
hoofddoek, keppeltje, kruis
De discussie is al jaren bezig en het einde is nog niet in zicht: wat doet een zogenaamd vrije samenleving met religie?
Bij ons geldt, sinds de Franse revolutie, een scheiding van kerk en staat, althans in principe, maar dat is toch al beter dan toen er geen scheiding was en een burgerlijke rechtbank je kon veroordelen voor een religieus ‘misdrijf’. Die scheiding houdt de religie uit de politiek en de staat, of dat is toch de bedoeling, maar erkent meteen ook dat er kerk is; de mensen zijn vrij om religieus te zijn, hun religie te beoefenen en ze ook te belijden, zoals dat heet: men mag ervoor uitkomen, de staat onderdrukt de kerk niet. Het katholicisme heeft van die vrijheden dankbaar gebruik gemaakt. Zoals een bevriende theoloog het zei: heel Vlaanderen was vroeger één groot klooster. Mannelijke en vrouwelijke religieuzen waren in een kakelbonte verscheidenheid maar meer dan folkloristisch herkenbaar aanwezig in het straatbeeld en in de scholen, net zoals kruistekens, kerken en kapellen. De godsdienst bracht de gelovigen massaal en ongegeneerd op straat voor missen, processies, vieringen en manifestaties. Alomtegenwoordige katholieke scholen onderwezen de godsdienst niet zozeer, maar dwongen die ronduit af, en indoctrineerden ongehinderd de kinderen van in hun prilste onschuld. Tijdens de lesuren waren er talloze en eindeloze godsdienstige activiteiten zoals retraites, mis, lof, vespers, op zondag nog een tweede, hoogmis, biechtvieringen, bezinningen, veertigurengebed, vormselvoorbereiding. Elke dag, elke les begon met een gebed, tot in de universiteit toe; de gebeden vroeg men op zoals andere geheugenoefeningen. Geen mens, althans geen katholieke, die er ook maar een ogenblik aan dacht om dat allemaal te verbieden in naam van de scheiding van kerk en staat. De niet-katholieken, socialisten of liberalen die zich ertegen verzetten, nu en dan, wachtte een ware schoolstrijd, waarvan de winnaars op voorhand bekend waren. Ik herinner me nog goed de brutale en goed georkestreerde betogingen tegen Collard.
De tijden zijn veranderd, Vlaanderen is één grote disco in plaats van een klooster. En we zijn niet meer alleen, er zijn nu ook ‘anderen’, bijvoorbeeld moslims. Eigenlijk waren er vroeger ook al anderen, bijvoorbeeld Joden; ik althans heb tijdens mijn leven nooit gehoord dat zij zich moesten integreren of vertrekken, niemand die hen verbood om zich te kleden zoals ze wouden, niemand die een keppeltje afrukte of ongepast vond. Maar die hoofddoek van de moslims, daar is al wat over te doen geweest. Gisteren nog in Terzake, dat zijn naam steeds meer geweld aandoet: een vrouw-met-hoofddoek zat op de schopstoel bij Bracke, die zijn naam (een brak is een jachthond die het wild opspoort en achtervolgt, ook iemand die geheimen probeert te ontsluieren, of een bengel, een belhamel) steeds meer eer aandoet, en moest zich zoals elk slachtoffer van zijn onbeschofte inquisitie verantwoorden voor haar afwijkend gedrag: wat bedoelt zij daar wel ermee? Ik heb hem aan Godfried kardinaal Danneels nog niet horen vragen, noch aan de vertegenwoordiger van Opus Dei, waarom zij er bijlopen in een sjofel begrafenispak met een plastieken witte boord en een raar hemdje, en in het kardinale geval ook nog met een extra, gouden kruis op het embonpoint.
Er is derhalve sprake van regelrechte discriminatie en het ergste is dat men dat niet eens zo ervaart. Het is nog altijd wij en zij en wij hebben gelijk, zij niet.
Als men religie toelaat, en dat moet wel in een democratie, dan moet men ook haar uitingen toestaan; als men die uitingen wil beperken, en dat moet soms ook wel in een democratie, dan moet men dat zeker ook doen voor alle erkende godsdiensten. Hetzelfde met culturele verschillen: als men aan Vlamingen het recht geeft om zich te kleden als Hell’s Angel, gothic, punker, geitewollensokkengroenejongen, peircingfetishist, bobo, homo of wat dan ook, dan moeten ook Laplanders hun muts mogen dragen, Fransen hun béret, Turken hun mutsje en vrouwen die dat wensen een hoofddoek. Ik ben wél een tegenstander van het soort hoofddoeken dat alles behalve de ogen bedekt, maar dan om praktische redenen; menselijk contact wordt dan erg bemoeilijkt, omdat elke lichaamstaal verborgen blijft. Toch moeten we bedenken dat de pijen, habijten en soutanes van de religieuzen vroeger precies dezelfde functie hadden, net zoals het begrafenispak en de romeinse boord.
Ook de Franse revolutie heeft geworsteld met religie en met de kerk; de vroege drastische maatregelen hebben geen lang leven gekend en hebben ongetwijfeld mee bijgedragen tot de mislukking, tot de terreur, het kortstondige keizerrijk en het herstel van de aristocratie.
Kerk en staat zijn intrinsieke concurrenten voor de ziel van de mens: men kan geen twee heren dienen; wie aan Caesar geeft wat van Caesar is en aan God wat van God is, houdt uiteindelijk niets voor zichzelf over. Want dit zegt God in Exodus 20, 3-5:
"Ik ben de HERE, uw God, Die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. U mag geen andere goden aanbidden dan Mij. U mag geen beeld of afbeelding maken van wat boven in de hemel of op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. U mag niet voor dergelijke zaken buigen of deze vereren; want Ik, de HERE, ben een jaloerse God, Die de zonden van de vaders toerekent aan de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van hen die Mij haten.”
Wat van zijn kant de staat vermag tegenover zijn kinderen en kinders’ kinderen toont ons de gore zelfkant van elk totalitair bestel.
Dit fundamenteel belangenconflict tussen kerk en staat heeft de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis geschreven. En het is een vals probleem, dat er niet eens hoeft te zijn. Godsdienst, God zelf is door mensen in het leven geroepen, het is het mom voor mensen die de macht naar zich toe willen trekken, die over anderen willen oordelen en heersen. De lijnen zijn nog nooit zo duidelijk getrokken als nu, zoals steeds in het bloed van onschuldigen, elke dag in de conflictgebieden, elke dag ook onze media. De oplossing lijkt steeds verder van ons verwijderd.
Een wereld zonder oorlog is uiteindelijk slechts mogelijk wanneer we God, het ultieme excuus van de mens voor broedermoord en genadeloos geweld, eruit verbannen. De strijd tussen goed en kwaad wordt gestreden tussen partijen die elk overtuigd zijn dat zij goed zijn en de andere kwaad, dat God met hen is, en als God met hen is, wie kan dan tegen hen zijn? De moord op de medemens in Zijn naam wordt door Hem beloond met eeuwige zaligheid. Wie Hem haat, zal Zijn wraak ervaren, en niet alleen hij, maar ook zijn kinderen tot in het derde geslacht. En de uitvoering van die heilige opdracht zal hij toevertrouwen aan Zijn trouwe gelovigen. Let op de terroriserende kapitalen die de mens zijn God toedicht.
Een andere theoloog zei me eens: de vraag is niet of God bestaat: de uiteindelijke verantwoording van godsdienst is dat er altijd al godsdienst geweest is; de mens is een religieus wezen, hij heeft behoefte aan God. Si Dieu n’existait pas, il fallait l’inventer liet zelfs Voltaire zich ontvallen en ook Newton kon zich ondanks de wetten die hij net ontdekt had geen heelal voorstellen dat niet zou instorten zonder goddelijke tussenkomst. Misschien hebben de godsdiensten althans dit perverse gelijk: God als de opium die het volk nodig heeft om zich te bedwelmen, om ondanks het leven te overleven. Michelangelo's Adam creëert zijn God.
Moge men het mij vergeven dat ik toch schuchter en kranig droom van een mensheid die onbevreesd het lot in eigen handen heeft, dat ik geloof in de ultieme homo erectus die knieval kent voor God noch keizer, ni Dieu ni maître, en het hoofd in ootmoed slechts buigt voor zijn lijdende medemens, het gekwetste dier, het geknakte riet, de eindeloze sterrenhemel en de diepste ruimte waarin de kleinste partikels eeuwig woordeloos rondtollen.