Dromen, helter skelter

Droom, dromen: het zijn woorden die een veelheid aan betekenissen dragen. We onderscheiden daarin wat we gemeenlijk dagdromen noemen. Het zijn geen echte dromen, want we slapen niet tijdens het dagdromen. We laten onze gedachten de vrije loop, waarbij ze vaak de meest aantrekkelijke wegen kiezen. We stellen ons voor hoe het zou zijn als bepaalde gunstige of verleidelijke omstandigheden zich zouden voordoen. We vermijden de overduidelijke hinderpalen, we wuiven de evidente onwaarschijnlijkheden weg en laten ons ongeremd en onbeheerst meedrijven op de gouden vleugels van onze stoutste of zoetste dromen.
Eigenlijk is het vreemd dat we dit zonder aarzelen ook ‘dromen’ noemen. Het is immers een activiteit die zowat in alle opzichten verschilt van het echte dromen. Reeds in de term ‘activiteit’ is het verschil al duidelijk: dagdromen is een bezig-heid van de wakkere of wakende toestand van de mens, het is een bewuste inspanning. We mogen dan al enigszins ‘afwezig’ zijn en onze aandacht voor de omgeving afgeleid of verslapt, in die mate dat we zelfs duidelijke signalen niet meteen opmerken, toch weten we zeer goed dat we niet ingedommeld zijn: onze ogen zijn open en ook onze andere zintuigen zijn alert, we horen en voelen, we ruiken en smaken desgevallend.
Meteen is het voornaamste verschil met die andere betekenis van dromen al duidelijk: ‘echt’ dromen doen we tijdens het slapen, of dat nu ’s nachts is of overdag. Onze ogen vallen dicht en ons bewustzijn wordt op een of andere manier uitgeschakeld of gereduceerd. Het lijkt enigszins op een comateuze toestand of een algehele verdoving bij een operatie, maar dan een waaruit we vrij gemakkelijk en snel kunnen ontwaken. Onze zintuiglijke waarneming is dan nog veel sterker teruggedrongen dan tijdens het dagdromen. Sommige mensen slapen zo diep, dat je ze behoorlijk hard dooreen moet schudden voor ze wakker worden, of herhaaldelijk en luid aanroepen. Het feit dat onvoorzichtige rokers (en hun onschuldige huisgenoten) in bed sterven, wijst erop dat ons ruikvermogen en onze tastzin tijdens het slapen op een laag pitje staan. Dat is ook zo voor onze smaakzin. We zijn als het ware van de wereld afgesloten, omdat onze zintuigen de prikkels die ze normaal van de buitenwereld krijgen niet verwerken.
Onze ogen kunnen we sluiten, ook overdag. We knijpen gemakkelijk een oogje dicht voor een of ander, letterlijk of figuurlijk. Bij het slapengaan kunnen we beginnen met de ogen doelbewust te luiken, of we kunnen wachten tot ze vanzelf dichtvallen. Dat gebeurt gemakkelijker in een donkere ruimte, wanneer er ook weinig andere prikkels zijn: eventueel wat zachte muziek, geen lawaai van buiten uit, geen opvallende of hinderlijke geuren, geen overdreven warmte of koude, geen pijn of ongemak. Slapen of inslapen doen we het best als de omgeving neutraal is. Een zacht, warm bed in een vertrouwde, verduisterde, stille, fris ruikende kamer, dat is wat we wensen.
Een ander element is vermoeidheid. We hebben behoefte aan slaap, maar het grootste gedeelte van onze tijd zijn we wakker. Ook de meest interessante bezigheid en het meest aantrekkelijke gezelschap kunnen ons echter niet wakker houden als we doodmoe zijn. Maar zelfs het meest verleidelijke bed en de liefste bedgenoot kunnen ons niet weerhouden om op te staan eenmaal we goed wakker zijn. De mens heeft in zich een oerritme van waken en slapen, een echte biologische klok. Men noemt dat het circadiaans ritme, van het Latijn circa en dies, ongeveer een dag, het dagritme dus, of het dag-en-nachtritme. Circa of ongeveer, want niet iedereen slaapt even lang en elke mens slaapt niet elke dag op precies dezelfde minuut in, noch worden we altijd op het zelfde uur wakker. Maar statistisch gezien slapen we ongeveer een derde van de vierentwintig uren van een etmaal.
Tijdens het slapen dromen we. Iedereen droomt. Sommige dromen herinneren we ons als we wakker zijn. Het lijkt wel of die herinnering oppervlakkig of kortstondig of onvast is: als we ’s nachts even wakker worden, is de herinnering levendig, maar als we ’s morgens opstaan, herinneren we ons meestal alleen dat we gedroomd hebben, niet wat we gedroomd hebben, of toch niet met even veel details als we ’s nachts konden onderscheiden. Misschien zijn we tijdens dat nachtelijk ontwaken nog niet echt wakker, zweven we even tussen slaap en bewustzijn, tussen alert zijn en slaperig en hebben we zo halfbewust iets meer toegang tot onze dromen.
Ons bewustzijn is tijdens de slaap wel sterk verminderd, maar het is niet helemaal uitgeschakeld. Onze hersenen zijn tijdens de slaap misschien minder actief, maar ze werken nog volop: ze houden ons lichaam in leven, onze bloedsomloop, spijsvertering, hormonale huishouding en al wat er nodig is om te overleven. Maar ook de hersenactiviteit die ons wanneer we wakker zijn in staat stelt om te denken (in al zijn vormen), is niet helemaal uitgeschakeld. Het is alsof ons bewustzijn tijdens het slapen vrij spel krijgt, ongehinderd door ons sturend ego en ongestoord door de vele ingewikkelde taken die het tijdens het waken moet vervullen. Het is tijdelijk vrijgesteld van werken, het is met vakantie, het is speeltijd in onze bovenkamer. Al onze herinneringen, al de indrukken die wij een leven lang onverwist hebben opgeslagen, al onze gevoelens, alle emoties mogen nu naar boven komen. Het is alsof de poppen van onze poppenkast, die overdag door onze eigen handen bewogen worden, nu een zelfstandig leven mogen leiden in een ongebreidelde fantasiewereld. In onze dromen kan alles: we vliegen door de lucht, we verplaatsen ons moeiteloos in ruimte en tijd, we verzetten bergen met een vingerknip. Het is de wereld van het sprookje, de sciencefiction, de literatuur, de film, de computerspelletjes. Alles kan. Het is als een surrealistisch verhaal in het ongerijmde.
Deze laatste uitdrukking vinden we ook in het Engels: without rhyme nor reason. De betekenis is duidelijk: het gaat om iets dat geen zin heeft, noch vanuit poëtisch standpunt, noch vanuit de redelijkheid. Zoals we al herhaaldelijk vastgesteld hebben, is het vrijwel onmogelijk om de oorsprong van dergelijke uitdrukkingen en gezegden te achterhalen. Een eerste spoor vinden we bij John Russell, in The Boke of Nurture, circa 1460:
As for ryme
or reson, ye forewryter was not to blame,
For as he founde hit afore hym, so wrote he ye same.
Nicolas Udall, in zijn The first tome or volume of the paraphrase of Erasmus upon the Newe Testament, in 1548, gebruikte voor het eerst de nu meer gebruikelijke negatieve vorm 'rhyme nor reason':
Seeyng there is nether ryme ne reason in saing ye one eiuill spirite driueth out an other eiuil spirite.
Maar zoals bij werkelijk ontelbare uitdrukkingen is het meer waarschijnlijk dat de uitdrukking haar huidige bekendheid dankt aan Shakespeare, eerst in Comedy of Errors, 1590:
Was there
ever any man thus beaten out of season,
When in the why and the wherefore is neither rhyme nor reason?
Hij gebruikte de wellicht in die tijd reeds staande uitdrukking opnieuw in As You Like It, 1600:
But are you
so much in love as your rhymes speak?
Neither rhyme nor reason can express how much.
Deze morgen ben ik opgestaan met een houten kop, een fikse kater. Niet van het drinken of drugs, ik houd me ver van beide. Ik weet goed dat ik gedroomd heb, ik herinner me flarden, maar niet het hele verhaal, noch de details. Er zaten heel duidelijke elementen in van gebeurtenissen en personen uit mijn verleden, maar dan in een bevreemdende mengeling, kop over kloten zegt men in Eeklo, halsoverkop, holderdebolder, helter skelter in het Engels, zoals in de song van de Beatles en in de moordzuchtige waanzin van Charles Manson in 1969. Helter skelter is waarschijnlijk niet meer dan een rijmpje zoals holderdebolder en het heeft dezelfde betekenis. Het is ook de benaming voor een ronde, spits oplopende of verjongende toren in een amusementspark, met binnenin een trap om naar boven te klimmen en aan de buitenkant een glijbaan in een spiraal naar beneden.

Ik voel me
een beetje zoals na een dolle roetsj op een eindeloze helter skelter, in de war, verdwaasd. Het is alsof mijn hersenen
flink dooreen geschud zijn en hun inhoud hopeloos overhoop gehaald, alsof iemand
de encyclopedie in mijn hoofd herschreven heeft without rhyme nor reason, zonder logische volgorde, alsof mijn
harde schijf een ferme tik heeft gekregen met een stevige hamer.
Zo gaat het soms. Wat is de oorzaak? Ik heb er het raden naar. Te zwaar gegeten gisterenavond? Iets dat ik gelezen heb, iets op TV? Een gedachte die opkwam in een telefonisch gesprek met Jacques, mijn Nederlandse mailvriend? Een haperingetje in de miljarden cellen in mijn brein? Ik zal het nooit weten. Het is een ontnuchterende gedachte voor een rationeel mens als ik: There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy (Hamlet). Ik beheers mijn brein niet, het heeft er meer van weg dat mijn brein mij beheerst.
Door over
deze ervaring na te denken en mijn gedachten te formuleren op een manier die
ook voor jullie, lieve lezers, begrijpelijk is, hoop ik mijn dierbaar innerlijk
evenwicht terug te vinden, steeds in het besef dat wij over onszelf veel minder
weten dan we denken.






















