om dààr aan de vervelende aansporingen van hun garde te ontsnappen. En tevens verlost te geraken van de vele meeuwen die vechtlustig door de duinpan scheerden als wilden zij die schreeuwerige rustverstoorders rond de bomtrechter een lesje leren. Tegen drie uur namen twee rijkswachters uit Nieuwpoort de leiding over, snauwden kordaat alle mannen op één lange rij en kamden er nauwkeurig de duinen rondom de krater mee uit.          

Veel vonden ze niet.

Een opengereten bottine, met op eerste zicht een paar verkoolde tenen er nog in, zorgde een tijdje voor sensa­tie en verwarring. Iedereen wou en zou zich vergapen aan het verschroeide schoeisel, als kwijlende honden bij een lekkere kluif. En ondertussen ruimden de zotgedraaide meeuwen driftig de laatste hapklare lijkrestjes op...                         

Tegen valavond moesten de gendarmen toegeven dat de oogst binnen was :enkel een zwart verbrand schoudergewricht hadden ze nog gevonden, op een driehonderd meter van de trechter. Maar verder zoeken had echt geen zin meer. Ze draaiden hun buit in een gazet, en dàt was het dan...

Toen de onderpastoor Marie moed kwam inspreken dropen ook de buurvrouwen één voor één af. Hij verzekerde haar dat Désiré nog vorige week te biechte was geweest en dat haar brave vent nu zeker al bij den Heer zou zitten...Aan dat mystieke aspekt van de ramp had ze eerlijk gezegd nog geen ogenblik gedacht en ze schoot in een hysterische lach/huilbui bij het vizioen van een zwartgeblakerde Dis op een wit wolkje. De geestelijke kon er niet goed mee om en drong niet verder aan maar beloofde morgen terug te komen. Joseph had ondertussen het huis wat opgeruimd en de olielamp aangestoken. De meeste glasscherven had hij pas bijeen geveegd, toen meester Engelborghs van de gemeenteschool zijn fiets tegen de deur zette en een mentaal leeggelopen Marie zijn innige deelneming betuigde. Leon voelde zich gevleid toen 'Meester' hem en Joseph ook vormelijk een hand gaf. Moeder keek zichtbaar verveeld en vroeg zich verwe­zen af wat die hier in Godsnaam verloren had...En uiteindelijk, na wat zalvende volzinnen, kwam de aap uit de mouw : " Ge weet het zeker wel, Maria (waarom noemde hij haar verdomme toch altijd Maria ?) maar de ontploffing is zo gewel­dig geweest, dat Désiré er niets van gemerkt heeft... Een heel schone dood...Triestig voor u en de jongens, natuurlijk, en voor ons allemaal die hem zo goed gekend hebben...en hem erg zullen missen...maar hijzelf heeft er nooit iets van gewe­ten..."                   

Marie knikte naar de grond: straks moest ze nog blij zijn dat haar Dis op z'n zesendertig zo plots en pijnloos in de lucht was gevlogen "De champetter heeft me daarjuist verteld, dat door die zware klop bijna niks van den Désiré is teruggevonden..."                 

Haar ogen schoten weer vol en ze keek knipperend naar het plafond. Na een pijnlijke stilte vervolgde hij, knikkend naar Leon:" Jongens, laat ons eens eventjes alleen ". Ze schuifelden beiden naar buiten, als werden ze de klas uitge­stuurd. Onbeholpen houterig nam de meester haar hand, waarin ze een kletsnatte zakdoek verborgen hield. Hij rilde even in lichte afschuw, maar stak dan kordaat van wal :" “ Maria, hij moet een schone dienst krijgen,...een echte begrafenis!..Ze verstijfde.

"Ja, ik weet het wel, uw kop staat daar niet naar... Maar ze zouden de resten, die ze nog gevonden hebben, kunnen verbranden en u enkel een potje asse geven...Maria , dat mogen we niet laten gebeuren...Désiré was een goede stoottroeper van mijn afdeling van de D.M.O., de Dinaso Militanten Orde, en hij heeft met z'n vuisten de beweging, het Verdinaso, vele diensten bewezen..."               

Marie keek verbaasd op van die dure volzinnen. Zeker vanbuiten geleerd...Maar ze begon het te begrijpen: de "Démo" waar Dis het altijd over had, was het knokploegje waarmee meester Engelborghs het vuistwerk deed, telkens als de sjieke heren van het elitaire Verdinaso wat meer 'armslag' nodig hadden. Een soort politieke kuisploeg, bij wijze van spreken...                

" Maar wees gerust, Maria, het Verdinaso laat niemand onverzorgd achter, " verklaarde de meester fier. "Als één van ons kameraden een zware tegenslag krijgt, staan we allen samen aan z'n zij om te helpen...Zo doen we dat àltijd in '’t Verdinaso!"                         

" Het Verdinaso, begot," dacht ze verwonderd. Dat stel stijve pintepakkers waar Dis iedere zondag mee optrok, uitge­dost in zijn keurig uniform, om tegen donker wat verfom­faaid en luid van Wilhelmus zingend terug thuis te komen, niet strontzat, maar toch...En bij gelegenheid met een bloedige kap in z'n kop, als de verkiezingen eraan kwamen en hij moest gaan vechten tegen een bende plakkers van de socioos of kalot­ters...Of als in één van de Nieuwpoortse vissers­cafés een paar zuip­schuiten het stomweg waagden Leider van Severen te beschim­pen...Meester Engelborghs was daar ook altijd bij, wist ze, en den Dis vertelde dikwijls dat die evengoed kon boksen als hij het kon uitleggen. " Verdinaso, begot!"...

" Wij zullen zorgen voor een schone dienst, " beloofde hij, " en ge moet u daar verder niets van aantrekken, Maria. We zullen wij wel alles regelen...en om het geld moet ge u ook geen zorgen maken...”               

Geld, overwoog ze plots, ja natuurlijk: begraven kost geld, veel geld ! Daar had ze nog niet eens aan gedacht, aan begraven. Wat wilt ge :Dis was amper koud...bij wijze van spreken dan. Hij had evengoed op dit ogenblik hier konijn kunnen zitten eten, en ze spreken al van begraven ! Terwijl de meester juist kwam te zeggen dat er niets te begraven viel ! Teneergedrukt haakte ze af: het ging haar alle­maal veel te vlug en ze kon al lang niet meer deftig volgen. Meester Engelborghs dramde nog wat door, maar ze luisterde nauwelijks. Als de gemeente, of de begrafenisondernemer zouden langs komen, begreep ze, moest Maria die maar naar hem sturen en zeggen dat hij alles ging regelen...Tenandere, morgen vóór school, zou hij de burgemeester en de secretaris nog even aanpak­ken...En een briefje naar Meneer Pastoor sturen, met wat uitleg. Want simpel was het natuurlijk niet, zo'n begrafe­nis zonder stoffelijk overschot...

De nacht was een hel.  Haar broer René was in 't laat nog langs gekomen, om te helpen bij het opruimen van al dat glas en het afslaan van de ramen met karton en teerpapier. Meer kon hij voorlopig echt niet doen. Enfin, als het huis maar weer dicht was en de wind bui­tenge­sloten. Ondanks al dat werk kreeg ze heel de nacht die kille trek niet van haar rug. De kamer bleef steenkoud en het bed vijandig klam. Na twee uur woelen stond ze op om een jenever­thee te drinken in de keuken en een warme kruik te maken. Maar veel hielp het niet...

Het maalde steeds maar door haar hoofd dat ze den Dis had moeten tegenhouden, zich sterker had moeten verzetten tegen dat gevaarlijk werk. Voor die paar honderd frank was nu non­dedju hun leven om zeep, stond ze helemaal op haar eigen benen en de jongens zonder vader. En wie weet wat voor rampen er nog boven haar hoofd hingen...Hoe zouden ze in godsnaam aan eten geraken ? Het spaarboekje op de post stelde ook al niet veel voor...Op twee maanden was alles op, drie, als ze het heel zuinig aan boord legde.

En wàt met de schade bij de buren, hoe zou ze dàt betaa­ld krijgen ? De halve Bassevillestraat zal wel vierklau­wens op haar nek vallen, voor al die gebroken ruiten...

Zo piekerde ze maar door. Ze zou misschien als kuisvrouw aan de slag kunnen en in 't seizoen in één van de hotelkeu­kens van Nieuwpoort of Westende-Bad gaan helpen. Maar kon ze daar­van de jongens grootbrengen?

Bij de eerste vale morgenschemer stond ze stijf en uitge­blust op. Na een rappe boterham met opgewarmde koffie wierp ze de keukenramen open voor wat beter zicht en begon aan een grondige schoonmaak van de versleten tegelvloer, van het pomphuis tot aan de voordeur.

De jongens genoten in hun beddebak schijnheilig nog wat van deze onverwachte schoolvakantie, stil om niet de aandacht te trekken. Maar tegen achten kwamen ze dan toch geeuwend en rekkend van de scheerzolder afgezakt. Beneden hing er een luguber halfduister. Slechts één ruit in het keukenraam had de ramp overleefd. Er werd weinig gezegd. Marie stuurde hen naar de pomp op de koer voor een vluchtige poedel, waarbij vooral Leon met veel geproest het weinige gebruikte water wilde verdoezelen. Marie zag het niet eens. Ze gaf aan elk twee besmoute roggeboterhammen en een kom lauwe zwarte koffie van gisteren en keerde piekerend terug naar haar "grote kuis" buiten. Joseph moest naar het gemeentehuis opdat ze van daar met de telefoon de cadettenschool zouden verwittigen van het overlijden. En Leon moest de konijnen nog verzorgen, zoals iedere morgen.     

Marie viel van het schrikken bijna van de keukenstoel waarop ze de twee hele ruitjes boven de voordeur stond te lappen :met een hartverscheurende schreeuw kwam Leon de oude bunker achteraan de moestuin uitgestormd. In dit grauwe blok­haus, een souvenir van de Grote Oorlog, mestte hij zijn acht konijnen vet in zes hokken die hij zelf had getimmerd. " De luiszakken! Vergast met een stinkbom! Ze zijn altegaar dood! De moordenaars! Al gestikt! Alleen de Gust is nog wat warm, maar..." Hij hapte naar adem en wierp als een hond het hoofd in de nek in een langgerekt gehuil, de krampachtig gebalde vuisten in razernij opgestoken :" Al de  moeren zijn stijf en koud :de Jenny, Witje, Neuze-neuze en heel haar nest... Allemaal dood :Olga en Frieda...Met een stinkbom, de luiszakken! En Blacky, verdomme! Verdomme, verdomme, verdomme!!"              

Marie liep naar hem toe en gaf hem een flinke draai om de oren :"Gijse Geus! Is 't nu gedaan!". Maar de kleine kalmeerde nauwelijks en trok haar snikkend mee langs het tuinpad naar de vlierhaag waarachter de ingang van het donker­grijze betonnen gedrocht verdoken lag. Het had er nooit erg fris geroken, in "den abri", maar nu pakte haar een vreemde zure prikkellucht onmiddellijk op de adem. Een snelle blik op de levenloze pelsjes in de duistere koten en ze wist genoeg. Ze greep Leon bij de kraag en trok hen uit de stank terug de frisse buitenlucht in :" Gauw, oeste ! Of moet ge misschien nog een ziekte opdoen! En durft daar niet meer binnen gaan, voor ik het zeg, verstaan!" En met een zachte schop van haar klompen onder zijn broek dreef ze hem weer naar de barak.                  

" Een stinkbom ",dacht ze, "ik wist niet dat die zo straf in d'ogen kon pikken...Welk zinnig mens gaat zich dààrmee nu amuseren, hé...Ach, t'zal eerder een kwajongen uit de straat zijn die schade opgelopen heeft door die ontploffing en zich zo wil wreken..."               

In de late namiddag, toen meester Engelborhgs weer langs kwam om poolshoogte te nemen en over de "aanslag" hoorde, vond hij na een korte inspectie de ruimte in de bunker voldoende verlucht. De broertjes mochten met verenigde krachten de hokken buiten slepen en opruimen. Hij troostte kleine Leon met de belofte onder alle leerlingen van de school een "konij­nenaktie" te zullen voeren en zo binnen een paar weken voor nieuwe jongen te zorgen.

Joseph wilde alle dode dieren in de half volgelopen obuskrater van Dis zwieren maar Leon vreesde dat de geest van vader daar nog rondwaarde en stond op een deftige begrafenis. In de keuken zalfde de meester ondertussen de ergste wonden :niemand van de mensen die hij gesproken had begreep hoe Dis zo'n stom ongeval had kunnen krijgen...Hij was toch specialist op dat gebied, door al die jaren ontmijnen van de IJzer na '14-'18 ! Sommigen opperden zelfs dat er misschien sabotage in het spel zou kunnen zijn... Want op café had Gaspar Soete verteld aan al wie het horen wilde dat hij vlak nà de ontploffing iemand uit de duinpan van de Doorsteek weg had zien vluchten langs de spoordijk van de tram...Had Dis soms vijanden die hem zo haatten dat ze hem naar het leven zouden staan ?

" Dat weet gij beter dan ik, hé Meester: 't Is met u dat hij iedere zondag mee ging vechten voor de Vlaamse politiek ; mij heeft hij daar nooit veel over verteld. Maar ge kent dat : hij was een beer van een vent en een kwaaie slag is rap gege­ven in zo'n momenten !...Gij zoudt dat kunnen weten, maar ík geloof daar niet in, ik !... Sabotage ,zegt ge ? Dat is iets van oorlog, en daar was hij tegen ,tégen het geweld van den oorlog...Dis was daarvoor veel te braaf...Niet slim, maar braaf zeker!"

De meester zag dat hij zo niet ver zou geraken en liet het er voorlopig bij.

Maar Marie keek de volgende morgen raar op toen haar boezemvriendin Jetje op weg naar de kruidenier aan de haag even van haar fiets stapte en na een paar nietszeggende weer­voorspellingen eveneens het woord sabotage liet vallen. Daar werd in het dorp over gekletst, zei ze, en niet alleen door de tetterteven...De gendarmen hadden Gaspar Soete lang onder­vraagd over die vent die hij weg zag lopen langs de tramroute, nà de slag: of dat hij hem herkend had. Maar de Soete kon enkel zeggen dat het te rap was gegaan :hij stond vooraan de tram naast de wattman en ze waren nog geen minuut vertrokken van de halte hier aan de "Welkom" toen ze de schok voelden. Hij dacht dat ze gingen ontsporen en de wattman heeft direct de stroomzwengel op nul gezwierd. De Soete had zijn evenwicht verloren en in die flits zag hij dien tiep uit de bosjes springen en hen voorbij sprinten ! Hij heeft hem niet herkend maar dat moét de saboteur geweest zijn. Want iedereen was het er gloeiend over eens dat den Dis veel te veel ondervinding had met blindgangers om zichzelf domweg in de lucht te blazen. Daar zat méér achter, véél meer...

" Hé, wat denkt gij ervan, Marie ?" Tijdens een korte stilte keek ze haar vriendin doordringend aan, hengelend naar een aanzet voor een kwartiertje sjouwelen. Maar Marie had nu geen zin in dit soort pingpong­spelletjes :"Och da's toch normaal dat ze tetteren".                

Ze wilde zich omdraaien toen Jetje haar wanhopig een schot voor de boeg plaatste :" En wat is dat met al die dode konijnen ? Is dat óók normaal, misschien!?"

Verdomme, de tamtam werkte weer op volle toeren, hé!

" Och, een stinkbom van een gastje uit de straat :moet ik dààr de gendarmen op los laten ? Denk ge niet dat ik béter te doen heb, Jetje ?"

" Ja me gat, een stinkbom! En die duizend dode meeuwen tegen de spoordijk, die konden ook niet goed tegen de stank,  zeker ?"

" Welke dode meeuwen ?" En zo waren ze dan tóch vertrokken voor een gezellig kwartier...

De jongens hadden ondertussen bij hun lugubere speur­tocht in de duinkommen rond de krater eveneens het meeuwenkerkhof ontdekt. Ze konden er tenandere moeilijk naast zien : het bedekte heel het dal. Een erg vreedzame dood hadden de ontelbare zilvergrijze vogels blijkbaar niet gekregen, want ze lagen kriskras dooreen, de vleugels en de bek wijd openg­esperd. Op de spoordijk stonden nog drie-vier mensen uit de straat bijeen, eveneens deze onverklaarbare slachting te bespreken. De jongens hoorden hen voorzichtig een oplossing opperen en weer verwerpen :de ontploffing had de longen doen barsten, zoals bij vis tijdens het stropen met dynamiet, en ze waren allemaal tegelijk dood neergevallen. Maar met duizend bijeen op 200 meter van de bomtrechter?...Onmogelijk ! Neen, iemand of iets had hen vergiftigd :misschien hadden ze een stukje verbrand vlees van den Dis ingeslikt of zo...

Verontwaardigd mengde Joseph zich in hun discussie :"Al onze konijnen zijn ook dood, en die hebben niks van ons vader opgevreten!" Zo-zo, de konijnen? Ja, dàn wisten de heren het ook niet meer...En diep in gedachten verzonken dropen ze schoorvoetend af.

Na de middag verscheen de garde met twee mannen van de gemeente om de hecatombe op te ruimen. Door hun heen en weer geloop verdwenen eveneens de laatste sporen in het mulle zand van een fiets die door twee mannen was voortgeduwd geworden, in de morgenmist twee dagen geleden...En alsof de champetter met opzet de plaats van de misdaad wilde bezoedelen liet hij de doppers uit gemakzucht alle vogelkrengen de krater inzwie­ren :een kwartiertje zand erover schoppen en klaar was Kees.

Dachten ze...Maar Dré Trotsaert, de snotter die vlak na de ontploffing zo fier als een gieter speels in het dampende grondwater van de bomtrechter had staan dreggen, werd de week daarop ziek. En toen hij in de herfst aan een geheimzinnige kwaal stierf, zijn leeggeteerde lijf vol rode uitslag en gestikt in zijn bloedfluimen, kon niemand nog een verband leggen met "de put van Zwarten Dis"...Tenzij misschien dokter Loenders :die had wel een vaag vermoeden, maar tracht dàt maar eens te bewijzen.

Alle sporen waren grondig uitgewist.

Merci champetter...


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
01-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
02-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 6
Klik op de afbeelding om de link te volgen

AO4BIS  DE SPAANSE BURGEROORLOG BARST LOS.

                                                         



Na de mislukte staatsgreep in Madrid en de halve overwinning op het platteland begrepen de opstandige generaals dat ze zwaar en gecoördineerd zouden moeten vechten om de regering omver te werpen. De rebellerende stafchef Generaal Mola veroverde binnen de week heel noordwest Spanje (uitgenomen een strook langs de golf van Gascogne) maar Franco zat met zijn 40.000 man Moorse troepen en het vreemdelingenlegioen nog steeds in Marokko geblokkeerd. De vloot, die zijn leger naar het moederland had moeten overvaren, was door een muiterij van de matrozen trouw gebleven aan Madrid.

Vanaf 28 juli slaagde Franco er echter in zijn eerste troepen met Ju52-transportvliegtuigen van de Duitse Luftwaffe over te vliegen naar de drie zuidelijke provincies rond Gibraltar. Voor de overtocht van de zware wapens zorgde de Italiaanse marine. De republikeinse regering stond machteloos en liet de reactie hoofdzakelijk over aan de gewapende linkse arbeidersmilities. Overal waar deze de bovenhand haalden op het rebellenleger voerden hun honderden plaatselijke anarchistische comité's gewelddadig hun eigen politiek programma door, los van Madrid. Zo "regeerde" in Barcelona sinds 21 juli een verkozen "Generalidad" (autonoom provinciebestuur) die onmiddellijk een "arbeiderscontrole" op alle productiemiddelen voorschreef. Maar eens buiten de voorsteden en in de rest van de provincie Catalonië hadden de lokale anarchistische F.A.I-collectivisten het voor het zeggen. Tegen de richtlijnen van de Generalidad in hadden zij brutaal alle productiebronnen onteigend en de directies gekeeld. De chaos vierde hoogtij. Kerken en kloosters werden geplunderd of platgebrand en ongeveer 7.000 geestelijken vermoord (15.000 voor de totale duur van de oorlog).

Na een week van uitspattingen vertrok tot ieders opluchting op 25 juli uit Barcelona een kolonne vrijwilligers met zelfgemaakte pantser-vrachtwagens naar Huesca om het rebellenleger uit de provincie Aragon te verdrijven, wat wonder boven wonder na drie weken ook lukte. Het was hun eerste en voorlopig laatste overwinning op de rechtsen.

Want op 14 augustus veroverde Franco op de Portugese grens de stad Badajos en op 2/9 maakte hij op de Taag ten westen van Toledo contact met het rebellenleger van Mola. Franco liet er  massa's gevangen militiesoldaten over de kling jagen. Anderzijds moest Leon Blum, die sinds juni in Frankrijk eveneens een volksfrontregering leidde en de Spaanse republikeinen alle nodige hulp verleende (w.o. een 20-tal vliegtuigen-met-piloot) medio augustus onder politieke druk de grens langs de Pyreneeën sluiten. Nu waren de republikeinen én van Portugal én van Frankrijk afgesneden.

Ondertussen begonnen in de twee kampen de executiepelotons hun eigen grondgebied te "zuiveren". In terreur en tegenterreur moesten Franco's "fascistische rebellen" (van nu af aan "nationalisten" genoemd) nergens voor de "rode republikeinen" onderdoen... 

Het buitenland volgde gebiologeerd deze ideologische moordpartijen. Hitler begon aan Franco wapens en munitie te leveren en stuurde wat later het luchtmachtlegioen "Condor" (5.000 man). De Italiaanse dictator Mussolini zag het grootser en zond een paar divisies "vrijwilligers" (75.000 man tijdens de totale duur van de oorlog). En alhoewel Stalin aanvankelijk zeer wantrouwig stond tegenover de niet-communistische Spaanse regering, gaf hij toch de Komintern opdracht "Internationale Brigades" onder communistische leiding op te richten. Vanaf oktober '36 begon hij massaal zware legeruitrusting (400 tanks ,7OO vliegtuigen, 1.000 kanonnen en een 25.000 mitrailleurs, vanzelfsprekend mét bemanning) naar de republikeinse havens te verschepen, samen met dikke drommen "technische raadgevers" (een eufemisme voor volkscommissarissen...). Hij liet als waarborg voor zijn leveringen 500 ton goud van de Spaanse nationale bank naar Moskou overbrengen. Mexico leverde vooral geweren en munitie. De democratische landen sloten onderling een non-interventieverdrag (in het begin ook door de dictaturen ondertekend) maar Frankrijk bouwde er voldoende achterpoortjes in om steeds de handen vrij te houden. Want toen de republikeinen anderhalf jaar later zwaar in de verdrukking kwamen omdat de Italianen voortdurend de Franse en Russische smokkelschepen kelderden werd de grens weer discreet geopend voor de levering van 'humanitaire' hulp ...zoals o.a. Franse jachtvliegtuigen-mét-piloot (150 in totaal) en machinegeweren. Foei-foei...

Dezelfde schijnheilige politiek werd gevoerd ten overstaan van de buitenlandse linkse oorlogsvrijwilligers. Hun recrutering werd overal - tengevolge van het non-interventie-verdrag - strafbaar gesteld, maar alle plaatselijke K.P.afdelingen zorgden gezwind voor een begeleide treinreis naar Barcelona. Daar werden ze ingelijfd bij de Internationale Brigades (I.B.) onder strenge communistische - zeg maar Russische - leiding en meestal met succes op de voornaamste fronten ingezet. Ze leden dan ook zware verliezen (meer dan 20.000 doden op een totale inzet van 40.000) maar na hun ontbinding op 15 nov.'38 liepen toch nog 10.000 brigadisten mee op het afscheidsdefilé in Barcelona. Bij de I.B. heerste een zeer harde tucht, in tegen-stelling tot de rest van het rode "volksleger" dat aanvankelijk samengesteld was uit regionale arbeidersmilities met een waaier van zeer uitgesproken - maar ook totaal tegengestelde - linkse ideologieën. Deze vlogen elkaar regelmatig in het haar en over tactische beslissingen moest doorlopend gestemd worden. Daarbij was het er gebruikelijk na elke mislukte inzet de eigen officieren wegens "verraad" of "defaitisme" te fusilleren. En aangezien er bij deze stugge dilettanten aanhoudend wat mis liep, had het volksleger chronisch gebrek aan bevoegd kader. De rest van het oorspronkelijk leger dat niet aan de putsch van Franco had meegedaan was bemand met dienstplichtigen uit de gebieden die het toevallig bezette. En aangezien de bevolking van deze gebieden half-links half-rechts gezind was vertoonden veel eenheden een gebrek aan duidelijke ideologische overtuiging en inzetbereidheid, die nog groeide naargelang Franco steeds meer de bovenhand haalde.


 

(wordt vervolgd)

Bijlagen:
Spanje 1936-1939.pdf (1.7 MB)   


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
02-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
03-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 7
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A05     DE RUDOLF, OF HET LICHT VAN DE STERREN.

 

Buurvrouw Jetje Neuville, haar boezem­vriendin sinds hun kinder­jaren, kwam 's anderendaags langs om pools­hoogte te nemen. " Hoe ze het stelde "...Wat kon Marie daar nu verdomme op antwoorden!? Goed? Ze was haar kostwinner kwijt en alle ruiten in de straat lagen aan scherven!  Was "Pico bello" niet wat overdreven!?... Maar Jetje negeerde haar gebrom.                   

" Ik heb me altijd afgevraagd...",vervolgde ze behoed­zaam, " maar 't is misschien niet erg gepast om daar juist nù over te klap­pen "...Ze wou feitelijk eens komen horen of den Dis 'er' van z'n leven ooit iets van geweten heeft...       

“ Maar Jetje toch, hoe kan dat nu in godsnaam:  hij heeft nog geen tijd gehad om 'amen' te zeggen, of hij was al in den hemel!  Allee, naarvolgens de pastoor dan zei..."

" ’t Is dàt niet wat ik wil zeg­gen..." En dan geheimzin­nig fluisterend, "Ik meen :van die Ru­dolf...ge weetwel...Valentino" Onwille­keurig moest Marie glimlachen, ondanks haar koppijn:" Maar mens toch, waar dat gij nog aan denkt! Jesus-Maria: dat is verdikke al meer dan veertien jaar geleden...”  

Pardon, bijna zestien jaar...Om juist te zijn: herfst van 1922...op één van de eerste kermissen in Nieuwpoort na de Grote Oor­log. De stad lag toen nog voor driekwart plat en de Ijzervlakte was nog steeds één troosteloze modderpoel vol granaattrechters en blindgangers. De boeren mochten wegens het doorlopend ontploffingsgevaar hun velden nog niet bewerken, vooropgesteld dat ze die überhaupt konden situeren...Maar na het puinvrij maken van de straten in de stad en het neerhalen van wankele muurresten stonden de Duitse krijgsgevangenen sinds een dik jaar in voor het ontmijnen van de polders. Veel gedemobili­seerde Belgische soldaten hielpen hen daarbij omdat het zo goed betaalde.

Er kwam dus schot in de zaak. Met de hulp van het buitenland - en dan vooral uit Engeland en de Ver­enigde Sta­ten - waren de meeste openbare gebouwen heropgetrokken ­­en in de stad zelf werkten de rioleringen weer, werd de waterto­ren afgewerkt en er stak een nieuw net van water- en gaslei­dingen in de grond. Tussen de vele houten noodwoningen rezen her en der reeds zandkleurige baksteenhui­zen uit de stijgers, in alle staten van afwerking.        

Koning-Ridder Albert I en Koningin Ziekenverpleeg­ster Elisabeth waren een paar maal op promotiebezoek gekomen in de 'verwoeste gewesten', zoals dat heette, en dat hielp de weder­opbouw goed vooruit:  de kaaimuren en het be­ruchte sluizencom­plex geraakten langzamerhand volledig her­steld en een gloed­nieuwe eikenhouten 'Langebrug' verbond weer de stad, over de Ijzermonding heen, met de verbrede steenweg op Oostende.          

Ondanks de reusachtige puinhoopvelden zinderde de ver­nielde agglomeratie van nieuw leven:   er was werk in overvloed en iedereen verdiende goed zijn brood. De nieuwe baksteenfa­briek aan het kanaal van Plassendale draaide dag en nacht op volle toeren en metselaars, schrijnwerkers, vissers en ne­ringdoeners deden gouden zaken.Totaal nieuwe beroepen als electri­cien en loodgieter kwamen volop in de mode, want alle huizen werden voorzien van de laatste technische snufjes op gebied van modern wooncomfort:  gloeilampen, stromend water, en zelfs W.C.'s in blinkend wit porselein met een "chasse". Een Engelse uit­vinding, en dus zeer in trek, bij wijze van spreken...            

Gesterkt door het optimisme van de wederopbouw en een goedgevulde beurs, maakte de bevolking de jaarlijkse kermis tot hét Breug­heliaanse feest van de streek, waar alle remmen werden losgegooid en alle geldzorgen 'verzopen'... Marie en haar vriendinnetje Jetje ("Jetje" kwam van "Georgette" maar zo noemde Marie haar enkel als ze kwaad was) de beide meisjes dus, vlogen er met de Nieuwpoort-kermis dan ook driftig in. Niet dat ze veel centen konden verteren, want Jetje was de oudste van zes kinderen en haar vader vulde de rest van zijn vrije tijd heel het jaar door met pintenpakken en het aftroe­ven van zijn vrouw...En die had haar handen vol met het grootbrengen van haar vijf snotters tussen de nul en de acht jaar en het dag en nacht afweren van haar vent. Aangezien ze ondertussen nog trachtte te herstellen van haar negende "misval" rekende ze in al deze domeinen op haar oudste dochter Jetje voor hulp en bijstand...

Marie had het al niet veel beter:  haar moeder was gestor­ven aan de Spaanse griep, vier jaar geleden, en sinds­dien moest zíjzelf voor de huishouding zorgen. Gelukkig woon­den ze gratis in een nieuwe noodbarak van het 'Fonds Koning Albert' en haar oudere broer René verdiende goed als machinist op één van de eerste vissersboten van de nieuwe Nieuwpoortse vloot. In tegenstelling tot de arme Neuvilles kampte het gezin Cattrysse dus niét met een chronisch geldgebrek. Althans niet doorlopend...

Marie's grootste probleem was de zorg voor haar vader, 100 % oorlogs­invalide, die dag-in-dag-uit in de zetel van de voorkamer z'n vergaste longen zat uit te spuwen en nog veel last verkocht op de koop toe!  " In plaats van verdomme rap en proper te sterven,  zoals het een soldaat past! " dacht ze dikwijls..."Die ouwe vetzak doet nu eens àlles om mij het leven te vergallen! "     

Want als uitgerangeerde adju­dant van de artillerie met zijn zes frontstrepen kon hij niet nalaten aanhoudend te commande­ren en complimenten te verkopen, de zagevent!  Alsof hij nog steeds voor de troep stond...En het was ook nooit eens goed:  het eten dat ze klaarmaakte "smaakte naar paardestront" en zijn kussens moes­ten ­minstens tienmaal per dag worden opgeschud of hij sloeg met zijn stok op tafel. Als ze hem 's nachts gierend hoorde rochelen hoopte ze heimelijk dat hij er eindelijk in zou stikken. Maar hij haalde het steeds op het nippertje:  wel een verdomde taaie, moest ze toegeven...             

De twee meisjes lachten dus niet iedere dag. Maar ze waren achttien en goed voorzien van oren en poten. Kermis was het slechts één keer in 't jaar en als ze zich ginnegappend gearmd tussen het wriemelende volk rond de om ter hardst krijsende kramen door wrongen, kregen ze van de jonge mannen aan­trek zàt. Er waren er altijd genoeg die hun kans waagden en hen trakteerden op een slingermolen of een Rodenbach met gedroogde pladijs. Maar als die ventjes in hun overmoed te handtastelijk of te dronken werden, was het van "bonjour en merci":  rood-aangelopen kwij­lers moesten ze niet hebben en in het afpoeieren van deze zwetende zeveraars hadden de meisjes huns gelijken niet. Ze lijmden dan vlug een koppel verse vlegels, om de versleten pretendenten op een veilige afstand te houden...Wat soms wel tot hanengevechten kon leiden, maar meestal toch zonder broks. Op zondag, de tweede dag van de kermis, vielen ze al vroeg in de namiddag op twee serieuze gasten-met-geld, die zich voorstelden als Rudolf Valentino en Douglas 'Duggie' Fairbanks. Niet dat ze bepaald opvallend op deze populai­re sterren van het witte doek leken, verre van zelfs:  Duggie kon eerder voor Kingkong doorgaan! Maar de meisjes speelden vlot het rollenspel mee en dus stelde Marie zich voor als :"“ Ik zijn 'Martha Harry' en dat schoon kind hier is..."”

“" Gloria Swanson! " riep Jetje boven het getoeter van de slingermolen uit. In 'De Tap', de dorpsfeestzaal van Westende, was vorige winter van beide filmsterren een tranerig drama gepro­jecteerd, dat op de vrouwelijke jeugd in de  wijde omgeving een onuitwisbare indruk had nagelaten...

" Martha Harry?",vroeg de Rudolf verwonderd," Is het niet 'Matahari',in één woord, dat ge wilt zeggen? Die Duitse spionne, die bijna in haren flikker danst?" Hij zag hoopvol de nabije toekomst opbloeien...

Maar Marie hield voet bij stek: het was 'Martha', punt! En zíj danste niét in haar flikker, als hij dàt maar wist!  Ze bloosde bij zoveel brutaliteit maar was toch benieuwd hoe de verdere kennismaking met die ventjes zou verlopen. De meisjes wisten wel dat de pronkerige 'Rudolf' op een vissersloep vaarde en dat zijn eerder bedeesde lijfwacht 'Duggie' op een chantier in de Duinkerkestraat metste aan de nieuwe feestzaal van het 'Vlaams Huis'. Maar elkeen hield de schone schijn vol:  tijdens de kermis moést je nu eenmaal een beetje zot doen om u goed te amuseren!       

Zoals gezegd:  het was maar eens per jaar feest!

Toen de avond viel en het té druk werd tussen de kramen, geraakten ze ver dolgedraaid van slingermolens en paardencarrousels, doof van de knallende zevenslagers en het kakofonisch getingeltangel en gek van de hysterisch gillende boerendoch­ters in de schommelschuiten. De gulle traktaties van de beide jongens op té zoete snoep, té vette oliebollen, té zoute pladijs en té sterke Rodenbach hadden hen op de duur op de knieën gekregen:  de meisjes konden geen pap meer zeggen en wilden naar huis...

Het leek wel of ze alle vier samen heimelijk naar dat langverhoopte moment hadden uitgekeken. Vooral de mannen snak­ten naar hun pond vlees. Want buiten een vlugge greep naar een borst onder een zwetend oksel door - om daarbij dan nog giechelend afge­weerd te worden!  - viel tussen al dat werve­lende volk niet veel te vrijen. Ook de vriendinnen moesten dringend op adem komen, verhit als ze waren, met een rode kop en het hart bon­kend tot in hun buik...Nu wilden ze weg uit de lawaaierige lichtzee van wal­mende storm­lantarens en de misse­lijk makende stank van verbrande vettigheid.

 "“ Komt, gow, we brengen u een eindje weg! " knipoogde Rudolf, met een veelbelovende heimelijke grijns naar zijn maat. Helemaal overbo­dig trouwens, want de meisjes hadden van hen blijkbaar niets anders verwacht...      

Stijf gearmd stapten de twee koppeltjes stoer over de nieuwe Langebrug. De mannen lieten hun hielen uitgelaten hard bonken op het eikenhouten voetpad. Even bleven ze, proes­tend om een schuine mop, over de witgelakte balken van de borstwe­ring hangen en de jongens pisten met sterke stralen om ter verst in het donkere water onder hen, met de gierende vrien­dinnen als stren­ge scheidsrechters. Duggie Kingkong won.

De kermisdrukte met de jengelde draaiorgels op de kaai aan de overkant klonk nog luid tot hen door en de veelkleurige lichtwalm weerspie­gelde toverachtig fonkelend in de zwarte havengeul...             .              

" Van daar is het vast nog véél mooier! ", wees Rudolf naar de dichtbegroeide donkere rechteroever, juist tegenover de stad.        

" Ja-ja, 'k hoor je al afkomen op je boerenklompen! " riep Jetje met gespeelde preutsheid. Die verwilderde rech­teroever van de geul, nog vol ingekalfde loopgraven en overwoeker­de onderstanden was door de pastoor tijdens een donderpreek tot oord des verderfs uitgeroepen, waardoor al wie een potje vrijen wilde sindsdien wist waarheen...

Ook Marie wist blijkbaar van wanten:" Gijsse lepen duivel!  Ge gaat uw manieren houden hé!" Maar liet zich toch gewillig meetronen. Op korte afstand volgde twijfelend in het donker het tweede koppeltje, waarvan Marie na een tijdje enkel nog de verschrikte gille­tjes van haar vriendin hoorde. Die had blijkbaar veel last met struikelen over het duistere pad...Ze vroeg zich monkelend af wat Jetje ervan terecht zou brengen, want ze wist dat haar vriendin in feite niet erg gesteld was op het gefikfak van jongens...En die aapmens, die Marie haar gelaten had, gaf niet de indruk een subtiele verleider te zijn...

                                Wedding 2 American Soldier and his Bride 1919



 


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (7 Stemmen)
03-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
04-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 8
Klik op de afbeelding om de link te volgen


Ze vroeg zich monkelend af wat Jetje ervan terecht zou brengen, want ze wist dat haar vriendin in feite niet erg gesteld was op het gefikfak van jongens...En die aapmens, die Marie haar gelaten had, gaf niet de indruk een subtiele verleider te zijn...

        Toen Marie in het donkere gat àchter haar van het andere paartje niets meer merkte bleef ze staan, schijnbaar bezorgd. Maar Rudolf omarmde haar lenden wat steviger en fluisterde:  “Kom gauw, m'n  mokkeltje, ik weet hier een goed nest...”En hij leidde haar kordaat achter de struiken op de buitenwal van het brede water rond het oude Spaanse fort "Palingbrug".. Aan de overkant ontwaarde Marie in het duister de overgroeide ¬vesting, een plat zwart eiland vaag weerspiegeld in de lichtgrijze glinsters van de vestinggracht. Nogal bangelijk, vond ze, vooral nu ze voelde hoe nadrukkelijk de zwarte schim vóór haar met zijn sterke poot haar kleine hand omklemde.


          “Hier is 't...", hijgde hij tevreden en trok haar neer in het nog lauwe gras tussen het struikgewas, “Wat denkt ge er van?..."


      “Dat het ver is van d'ander! ",lachte ze benepen, “ik hoor ze niet meer...”Over de wal achter hen klonk enkel nog het gedempte rumoer van de kermiskramen en het gejoel van uitgelaten feestvierders...


         “Des te beter, ik heb niet graag dat ze op m'n handen staan zien...Kom rap hier, m'n schatje!“ en voor ze het goed besefte lag hij half op haar, zijn hand in haar nek en zijn besnorde lippen stevig kriebelend op dehare...                                                                   

       ”Aan " Wat denkt ge?” onderbrak Jetje haar gemijmer "Aan den Dis zeker? Ik weet het, het was een goeie vent en God hebbe zijn ziel...Maar zoveel gelukkige souvenirs kunt ge aan die laatste vijftien jaar toch niet overge-houden hebben, hé Marie, gelijk ik u ken. Had ge indertijd naar mij geluisterd, ge ware nooit met hem getrouwd! "


          “Met wie dan wél?"


      “Met niemand, tiens!  We hadden wij bijeen kunnen blijven, zoals we elkaar gezworen hadden, indertijd toen we jong waren, weet ge nog? Geen venten aan ons lijf!  Maar ge moest u absoluut laten doen door die gepommadeerde vetzak van een Rudolf, hé, lijk een onnozel kalf!  Mens, mens, wat heeft u toch bezield, dien dag..."


        “Zeg Georgette, alstenblief!  Geen ouw koeien uit de gracht halen, hé:  m'n kop staat er niet naar, vandaag, gelooft me!  Het is daarbij wat laat om daar nu nog mee voor de dag te komen!  Het leven is wat het is en ik heb nu m'n twee gasten groot te brengen:  daar zal ik al last genoeg mee hebben!“

         
          “Het is juist dààrom dat ik er nog eens over begin. Nu dat den Dis er niet meer is, kan ík inspringen:  we zijn toch altijd goed overeen gekomen, hé...Met ons getweeën zou de last van die twee gasten al een pak lichter zijn. Ge kunt bij mij komen wonen:  mijn huis is een stuk beter dan die houten barak hier en er is plaats genoeg nu heel dat nest buiten is.”

          
          "Dat nest” sloeg dan op haar ouders, haar drie jongere zusjes en het "kakkernestje” Leopold, die één voor één in de loop van de laatste twee jaar uit huis verdwenen waren. Albert, de oudste broer, was al langer buiten en ondertussen reeds gestorven:  die kwam in oktober '36 om bij een mijnramp in de Borinage en werd nooit meer bovengehaald...Kort voordien was haar smeerlap van een vader verzopen in hun beerput achter het huis. Per ongeluk, had ze steeds tegen Marie volgehouden...Maar haar moeder werd toen toch opgepakt, niet voor dat "accident” maar wegens die paar misvallen die de gendarmen nog hadden gevonden bij het leegpompen van die put. Tot een proces was het echter nooit gekomen wegens een zenuwinzinking en sindsdien zat moeder in "het zothuis” in Brugge weg te teren:   herkende blijkbaar niemand meer...De zusjes waren telkens op hun zestiende, dankzij de goede zorgen van meneer pastoor, elk afzonderlijk door de Openbare Onderstand in het binnenland bij rijke families geplaatst als inwonende meid. Jetje had ze sindsdien niet meer teruggezien. En de jongste, Leopold, had zopas op een Frans boerenhof, juist over de grens, een plaats van knecht gevonden. Nu zat Jetje daar nog alleen, met al die spoken uit het verleden. En de eenzaamheid begon schijnbaar te drukken want ze drong aan:  “Allee, Keuntje, komt bij mij...”

    .                         
           Marie haalde vermoeid de schouders op. Het was niet de eerste maal dat Jetje haar daarmee trachtte te verleiden, maar nog nooit zo onverbloemd.
            "Tenzij dat ge nog niet geleerd zijt en denkt te hertrouwen...”  

            “Jetje, houdt in godsnaam op met uw gezever! "

           “Zever, zever!  Ik wil er optijd bij zijn vóór dat ge opnieuw een stommiteit begaat!  Zegt nu niet dat het bij een vent zo verschrikkelijk plezant is, hé!  Zwijnen zijn het, die hun poten niet thuis kunnen houden!"
“Ge moet niet denken dat ze allemaal zijn lijk uwe pa, hé!  Met den Dis viel best te leven..."

            “Hoort daar!  Ge hebt in 't begin genoeg tranen gelaten, meisje...Altijd slaven en dan nog slagen krijgen op de koop toe!  Stank voor..."

            “Héla, héla!  Den Dis heeft mij maar één keer geslagen, dat ik weet!  En dan waren we nog allebei strontzat!  En de volgende morgen heb ik hem met mijn blauw ket eens goed bezien en hem verwittigd dat ik rattevergif in zijn "pulle”zou gieten als hij nog zou riskeren van zijn hand tegen mij te heffen!  Hij heeft dat goed onthouden, moet ik zeggen, want hij wist dat ik niet zwansde...Als hij wilde slaan, kon hij dat voor mijn part op zijn kinders doen. Maar dààrvoor had hem niet genoeg kloten aan zijn lijf...Aan de opvoeding van de gasten heeft hem tenandere nooit een poot uitgestoken:  'k heb ik het altijd moeten doen...De studiebeurs voor Joseph:  had ik het niet àl belopen, hij ware nooit op die cadetteschool van hem geraakt...Daar hebt ge gelijk in, Jetje, den Dis was goed om 's zaterdags zijn centen af te geven maar voor de rest had ik hem godsjeugdig kunnen missen. Alhoewel...hij is indertijd met mij getrouwd toen ik in de miserie zat en heeft nauwelijks zeven maand later bij de "voortijdige” geboorte van de Joseph geen vragen gesteld..."

             “Ach Marie, geef nu toe: daar was den Dis toch wel wat te onnozel voor, hé, om vragen te stellen...Hij was blij genoeg dat ge met hem wílde trouwen, dat ge zogenaamd hém koos boven zijn maat, die Rudolf...Een schoon meisje lijk gij:  hij kon verdomme zijn ogen niet geloven!  Als ik nog denk aan ons gefoefel om hem dien avond hier achter in ‘t duin zover te krijgen dat hem zijn broek liet zakken!  Een mirakel, dacht hem, nog beter dan Lourdes: met de maagd Maria in de bosjes!  Hij stond zo zot als een achterdeur, weet ge nog?” 

               
              Marie moest onwillekeurig lachen: ze hadden er die arme Dis met hun gekonkelfoes inderdaad glad ingeluisd, zonder de minste wroeging, en hém in eer en geweten het vaderschap laten opeisen. Wel vreemd dat ze na al die jaren nù pas voor het eerst vrijuit over hun misdaad konden spreken.

                      
            Dat deed haar denken aan de preek van de pastoor, een tijdje geleden. Die had het over de zonde die altijd uitkomt, hoe goed je het ook verborg. En het voorbeeld aangehaald van dat geraamte dat ze in Spanje in een geheime kast van een kasteel hadden gevonden toen het overlaatst door bommen werd vernield: een sombere moord tussen erfgenamen, bleek nu...En de wonderen die in het heelal geschieden, preekte hij, de sterren die nog iedere dag ontploffen of opnieuw door God geschapen worden zonder dat we er iets van merken. Het gebeurt onder onze ogen en toch zien we het niet!  Maar vroeg of laat, soms na jaren bereikt het licht van die nieuwe sterren de aarde en komt alles uit...De wonderbaarste mirakels of de vreselijkste rampen in het firmament net zo goed als onze leugens en bedriegerijen hier op aarde... Ooit komt alles aan het licht, zei de pastoor...Hopelijk mocht het geheim van Josephs afkomst nog verdoken blijven tot hij groot genoeg zou zijn om het te begrijpen. Of beter nog:  tot zijzelf bij de pieren lag.Dan kon hij zoveel smoelen trekken als hij wou!

     
            "Het gaat er bij mij nog altijd niet in! “monkelde Jetje “Dat verdomme Dis zijne frank nooit is gevallen, gedurende al die jaren! Joseph trekt toch langs geen kanten op hém, dat had hij toch moeten zien! "

            "Joseph trekt op mij, Jetje, en daarmee zult gij het ook moeten stellen!  Juist gelijk den Dis, al die jaren..."

             "En zou hij dat écht geloofd hebben?”

      
           "Hij was de pijp uit vóór het licht van de sterren hem bereikte.” zuchtte Marie dromerig.

              “Het licht van de watte?!

               “De sterren...”

              “Ha, bon! ...”Jetje keek haar ietwat meewarig aan:  Ze schudde triest het hoofd:  “Allee, Marie, ge moogt u zo niet laten gaan, kind...Houdt u kloek...Maar ik moet nu weg, m'n nieuw patatjes staan op..."


              Marie staarde haar vriendin na die haastig de tuin uit liep:” Die denkt zeker dat ik een vijs kwijt ben, met mijn sterren...Maar ze zal wel zien dat ik gelijk heb: alles komt uit...”Wie of wat de dood van haar Dis ook had veroorzaakt: eens zou de schuldige boeten. Zoals zij nu, vijftien jaar later, moest boeten voor het onderschuiven van haar eerste kind...Ook al was de Dis er destijds - misschien niet geheel onbaatzuchtig - "wreed kontent” mee geweest..  

                    
               In het licht van de sterren zullen de zwartste leugens opklaren, wist ze. En vroeg of laat zou ook Jetje haar de waarheid moeten vertellen hoe die smeerlap van een pa Neuville in hun beerput was verzopen. Want dat het ongeluk, twee zomers geleden, geen zuivere koffie was geweest had ze van bij het begin geweten.



0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (8 Stemmen)
04-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
05-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 9
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A06BIS   DE GROTE OFFENSIEVEN 1937-1938.

 

Tijdens de laatste maanden van '36 wonnen de nationalisten met kleine plaatselijke offensieven gestaag terrein. Door de verovering van San Sebastian (5/9/36) konden ze het Baskenland van Frankrijk afsnijden en drie weken later bevrijdden ze de verdedigers van het Alcazar in Toledo. Heel de maand november trachtten zij verwoed met de steun van de pas aangekomen Italiaanse divisies Madrid te omsingelen, maar dat mislukte dank zij de heldhaftige inzet van de eerste Internationale Brigade (2.000 man). Mythische leiders als generaal Lister en "La Pasionaria" galvaniseerden de weerstand van de Madrileense milities met de beroemde slogan:"No pasaràn !" (+/- = “Ze komen er niet door !)

 Wel moest de republikeinse regering haar zetel naar Valencia verplaatsen en de verdediging van de hoofdstad overlaten aan een "defensiecomité" onder leiding van de communisten. Dit comité werd sterk gesteund door Russische "raadgevers" die, eerst vanachter de schermen maar later steeds openlijker, in Madrid de teugels in handen namen.    Op 8 februari '37 veroverde Franco met Italiaanse steun de havenstad Malaga maar hun offensieven tegen Madrid werden een maand later bij Aranjuez, de Jaramarivier en Guadalajara door het volksleger en Internationale Brigades verpletterend teruggeslagen. De toestand rondom de hoofdstad zou nog twee jaar onbeslist blijven, ondanks een laatste groot links tegenoffensief bij Brunette (6-26 juli 37) dat echter jammerlijk mislukte.

Begin april startte de rechtse generaal Mola de "opruiming" van het noordelijke front :op 26/4/37 werd Guernica door het Condor legioen platgebombardeerd, Bilbao viel op 19 juni en tegen half oktober was heel Noord-Spanje in nationalistische handen.

Ondertussen werd echter tijdens de eerste week van mei in de straten van Barcelona een machtstrijd binnen het linkse kamp uitgevochten tussen enerzijds de Guardia Civil met de communisten en anderzijds de anti-Stalinisten van de P.O.U.M (Partido Obrero de Unificacion Marxista) met de anarcho-syndicalisten van de C.N.T. en de P.A.I. Deze broederstrijd duurt 4 dagen en eist 2.000 doden en gewonden. De P.O.U.M. werd buiten de wet gesteld en haar leider Andrés Nin op 22 juni door Sovjetagenten vermoord.       De (linkse)11.Divisie onder generaal Lister onderwierp vervolgens gewelddadig alle arbeidersmilities,  ontwapende ze of schakelde ze in bij het volksleger. Alle anarchistische verworvenheden van de revolutie werden vanaf 10/8/37 afgeschaft. De onteigende fabrieken en bezette landbouwgronden werden, mits een arbeiderscontrole, aan de vroegere eigenaars teruggegeven. Wie zich verzette werd door de communisten als "Trotskist" of als "agent van het internationaal fascisme" geëlimineerd...De nieuwe slogan luidde vanaf nu :éérst overwinnen en dàn pas hervormen !          

De "Russen" benoemden op 31/11/37 een nieuwe regering geleid door de communist Dr Negrin, met zetel in Barcelona. Ze richtten de S.I.M. op, een geheime politieke politie van 6.000 man onder bevel van de Russische Tcheka-generaal Orlov die tot het einde terreur bleef zaaien binnen de eigen republikeinse rangen. Alle linkse non-conformisten werden opgespoord, opgesloten en gemarteld in privé-gevangenissen waar hen meestal het nekschot wachtte.      

Dankzij het hardhandig temmen van de revolutionaire chaos kreeg het republikeinse volksleger een tweede adem. Terwijl de nationalisten tijdens de zomer '37 vanuit het westen steeds meer opdrongen in de richting van de nieuwe republikeinse hoofdstad Barcelona, lanceerden de roden op 15 augustus een sterke tegenaanval naar Zaragoza.

Onder de gloeiende zon bestormden de linksen er de ene heuvel na de andere en de Franquisten moesten 20 km wijken voor ze met in allerijl aangevoerde versterkingen een front konden opbouwen bij het stadje Belchite. Want Franco beschikte, in tegenstelling tot de roden, over sterke transportkorpsen die hem toelieten zijn reserve-troepen vlug aan te voeren. Voor het bezit van Belchite werd een week lang bloedig slag geleverd, tot het roden, die bij al hun offensieven steeds te weinig reserves achter de hand hielden, op 24 augustus '37 uitgeput terugtrokken.

Op 14 december, poogden ze met een aanval op Teruel opnieuw de druk op Barcelona te verlichten. Na dagenlange  strijd in ijzige sneeuwstormen, dreven ze de nationalisten uit de stad. Maar dezen gaven niet op en voor elk beschuttend dak werd verbeten gevochten. Beide kampen verloren dan ook meer manschappen door bevriezing dan door vijandelijk vuur. Bij de roden herhaalde zich evenwel het drama van Belchite :hun reserves waren uitgeput toen de nationalisten medio februari '38 in de tegenaanval gingen met verse troepen. Deze waren vrijgekomen na de vernieti-ging van de laatste republikeinse weerstand in Asturië. Een week later, op 24/2, was Teruel weer 'nationalistisch'...

Franco gunde zijn tegenstanders geen rust en lanceerde op 10 maart '38 vanuit de sector Teruel zijn groot lenteoffensief naar het oosten. Op 14 april '38 bereikten de Franquisten bij Sagunto, even ten noorden van Valencia, de Middellandse Zee en sneden zodoende het republikeinse grondgebied in twee delen :enerzijds het gebied rond "hoofdstad" Barcelona, waar de republikeinen zich volledig gedemoraliseerd opmaakten voor de ultieme strijd, en anderzijds de driehoek Madrid-Valencia-Granada, waar de "Russen" de laatste souvenirs in de valiezen pakten.

Premier Negrin poogde nog via Frankrijk Franco tot vredesbesprekingen te pramen, maar deze eiste de onvoorwaardelijke overgave. Daarom besloten de "Russen" de Spaanse roden door te laten vechten tot het bittere einde, in de hoop dat ze het konden volhouden tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog waarin de "democratische landen" openlijk de republikeinse zijde zouden moeten kiezen in de strijd tegen het fascisme. En mochten ze onverhoopt toch vóór het uitbreken van W.O.II door Franco geëlimineerd  worden, dan konden ze nog altijd van nut zijn als heldhaftige martelaren voor de linkse propagandamolen...


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (8 Stemmen)
05-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
06-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 10
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A07. "...CES CLOWNS DE FLAMINGANTS..."

 

De zaterdag daarop werd Dis begraven en Marie moest toege­ven dat meester Engelborghs de zaken inderdaad groots had aangepakt. Iedere avond was hij na school op de fiets even langsgekomen, om haar van zijn bemoeiingen op de hoogte te houden :de steun die hij bij notabelen van de streek had losgewrikt en de hulp door politieke vrienden en sympathisan­ten uit het omliggende toegezegd. De pastoor had eerst wat dwars gelegen, maar was uiteindelijk toch bijgedraaid "mits een beetje aandringen"...Uit de verhalen die Dis haar destijds spottend had verteld, wist ze ongeveer wel wat dat 'aandring­en' kon betekenen...

Maar daarvan zou ze niet wakker liggen :ze had andere zorgen aan haar kop. Gelukkig had het werkvolk van de gemeente, op kosten van de Openbare Onderstand, al de gebroken ruiten in de straat vervangen, zonder dat ze daar aan te pas was gekomen. Een hele opluchting, want daarvan had ze wél een paar nachten niet geslapen.        

In feite was ze nérgens aan te pas gekomen en liet ze alles maar willoos over haar hoofd gaan, als in een zwete­rige angstdroom...

Ze schrok pas écht wakker toen al dat vreemd volk deze morgen met de lijkkoets voor de deur verscheen. Twee paarden in rouwkleed trokken, snuivend in de ochtendkou, de lugubere zwartgelakte wagen, met daarop dé kist onder een te schreeuwerige oranje vlag van het Verdinaso. Twee criante bloemenkransen wiegelden aan het met zilverdraad afgeboorde rouwbaldakijn, als vurige fakkels in de morgenmist. De ijzerbeslagen wielen knarsten op de bedauwde kasseien toen de koetsier zijn gespan blonde Brabanders intoomde en de handrem piepend dichtdraaide.

Vier vrienden van den Dis stonden wat onwennig in hun stijfge­stre­ken mili­tieuniform naast de kar de kou uit hun handen te klappen, tot meester Engelborghs - ook al in uniform - ieder­een " plaats-rust" commandeerde en aan de voordeur kwam klop­pen. Marie controleerde opgewonden nog even vluchtig of haar jongens er proper bijstonden,  knoopte de zwarte mantel dicht die ze van haar vriendin Jetje had geleend en stapte buiten.

De meester schudde haar overdreven vormelijk de hand en salueerde stram tegen zijn lefpet, die hij met de stormriem onder de kin had vastgesjord, als verwachtte hij zwaar weer. Met een breed armgebaar noodde hij hen naar hun plaats achter de koets, waar nonkel René al met een bokkig gesloten gezicht stond te wachten. Die kreeg zichtbaar de kriebels van al dat soldatesk gedoe...

Juist vóór de paarden stonden drie jongens in korte broek en met landsknechttrommels op hun hukken geïnteresseerd te kijken hoe één van de Brabanders met opgestrekte staart dampend en prut­telend zijn verteerd ontbijt vanonder zijn zwarte jurk tussen de achterpoten liet pletsen. Engelborghs verkocht één van de gasten een draai rond de oren en daarmee was de orde weeral her­steld.

Toen in de mistige verte het frêle geklep van de doods­klok het startsein gaf, plaatste de meester zich op kop en riep :" Trage pas...,voorwaarts...mars! " En de rouwstoet vertrok met de twee D.M.O.vaan­del­dra­gers en de drie jonge trommelaars mooi in de maat. De vier vrien­den omkaderden de lijkkoets, één naast ieder wiel, in stoere, stijve stap, goed gedrild.

Marie sloot met slappe benen twijfelend aan achter de kist, misselijk bleek onder haar zwarte sluier, die zurig naar azijn en wierook stonk. De jongens stapten rechts naast haar, ingetogen maar toch fier om de rol die ze mochten spelen in die vertoning. Nonkel René strompelde sakkerend aan haar linkerkant, verwoed pogend al lopende de verse paardenvijg van z'n zondag­se schoenen te vegen. Volgden dan Jetje met Stanse Berkenout en een troep buren, de eersten eerbiedig stil, de laatsten volop in gesprek.

Iedereen schrok zich een bult, toen de landsknechten halverwege de Bassevillestraat plots fors op hun trommen de trage treurmars aanvielen, zo van "Jef zal voor ons géén kommisjes niet meer doen, mét z'n schoon vélootje, mét z'n schoon vélootje "...Verder waren ze met het instuderen van de partituur waarschijnlijk niet gekomen, want zonder veel fanta­sie herhaalden ze voortdurend de zelfde mélopee :intreurig.         

Om hun goede wil te tonen, en naar gelang er meer nieuwsgierige dorpelingen op hun drempel kwamen kijken, com­penseerden ze - onder het motto "niet schoon, maar hard" - hun beperkt kun­stenaarschap door op hun trommen een nog ruwere roffel te rammen. De voorop marcherende militiemannen vonden alle baat bij deze forse muzikale ondersteuning van hun viriele trage marsvertoon, maar 't volk achteraan deed verder geen moeite en wierp af en toe een bonjourtje naar vrienden langszij, waarvan er een paar links en rechts bij de stoet aansloten...

De straat was blijkbaar niet erg haatdragend voor de vele schade die de overledene met die ontploffing had veroorzaakt...Als hém de volle schuld wel trof, want daarover waren ze het ver van eens!  Elkeen scheen zo over voldoende geheime inlichtingsbronnen te beschikken om zelfzeker de wildste allusies te lanceren...En vreemd genoeg kwam de garde daar niet ongeschonden uit. Iedereen wist immers al lang dat die bommen daar lagen, hé, en de gemeente had nooit iets gedaan om dat stuk duin te laten ontmijnen...Maar wacht tot bij de verkiezingen, zie!           

De pastoor stond, geflankeerd door twee witgerokte misdienaars, vóór het kerkportaal vol ongeduld hun aankomst te verbeiden, nors tussen twee hagen Dinaso's in vol uniform. Toen de oranje kist door de vier vrienden op de schouder werd binnengedragen, sprongen de erewachters als soldaten stijf in de houding, de linker duim achter de koppelgesp, de rechter arm omhoog gestrekt.            

Op de zwarte arduinen plavuizen van het middenpad liet de kist een fijn spoortje wit zand na. De schoolkinderen bij het kerkorgel zongen onder de zwierige leiding van meester Denolf met zilveren stemmetjes zeer gedreven van " Mijn Vlaandren heb ik hartlijk lief", maar Marie hoorde het nauwe­lijks.         

De dienst verliep in een waas en na afloop herinnerde ze zich enkel dat het kegeltje wit zand onder de oranje kata­falk op den duur tot pijnlijke proporties was aangezwollen en dat alle kerkgangers er brutaal naar reikhalsden toen het 'lijk' weer naar buiten werd gedragen...

De korte gang naar het kerkhof leek haar eindeloos lang. Bij het neerlaten van de kist zand in het vers gedolven graf weende ze beschaamd om heel die absurde komedie en ze kreeg haast een beroerte van schrik toen de mannen, na een krachtige afscheids­rede van de meester, plots in koor " Dietsland...,hou zee! !" brulden, als stonden ze op een meeting...Wat een poeha om een beetje zand in een put te dumpen! ...In een flits dacht ze aan de kleuters die op het zomerse strand met een geel emmertje het water uit een strandmeer­ naar de zee sjouwden...

In het rokerige café moest en zou nonkel René, die sinds kort twee voortanden miste, boven het rumoer uit, over die flaminganterij met de nodige vloeken zijn lever luchten. Dat hij daarbij de meester meermaals uitnodigde zijn familiejuwe­len te zoenen bleef tot spijt van de omstaanders zonder ge­volg...Want Engelborghs beperkte hautain het intiem­ contact tot het voortdurend wegve­gen van nonkels spuugspatten uit zijn ge­zicht.

Na een uurtje begon het bij de toog lelijk uit de hand te lopen en trok Marie haar jongens mee naar buiten, erg tot hun ongenoegen, juist nu het interessant beloofde te wor­den...Verne­derd en versla­gen stapte ze stijf naar huis terug, strak voor zich uit starend door haar zurige sluier...

De volgende zaterdag kwam de meester nog eens langs en ze bedankte hem zonder veel overtuiging voor de hulp en de steun...Maar hij wuifde het grootmoedig weg.

" Alleen had ik het nooit gered," dacht ze nadien, " Ik had tegen die man wel wat vriendelijker mogen zijn...De schade aan de huizen in de buurt én de begrafeniskosten : het zou haar leven geruïneerd hebben...En de plechtigheid is toch nog goed verlopen, ondanks al die politieke beunhazerij "...Ook met het oog op de toekomst, ware ze best wat coulanter ge­weest...overwoog ze bedremmeld.            

Dat van die lege kist had hij haar uitgelegd : de onder­zoeks­rechter van Veurne kon zijn dossier nog lang niet afslui­ten en het gemeentehuis mocht, bij gebrek aan stoffelijk overschot, het overlijden niet zonder meer registreren. Om tijd te winnen was het dan maar een soort gedenkmis geworden, een zuivere plechtigheid zonder administratieve waarde. En vanzelfsprekend, ook zonder lijk... Dat was ook de reden waarom ónze pastoor geweigerd had de dienst op te dragen zodat de herdenkingsmis tenslotte in Lombardzijde was doorgegaan...

"Een toneelvoorstelling..." dacht ze bitter, " Een ordinaire cirque, ja! ...Zuivere plechtigheid, m'n gat! "      

En dat witte zand dat uit de kist was gelopen? Daar zat de meester voor niets tussen: de begrafenisondernemer had de kist wat menselijke zwaarte willen geven met twee zakken duinzand en misschien was één daarvan gescheurd of openge­gaan. Maar hoe dan ook, iedereen wist toch dat van den Dis niets was overgebleven en dat van hem ook niks in de kist kon liggen : het was zuiver zinnebeeldig geweest, had Engelborghs nog even gepleit.

Marie was zacht beginnen wenen en dit had, vreemd genoeg, de meester niet op de vlucht gedreven. Mannen druipen meestal af, uit schaamte voor hun machteloosheid, uit takt, of gewoon uit lafheid...De meester was gebleven. Hij had de koffiekan van de Leuvense stoof genomen, twee grote tassen uitgeschonken - zwart - en zich weer naast haar aan tafel gezet, vastbeslo­ten dit probleem tot op de bodem op te lossen.

Dat er geen geld in huis was om de eerste maanden door te komen stond voor hem als een paal boven water. En of de verre familie al dan niet kon helpen, vond hij zelfs geen overweging waard : langs Dis zijn kant leefde niemand meer en met de Cattrysses lag zij al eeuwen overhoop. Neen, hij zou zelf wel zorgen voor een kleine toelage van de Openba­re Onder­stand. Vanaf juli volgend jaar kon kleine Leon gaan werken, want dan was zijn schoolplicht afgelopen. Die geplande bijko­mende drie jaar op de "école moyenne" in Nieuwpoort zullen we maar vergeten, daar werd in de huidige omstandigheden toch niemand beter van.

Maar Joseph moest als oudste zeker voort studeren :de cadetten­school was kosteloos en leidde naar een goede loopbaan in het leger. En voor Maria zelf zou de meester wel een post vinden als werkvrouw of keuken­hulp bij 'Ons Rustoord' aan de overkant van de straat, bij voorbeeld. Dat was een schoolkolonie van de kalot­ters, waar doorlopend een tweehonderd bleke stadsmussen in klasverband veertien dagen van de gezonde zeelucht kwamen genieten. Mits zijn eigen autoriteit en wat druk op de pastoor viel dat wel te rege­len...Want die had nog iets goed te maken.

Zijn zelfvertrouwen werkte aanstekelijk. En toen hij weer op de fiets sprong en wegreed, was er al een zwaar pak van haar hart afgegleden. Ze kon weer wat helder denken en haar pragmatisch boerinnen­verstand verdrong de vrees voor de toe­komst :" We slaan er ons wel door..."

Op het einde van de eerste schooldag na de begrafenis kwam Leon buiten adem de keuken binnengestormd. Uitgelaten zong hij :" Ik krijg nieuw konijntjes, ik krijg nieuw konijn­tjes! ". Marie gaf hem een speelse draai om de oren : zo'n vreugdedans paste niet in een sterfhuis, vond ze, maar ze liet hem toch voortvertellen.

Wel, meester Engelborghs had met alle jongens van de klas afgesproken om Leon van hun eerstvolgend konijnennest één jong te geven!  En morgen mocht hij al met een mandje naar Kamiel Blomme eentje gaan halen!  Ha, het leven had weer zin!

"Zorg dan maar rap dat er een hangslot op de deur van de abri komt, anders heb je de kortste keren opnieuw het spek aan je been! "

De zaterdag daarop kwam Joseph met een triestig ge­zicht in vergunning. De commandant van de school had hem op het rapport laten roepen. Eerst meende Joseph dat het voor een soort condoleantie zou zijn en dat bleek ook zo :kort en formeel, gevoelloos en geen woord teveel...

Maar dan kwam de koude douche :" Dis donc, mon ami,  qu'est-ce qu'on me raconte là ?...Cet enterrement, c'était plutôt un meeting politique, ou quoi?" Op de pasgevormde Vlaamse cadettenschool van Saffraenberg was de staf nog steeds Franstalig.

" Naar het schijnt heeft de school een afvaardi­ging gestuurd ",vertelde Joseph beteuterd :"de turnmonitor Caporal-Chef Synaeve en een medeleer­ling van m'n klas...Ik heb ze tussen al dat volk niet herkend en dus ook geen goedendag gezegd. Daarvoor waren ze naar het schijnt wat in hun gat gebeten...En ze hebben het op school eens goed gezegd, van al die vlaggen en militieuniformen, en de liederen over Vlaande­ren en wat weet ik allemaal...De commandant was vies gezind en hij heeft mij ferm onder m'n voeten gegeven :" Les flamin­gants, mon fiston, on les enmerde!  On en a pas besoin chez nous, tu comprends!  Si tu veux ètre copain avec ces clowns ­du V.N.V., ou ces zigotos du Dinaso, alors ta place n'est pas chez nous!  Compris! ?..."                                 

" Dat is zo vijf minuten aan één stuk doorgegaan en ik heb altijd maar 'Oui, mon commandant 'gezegd, wat wilt ge...En voor ik buiten vloog uit z'n bureel zei hij nog, zo met een dreigende wijsvinger omhoog :" C'est bien fini, compris! ?"...En ik kon gaan..."

Joseph was er de put van in.

Leon moest er om lachen :" Bien fini, compris ?", aapte hij z'n broer na. " De klootzak! ",besloot hij kor­daat, en kreeg van Marie een verma­nende mep op zijn kop.       

Toen de rust aan tafel was weergekeerd en Joseph zijn gezicht opnieuw in een zorge­lijke plooi had getrok­ken, zei ze sussend :" Luister, ventje, wees kalm en doet uw best, dat zal allemaal wel vlug slijten...En zohaast ik meester Engelborghs zie, zal ik er hem eens over aanspreken..."        

Een paar dagen later kreeg ze daartoe de gelegenheid,  toen de meester haar kwam vertellen dat ze zich vrijdag bij de econome van 'Ons Rustoord' mocht presenteren voor de post van kuisvrouw. Maar ze was daarmee zo blij, dat ze niet durfde spreken over de last die Joseph had ondervonden door dat stom politiek vertoon op de begrafenis. Meester Engelborghs zou dit nastampen zeker kwalijk nemen en hij zou nog groot gelijk hebben ook!  ...Neen, als nu de donkere wolken boven haar hoofd geleidelijk wegtrokken en alles langzamerhand weer in de goede plooi viel, had ze dit in hoofdzaak aan de meester te danken,  en dat zou ze nooit vergeten!

Maar "nooit" duurt héél lang, en de toekomst ligt niet in mensenhanden : dàt zou Marie binnen de kortste keren nog duchtig aan den lijve ondervinden...          


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
06-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
07-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 11
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A08BIS.JORIS VAN SEVEREN, LEIDER VAN HET VERDINASO.

 

Geboren in Wakken (W-Vl) op 19/7/1895 uit een Franstalig bourgeoismilieu. Zijn vader was er een welgestelde notaris, en burgemeester onder het wakend oog van dorpspastoor Hugo Verriest, terwijl zijn zeer gecultiveerde moeder stamde uit de Vlaamse christelijk-sociale elite. Drie sterke karakters die bij de jeugdige revolutionair respectievelijk een weerzin tegen het winstbejag van papa opwekte, een misprijzen voor het Vlaams miserabelisme van meneer pastoor en een voorliefde voor de Franse (!) literatuur om zijn moeder te pesten.

Toen de eerste wereldoorlog uitbrak ging hij als soldaat-vrijwilliger onder de wapens en werd al vlug officier. Door de minachting van de franskiljonse legerleiding voor het Vlaams kanonnenvlees sloot hij in '16 aan de Ijzer aan bij de Frontbeweging die na de oorlog zelfbestuur voor Vlaanderen eiste binnen het kader van de Belgische staat. De nutteloze slachting van onze jongens tijdens het "glorierijk bevrijdingsoffensief" (september-oktober 1918) prentte hem diepe weerzin voor oorlogsgeweld in.

Na de wapenstilstand trad hij toe tot de Frontpartij en werd in 1921 in Roeselare verkozen voor het parlement als Vlaams nationalist. De koppige Westvlaming voelde zich in eigen partij wat hooghartig genegeerd en zocht zich daarom scherper te profileren als separatist :hij streefde openlijk een Groot-Nederlands ideaal na en een solidaristische maatschappijopbouw. Herkozen in 1925 vond hij noch in de Kamer noch bij zijn medestanders veel steun voor zijn zienswijze en strategie. Pleegde politiek zelfmoord door op 29 november 1928 in het parlement een felle rede te houden over het einde van het Vlaams geduld en te besluiten met de uitroep :" La Belgique, qu'elle crève! "       

Dit Donquichotterig integrisme, zijn intellectuele kilheid en zijn ziekelijke drang naar orde en nauwgezetheid - ook voor zijn eigen persoon - deed hem echter meer en meer als een elitaire dandy overkomen. Omdat hij ook eigen kiezers hooghar­tig bejegende en geen dienstbetoon leverde werd noch hij, noch zijn boezemvriend Wies Moens, in 1929 herkozen. De Frontpartij ging in de Kamer wel van zeven naar elf zetels, maar Van Severen viel zonder inkomen en werd van toen af, ondanks zijn ascetische levenswijze, door kwalijk geldge­brek in al zijn politieke plannen beknot.

Want plannen had hij bij de vleet. En steeds nieuwe,  wat hem constant in aanvaring bracht met zijn vrienden in de Frontpartij. Die noemden hem spottend "de wispelturige jonker"...Aangezien hij zelf geen actie meer kon voeren in de Kamer, radicaliseerde hij zijn standpunten onder het leitmotief van Mussolini:" De échte actie ligt bùiten het parlement! "                

De Duce bleef vijf jaar lang zijn politiek idool, maar in '35 werd de Portugese burgerdictator Salazar zijn lichtend voorbeeld. Deze moest, begin '39, wegens zijn dubbel­zinnige houding na de Spaanse burgeroorlog, op zijn beurt de plaats ruimen voor Mustafa Kemal Ataturk... Daarentegen, voor Hitler heeft hij het nooit gehad.

Door zijn revolutionaire drang naar een elitaire, autori­taire staat sloot hij zichzelf buiten de Front-partij. In oktober 1931 richtte hij zijn eigen beweging op :het "Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen" afgekort VERDINASO. Hij wilde Vlaanderen samensmelten met Nederland via geweldloze buitenpar­lementaire druk van een leidende elite, zoals Mussolini had gedaan met zijn "Mars op Rome". Veel Fronters w.o. Wies Moens, Juul de Clercq, Emiel Thiers, Pol le Roy, Jef Missoorten, Jef François, Ward Hermans en Leo Poppe volgen hem. Zijn tegenstanders uit de zieltogende Frontpartij richtten in 1933 het Vlaams Nationaal Verbond op (V.N.V.) die de Vlaamse ontvoogding nastreefde BINNEN de Belgische staat via parlementaire actie.

Van Severen heeft slechts tien jaar kunnen ageren en moest wegens geldgebrek meerdere malen koers wijzigen. Hoewel zijn aanhang elk jaar minstens verdubbelde kwam van zijn Utopia in de praktijk niets terecht. Het imago van zijn beweging straalde oprechte eerlijkheid uit en zijn soldatesk goed gedrilde troepen van de geuniformeerde "Dinaso Militie" kwamen tuchtvol en zelfzeker over. Maar omdat zij zich beperkten tot de beschérming van de Dinaso-meetings en braaf agressie vermeden tegen de 'democratische' partijen mocht Van Severen zijn utopische machtsovername naar Italiaans model vlug vergeten. Zijn militair vertoon bij stadsmarsen, rond de 'Landsdagkampen' en de meeting-zalen trok wel veel volk, maar niemand zag daarin een bedreiging voor het bestaande landsbestuur.

Toch vaardigde de regering, na het Dinaso-machtsvertoon op de tweede Landsdag in Tielt (10/9/'33) de anti-militiewet uit. De boetes wegens de overtredingen brachten in 1934 het 'Verbond' op de rand van het bankroet en verplichten Van Severen tot "De Nieuwe Marsrichting", een zoveelste verwatering van zijn stichtingsprogramma waardoor de meeste kopstukken in de daarop volgende jaren het lekke schip verlieten. Ook de Dinaso-militie moest nog een paar maal van naam veranderen om aan een buiten-de-wet-stelling te ontsnappen. Zo bleef 'D.M.O' het logo van steeds wisselende samenstellingen met 'Dietse' of 'Dinaso', 'Militie' of 'Militanten', 'Orde' of 'Organisatie', maar verloor de "Stormtroep" gaandeweg zijn tanden.

Op de meetings verschenen naast de 'Oranje-blanje-bleu' vlaggen van het Verbond steeds meer Belgische driekleuren, werd soms in het Frans gespeecht en Walen tot rasechte Dietsers omgedoopt en binnengehaald. De oude garde die walgend afhaakte werd honderdvoudig vervangen door een toevloed van nieuwe leden. Maar toen Van Severen, ondanks dit populair succes, in april '39 koppig weigerde aan de parlementsverkiezingen deel te nemen, brak een paleisrevolutie uit waarvan het Verdinaso nooit herstelde.


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
07-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
08-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 12
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A09  ZOTTE STEINER

 

      Alles slijt. De schokgolf veroorzaakt door de geweldda­dige dood van Dis ebde langzaam weg, temeer daar de gemeente­verkiezingen er aan kwamen. Wel bleef de geruchtenmolen over de” mogelijke dader" traagjes voortdraaien. Maar deze zou zeker na een week stilgevallen zijn zonder het vreemd verslag dat die maandag in” De Kustwacht", het Oostendse regionale dagblad, verscheen op bladzijde twee.     

      “ Hebt ge't gelezen wat ze van den Dis schrijven in de gazet?" vroeg Jetje gejaagd toen ze na haar boodschappenronde bij Marie binnenviel.” Een schande! Dat ze dat allemaal zo maar mogen rondstrooien! Hij ligt in de” Lekkerbek" hier achter de hoek. Ge moet eens gaan zien: pakt een pint, het is de moeite waard!"

      " Wat valt daar na veertien dagen nog over te vertellen dat de mensen niet weten?" vroeg Marie wat moedeloos.

      "Leugens tiens, wat ànders?! Die van de gazet hebben Gaspar Soete ondervraagd en d'er een soepje van gemaakt. Dat hij op de tram, van naast de wattman, na de slag duidelijk een mens heeft zien weglopen langs de rails en dat het mogelijk den Dis zelf zou kunnen geweest zijn!"

      “Den Dis?? Maar mens, die was toen toch al dood, nà de slag! Wat is dat nu voor zever!"

      "Wel, ge moet maar eens gaan lezen, ge zult dan wel zien dat het geen zever is!"

      "Dat ziet ge van hier dat ik daar geld voor een pint aan ga geven! Dat ze schrijven wat ze willen :de oplossing zal van de gendarmen moeten komen en niet van al die rotte vuilschrijvers."

      "Ha, bon...Als ge 't zo oppakt...Ik ga m'n groentes kuisen, salut!"

      "Die is wat in haar gat gebeten, geloof ik" dacht Marie. En met al dàt had ze nog vergeten haar vriendin het goede nieuw te melden van haar mogelijke aanwerving als keukenhulp in” Ons Rustoord", hier aan de overkant...

      Maar na de middag, toen Leonnetje terug naar de knechtjesschool was vertrokken, kon ze toch niet nalaten even in de ” Lekkerbek" binnen te wippen. Het artikeltje was vlug gelezen, maar het verteren zou jaren in beslag nemen: er was altijd maar sprake van "de verdwenen D.Petré", aangezien” de Heer Veldwachter Capoen benadrukt dat er geen stoffelijk overschot is gevonden en de Heer G.Soete de mogelijkheid niet uitsluit in de vluch­teling langs de tramrails de vermiste Petré herkend te heb­ben."

      "'t Is me nogal wat gezegd, hé Marie!..." onderbrak de waard haar opkomende woedeaanval :"Mensen, wat die gazetteventen allemaal durven drukken, hé !" 

      "Waar haalt de Soete het uit dat hem den Dis heeft zien lopen, verdomme! Hij was weer zat zeker!"

      "Ja, hij had er één op, en is ten andere naast de voeten van de wattman gevallen toen die na de slag alles dicht gooide zodat hij zeker niet veel gezien kan hebben. Maar 't schijnt dat hij dat ook nooit beweerd heeft, dat hij den Dis zou herkend hebben: dat is een uitvindsel van die gazettenvent. Daarentegen: hij is mordicus zeker dat hij iemand langs den spoordijk heeft zien vluchten, in een flits, tegen de richting van de tram in, juist vóór hij viel. En dàt geloof ik van hem. Maar wie dat geweest is zullen ze wel nooit te weten komen..."       

      Daar vergiste de waard zich echter deerlijk in...     

      De gemeente­raads­verkiezingen van dit voorjaar '38 deed de stemming in de café's van het dorp weer sterk stijgen.            

      Gestructu­reerde politieke partijen kwamen er niet echt bij te pas: of men al dan niet katholiek, libe­raal, socialist of flamingant was, werd niet over de daken geschreeuwd. Men stemde op lijst één, twee, drie of vier: voor Zielens, Deput­ter, Van den Kerckhove of Van Huffel; de notaris, de hereboer, de brouwer of de hotelhouder. Ze werden niet op hun ideologie gekeurd - als ze die al hadden - maar vooral op het aantal pinten dat ze trakteerden. En op dat gebied vertrok de brou­wer met een straatlengte voor. Maar ook hun plannen om de Duinen­laan te asfalteren, of cijns te heffen op de vreemde hotelgas­ten sprak de mensen aan. Grotere projec­ten moesten ze de kiezers verder niet beloven, want die reken­den verrassend vlug uit hoeveel belastingen hen dat weer zou kosten...En als het bleek niet van onmiddellijk nut te zijn, mochten ze hun stem wel verge­ten.

      Van een algemene verrecht­sing, zoals nationaal en ook buiten de landsgrenzen werd vastgesteld, was in het dorp niets te merken. De massale intocht van 21 Rex-volksverte­gen­woordi­gers in het parlement bij de laatste verkiezingen van mei '36 liet de mensen Siberisch koud :het stoken tegen de politico-financiële schanda­len, dat aan de basis lag van Leon Degrelles succes, had de laatste twee jaar niets veranderd aan de ”ver­molmde democratie" die hij beloofd had uit te mesten.

      Ook het V.N.V. had daarbij zijn aantal zetels verdubbeld, van 8 naar 16, en de communisten hun verte­genwoor­diging zelfs ver­drievou­digd, van 3 naar 9, terwijl de traditi­onele bour­geois­partijen zware klappen hadden moeten incas­seren. Wat premier Van Zee­land niet belet had nà de verkiezingen van '36 met de zelfde ploeg voort te regeren zoals voorheen, ondanks alle kiesbelof­ten.

      De traditionele gazetten brachten wel voorzichtig kritiek uit, zonder echter in eigen vlees te snijden. Enkel de extre­mistische pers schreeuwde over het politiek verraad van de partijen, de schandalige oplichting van de kleine spaarders door het failliet van de” Bank van de Arbeid" en die van de” Boerenbond" en de corruptie in de hoogste regionen. Maar veel invloed hadden die artikels niet op de dorpspolitiek :in de weinige kranten die er verkocht werden vonden de mensen enkel de sport interessant, en meer dan tien radiotoestellen waren er in heel  het dorp ook al niet te vinden.

      Dat in de Spaanse bur­ger­oorlog nog dagelijks paters en nonnen werden vermoord speelde al evenmin een rol. En dat 'de Heer Hitler', zoals de kranten hem beleefd noemden, z'n éérste vijfjaren­plan in Duitsland glorieus af­sloot met het inpalmen van Oos­tenrijk, interesseer­de de mensen minder dan de laatste over­winning van "den Végé" of "den As­so",de voetbal­ploegen van Oostende. En dan nog enkel omdat er na de wedstrijd was ge­vochten en een paar bloedneu­zen geslagen...Dat het twééde vijf­jaren­plan van Meneer Hitler een dikke veertig mil­joen doden zou kosten, kon­den ze toen vanzelf­spre­kend nog niet weten...       .          

      Maar zoals gezegd: ideologieën - of enkel maar ideeën - kwamen er in het dorp niet bij te pas. Het ging altijd over centen, over de aanbestede werken, de gegunde strand-con­cessies, de huisvuilop­haling door Jan (en waarom verdomme niet door Pier?). En caféruzies braken steevast uit omdat één of andere zatterik zich tekortgedaan voelde, of géén spreekwoordelijke vinger in de pap had gekregen.   

      De enige die in Westende politiek kleur bekende, was Steiner, de schoenlapper: rood tot in zijn haarwortels! Een jaar geleden kwam die uit het niets het dorp binnengewaaid en opende zijn winkeltje op de hoek over het gemeentehuis. In een mum van tijd hing zijn uitstalraam vol plakkaten met manmoedig vooruit stormende plebejers, die onder een zee van rode vanen onver­saagd ten strijde trokken tegen de uitbuiters van het volk.    

      Slogans zoals” Laat de Rijken den Crisis betalen!",” Proleta­riërs Aller Landen: Verenigt U! " of” Het Patronaat Buiten, Alle Macht Aan Den Arbeider!" hadden hem van meetaf aan de banbliksems van de pastoor bezorgd. Veel werk kreeg hij dan ook niet van zijn nieuwe dorpsgenoten en als hij in zijn tal­rijke vrije momenten, wat misprijzend tegen zijn deurpost leu­nend de magere klandizie opwachtte, liepen de meeste mensen  in een boog om hem heen.

      De taterwijven fluisterden iets van “ anarchist" - wat dat ook mocht betekenen - en hij kreeg al vlug de bijnaam van 'de zot', wegens die wilde blik in zijn ogen en dat bleke gezicht waarop hij destijds, als jonge gast met de eerste wol snor en sik had gekweekt in een poging om op Lenin te lijken. Wat hem ondertussen goed gelukt was. Hij zag er ouder uit dan zijn leeftijd - achtendertig - wegens al die jaren in de koolmijnen. Daarna had hij nog een paar maand in de bak geze­ten. Wegens raddraaierij bij stakingen en opstoot­jes, wist men te vertel­len...Voor de rest bleef het verleden van de” Rooie Zot" een donker mysterie.

      Terwijl Marie in de ”Lekkerbek" het leugenachtige ver­slag van de vluchteling verwerkte, stond Steiner weer een luchtje te scheppen tegen zijn deurpost. In heel de dorpskern viel er geen kat te bekennen. Tot plots de veldwachter uit het gemeentehuis aan de overkant zijn fiets uit het portaal de straat op duwde ,nogal onhandig wegens die dikke rol affiches onder de arm. Steiner zag hem recht op zich afkomen en bedwong een aandrang om naar binnen te wijken: beter moedig hier op de drempel de strijd tegen het repressieapparaat aangaan. No pasaràn verdomme!

      De garde zette zijn fiets bedachtzaam tegen de gevel van de schoenmaker en deed alsof hij deze nu pas in het deurgat zag staan :"Ha Steiner ! Hier zie, het reglement van de ver­kiezingen ! Hangt dat eens in uw vitrine, met de tekst goed leesbaar naar buiten gekeerd !"

      "'t Hangt al vol bij mij, voor deze vodden heb ik geen plaats !" Dacht die sabelsleper nu echt dat hij het volk zo maar kon commanderen?...

      "Kom, zijt maar braaf, ventje, en hangt dien brief hier waar ik het zeg !" Hij drukte zijn wijsvinger in het meetkun­dig middelpunt van de ruit, juist in de opengesperde mond van een protesterende Spaanse brigadist.

      "Daar is 't al bezet, dat ziet ge toch !"

      "Voilà, hier is uw affiche: uw winkel is een publieke plaats en doe nu maar wat ik zeg! Ik ben niet gekomen om te discuteren, vent" - en ging plots op fluistertoon voort -” maar om u te verwittigen dat de gendarmen bij mij zijn ge­weest over die ontploffing...Ge zit in slechte papieren, mak­ker, en ik moet u spreken :vanavond ten achten aan 't strand op 't einde van de Zeelaan. En ziet dat ge er zijt." En zonder verdere uitleg greep hij zijn fiets en reed naar café” De tramstatie"... 

      "In slechte papieren" mompelde de schoenlapper verbaasd,” En 'k zou verdomme niet weten waarom !" Over die ontploffing, had de garde gezegd. Maar daar wist hij inderdààd niets meer van! En dat verontrustte hem wel een beetje, eerlijk gezegd. Peinzend slofte hij naar binnen en zette zich achter zijn leest. Hier kon hij het beste nadenken.

      De laatste dagen had hij hier al dikwijls werkloos zitten piekeren, peilend in zijn geschokt geheugen. Maar veel aarde had het niet aan de dijk gebracht buiten de herinnering dat hij was gaan stropen, die nacht. Dat schriele konijntje had hij zelfs nog weggegooid :de moeite van het stoven niet waard. En dat de garde hem gepakt had en door de duinen meegevoerd tot aan die hoop obussen om er de wacht op te trekken...

      Later had hij in zijn schoftzak nog over de drie kilo buskruitschilfers gevonden. Die had hij hoogstwaarschijnlijk nu weer uit die granaten gepeuterd :zijn beproefde manier om aan springstof te komen...Maar zéker was hij daar niet van.

      Over een ontploffing wist hij niets meer, ook al moest hij er volgens de garde met zijn neus bovenop hebben gestaan. Want die was hem de zelfde avond nog komen opzoeken, zogenaamd om een paar bottines in herstelling te geven. In feite wilde hij hun alibi afspreken: een leugen om bestwil. Dat ze op de terugweg vanaf de Apenberg nooit door dat duinpad van de doorsteek voorbij die granaten waren gekomen, maar langs het tramkot van de Grote Baan op de Zeelaan waren geraakt. Daar zou de champetter hem met een vermaning vrij naar het dorp hebben laten voortgaan, om zelf een pint te gaan pakken in café ”De Lekkerbek"...

      Zo had hij het twee dagen later ook braaf aan de gendarmen verteld, die bij hem waren binnengeval­len, zogenaamd om zijn affiches met linkse propaganda te keuren. En ze hadden alles zonder problemen geslikt. Na hun vertrek was hij ook eens naar de bomtrechter gaan kijken, eventueel om zijn geheugen wat op te frissen. Maar de garde, die daar bezig was met twee doppers een hele hoop dode meeuwen op te ruimen, had hem bits weggestuurd. Dat maakt dat hij nog steeds met dat gat zat in zijn geheugen...Misschien kon hij vanavond van de garde iets oppikken dat een beetje licht zou brengen in zijn duistere herinneringen...  

     

      Leonnetje kwam na school zielsgelukkig de keuken in gerend me een geperforeerde schoendoos onder de arm.

      "Moeder! Moeder!" Marie schrok uit haar berekeningen op: "Zeg, kalm aan hé ! Of staat uw broek in brand?!"

      Maar de kleine scheen het niet te horen :"Hier zie, vier nieuw jongstjes voor mijn keunekot ! Die zwarte is van Jacky Legein, die twee witte van Victor Gunst en die grauw-oranje gevlekte van Omer Huygebaert. Die vind ik het schoonste, die gevlekte hier..."

      "Ja maar, zijn 't bokken of moeren?" Haar praktische aard kwam weer boven. Bleek dat hij nog geen tijd had kunnen nemen voor een genitale selectie: ze hadden hem de doos maar gegeven nà de bel vanavond.

      Maar die scheiding der sexen mocht zijn plezier niet verbrodden: "Ik zal ze rap in een schoon kot steken, zie...Om te beginnen allemaal samen hé Moeder. Voor de warmte en om het gewoon te worden, vannacht..."

      "Doe maar jongen, het kan tóch geen kwaad..." Maar hij liep al de hof in naar de abri. Monkelend keerde ze terug naar haar berekeningen. Ze kwam juist terug van” Ons Rustoord" waar de econome Madame Jadot haar even koel keurend had bekeken - zo van” Is dàt nu die beruchte flamingante?" - en haar vervol­gens een uurrooster had toegeschoven met een korte uitleg in gebroken Brussels. Marie stond er samen met Rosalie Coulier getweeën als keukenhelpsters, zag ze, elk met een halve uur­rooster in continu. Op twee weken klopte ze 96 uren waarvan 16 tussentijdse rust,alles vol betaald aan vijf frank per uur, en twee dagen vrij. Voor overuren kreeg ze zes frank. Dat kwam alles bijeen op een duizend frank per maand: waarlijk een deftige pree vond ze, voor omzeggens halve dagen!...Merci meester Engelborghs !

    
  Steiner moest op het pikdonkere strand achter de” Wel­kom" niet lang zoeken naar de garde: de sliert stinkende rook van diens groffe Semois-pijptabak leidde de schoenlapper feilloos tot bij het eerste helmgrasbultje.

      "Kunt ge niet op tijd zijn?" bromde deze :"Ten achten is ten achten, en geen twintig nà, hé makker ! Nog vijf minuten en 'k was hier weg geweest ! Dan had ge morgen uw plan kunnen trekken met de gendarmen..."

      Die dreigende ondertoon voorspelde niets goeds, vreesde Steiner en hij besloot maar wat te bukken.

      "'k Heb ik ook zo geen schoon horloge lijk gij hé garde...Ben thuis vertrokken op slag van kwart vóór. Maar aan de deur hield die van Coulier me tegen om haar verzoolde zondagse schoenen af te halen. En zaken komen éérst, dat weet ge : zes frank is weer een middag eten..."

      "Als ge niet oppast krijgt ge binnenkort eten voor niets, plus een gestreept kostuumtje van de staat. En moogt ge een paar jaar zakken plakken in Brugge. Want de gendarmen hebben u verdomme lelijk in de mot, man! Da's iets dat zéker is..."

      "Maar 'k zou verdikke niet weten waarom! Toch niet voor dat gestroopt konijn zeker, van twee weken geleden! Ge hebt gezegd dat ge daarvan geen proces ging maken..."

      "Vent, zevert niet over dat konijn ! Dat interesseert geen kat ! Nee-neen: ze willen u stekken voor de doodslag op Petré. En als ge morgen niet juist zegt wat ik nu probeer in uw stomme kop te prenten dan hebt ge 't spek aan uw kloten voor minstens vijf-zes jaar !"

      Steiner schrok zich een bult. Zes jaar de bak in voor een affaire waarvan hij zich niets, maar dan ook NIETS kon herinneren. Want indien hij maar de minste schuld zou hebben aan de dood van Petré, dan zou hij het weten, of voelen, of hoe dan ook iets moeten merken...

      "Ik kàn daar niets mee te maken hebben..." wierp hij benepen op: "Ik had niets tegen die vent ! Die mocht van mij honderd jaar worden, met plezier!"

      "Zeg, Charel, niet met mij, hé ! Gij, een uiterst rooie bolsjeviek, tegen hém :een bruine fascist...

      Daarbij, er zijn getuigen! De gendarmen hebben een brief gekregen, ongetekend vaneigens, maar ge verstaat onmiddellijk dat Marie hem geschreven heeft. Ze zegt dat ze u heeft zien staan draaien, die zondagmorgen heel vroeg, daar waar de doorsteek, die wij genomen hebben door de duinen, uitkomt op de Bassevillestraat. Merkt: dat is vlak naast haar deur en dus zal ze u wel goed herkend hebben. Ik denk dat ge mij en mijn velo op dat moment juist uit het zand tot op de kasseien had geduwd en nog wat hebt staan zien tot ik achter de hoek was...Maar van mij spreekt ze niet in haar brief..."

      "Maar ik mocht ik daar toch staan! Dat is toch niet verboden, zeker, van daar te staan!" protesteerde hij heftig.       

      "Ja, vooral nadat ge verleden week gezworen hebt dat ge van het tramkot langs de Zeelaan recht naar huis zijt gegaan, stommerik! Dan zal de gendarm wel graag willen weten wat ge op dat zelfde moment dan daar aan de doorsteek deed, honderd meter ver de Bassevillestraat in. Allee, legt dàt eens uit!"        

      "Wel, 'k weet niet..."

      "Al chance dan dat ík het weet, hé !...Verdomme vent, moest ge mij niet hebben, ge zat al den bak in, en voor langen tijd !"

      Steiner was van geen kleintje vervaard, maar hij had toch een heilige schrik om weer in de gevangenis te vliegen. Die veroordeling tot zes maanden bak na de gewelddadige op­stootjes bij de mijnstakingen van '36 lag hem nog steeds fameus op de maag. Geen tweede keer! Als de gendarmen hem nu wéér kwamen pakken zou hij schieten! In zíjn eigen kop of de hùnne, maar schieten zou hij!

      "Luistert en doet uw oren open! Ge moet zeggen dat ge ook goesting had achter een pint, nadat ge mij in de ” Lekker­bek" zag binnen gegaan. Maar ge waart platzak en dacht daarom misschien in dat blauwerskot (t.t.z. café voor smokkelaars) ”'t Hapertje" op 't einde van de Bassevillestraat uw konijn voor een paar pinten te kunnen omruilen. Maar dat ge op weg in die straat, gekomen aan de barak van Petré, u bedacht hebt wegens de grote vaak. En op uw stappen zijt teruggekeerd naar de Zeelaan en recht naar huis zijt gewandeld om nog wat te slapen. Hebt ge't verstaan, van dat klein stukje Basseville­straat heen en weer? Niet moeilijk, hé!"

 


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
08-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 12 B
Klik op de afbeelding om de link te volgen

      Maar de volgende morgen lieten de gendarmen zich niet zo gemakkelijk in de luren leggen. Toen de chef zijn verhaaltje had genoteerd, bromde hij een paar maal nadenkend "Ha-zo..." onder zijn snor en wierp dan plots Steiner een priemend blik toe: "Dat klopt niet, hé vent. Dat klopt langs geen kanten! "

 

      Dit sloeg Steiners zelfgenoegzaamheid volledig aan scherven: "Wa-wat klopt er niet, Chef?"

 

      "Dat vertelseltje dat ge van de doorsteek terug naar de Zeelaan zijt gegaan, vent: vergeet dat maar. Ik heb getuigen die dat helemaal ànders hebben gezien! "

 

     "Ze liegt! Ze wil mij erbij lappen omdat ik links ben en haar vent rechts! Ik ben niet teruggekeerd naar de duinen maar van de doorsteek recht naar..."

 

      "Tututut!  Zeg dat nog eens: "Ik ben niet..."

 

     "Goed weten verdomme! Ik ben niet teruggekeerd in den doorsteek, maar recht naar huis gegaan om te slapen! Daar zie, en probeert maar eens het tegendeel te bewijzen: het is mijn woord tegen het hare! "

 

      "Het hare? Maar op wie hebt ge't, vent?"

 

      "Wel, dat wijf van Petré, tiens! Wie anders?! Ze liegt dat ze blauw ziet! Die brief van haar is helemaal gelogen..."

 

    De chef glimlachte minzaam: "Welke brief, vriend?"

 

     "Die ze naar de gendarmen gestuurd heeft, zonder te tekenen... Zo is het gemakkelijk om iemand zwart te maken, hé! "

 

    "En hoe weet gij dat wij een brief hebben ontvangen?"

 

      "Van de..." In een flits zag hij plots de val wijd open voor zijn voeten gapen. Die grijnzende smeerlap had hem er bijna ingeluisd...


      "Van wie, vriend?" drong de chef minzaam aan.

 

    "Van wie wat?...Die brief?...Maar van horen zeggen, tiens! "

 

     "En waar haalt ge dat Marie Petré die geschreven heeft? Ook van horen zeggen, zeker? "

 

      "Zij is d'enige die mij wil zien hangen..."

 

     "Denkt ge? Ik denk dat op dien gelukkigen dag dat ze u ophangen heel het dorp komt zien, sukkelaar!

 

      Maar 'k zal u eens iets vertellen:  Marie heeft dien brief niét geschreven, dat hebben wij gecontroleerd" loog hij. "Maar 't is wél interessant te noteren dat gij van die brief afwist..."

 

     Steiner kon zichzelf wel vervloeken. De garde zal hem dit verraad zeker duur laten betalen...

 

      "En ge blijft er dus bij dat ge niet meer terug de doorsteek zijt ingelopen, maar vanaf de barak van de Petrées recht naar huis zijt gegaan, hé?" Steiner knikte opgelucht: de storm was blijkbaar voorbij. De chef klapte zijn beduimelde notaboekje zuchtend dicht "Bon...Maar ge spreekt daar van de doorsteek "niet terug ingelopen te zijn hé ?"...Ge waart er dus eerst ùitgekomen, hé, anders zegt ge zoiets niet...Doe geen moeite om te ontkennen, want de getuigen zijn formeel. Hier zie! "


      Hij sloeg zijn nota's weer open, zoekend naar de juiste blad­zijde: " Voilà! De getuige zegt zo vroeg in de morgen harde mannenstemmen gehoord te hebben lijk van zatlappen en te zijn gaan zien. Zij zag een donkere schim lijk uit de doorsteek komen, struikelend in het losse zand. Hij riep nog iets, bleef wat staan zien en draaide zich toen om. Op dat moment herkende ik hem als de schoenmaker van het dorp Zotte Steiner, lijk wij zeggen. Hij wandelde dan op zijn gemak de doorsteek in en verdween uit mijn gezicht...Da's duidelijk hé vriend: ge kwaamt uit de doorsteek, dat staat vast! Maar wie was die tweede zatlap waartegen ge gesproken hebt?"

 

    Steiner leek wel een gebroken man: "Luistert Chef, ik was strontzat maar ik weet dat ik daar aan die barak hardop in mijn eigen heb staan redeneren of dat ik verder naar "'t Hapertje" zou gaan of niet. En misschien wel heb geroepen, dat kan zijn...En een paar stappen de doorsteek ingelopen om efkens in het los zand te gaan liggen uitrusten: okee...Maar van daar ben ik recht naar huis gegaan. Punt. Dat wijf is alleen niet lang genoeg blijven staan om mij te zien weggaan "

       

     "En van wat waart ge dan strontzat: de garde spreekt daar niet van! "

 

     "Maar Chef toch, hij was zélf poepeloere: dan ziet ge dat van een ànder niet, hé. Ik was gaan stropen en had een fles druppels meegenomen in mijn schoofzak, tegen de kou. En 't was stijf koud geweest, die nacht...Toen de garde mij te stekken had heeft hij mijn zak onderzocht en van mijn fles geproefd...goed dóórgeproefd, ge kent hem toch, hé..."

 

     De chef staarde hem lang peinzend aan en schudde toen meewarig het hoofd: "Ge stinkt Steiner, en niet alleen uit uwen bek...Ge zit tot over uw oren in de stront, makker, en uw medeplichtigen gaan u hoe langer hoe dieper duwen...Want ge zijt de ideale dader, vriend, dat weet ge toch hé?..."

 

    Hij sloeg zijn notaboekje weer open en las hardop voor: "Linkse extremist die onder andere al zes maand in de bak zat wegens raddraaierij bij revolutionaire stakingen in de Borinage, hé?...Da's al een zéér goed begin, hé! ...Kreeg een verplichte ver­blijfplaats toegewezen in Westende... Wat nog?... Als mijnwerker werd hij specialist in de behandeling van springstoffen. Moet er nog zand zijn?!... En 't is nog niet gedaan! Fanatieke antifascist, in het dorp bekend om zijn najagen van otupi... neen: ùùutopische linkse idealen... Met andere woorden: ge zijt een beetje zot. Ik zuig dat niet uit mijn duim, hé vriend: zo staat het in uw dossier op onzen bureau...Ik zou dus maar heel goed uit mijn ogen zien want vandaag of morgen hebben uw vrienden u liggen, als ge weet wie ik wil zeggen..."

 

    Na deze cryptische uitspraak tikte hij tegen zijn sjako en stapte met zijn zwijgzame collega de schoenlapperswinkel uit. Pas toen ze buiten op hun fiets stapten trok Steiner met een diepe zucht vanonder zijn leren schootsvel de revolver uit zijn broeksriem.


   "Allee, al chance dat ik niet heb moeten schieten" dacht hij opgelucht. Maar achter zijn rug hoorde hij zijn duivelse alter ego smalend lachen: "Gij schieten?! In uw broek, ja! "


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
08-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
09-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 13
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A10BIS  HITLER, DE BIERKELLERSTRATEEG.


 

                                                              Vanaf april '38 werd het steeds duidelijker dat Franco op een rechtse overwinning in de Spaanse burgeroorlog afstevende en daar als "Caudillo" de teugels in handen zou nemen om ons met nog één dictatuur méér te verrijken. Want men mag niet vergeten dat destijds de helft van Europa - op Engeland, Frankrijk, Zwitserland, de Benelux, Tsjecho-slovakije, de Scandinavische en de Baltische landen na - op autoritaire, dictatoriale wijze werd geregeerd.

In Italië had Mussolini in 1922 met zijn zwarthemden na een mars op Rome de macht veroverd en sindsdien dit land opgewerkt tot dé grootmacht van zijn "Mare Nostrum". Met zijn "permanente revolutie" en de embrigadering van jong en oud liet hij heel de bevolking in de (ganzen) pas lopen en kon, mits een weliswaar hardhandig onderdrukken van de oppositie, zijn vooruitstrevende sociale hervormingen doorvoeren. Met veel grootschalige openbare werken, zoals het droogleggen en in cultuur brengen van de Pontijnse moerassen en de kolonisering van Libië, loste hij in een oogwenk de werkloosheid op. Hij verdrong met het verdrag van Latranen (1929) de inmenging van de Kerk uit het openbare leven (oprichting van Vaticaanstad). Ondanks de eerder trieste vertoning van zijn leger bij de verovering van Ethiopië (oktober '35 tot mei '36) bleef Mussolini in eigen land zeer populair. Tot hij vanaf 1938 zijn lot te zeer aan dat van Hitler verbond en zich door deze in de Tweede Wereldoorlog zou laten meesleuren.

Hitler had, in navolging van Mussolini, in november '23 eveneens een putsch ondernomen om met zijn kleine nazipartij in de staat Beieren de macht te grijpen, maar was daarin jammerlijk mislukt (zoals trouwens een dertigtal andere heethoofden vóór hem). Het chaotisch klimaat in het verslagen Duitsland was daar tijdens de eerste vijf jaar nà de Eerste Wereldoorlog nochtans uitermate gunstig voor : allerhande ontslagen krijgsheren zwaaiden er met hun Freikorpsen de plak, werkloosheid dreef de arbeiders in de armen van de Rode revolutie en de inflatie (4 biljoen mark voor één dollar! ) bracht de middenstand tot de bedelstaf. De zwakke Weimar-republiek werd gewurgd door de 132 biljoen mark herstelbetalingen terwijl haar rijkste grensprovincies door het buitenland waren bezet, zoals de Elzas, het Rijnland, Silezië en West-Pruisen.           

Na de mislukte putsch schreef Hitler tijdens zijn negen maanden gevangenschap het warhoofdig meesterwerk "Mein Kampf". Dat werd de bijbel van het vernieuwde nationaal-socialisme en daarin kregen de joden de schuld van alle Duitse kwalen. Maar na zijn vrijlating bleek de mark gestabiliseerd en begon de Weimar-Republiek aan een nooit geziene economische heropbloei. Dit deed Hitler wijselijk van verdere revolutie afzien :hij zou de macht veroveren via de wettelijke weg.

En dat lukte aardig. In '28 veroverden de nazi's, dankzij de straatterreur van hun "Sturmabteilung" (S.A.) en Hitlers oratorisch talent, 12 zetels in de Reichstag. Na de beurskrach van Wallstreet die half Duitsland ruïneerde en 6 miljoen werklozen op straat joeg ging het vlug crescendo : in '30 kregen ze 107 zetels en in '32 zelfs 230 zetels,  waarmee ze in het halfrond de grootste groep vormden. Na nog een jaar vol intriges en touwtrekkerij benoemde de oude president Hindenburg Hitler op 30 januari '33 tenslotte tot Rijkskanselier en gaf hem, zoals trouwens aan al zijn voorgangers, het recht bij volmacht te regeren. Alle partijen in de Reichstag bevestigden deze machtiging met 441 tegen 94 stemmen en stelden daardoor zichzelf buiten spel. De Londense 'Guardian' wijdde voor het eerst een klein artikeltje aan het personage van de 'Führer' en noemde hem een Bierkellerstrateeg…

Hitler trof onmiddellijk alle maatregelen om de machtspositie van Rijkskanselier nooit meer te moeten afstaan en overspoelde het land met allerlei tegenstrijdige wetten waardoor de rechtspraak een toonbeeld van willekeur werd, met de Führer als opperste scheidsrechter. Hij benoemde in alle machtsknooppunten eigen acolieten, plaatste de uitgezuiverde politie onder controle van de SS en maakte de legerleiding monddood door het rondstrooien van echte en vermeende seksschandalen. De Kerken, syndicaten, politieke partijen en jeugdbewegingen werden onmiddellijk "gelijkgeschakeld", ttz door de nazi’s opgeslorpt. Als hun leiders zich daartegen verzetten werden ze tegen de volkswoede (van de S.A...) in z.g. "Schutzhaft" genomen en goed beschermd in een concentratiekamp opgesloten. Wie een staatsplaatsje wilde moest eerst met een partijkaart bewijzen een "goede Duitser" te zijn, wat de S.A. binnen het jaar één miljoen nieuwe leden bezorgde...Maar toen de leiders van dit privé leger teveel praat kregen liet Hitler er op 30 juni '34 tijdens de "nacht van de lange messen" een duizendtal door zijn SS ombrengen...

Joden werden geboycot en uit het openbaar leven verdreven om hen tot emigratie  aan te zetten. Uitreisvisa kregen ze evenwel pas na de "verkoop" (aan partijleden en tegen waardeloze pandbrieven) van al hun bezittingen. Ongeveer 250.000 welgestelde joden ging daar vlug op in, maar de werkende middenstanders bleven noodgedwongen achter. Hun hoop dat het straatgeweld wel zou overwaaien vervloog definitief en onherroepelijk na de "Kristallnacht" van 9 november '38...(zie verder)

Zoals Mussolini loste Hitler vanaf 1935 de werkloosheid op door grote infrastructuurwerken uit te voeren, de jongeren tot zes maanden "Arbeidsdienst" te verplichten en vervolgens twee jaar in het leger te stoppen. Gedaan met luieren...


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
09-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
10-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 14
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A11 VERKIEZING MET EEN STAARTJE.


 

 In de plaat­se­lijke politiek stelde Rode Steiner niets voor: de mensen beschouw­den hem meer als een zonderling. En als hij al eens heibel stampte tussen het publiek op de gemeenteraad begreep geen kat iets van zijn protesten. Wat hij uitkraamde was hoog­staand Chinees voor de toehoorders en telkens de champetter hem uit de raadszaal bonjourde werd er nadien op café "een goede scheet gela­chen".

Gemeenteraadslid Meester Engel­borghs begreep hem wél, want die kon ­af en toe ook met van die dure stadhuis-woorden scher­men, die mis­schien wel uit het zelfde boekje kwamen. Maar met hém werd nooit gela­chen...Op de provocaties van Steiner ging hij nooit in en als dat een enkele keer toch gebeurde, kreeg de meester de monke­lende meute zonder moeite op zijn kant en kon hij met de schoenlap­per vro­lijk de vloer aanvegen.       

Voor de rest gold het ordewoord om de zever van hun dorpsanar­chist hooghartig te negeren, dood te zwijgen, en de sukkel letterlijk links te laten liggen: " Laat die zot gerust en maak er vooral geen martelaar van! " Voor de flaminganten  vormde hij geen enkele bedreiging, want hij kwam niet eens óp bij de verkiezingen: niemand zou het in z'n hoofd halen met die kwibus op één lijst te gaan staan...De mannen rond Engel­borghs richtten hun actie uitsluitend tegen de serieuze lijst­trekkers, met de bedoeling de invloed van deze notabelen op de gang van zaken in het dorp te breken. En daar stond Steiner volledig buiten.

De plaatselijke knokploeg van het Verdinaso amuseerde zich in die dagen dan ook kostelijk met het saboteren van de democratische verkiezingen, alleen al omdat ze principieel tégen waren. Ze vonden het té gek dat gelijk welke debiele tafelspringer mee zou kunnen bepalen hoe de gemeente moest worden bestuurd. Neen, degelijke beleidslijnen dienden centraal uitgestippeld, vonden ze, door een Leider-met-Visie die wist wat goed was voor de "Dietse Volksgemeenschap"...Al die hufters met hun kieslijsten waren te stom om te helpen donde­ren en aan hun corrupt ge­knoei moest dringend paal en perk worden gesteld. Dus klopten de militanten zonder complexen links en rechts wat mandata­rissen een blauw oog en stuurden de te ijverige plakkers naar de tand­arts in Oostende, toevallig een man met sympathie voor hun Groot-Nederlandse Zaak...

En of de slachtoffers nu voor lijst één,  twee of drie het nachtje hadden doorgepapt, was voor de recht­ge­aarde ­Dietser van geen enkel belang: " Klop er op! "... Tenslotte was Mussolini met zijn Zwarthemden in Italië ook zó aan de macht gekomen in '22: door met intimidatie - en waar nodig met brutaal geweld - het cor­rupte politiek profitariaat te verdrijven. En je wist maar nooit hoe ook hier bij ons een dubbeltje rollen kon...               

Twee weken vóór de verkiezingen trok Joseph op zaterdagavond mee met het groepje Dinasomannen van meester Engelborghs, om de nog natte propagandabiljetten van de nachtelijke plak­ploegjes af te scheuren, of te overschilderen met "Verdinaso wint! " Tegen het ochtendgloren vonden zijn vrienden het welle­tjes en was iedereen, gesterkt door nog een laatste Roden­bach, op de fiets beddewaarts gereden. Maar Joseph kon niet aan de verlei­ding weerstaan om in z'n eentje, op weg naar huis nog een tiental plakka­ten af te scheuren. Staande op zijn stuur lukte het hem zelfs een paar van de hoogste plaksels los te ruk­ken!

En dat waren er juist een paar teveel. Voor hij het goed wist trok de rijks­wachter, die uit het niets was opgedoken, hem achteruit van z'n fietsbuis naar beneden.       

 " Wel vent, wat denkt ge wel dat ge doet, hé ?!" snauwde de pandoer. Maar Joseph lag verbouwereerd op z'n achterwerk en was te erg geschrokken om te antwoorden.        

" Dinaso, hé ?!",sneerde de bruut, op zijn oranje arm­band van het verbond wijzend­­, " En helemaal alleen ? Dat is toch niet van ulle gewoonte, wat ? De kornuiten zijn al gaan slapen, hé, en meneire wil er in z'n ééntje nog een scheptje bovenóp doen! ...Ja-ja, ik versta dat wel: de klootzak moet nog eventjes de held uithangen, voor het licht wordt, hé! "          

Dat "hé " scheen een geliefd stopwoord van hem te zijn. Hij stak zijn hand uit: " Laat me uw pas maar eens zien, hé ventje! " en streek tevreden over zijn snor.         

Joseph was over zijn schrik heen en kroop moeizaam recht terwijl hij zijn pijnlijk achterwerk betastte: " Ik heb m'n pas thuis laten liggen.."

" Ja-ja, dat spreekt vanzelf..." bromde de gendarme met ge­veinsd begrip. " Maar dan moet ik u in den bak steken, hé, en nog een boete bij geven van dertig frank, als ge uwen pas niet ipso-facto bovenhaalt, hé! "

Die man had gestudeerd, dat hoorde je direct...Joseph greep dan maar driftig in zijn vestzak.

" Het is hier toch te donker om een proces te schrijven, hé", stelde snorremans vast." Kom deze voormiddag, tegen de noen, maar naar den bureau in Nieuwpoort, hé, dat zal daar gemakke­lijker gaan! "...Hij stak de identiteitskaart demonstratief in zijn zwarte lederen tas en salueerde nonchalant tegen zijn sjako: " Tot straks, hé vent! "

 

Ze hadden er in Nieuwpoort wel een verdomd gewichtig proces-verbaal van opgesteld, maar meester Engelborghs wuifde nonchalant zijn onrust weg: " Als er een boete van komt, betaalt het Verbond dat wel"...Joseph mocht op beide oren slapen...     

Maar juist voor de verkiezingszondag moest cadet Petré op het verslag van de commandant komen. Die liet hem eerst nog een kwartier in z'n sap stoven op het bureel van de schrijver voor hij hem binnenriep. Joseph zag onmiddellijk dat er stront aan de knikker zat.

De commandant keek kwaad op toen hij zich presen­teerde:       

" Dis, Petré, qu'est-ce qu'on me raconte ici, dans ce proces-verbal...de la Gendarmerie de...Nieuport ?"...

De moed zonk hem in de schoenen: de smeerlappen hadden het verslag naar zijn schooladres gestuurd, inplaats van naar hem thuis!

" Si je comprends bien ce patois, t'as de nouveau fait le zouave dans ton pattelin, avec ces cons de flamingants! ...Destruction de panneaux destinés aux élections démocra­tiques! ...Mais je rève! ...T'es malade, ou quoi ?!"

De officier liet de kraan van zijn rechtvaardige toorn lustig lopen, spuide zijn sarcasmen en ongeloof over " tant de bétises " kwistig in 't rond en besloot zijn monoloog na vijf minuten moedeloos en buiten adem:

" Regarde, fiston, j'en ai mare de tes couillo­nades, tu comprends ? Je n'en peux plus, et je ne veux plus te voir...J'en ai parlé avec le directeur de l'école, qui est d'accord pour te garder jusqu'à la fin de l'année scolaire, mais pas question que tu restes chez nous après juillet!  Et c'est une faveur éééénorme qu'on te fais, à cause de tes bons résultats d'étude, compris ?...Mais à la prochaine infraction aux règleme­nts, on te fout à la porte illico, tu piges ? IL-LI-CO! "          

Joseph knikte bleekjes: 'illico' betekende 'op staande voet buiten gesmeten ' ,miljaarde! ...Daar had hij geen woordenboek voor nodig.        

" Bon!  Rompez! "  En hij kon gaan...

 

Het moeilijkste was nog die ramp aan zijn moeder uit te leggen. Toen de ernst van de straf tot haar doordrong kreeg Marie bijna een collaps: gedaan met de hoop hem nog drie jaar op kosten van de Staat te laten studeren, gedaan met het vooruitzicht hem ooit nog officier te laten worden in het leger!  Al de inspanningen en ontberingen van het gezin, om Joseph een goede kans te geven hogerop te klimmen, waren voor niets geweest!  Drie jaar studies hopeloos verloren...Nog een geluk dat den Dis het niet meer heeft moeten meemaken!  Wat een schande!  Wat een ramp!  “ Gijsse onnozele melkmuil!”

Iedereen kreeg de schuld of een veeg uit de pan, Joseph in de eerste plaats. Waarom moest hij toch zonodig weer de held uithangen in z'n ééntje!  Was hij nu helemaal op zijn kop gevallen! ? Hij was toch al twee keer verwittigd geworden door zijn commandant, dat hij moest ophouden met deze flamingantis­tische zever. Was hij dan niet oud genoeg om dat te verstaan ? Waar dienen al die studies voor, als ge zo'n simpele zaken niet begrijpt!

" Maar Moeder, ge wist toch ook dat ik die zaterdag met de kalkploeg van den Engelborghs zou meegaan...", wierp hij voorzichtig tegen.        

" Allee, geneert u niet! ",voer ze verwoed uit," het zal mijn schuld weer zijn zeker?!" En na een korte adempause hernam ze wanhopig: " Engelborghs gaat dat arrangeren ?!...Engelborghs, nog zo één!  Als die maar kan opstoken! ...Ik vraag me af wat die grote meneire nu gaat doen om de stukken te lijmen "...En wanhopig barstte ze in tranen uit.

Maar de uitleg van Engelborghs viel nogal mee. Joseph kreeg hem op de verkie­zingsnamiddag, voor hij naar de cadettenschool terug treinde, nog even te spreken en de meester beloofde hem wel een oplossing te vin­den...

 

Toen de wetsdokter van het gerechtelijk laboratorium van Gent meer dan twee weken na het ongeval nog steeds geen resul­taat van zijn onderzoek bekend had gemaakt, was de meester het wachten beu geworden en had persoonlijk navraag gedaan bij professor Daels, toevallig ook een "geloofsgenoot"...Deze gaf hem de verzekering dat de stoffelijke resten die door de rijks­wachters nà de ontploffing ter plekke werden ingezameld voort­kwamen van een gemummificeerd lijk dat reeds minstens twintig jaar in de pekel had gelegen en tot...het zwarte ras had behoord!  

Dit kwam aan als een donderslag bij heldere hemel!  Totaal ongeloofwaardig: met zo'n lachertje kon je bij niemand aankomen, zeker bij Marie niet. Maar in feite hoéfde ze het ook niet te weten. Engelborghs besloot dan ook wijselijk er tegen haar over te zwijgen. Maar hij weerstond niet aan de verleiding het als mop te vertellen aan zijn twee collega's Denolf en Bloesaert tijdens hun gezamenlijke bewaking op de speelplaats. Zo konden ze samen nog eens een goede scheet lachen!  

Maar geen van beiden lachte."Minstens twintig jaar, hé?" vroeg de jongste, meester Bloesaert die de bengels van het eerste en tweede jaar leerde lezen, schrijven en rekenen:  "Zeker een gesneuvelde van de Grote Oorlog..."

“ Ja maar: een neger, hier in onze duinen?"

Bloesaert knikte nadrukkelijk: hij liefhebberde in de plaatselijke heemkunde en ging er prat op de lokale geschiedenis tot in de kleinste details te kennen: "Negers, hier ?! Zeker weten, amice, zeker weten! In oktober '14 zijn onze duinen dagenlang verdedigd door de fameuze Franse generaal Grossetti met zijn 42.division, rond 23-24 oktober als ik mij goed herinner..."         

"Ja, dàt weet ik ook wel, van Grossetti! " zei Engel­borghs wat geprikkeld: "Ik kan ook lezen wat er op zijn monu­ment staat op de grote baan bij de Lac-aux-Dames. Maar dat waren toch geen negers, die soldaten van het 42ste! " Dat wij in de donkerste dagen van '14 de verdediging van onze blonde Dietse duinen aan zwarten te danken hadden, scheen hem aardig tegen de borst te stuiten!

"De soldaten niet, nee. Maar veel officieren van het 42ste waren reservisten die in vredestijd een administratief ambt vervulden in de koloniën van Afrika. Die hadden daar persoonlijke boys voor alles en nog wat, lijk bij ons in de Kongo. En veel van die heren hebben bij hun oproeping gewoon één of twee bediende meegenomen naar het leger als ordonnans, zo simpel was dat. En als er hier bij de terugtocht van het 42ste naar de Geul zo'n negers sneuvelden dan kapten de Duit­sers die nadien al rap in een bomtrechter: ze hadden schrik van zwarten, zelfs dode!  Rap zo diep mogelijk de put in, zonder registratie, iets wat ze voor de blanken wél deden.”

Bloesaert genoot zichtbaar van de aandacht: “Er zijn hier in de jaren twintig regelmatig nog lijken gevonden in onze duinen: heel interessant!  Van alle soorten: Engels­mans en Indiërs,  Marokkanen en Senegalezen. Ge moet niet vergeten dat de frontlijn hier tot de zomer van '17 liep van Lombardzijde-strand tot aan de Bamberg-hoeve: daarna hebben de Duitsers ons over de Geul gedreven tot ze in oktober '18 de kust moesten ontruimen. Normaal was het in die sector betrek­kelijk kalm en veel geallieerde divisies kwamen hier zogezegd uitrusten. Toch hebben we in de duinen nog veel graven gevon­den...Maar de laatste tijd is het wat stil geworden..."

"Stil? Vaneigens: na twintig jaar in de losse grond moeten zelfs de taaiste lijken tot stof vergaan zijn!  Daarom kan ik moeilijk aannemen dat ze na die ontploffing van Petré nog beenderen gevonden hebben met vlees aan - zélfs van een neger - die zouden dateren van '14-'18. Dat is onmogelijk! "

“Ach, niets is onmogelijk." kwam de hoofdonderwijzer Denolf er rustig tussen: "Alles hangt af van de grond waarin hij werd begraven. Als daar geen wormen in zitten of andere bacteriën kan dat verteren een hele tijd duren. En 't grondwater speelt ook een grote rol: in de duinen is dat zo zout als de pest, en zout conserveert goed, dat weet ge...Ik heb die put van Petré gezien: halfvol groen water. En de uitgeworpen grond was geen gewoon duinzand: er zaten dikke klompen turf en blauwe klei bij...Wat nog eens bewijst dat de doorsteek, waar het ongeluk gebeurde, een vroegere zeearm was die dichtslibde en door de duinen werd ingepalmd..."

"Zeker, zeker" viel Bloesaert in, want ze kwamen weer op zijn domein: " Twaalfde eeuw!  Voordien liep het Groot Yperleed hier in zee!  Maar met het indijken van de IJzermonding zijn alle moerassen rondom drooggevallen..."

"Allee, al een geluk, of we liepen hier nog in 't slijk te dabben" spotte Engelborghs: dat aanhoudend gepronk van die Georges Bloesaert met zijn heemkring-wijsheden en zijn keuken­latijn werkte hem al lang op de zenuwen!  Maar eens gelanceerd wist deze van geen ophouden meer:

"Dabben, zegt ge? Zwemmen zou al juister zijn!  In de vroege middeleeuwen stond hier nog tot twee meter water, amice!  Bij het bouwen van de eerste kerk van Sint Laurentius hebben ze nog een eiken stut van een paalwoning uitgegraven die manshoog met mosselen was bedekt!  En gezien die mossels enkel ónder water kunnen leven...

"Voilà Georges, we zitten weer bij de Menapiërs! "   Engelborghs had al spijt dat hij over die neger was begonnen!  Ook Meester Denolf voelde de opkomende wrevel en stelde er diplomatisch een eind aan door zijn "raap" boven te halen.

"Komt mannen, 't is laat...Georges, fluit gij het einde van de speeltijd?..." Het voorrecht van de jongste.

 

Engelborghs had het haar de volgende avond dan tóch maar verteld, van die neger, waar Leon bijstond. Marie incasseerde het zwijgend maar de kleine veerde recht:

"Dan hebben de meeuwen die middag de gruzelementen van Zwarte Piet opgepikt en ingeslikt, hé Meester! Ik weet nog goed hoe wild ze deden al duikend naar de grond en ondereen vechtend voor een stukje...Maar ze wisten niet dat het zo oud was en van een bedorven neger,hé Meester en 's avonds bij 't slapengaan zijn ze allemaal ziek geworden en gecreveerd...Maar dat legt nog altijd niet uit waarom ook al mijn konijntjes gestorven zijn, die nacht..."

Marie had zich afgekeerd om met haar voorschoot de ogen te deppen, wat Engelborghs verplichtte het gesprek enkel met Leonnetje voort te zetten: "En hoe gaat het met de nieuwe nesten, jongen, zijn ze al een beetje ge­groeid?"

"Ja-ja Meester!  Maar het zijn jammer genoeg allemaal bokken, Meester, en die fretten lijk zot maar krijgen geen jong, hé! ...Maar Kamiel Blomme heeft mij voor naaste week een jonge moer beloofd die nog niet afgereden is en uit een nest van Vlaamse Reuzen komt!  Een grauwe met een witte borst die zekers zó groot wordt! " Hij omkaderde fier met beide handen zijn borstkas tussen navel en kin

"Allee, verzorgt ze maar goed, jongen..." De kerkklok sloeg vijf: "Holà, ik moet er vandoor!  Houdt u sterk, hé Maria! "

Maar die bleef star naar buiten kijken.


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
10-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 15
Klik op de afbeelding om de link te volgen

 

Toen ze de volgende avond pas van haar werk bij "Ons Rustoord" thuiskwam, klopten er twee rijkswachters aan. Of ze nog iets gehoord had over die zogenaamde saboteur die haar op de fatale zondagmorgen uit haar slaap had gewekt, hier aan de doorsteek?

Het was of Marie het in Keulen hoorde donderen: "Uit mijn slaap gehaald? Die zondagmorgen? Daar weet ik niets van!  Wie heeft dàt gezegd?"

“Wel g'hebt het in die brief geschreven die ge ons gestuurd hebt..."

"Ik? Een brief geschreven? Ik wou dat het waar was!  Nee mannen: ik bèn niet geleerd. In de oorlog hadden we geen tijd om naar school te gaan...Lezen kàn ik: dat heb ik op mijn eigen gemeesterd, in oude gazetten. Maar schrijven moest den Dis altijd doen, die had dat geleerd in 't weeshuis...En nu gaat mijne grote Leon voor mij schrijven, hé jongen! " Ze streek eens speels tegendraads over zijn pasgeschoren bros.          

"Ikke ben wél wakker geschoten van hun geroep, die morgen! "       

"Dan hebt gij dien brief geschreven?" poneerde de Chef.        

"Bijlange niet, meneer de gendarm: m'n laatste brief is van Nieuwjaar...Liefste Vader en Moeder, ge weet wel..."

De chef keek Leon diep peinzend aan: "Ge zijt dus wakker geschoten? En dàn?"

"Wel, niets...De Joseph lag naast mij te ronken lijk een zeug, in onzen beddebak op de scheerzolder en ik dacht dat ik gedroomd had..."

"Maar ge hàd niet gedroomd,hé" moedigde de chef hem aan.       

"Wel, 't is te zeggen, ik hoorde die zatlappen nóg roepen en dan heb ik mij recht gezet en door de ruit gekeken"

"Ha, door de ruit gekeken!  En dàn?"

"Maar die was heel aangedampt, meneer..."

"Dus hebt ge niets gezien! "

"Toch wel, die twee venten met hun vélo. Maar 't was nog wat duister buiten..."

"Zeg snotneus, gaat ge't nu verdomme vertellen of niet!  Twee mannen. Wie was dat en wat deden ze?! Vooruit nondedju! " 

"Wel, de achterste die aan de porte-bagage duwde had een passe-montagne aan: die heb ik niet herkend. Maar vanvoor aan 't stuur liep de garde en..."

"De garde ?! Zijt ge zeker??"

"Wel hij had een chako op, en de garde is de enige..."

"Jaja, al goed!  En wat deden ze?!"

"Wel niets...Ze kwamen hier naast uit 't zand van de doorsteek geduwd en toen ze op de kasseien waren is de garde op zijn vélo gekropen en met zijn zatte kloten bijkans geval­len...." 

Vlam!  Voor hij kon bukken had hij een vlaai vast: "Zo spreekt ge niet van de garde! " berispte Marie hem preuts.

"Laat hem verdomme gerust, wijf! ...Allee, vent: de garde had dus een stuk in zijn voeten. En wat deed die andere gast ?"

"Wel niets: hij heeft nog wat staan moemelen en is dan terug de doorsteek in gegaan, terug de duinen in...En ik dacht nog dat hij maar de obussen van mijn vader niet pikt, waarvan die verteld had de avond voordien..."

"Terug de duinen in, hé" mijmerde de chef...

 

De garde keek de twee rijkswachters kwaad aan: "Zeg, is dat een verhoor, Remy, of wat is dat?! Denkt ge soms dat IK den Dis in de lucht heb geblazen?! Wilt ge een alibi horen dan kunt ge er verdomme één krijgen: ik heb die zondagmorgen, van zeven uur tot op het moment van die slag rond de noen, met de stenen gespeeld in de keuken van de "Lekkerbek"!  Anker en Kruis, als ge 't juist wilt weten!  En zegt me niet dat 't een verboden geldspel is want daar veeg ik m'n kloten aan, okee?! Wat zijn dàt voor manieren om een collega te verhoren, verdom­me!  En ik heb vier getuigen, is dat genoeg?!"

"Maakt u niet kwaad, Cyriel: we doen een onderzoek en gij kènt de mensen van de streek :dat kan van groot belang zijn...Als er daar mannen bij u waren dan kunnen wij die al schrappen als verdachten, hé...Wie was er daar ?"     

Mokkend bromde de garde van onder zijn hangsnor:  "...Wel, heu...Maurice de patron van ‘t kot...de Gerard Pylieser van Nieuwpoort ...Tjeppe, de ijzerboer en Rosse Lingier van de garage op 't Bad..."

"Pylieser, de schipper van de "Astrid"?? vroeg de jongste rijkswachter verwonderd, "Wat doet die hier om zeven uur 's morgens ?!"

"Dat zult ge hem zélf moeten vragen! "

"Da's een vaste klant van de "Lekkerbek", legde Chef Remy uit."Maar 't was pikkedonker en dat café is normaal gesloten tot acht uur 's morgens, Cyriel: hoe wist gij dan dat er met de stenen gespeeld werd in de keuken?"

"Gewoonlijk als er de zaterdagavond op ’t sluitings-uur nog ambiance genoeg is, dan doen ze voort in de keuken, onder vrienden, met de grendel op de voordeur..."

"En die morgen wist gij dat er nog volk was...."stookte Remy hem op, "omdat..."

"Omdat ik in 't voorbijrijden vanachter licht zag schij­nen boven het keukengordijn en er twee velo's op het terras stonden. Van den groten dorst ben ik dan op de voordeur gaan bonken. En ze zijn seffens begonnen met mij te trakteren, van tien-negen omdat ze geen zuiver geweten hadden, hé...Ha-ha !...Ge kent dat hé..."

" Neen Cyriel, ik ken dat niet!  Wij drinken niet in dienst, wij" verklaarde Remy stijf.       

"Dat zijn uw zaken!  Ik wél!  Daarbij, op zondagmorgen heb ik geen dienst, als ge toestaat!  Ik ben champetter zoals een tram een tram is: altijd, zeven dagen op zeven!  Maar de tram rijdt ook niet gedurig en ik evenmin: dienst van acht tot vijf!  Tenzij speciale opdrachten 's nachts zoals het stekken van stropers. Maar daarbuiten doe ik wat ik wil en in de eerste plaats een ferme pint pakken!  En als ge jaloers zijt had ge maar geen gendarm moeten worden..."  

"Och, jaloers...Wij krijgen vantijd ook speciale opdrachten 's nachts, weet ge Cyriel...En tijdens de laatste hebben wij vastgesteld dat ge het licht in de keuken van de "Lekkerbek" enkel en alléénlijk kunt zien als ge van de Bassevillestraat komt gereden, omdat er - énkel en alleenlijk dààr - een betonplaat ontbreekt in de omheining van de hof...Alléén vanop die plek, een beetje voorbij de bocht waar de doorsteek uitkomt hé, kunt ge door dat gat het keukenvenster zien. Dààr en van nergens ànders, Cyriel! "

De chef keek hem spottend aan: "Zo Cyriel, we zullen één dezer dagen eens terugkomen om serieus te spreken, als ge wat minder gedronken hebt, hé!  En herleest ondertussen in de code civil dien artikel over meineed nog maar eens goed, hé!  Nu hebben we teveel werk met de karotten-trekkers die niet zijn gaan stemmen...Saluut, cher ami!  "      

Cyriel kauwde geschrokken op zijn snor: verdomme, die Remy was niet van gisteren!  Het werd hoog tijd om schoonschip te maken in zijn kennissenkring en die zotte Steiner te laten verdwijnen...

  

Sinds de belofte van Engelborghs op verkiezingszondag om een waardige oplossing te vinden voor het geschil met de staf van de cadettenschool waren ondertussen twee weken verlopen. Joseph slingerde nog steeds tussen hoop en vertwijfeling of ze hem nu werkelijk voor zo'n klein vergrijp van school zouden sturen. Hij had een paar dagen geleden zelfs zijn stoute schoenen aange­trokken en was bij de commandant een rekwest ingediend om de straf te herzien, maar tevergeefs:                        

" Tu finiras cette année, mais pas question de prolonger tes études au delà! "...Zijn 'code moral' stond onder nul, zijn houding was onduldbaar en hij was duidelijk niet uit het goede hout gesneden: " Pas question fiston! " De toekomstige dienaars van het vaderland mochten zich niet met een politieke partij als het Verdinaso compromitteren. Vooral nu die over het hoogtepunt van haar populariteit heen scheen...        . 

Vol wrok om zoveel onbarmhartigheid zag Joseph in dat verder aandringen nutteloos was...Meester Engelborghs stelde hem wel gerust dat de 'Dietse Steunkas' voor een beurs zou zorgen en dat hij zijn hoger middelbaar op het atheneum van Oostende kon voortzetten. Maar Marie noemde dat aanbod verbitterd "een plaaster op een houten poot":  zijn carrière als legerof­fi­cier kon hij hoe dan ook vergeten...                         

 

Wie eveneens de toekomst allesbehalve rooskleurig inzag was onze garde. De rijkswachters hadden blijkbaar zijn valse alibi doorprikt en als ze het in hun kop haalden zijn leugens-om-bestwil tot op de bodem uit te spitten, zat er stront aan de knikker, en geen klein beetje!  Allemaal de schuld van dat rotwijf Petré met haar naamloze brief, verdomme!  En niet te vergeten ook die rooie klootzak van een Steiner natuurlijk!  Als deze uit de school begon te babbelen over die hoop grana­ten die de garde niet had laten afspannen, zat er minstens een blaam aan vast en mogelijk een tijdje op non-ac­tief...Godzijdank leed die politieke paljas voorlopig aan een gedeeltelijk geheugenverlies wat hem tot een dubieuze getuige devalueerde, maar tóch....En wie weet hoe lang dat gat in zijn memorie nog zou duren...

De champetter pijnigde zijn geest hoe hij Steiner zou kunnen beletten zijn mond voorbij te praten. Het lumineus idee hem "neer te leggen" tijdens een zogenaamd stropersdrama verwierp hij even vlug als het was opgekomen...Maar hem de stuipen op het lijf jagen zag hij wél zitten. Zorgen dat hij uit eigen vrije wil een tijdje verdween...Steiner had een heilige schrik om opnieuw in de gevangenis te vliegen na die eerste veroorde­ling tot zes maanden, een paar jaar geleden: als de garde hem ervan zou kunnen overtuigen dat hij gevaar liep voor de dood van Dis op te draaien en vele jaren in de bak te vliegen...

 

Tegen de dag dat hij zijn herstelde bottinen mocht terughalen stond zijn tactiek op punt.

"Luistert, vent, ik heb niet veel tijd en ik ga het geen twee keer herhalen: de gendarmen hebben mij gevraagd de mensen te ondervragen die u zouden gezien hebben nà de ontploffing. Wel, dat zijn er een heleboel: zéker dertig. Die allemaal in de Zeelaan nà dien slag op straat zijn gelopen van 't verschieten en een tijdje, zeg maar een halfuur, op hun dorpel zijn blijven tetteren...Ze zeggen dat ze u naar uw kot hebben zien gaan vlak nà die boenk, rond de noen en niét om zeven uur s'morgens zoals ge tegen de gendar­men hebt verklaard...En heu...elf daarvan herinneren zich dat ge een zware schoofzak droeg: daar kan toch niet enkel dat mager konijntje in gezeten hebben hé! "

"Bah, wat zou daar ànders nog in gezeten hebben?"

"Ik weet niet. Legt dat maar aan de gendarmen uit:  mij interesseert dat geen kloten! ...Maar er is nóg iets:  van die elf zijn er vier die er een eed op durven doen dat ge in uw broeksriem een grote rode gastang had steken!  En ge weet zo goed als ik dat ge een gastang nodig hebt om de schokbuis uit een granaat te vijzen..."

"Ha, komt die van dààr! "riep Steiner opgelucht: "Ik vroeg mij al af hoe die op mijn tafel terecht is gekomen, verleden maand!  Ik vond die in mijn keuken, de avond nà de slag, en had geen flauw gedacht van wààr die kwam..." Hij verdween even achter het gordijn die als keukendeur dienst deed en kwam na wat rommelen met een mooi rood stuk gereedschap terug:  "Hier zie!  En er staan twee letters op geschilderd:  G en P,  voor Goegebuur Pieter, denk ik...'k Heb het nagezien op de verkiezingslijsten: er is géén andere G.P. in 't dorp..."

"De poelier Goegebuur?! Maar allee, wat zou die met zo'n grote gastang aanvangen! "

"Van mij is ze in elk geval niet! Ik herinner mij nog goed dat, toen ge mij gepakt hebt bij het stropen, ge mijn schoofzak hebt omgekeerd en dat er buiten die twee konijnen en mijn pulle genever niets in zat..."

"Ha, niet met mij, hé makker!  Ge zijt die fameuze zondagmorgen, nà die control, vier-vijf uur alleen geweest, van vóór zonsopgang tot de noen. Ik durf wedden dat ge die tang bij den Dis zijt gaan pikken in zijn abri: deze P staat voor Petré. En dat hiervoor is géén G, maar wél de C van Cattrysse. Zo heet Marie van huis uit...En als ge niet ook nog voor diefstal wilt veroordeeld worden kunt ge die gastang best laten verdwijnen...Of weet ge wat: geeft hem hier, ik zie wel ergens een gat...Maar gij zoudt best een tijdje verdwijnen, makker: de schreef over naar de Picardie. Tot de zaak bekoeld is en ze de echte dader te stekken hebben...Want ik verwed er mijn kop op dat ze in afwachting "die rooie zot" in voorlopige hechte­nis gaan nemen, kwestie van een galgenaas bij de hand te hebben als zondebok...Denk er dus maar niet te lang over na!

 

Juist diezelfde zaterdagnacht vond Joseph het nodig,  na een trooste­lo­ze avond pintelieren in alle cafés van Westende en omstreken,  zijn onvrede met de gang van zaken te luchten met een DAAD!  Een ACTIE, miljaarde! ...Hij kon zich toch zo niet verder laten kleineren, zeker!  Wat dachten ze wel! ?           

Het uitstalraam van schoenlapper Steiner, met al die bombastische plakkaten en holle humbug over strijdlustige proleten, met "No Pasaran!" en nog meer van die Spaanse onzin: dàt was het wat hij had staan zoeken !  En plots vloog die vitrine aan dingelen toen Joseph daar zigzaggend voorbij reed. Maar niemand was getuige van zijn heldendaad in het holst van de nacht.                                                                

Tenzij Rode Steiner zelf...

Na zijn karig avondeten was die in het donker achter zijn werkbank blijven piekeren over wat de garde hem had ingefluisterd. Naar Frankrijk vluchten...In feite, wat hield hem tegen ? Hier was zijn rol uitgespeeld: zijn propaganda voor de goede zaak had niets opgeleverd. Niemand toonde inte­resse en dat zou waarschijnlijk niet verbeteren als hij voor de moord op Petré achter de tralies vloog. En dat zat er dik in als hij de garde mocht geloven...Misnoegd broedend zat hij een balans op te maken en moest tenslotte toegeven: zó ging het niet langer!

Steiner voelde in­stinctief dat hij nu de grote sprong moest wagen als hij niet wilde stikken in dit rotgat: nu of nooit!

Hetzelfde gevoel had hem twee jaar geleden in de koolmijn ook bekropen, herinnerde hij zich: die wurgende druk op de borst in de pikzwarte, stoffig-hete antracietpijpen van de "Bois du Casier"...

Enfin, lang had hij het daar dan ook niet meer uitgehou­den: vijftien jaar was ten andere voor de meesten de max. Na de grote stakingen van '36 was hij als raddraaier de bak ingevlo­gen voor zes maanden en na zijn vrijlating had hij het hier in Westende geprobeerd als schoenlapper. Maar door zijn grote bek en zijn strijd-propaganda voor de ontvoogding van de arbeider waren de meeste klanten op den duur weggebleven, opgestookt door die slijmerige rotpastoor. Nu, één jaar later, moest hij verbitterd vaststellen dat die boerehufters hier hoe dan ook nog lang niet rijp waren voor de wereldrevo­lutie van het proletariaat...Als die boerekloten verdomme hoopten dat hij nog langer voor hen missi­onaris zou spelen, konden ze die verwachting steken waar hij dacht!

De laatste weken, en vooral sinds uit de verkiezingen opnieuw de zelfde oude gemeenteraad te voorschijn was gekomen, werd hij het hier als enige linkse extremist tussen al die bange hazen en ver­stokte reacti­onairen plots gron­dig beu. Zó grondig dat hij begon te snakken naar eigen volk. Want een revolutie start je niet op je eentje, wél met kameraden in de schoot van een geheime organisatie. Hier verloor hij met ijl geblaat zijn tijd, terwijl overal elders moedige strijd­makkers daadwerkelijk de bruine pest bekamp­ten...Als ware held­en, met het geweer in de vuist, zoals in Spanje...

Spanje, daar zégt ge me iets...Toen die naam eenmaal gevallen was, wachtte hij onbewust enkel nog op een geschikte gelegenheid om de schepen achter zich te verbranden.       

En deze gelegenheid kwam nog vlugger dan verhoopt.       

Die avond zat hij in het donker nog een laatste pijpje te roken achter zijn werkbank en wraakzuchtig te piekeren over een betere wereld voor de arbeidersklasse. Een wereld zonder al die vette sigaarpaffende patroons, schraperige winkeliers en eigenwij­ze klerikale schoolfrikken. En vooral: zonder die wijwater-zwie­rende zwartrokken met hun middeleeuwse hocus-pocus en hun hersenver­wekend bijgeloof! ...Je mocht nu van Stalin denken wat je wou, maar hij had het Russische volk toch maar eventjes radicaal bevrijd van al die uitzuigers, of niet soms ?! En het Spaanse volk eveneens, niet te vergeten...Want als de laatste jaren in de zonnige republiek achter de Pyre­neeën al deze slavendrij­vers om zeep waren gebracht was dat enkel aan Vadertje Jozef Stalin te danken...Een Spanjaard zou nooit op dat goede idee zijn gekomen...

Jammer dat zoiets hier in Wes­tende niet mogelijk is,  over­woog hij bitter. Want hij had maar àl te graag die namen op zijn lijstje eventjes grondig "afge­werkt", en met het roestige mes als het moest! ...In gedachten liep hij de rij nog eens af:  eerst Biervliet, de stinkendrijke brouwer, dan die pre­tentieu­ze schoolfrik Engelborghs, de notaris en zijn protserig wijf, de...

Op dat ogenblik zag hij buiten in de maneschijn plots die jonge zatlap opdoemen en zwijmelend uithalen. Als in een vertraagde film volgde hij de halve baksteen, die langzaam wentelend in een boog naar zijn uitstalraam vloog en in één klap rinkelend zijn ruit én zijn dagdromen aan scherven wierp!  Hij schrok zich een bult maar was te traag van reactie om naar buiten te vliegen en achter die pummel aan te rennen.

Hem een ferme pandoering verkopen ?...Maar wat aarde bracht dat aan de dijk ? Nog méér zever met de zatte champet­ter, ja!  En hij kon die vent zó al niet rieken of zien, ondanks zijn schijnbaar goedbedoelde bemoeienissen in de zaak Petré!  Plots drong het tot hem door dat de aanslag van die zuigeling daarbuiten bijna zeker verband hield met de gewelddadige dood van Dis...

Walgend keek hij naar de ruïne om zich heen. De boel opruimen had nog weinig zin: Westende zat hem tot dààr!  In dat rotdorp kon je als progressist toch nooit aan de bak komen of de ware stem van het volk laten horen. Tenzij dan met een bom of een revolver!  En dan nog!

Met een diepe zucht kroop hij van zijn kruk en liep lusteloos naar de kleine keuken...Een bom of een revolver, makkelijk gezegd!  In de Borinage had hij voldoende aan den lijve ondervonden dat zelfs het gros van zijn ferventste medestanders daarvoor terugschrok, op misschien twee-drie kameraden na... En met drie man kon je de dictatuur van het proletariaat wel verge­ten...Hier,  tenminste!

Maar in Spanje, daar lagen de zaken ànders!  Daar stond heel het volk schouder aan schouder in de strijd tegen het fascisme om de bruine pest in het bloed te smoren. Dààr gold voor het eerst de leus " Alle macht aan de arbeiders! " die hij zo uitdagend op zijn uitstalraam had gekleefd en waarin die stomme hufters hier achterbaks schijnbaar veel plezier schepten...Maar dààr, in Spanje, werden met de hulp van kame­raden uit alle landen de vuige kapitalisten en de slijme­rige klerikalen uitgeroeid dat het een plezier was om zien!  En verdomme in één moeite door ook al die protserige kerken verbrand!  Dààr deelden de anarchisten de lakens uit en konden er ongehinderd hun ideaal verwezenlijken:  alle produktiemid­delen in collectief beheer geven aan de werkende massa, het proletariaat, de arbeiders en de boeren...

Zijn verhitte verbeelding sloeg nu pas echt op hol.

Na nog twee dagen wikken en wegen in de schemer van zijn neerge­laten rolluik had hij uit zijn "reparaties" op het schap drie paar stevige schoenen uitgekozen en zijn kassa afge­slo­ten. Vier hon­derd achtendertig frank: daar­mee kon hij het wél een veertien dagen uitzingen, maar méér ook niet. En al kende hij de weg die de kameraden volgden voor ze in Frankrijk door de Rode Hulp werden opgevangen en verder geholpen, met lege handen wilde hij er niet aanko­men...                                 

Dus brak hij de nacht van zijn vertrek zonder de minste schroom in bij brouwer Biervliet en legde er beslag op de duizend zevenhonderd frank uit het blikken geld­koffertje in de lade van het bureel. " In naam van het Volk! " mompelde hij. En op de nieuwe fiets van die stomme Eveline Bier­vliet, die hem steeds als een stront had behandeld, peddel­de Steiner in de vale dageraad naar het zuiden, zijn noodlot tegemoet...           

Eens voorbij het gloednieuwe Albertmonument zwoer hij, luidop schreeuwend tegen verbaasde koeien, de dure eed dat niemand van dat verdomde rotdorp hem nog ooit zou terug­zien!  Niemand!         

Maar zoals zoveel van zijn àndere dure eden zou ook déze op den duur in de wind verwaaien: het stond nu eenmaal in de sterren geschreven dat nog aardig wat Westendenaren met hem te doen zouden krijgen. En hij met hén.

Te beginnen met Joseph, vier jaar later...


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (7 Stemmen)
10-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
11-03-2012
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Deel 16
Klik op de afbeelding om de link te volgen

A12BIS  "MEIN KAMPF" begint…

                                                         

Ook tegenover het buitenland ging Hitler met ongeziene lef te werk om zijn land - zoals beloofd - van de "Ketens van het Versailles-Dictaat" te bevrijden. Met de algemene dienstplicht en het openlijk ontduiken van de herbewapeningsbeperkingen voor vloot, vliegwezen en tanks, verdrievoudigde hij het effectief van de nieuwe Wehrmacht. Daarmee bezette hij in '36 het gedemilitariseerde Rijnland opnieuw, onder de neus van het Franse "Front populaire" en kon zijn Luftwaffe tijdens de Spaanse burgeroorlog gedurende twee jaar ongestoord grote "maneuvers" houden.

Al deze overtredingen en verdragsbreuken lokten in het buitenland slechts vage papieren protesten uit waar de Führer openlijk zijn broek aan veegde: hij gaf er de Duitsers hun fierheid mee terug en bezorgde zichzelf een ongekende populariteit in alle lagen van de bevolking, die reeds zeer veel vooruitstrevende sociale voorzieningen aan hem te danken had.      

In "Mein Kampf" had hij zijn volk nogal vaag ook 'Lebensraum' beloofd in het 'oosten' en een wederopname in het Derde Rijk van alle Volksduitsers. Wat dat inhield zou weldra blijken en gaandeweg de laaiende geestdrift voor zijn politieke successen bekoelen. Want deze "Volksgenossen" woonden sinds 1919 ten gevolge van het verdrag van Versailles allemaal op vreemde bodem: de Elzassers in Frankrijk, de Sileziërs en de West-Pruisen in Polen ,de Sudeten in Tsjechoslovakije, de Südtirolers in Italië en de Oostenrijkers...jawel.        

In Oostenrijk - stoffelijk overschot van wat na het verdrag van Versailles restte van het Habsburgs keizerrijk - had de autoritaire kanselier Dollfuss de staat omgevormd tot een z.g. "corporatistische klerikale republiek" en de democratische vrijheden aan banden gelegd. Op 13/3/33 verbood hij de nazi partij en smoorde in februari '34 een socialistische opstand in het bloed. Hij werd op 25/7/34 tijdens een mislukte nazi putsch vermoord.

Schuschnigg, zijn opvolger, muilkorfde de openlijke politieke oppositie, wat echter de spanningen in de verarmde klerikale republiek nog verhoogde: van toen af mondden alle politieke acties ondergronds uit in oncontroleerbare straatagitatie waarin extremisten van alle slag welig tierden. De sterke nazi partij onder leiding van Seyss-Inquart trok daarbij het voortouw, getelecommandeerd vanuit Berlijn, terwijl de nieuwe kanselier Schuschnigg, door een verdrag met Hitler, sinds '36 verplicht was dit lijdzaam te gedogen.       

In de loop van '37 voerden de nazi's hun terreur met moord- en bomaanslagen nog op. Toen hun plannen voor een gewelddadige machtsovername uitlekten waarbij Schuschnigg zou worden vermoord kon deze niet langer werkloos blijven toezien. Hij verbood de nazi partij opnieuw en liet de grootste heethoofden gevangen zetten. Daarop ontbood Hitler de Oostenrijkse kanselier op 12 februari '38 in Berchtesgaden en schold hem de huid vol :wilde hij een gewapende inval vermijden dan dienden de gedetineerde nazi’s onmiddellijk amnestie te krijgen en moest Seyss-Inquart belast worden met het ministerie van binnenlandse zaken. Het Oostenrijks bestuur moest volledig op dat van Duitsland worden afgestemd en de economie z.g. "gelijkgeschakeld". Door deze chantage overdonderd gaf Schuschnigg toe.            

Tijdens de daaropvolgende weken werd de stijgende straatterreur van de nazi's niet meer door de politie - nu onder gezag van Seyss-Inquart - beteugeld. Kanselier Schuschnigg poogde tevergeefs steun te vinden, eerst bij Italië, later bij Frankrijk en Engeland maar ving overal bot. Op 8 maart besloot hij ten einde raad op zondag 13 maart een plebiciet te laten houden: moest Oostenrijk ja of neen een soevereine staat blijven ? Het lag voor de hand dat op vier dagen tijd onmogelijk een ernstig referendum te organiseren viel in een verscheurd land waar geen recente kiezerslijsten bestonden. De meeste politieke partijen waren er grondig gedesorganiseerd en konden dus geen serieuze propaganda voeren. Maar nood brak wet.

Toen Hitler op 9 maart van dit voorgenomen plebiciet hoorde, riep hij "Fall Otto" uit en liet troepen naar de grens dirigeren. Op 11 maart ging Schuschnigg akkoord om de volksraadpleging af te gelasten. Maar nu eiste Hitler zijn ontslag en de benoeming van Seyss-Inquart tot kanselier "binnen de twee uur, zoniet vallen wij aan!". Ondertussen overspoelden opruiende nazibenden de Weense binnenstad. Schuschnigg nam ontslag en de Oostenrijkse president Miklas werd verplicht Seyss met de vorming van een nieuwe regering te belasten. Deze zond onmiddellijk het afgesproken telegram naar Berlijn met de vraag troepen te sturen "om verder bloedvergieten te vermijden"...

Hitler trok meteen zijn geboorteland binnen en werd overal door een laaiend-geestdriftige massa (uitsluitend nazi's ?) onthaald. Diezelfde avond van 12 maart '38 vroeg Seyss-Inquart hem, in naam van de "regering", Oostenrijk bij Duitsland te mogen aansluiten (Anschluss !) onder de bedrieglijke slogan “Heim ins Reich !" Eén grote volksverlakkerij. Want Oostenrijk was voordien nooit Duits geweest, en haar inwoners nooit Volksduitsers !

Maar ja, aangezien niemand in Europa durfde te protesteren...


0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (8 Stemmen)
11-03-2012, 00:00 geschreven door jaakmaes
Reacties (0)
Archief per week
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 26/08-01/09 2013
  • 19/08-25/08 2013
  • 12/08-18/08 2013
  • 11/02-17/02 2013
  • 04/02-10/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 14/01-20/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 20/08-26/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 09/07-15/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 21/05-27/05 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !
    Inhoud blog
  • Deel 395
  • Deel 394
  • Deel 393
  • Deel 392
  • Deel 391

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!