Je hoort het
dezer dagen een beetje overal: het geld is in onze maatschappij niet eerlijk
verdeeld, de tegenstellingen zijn te groot. Of het nu gaat om de bonussen van
topbankiers en traders, het salaris
van managers van grote bedrijven, de inkomsten van topsporters, fotomodellen,
kunstenaars of zelfs auteurs, wij ergeren ons aan de exorbitante bedragen
waarover sommige mensen kunnen beschikken. Dat is vooral zo in tijden van
besparingen. Zolang we het zelf goed hebben, kan het ons niet zoveel schelen
dat een ander het nog beter heeft. Maar als men ons komt zeggen dat we moeten
inleveren, dan vinden we dat men maar beter eerst de superrijken kan aanpakken,
of toch zeker wie rijker is dan wij.
Het is een
normale reactie. Wie schatrijk is, merkt niet eens dat de prijs van het brood
of de brandstof naar omhoog gaat. Het algemeen aanvoelen is dus ongeveer dit: wij
hebben allen recht op welstand, maar niet op rijkdom.
Dat is op
zich geen slechte redenering. Als iedereen het redelijk goed heeft, als niemand
iets tekort komt, als onze basisbehoeften ruim gedekt zijn, dan is iedereen toch
gelukkig? Wat is het nut van superrijk te zijn? Wat ben je met vele miljoenen
op je bankrekening?
Het is ook
een kortzichtige redenering. Een eerste kwestie is: hoe zorg je ervoor dat
iedereen het goed heeft? Mensen zijn verschillend, ze hebben verschillende
talenten en mogelijkheden. De ene zal dus meer verdienen dan de andere, zelfs
veel meer. Een topvoetballer verdient ongeveer vierhonderd keer zoveel als de
gemiddelde voetbalfan, om het eens extreem te stellen. Als we dat willen
nivelleren, dan moeten we de topsporter zo zwaar belasten dat hij of zij
bijvoorbeeld maar twee keer zoveel verdient als de gemiddelde burger. Maar dan
stelt zich de tweede vraag: zou de topsporter zich dezelfde inspanningen willen
getroosten voor een dergelijk loon?
Ik herinner
me een familielid, vijftig jaar geleden, die onderhoudsproducten verkocht voor
auto’s. Een gedeelte van zijn salaris werd berekend op zijn omzet. Dus
probeerde hij zoveel mogelijk te verkopen. Op een dag kiende hij het
aanrekensysteem uit dat zijn werkgever gebruikte om zijn premies te berekenen.
Hij ontdekte al gauw dat zijn verdiensten omhoog gingen tot op een bepaald
punt, maar dan plots niet meer, er was een aftopping ingebouwd. Toen hij dat
doorhad, hield hij elke maand op met verkopen op het moment dat hij de grens
bereikt had waarop zijn extra inspanningen geen bijkomende inkomsten meer opbrachten.
Er zijn
verscheidene manieren om werk te verlonen. Je kan iedereen een basisinkomen
geven, wat men ook doet, zelfs als men niets doet. Dat is het systeem van het
communisme, maar in zekere mate ook dat van onze welvaartstaat, vooral in de
rijkste landen van West-Europa. Iedereen heeft recht op een basisinkomen, of
dat nu een minimumsalaris is, een werkeloosheidsuitkering, een bijdrage van de
ziekteverzekering, een pensioen of een toelage van het OCMW of een andere
dienst die het bestaansminimum garandeert. Dat is echter maar mogelijk als men
aan alle werknemers een belasting oplegt die het uitbetalen van al die toelagen
dekt. Het is een vorm van herverdeling, van solidariteit.
Het probleem
daarbij is dat als je geld kan krijgen zonder te werken, dat een zekere
aantrekkingskracht heeft op een groeiend aantal mensen. Het zet hen vanzelfsprekend
niet aan om te werken. Maar voor elke mens die niet werkt en toch geld krijgt,
moet er iemand anders zijn die wel werkt en van wie je een stuk van zijn of
haar zuur verdiende centen afneemt.
Wij zijn het
allemaal eens met solidariteit, maar met mate. Wij willen mensen helpen die het
echt nodig hebben, maar we houden niet van profiteurs. De evolutie heeft in ons
een bijna onfeilbaar instinct ingebouwd waarmee we profiteurs ontdekken en ontmaskeren.
Sociale fraude is een zeer efficiënte manier om te overleven: je laat de
anderen voor jou werken, je profiteert zonder te investeren en je houdt al wat
je zelf verdient voor jezelf. Solidariteit kan echter alleen maar werken,
indien er weinig of geen bedriegers zijn. En dus maken we onze solidariteit
afhankelijk van allerlei strenge regels en beperken we het systeem al gauw tot
het naakte bestaansminimum en zelfs dat beperken we in de tijd.
We stellen
vast dat wij helemaal niet geïnteresseerd zijn in een totale herverdeling van
de rijkdom. Wij willen dat onze inspanningen renderen. Als dat niet het geval
is, dan zijn we niet meer bereid om ons in te spannen.
Een mooi
voorbeeld van de herverdeling vinden we in de belastingen. Hoe meer je
verdient, hoe zwaarder je belast wordt. Een basisinkomen wordt nauwelijks
belast, terwijl tweeverdieners ongeveer de helft van hun inkomsten zien
verdwijnen in allerlei vormen van belasting. Waarom doen ze het dan, vraag ik
me soms af, waarom heb ik het zelf heel mijn leven gedaan?
Vooreerst
hebben we geen goed inzicht in ons globaal inkomen en de belastingen daarop. Ik
ken niemand die een uitgekiend jaarlijks budget heeft, met alle inkomsten en
uitgaven en met mogelijkheden om simulaties te doen: wat gebeurt er als ik meer
of minder verdien? Bovendien is het niet altijd mogelijk om in te grijpen. Stel
dat ik zou vaststellen dat ik door een beperkte loonsverhoging plots in een
hogere belastingsschaal terechtkom. Zal ik die loonsverhoging dan weigeren? Zo
werkt het natuurlijk niet.
Vervolgens
is het ook zo dat we zelfs met hogere belastingen en solidariteitsbijdragen toch
nog altijd iets overhouden van onze extra inspanningen. Het is het klassieke
antwoord als iemand zegt dat ie veel belastingen betaalt: ik zou graag zoveel
belastingen betalen, want dat zou betekenen dat ik veel geld verdien! De staat
is er inderdaad op bedacht om mensen niet al te zeer te ontmoedigen om meer te
verdienen. Je wordt nooit honderd procent belast, dat zou contraproductief
zijn, denk aan de beruchte Laffercurve ten tijde van Reagan: op een bepaald
ogenblik brengen hogere belastingen steeds minder op.
Je hebt dus
enerzijds een aanvoelen dat iedereen het recht heeft op een correct maar
beperkt bestaansminimum, maar anderzijds een even sterke overtuiging dat men
recht heeft op de vruchten van zijn arbeid. Het is een dubbel systeem van
solidariteit en eigenbelang, dat zo typisch is voor de mens. Eerst komt het
eigenbelang, dat is de basis van alles. Maar omdat wij ontdekken dat het leven
in gemeenschap voordelig is voor elk lid van die gemeenschap, zijn we bereid om
een deel van ons eigenbelang op te offeren voor die gemeenschap. Dat is precies
wat solidariteit is: verkapt eigenbelang. Onze solidariteit heeft niets te
maken met nobele gevoelens, medelijden of naastenliefde, dat zijn maar de
emoties die de evolutie en de cultuur ons heeft aangeleerd om het systeem van
de solidariteit veilig te stellen. Uiteindelijk gaat het erom dat de mensen tot
meer in staat zijn wanneer zij samenwerken. Zelfs de sterksten hebben er voordeel
bij om in gemeenschap te leven. Ook de allerrijksten zijn voor ongeveer alles
aangewezen op de anderen. Wij hebben er dus allen belang bij dat het goed gaat
in de maatschappij. Dat betekent dat wij ook allen een deel van onze rijkdom
afstaan aan de gemeenschap.
Zoals ik al
zei, zijn we zeer beducht voor bedriegers, mensen die wel genieten van de
voordelen van de maatschappij maar er zelf zo weinig mogelijk toe bijdragen.
Dat is vooral zo indien we zouden vaststellen dat ze dat zeer bewust doen, uit
berekening en niet omdat ze door omstandigheden of beperkingen niet in staat
zouden zijn om hun deel van de lasten te dragen. De verhalen zijn klassiek van
de echtgenote van de dokter die met haar Mercedes naar het stempellokaal rijdt,
de immigrant die leeft van zijn uitvoerig kindergeld en een ziekte-uitkering
wegens een slechte rug, het slachtoffer van een ongeval dat levenslang
werkonbekwaamheid veinst en door verzekering en sociale voorzieningen royaal onderhouden
wordt. Dergelijke voorbeelden, reëel of verzonnen, maken ons echt boos en
terecht, hoewel we zelf, wanneer de kans zich voordoet om een graantje mee te
pikken, niet aarzelen om van allerlei systemen gebruik te maken, ook als het in
de grond van de zaak niet echt nodig of verantwoord is.
Maar het is
niet alleen tegenover regelrechte profiteurs en bedriegers dat wij op onze
achterste poten gaan staan. Wanneer wij merken dat het systeem ervoor zorgt of
toelaat dat sommigen zich buitenmate verrijken, meer dan hun talenten of
inspanningen verantwoorden, dan stellen wij daar even terecht vragen bij. Het
is niet dat wij elke ongelijkheid afwijzen, in tegendeel, wij streven allen
naar een vorm van ongelijkheid, omdat dit de basis zelf is van ons systeem, waarbij
inspanningen een persoonlijk voordeel opleveren. Maar blijkbaar mag die
ongelijkheid niet te ver gaan. Wij kunnen best verdragen dat iemand met een
chique wagen rijdt, als we de kans krijgen, doen we dat zelf ook. We hebben
evenmin bezwaren tegen een mooi huis met tuin, of een jaarlijkse vakantie. Dat
zijn dingen waarnaar we allen streven. We willen goed leven, we leven tenslotte
maar eens. En dus kijken we naar onze gegoede medeburgers niet zozeer met
afgunst, maar zien we in hen zelfs een inspiratiebron: als we maar hard genoeg
werken en sparen of zelfs enige risico’s nemen, dan kunnen we ons dat ook
veroorloven. Het is al bij al een gezond principe, het zet ons aan om naarstig
te zijn. Een persoon of een gemeenschap die vlijtig is, draagt daarvan steeds
de vruchten.
Rijkdom wordt
maar een probleem wanneer we aanvoelen dat sommige rijken ook bedriegers zijn,
net zoals de sociale profiteurs. Met een normale wedde of zelfs met twee, word
je niet echt rijk in onze maatschappij. De legendarische hardwerkende Vlaming, Nederlander
of Duitser weet dat hij of zij nooit schatrijk zal zijn. En toch zijn er mensen
die zeer rijk zijn, stinkend rijk zeggen we dan. Hoe doen die dat?
Tja, als ik
dat wist…
Soms
organiseren we het zelf. Er bestaan sinds mensenheugenis loterijsystemen,
waarbij je met een minimale inleg een fortuin kan verdienen. Het succes van loterijen
neemt nog steeds toe, ze beantwoorden blijkbaar aan een reële menselijke
behoefte. Dat wil zeggen dat heel wat mensen er stiekem van dromen om schatrijk
te worden zonder er iets voor te doen en zich daar helemaal niet voor schamen.
De reden daarvoor is dat het geen kwestie van bedrog is, maar van het toeval.
De kansen dat je met je ene euro een miljard euro wint is infinitesimaal klein
en iedereen heeft evenveel kans, dus is er niets aan de hand, vinden we en doen
we met zijn allen mee aan dat gokspel, want dat is het toch.
Maar eens er
een winnaar is, dan begint de miserie. Geen enkele winnaar van het groot lot
wil dat zijn of haar naam bekend gemaakt wordt. Maar wat dan? Als je plots je
werk opzegt, een kasteel koopt, met een Rolls Royce en chauffeur rondrijdt, dan
gaat men in je omgeving vragen stellen. Het duurt niet lang voor men vermoedt
wat er gebeurd is en dan zit het spel op de wagen. Je hebt je fortuin eerlijk verworven,
maar toch nemen al je medemensen, ook zij die aan dezelfde loterij deelgenomen
hebben, het kwalijk dat je gewonnen hebt, dat je nu tot de stinkend rijken
behoort.
Ook in het
geval van zeer succesvolle ondernemers en topambtenaren met fabelachtige wedden
is er een spontane reactie. Wij gunnen onze medemens wel enig succes en
financieel gewin, maar als het verschil te groot wordt, dan aanvaarden wij dat
niet meer zo gemakkelijk. Waarom zou je als zelfstandige ondernemer zoveel meer
mogen verdienen dan als arbeider of bediende? Wat is het verschil? Het gaat
hier wel zeer duidelijk om een gradueel verschil. Een loodgieter, dakwerker,
restauranthouder of wat dan ook mag gerust welvarend zijn, zelfs meer dan
mensen die een vaste wedde hebben en dus minder risico’s nemen, maar het mag
niet overdreven zijn, vinden we. Met andere woorden: als iemand zelfs door zijn
eigen inzet en talent buitensporig rijk wordt in onze maatschappij, dan vinden
wij dat ook een vorm van bedrog, net zoals sociale fraude. Wanneer de winsten
excessief worden, dan spreken wij al gauw van fiscale fraude, ook wanneer een
ondernemer of een CEO of PDG geen enkele wet overtreden heeft.
Ook hier
organiseert de maatschappij zelf de rijkdom, precies door enorme winsten en spectaculaire
salarissen en bonussen toe te laten. Wij leven in een vrijemarkteconomie, in
een kapitalistisch systeem. Het eigen initiatief wordt aangemoedigd,
onproductief gedrag wordt bestraft. Intelligentie en ijver loont, beperkingen
zijn precies dat: een blinde of gehoorgestoorde werknemer heeft het veel moeilijker om werk te vinden dan iemand zonder die handicap. De wet van vraag en aanbod heerst. Een succesvol manager die voor
zijn bedrijf grote winsten opbrengt, zal dus door andere bedrijven gezocht
worden en verleid met een hoger salaris. Bedrijven die niet bereid zijn om hun
bedrijfsleiders zwaar te vergoeden, zullen het moeten doen met mindere goden en
zullen dus minder succesvol zijn, zo gaat de redenering. En zo komen we in een
opwaartse spiraal terecht waarvan het einde nog niet in zicht is.
Maar dat was
vijftig jaar geleden ook waar en toch was de kloof of de spanning tussen de
hoogste wedden en de laagste in een bedrijf nooit zo hoog als nu. Een
bedrijfsleider kan nu tot tweehonderd keer zoveel verdienen als een van zijn
bedienden. Stel dat je € 2.000 per maand verdient, netto, dan steekt je baas
elke maand € 400.000 op zak, kunt ge u dat voorstellen? En dan spreken we nog
niet over de miljoenenbonussen en al de andere voordelen. Dit gebeurt niet
alleen in privé ondernemingen, waar de vrije markt ongehinderd speelt, maar ook
in staatsbedrijven, die eigendom zijn van de gemeenschap. Het is dus inderdaad
de gemeenschap die de buitensporige winsten en salarissen niet alleen toelaat maar
ze ook zelf toepast.
Mijn overtuiging
is, dat precies daar het ethisch probleem ligt dat wij zo goed aanvoelen. Wij
zijn natuurlijke voorstanders van een samenleving waarin arbeid loont, maar
niet van een onbeperkte vrijheid van het individu om zich grenzeloos te
verrijken. Wanneer wij vaststellen dat er een te grote ongelijkheid ontstaat
tussen de burgers, zelfs als ze de regels van het spel (grotendeels) volgen,
dan verwachten wij dat de maatschappij ingrijpt.
Een goed voorbeeld daarvan is
de monopoliepositie in ons land van Electrabel, het bedrijf dat alle stroom
produceert die België zelf voortbrengt, hoofdzakelijk in de kerncentrales. Die
centrales zijn allemaal grotendeels afgeschreven, dus het bedrijf maakt nu
zuivere winst, ook al omdat ze niet meer investeren in nieuwe kerncentrales,
omdat die als onveilig en vervuilend beschouwd worden. De maatschappij voelt bij
monde van de burger en de politiek het voordeel dat Electrabel daarbij doet aan
als woekerwinst en legt het bedrijf een extra belasting op van honderden
miljoenen euro, waartegen het bedrijf zich met alle macht verzet. Maar dat is
een uitzondering. Meestal doet de politiek het omgekeerde, namelijk bedrijven belastingsvrijstelling
verlenen, in de hoop hen hier te krijgen of te houden. Het perverse effect
daarvan is dat de ondernemers zich nog meer verrijken, op kosten van de kleine
man en vrouw, die zelf steeds meer belastingen moeten betalen.

Het lijkt
een dilemma. Als we het vrij initiatief fnuiken door te hoge belastingen, dan
ontmoedigen we ongetwijfeld fataal het naarstig werken. Als we het winstbejag
vrije loop laten, dan neemt even onvermijdelijk de onaanvaardbare schrijnende ongelijkheid
toe tussen arm, welstellend, rijk en opulent.
Vanuit een
ethisch oogpunt, dus los van elke economische realiteit, ware het wenselijk dat
elkeen zich spontaan zou inspannen om het zelf goed te hebben binnen een
gemeenschap waartoe men zelf ook ruim bijdraagt, zo dat iedereen kan
participeren aan de lusten en de lasten, maar zonder dat de individuele verschillen,
of die tussen bepaalde bevolkingsgroepen, al te groot worden. De geschiedenis
leert ons dat dit een ijdele hoop is, een utopie. De ongelijkheid is altijd
zeer groot geweest en is nu globaal gezien niet geringer dan vroeger, wat men
ook doet. Zowel het communisme als het kapitalisme leiden tot flagrante
excessen, zowel economisch als op het vlak van de persoonlijke vrijheid en de
algemene menselijke waardigheid. Het maakt niet uit of je een proletariër bent
onder de tsaar, Stalin, Louis XVI of George W. Bush, een slaaf in het
Ottomaanse Rijk, het Britse Imperium, Belgisch Kongo honderd jaar geleden of
Abu Dhabi vandaag.

Als we het
aan de menselijke vrijheid overlaten, lukt het niet om de heilsstaat te
realiseren, hoogstens tijdelijk een relatieve welvaartsstaat op enkele plaatsen
ter wereld en zelfs dan en daar nog enkel voor een beperkte bevolkingsgroep, op
de rug van een andere.
Als we
willen dat het anders is, en het is nog zeer de vraag of we dat echt allemaal
willen, dan zal de staat regulerend moeten optreden. Dat is wat we nu meemaken.
De burgers
zijn het niet meer eens met de manier waarop de samenleving georganiseerd is.
De ongelijkheid is te groot, ze zorgt voor sociale onrust. Het kapitalistische
systeem maakt onschuldige slachtoffers, de democratie is geen garantie voor
goed bestuur. De meerderheid laat zich horen via een mondige verontwaardigde
minderheid, of ze nu echt indignados
heten of niet. De sociale onrechtvaardigheid, het onverantwoord omgaan met
staatsgelden en de onduldbare risico’s die banken en bedrijven nemen, worden
overal aangeklaagd. Men wil af van de uitspattingen van het kapitalisme, maar
tegelijkertijd is men bevreesd voor die van het communisme en het fascisme, die
nog vers in het collectief geheugen liggen.
Het zal een
moeilijke evenwichtsoefening worden tussen het laisser faire en het staatsdirigisme. In elk geval biedt enkel een
echte volksdemocratie de garantie dat de macht binnen de gemeenschap niet geaccapareerd
wordt door enkelingen. Telkens wij vaststellen dat een individu of een groep
zich buiten alle proporties verrijkt of politieke macht naar zich toetrekt,
weten wij met zekerheid dat de maatschappij en haar burgers in gevaar zijn. Dan
is het tijd om op te treden, binnen de grenzen van het democratisch overleg.
Wanneer echter ook dat in het gedrang komt, zal geen enkele dictatuur bestand
blijken tegen een volksopstand. El pueblo
unido jamás será vencido.