
Wanneer ik met familieleden, vrienden of
kennissen of zelfs mensen die ik toevallig ontmoet soms als eens een gesprek
aanga over levensbeschouwelijke onderwerpen, dan komt al gauw mijn atheïstische
overtuiging naar voren. Dat noopt, verrassend genoeg, sommige van mijn
gesprekspartners ertoe om prompt de verdediging op zich te nemen van het
christelijk geloof, als was mijn atheïsme een onvermijdelijke bedreiging van
hun opvattingen en als behoorden zij zelf tot de kleine kern van kerkelijk
getrouwen. Wie zich hier in Vlaanderen openlijk als atheïst voorstelt, kan onveranderlijk
en voorspelbaar op niets dan onbegrip, wantrouwen en openlijk verzet rekenen.
Ik heb de neiging om daarop aan mijn zogenaamd
gelovige gesprekspartners enkele vervelende vragen te stellen. Dan blijkt dat
zij om te beginnen helemaal niet zo gelovig zijn als ze zich voordoen; dat ze
over hun geloof vrijwel niets weten en zeker niet zoveel als ik; dat hen dat
evenwel niet deert: zij geloven wat ze willen en wat hen niet aanstaat in het
geloof, dat verwerpen ze koudweg; dat ze enkel de ‘grote principes’ van het
geloof aannemen, al de rest is toch maar onzin.
Gevraagd naar die grote principes, blijven
ze nogmaals een ernstig antwoord schuldig: ze spreken vaag over de grote
inspiratie en de waarden van het christendom, over de fascinerende figuur van
Jezus, over het evangelie, de Bijbel, de Tien Geboden… Over welke waarden gaat
het zoal, vraag ik dan? En wat weten ze over Jezus? Over het evangelie, de
Bijbel? Kunnen ze misschien de tien geboden even reciteren? Dan blijkt hun gelovige
intellectuele armoede pas echt.
Vlaamse gelovigen zijn niet erg Bijbelvast,
niet heel recht in de leer. Ze hebben ongeveer alles vergeten wat ze in hun
jeugd geleerd hebben, maar ze blijven om een of andere duistere reden wel emotioneel
trouw aan enkele heel verre, vage herinneringen. Als je ze nog wat meer
aanport, komen steevast deze twee ‘grote christelijke principes’ naar boven:
Gij zult niet doden, en: Bemin uw naaste zoals uzelf.
Dat is voor mij dan de gelegenheid om hen
erop te wijzen dat we dat toch echt niet als specifiek christelijke principes
kunnen omschrijven. ‘Gij zult niet doden’ komt uit het Oude Testament, een
verzameling joodse teksten waarin het grootste gedeelte van de personen die ten
tonele gevoerd worden elkaar naar het leven staan en onvermijdelijk een of
andere gruwelijke dood sterven.
Maar wat met het gebod van de
naastenliefde? IK had het daarover al eerder, lees misschien eerst eens na wat
ik toen schreef, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=644127.
Het gebod van de naastenliefde staat het
meest uitgebreid te lezen bij Matteus, 5de hoofdstuk, aansluitend
bij de Bergrede. Ik nodig je uit om ook de tekst die ik daarover schreef nog
eens te lezen voor we verder gaan, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=398676.
En dit is dan het vervolg van de Bergrede:
13 Jullie zijn het
zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer
zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en
vertrapt.
14 Jullie zijn het
licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen
blijven. 15 Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een
korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht
geeft voor ieder die in huis is. 16 Zo moet jullie licht schijnen
voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie
Vader in de hemel.
17 Denk niet dat ik
gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze
af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18 Ik verzeker
jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in
de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19 Wie dus ook maar
een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te
doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar
wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel
in hoog aanzien staan. 20 Want ik zeg jullie: als jullie
gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën,
zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.
21 Jullie hebben
gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt,
zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22 En ik zeg zelfs:
ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten
verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten
verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de
Gehenna komen te staan. 23 Wanneer je dus je offergave naar het
altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets
verwijt, 24 laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met
die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25 Leg een geschil
snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij
je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word
je gevangengezet. 26 Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook
de laatste cent betaald hebt.
27 Jullie hebben
gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28 En ik zeg zelfs:
iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al
overspel met haar gepleegd. 29 Als je rechteroog je op de verkeerde
weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je
lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen
wordt. 30 En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak
hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen
verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.
31 Er werd gezegd:
“Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief
meegeven.” 32 En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft
haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en
ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.
33 Jullie hebben ook
gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor
de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” 34 En ik zeg jullie dat
je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van
God, 35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij
Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; 36 zweer evenmin
bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart
maken. 37 Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan
toevoegt komt voort uit het kwaad.
38 Jullie hebben
gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een
tand.” 39 En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet,
maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te
keren. 40 Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed
van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41 En als
iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem
op. 42 Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie
geld van je wil lenen.
43 Jullie hebben
gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand
haten.” 44 En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie
jullie vervolgen, 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je
Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Is
het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet
net zo? 47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk
bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net
zo? 48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Het zijn woorden die ons
zeer bekend in de oren klinken, we hebben ze zo vaak gehoord en gelezen, maar
ik vrees dat we er niet lang genoeg bij stilgestaan hebben; precies omdat ze zo
vertrouwd zijn, luisteren we er niet meer naar.
Aan de hand van
verscheidene voorbeelden wijst Jezus erop dat de wet dient nageleefd te worden,
maar dat dit niet voldoende is. De wet is slechts het begin, het is maar een vertrekbasis.
Zelfs ‘Gij zult niet doden’ is niet voldoende als ‘groot christelijk principe’:
je mag je medemens zelfs niet eens voor dwaas uitschelden! En Jezus vermeldt
ook expliciet het gebod van de naastenliefde, dat reeds in het Oude Testament
gold: er staat geschreven dat je je naaste moet liefhebben en je vijand haten.
Hier blijkt zeer duidelijk wat de Schrift bedoelde met ‘je naaste’: je
vrienden, niet je vijanden. Voor Jezus is dat niet genoeg: je moet ook je
vijanden liefhebben, liefde moet inclusief zijn, ze strekt zich uit over de
hele wereld. Wij moeten volmaakt zijn, zoals onze hemelse Vader.
De reden daarvoor komen
we te weten in de volgende twee hoofdstukken, die ik eveneens graag ter lezing
aanbeveel. Het is namelijk zo, dat God ons zal behandelen zoals wij onze naaste
hebben behandeld. In hoofdstuk 6 staat het letterlijk:
12 Vergeef ons onze
schulden,
zoals ook wij hebben
vergeven
wie ons iets schuldig
was.
13 En breng ons niet
in beproeving,
maar red ons uit de greep
van het kwaad.
14 Want als jullie
anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie
vergeven. 15 Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader
jullie je misstappen evenmin vergeven.
Onze naastenliefde moet dus volmaakt zijn,
zoals Gods liefde voor ons. Elke onvolmaaktheid zal ons worden aangerekend: God
houdt de rekening bij en als wij tekortgeschoten zijn, zal Hij onverbiddelijk
zijn bij het Laatste Gericht.
Kijk, daar heb ik het dan moeilijk mee. Men
verwijt mij mijn atheïsme, dat slechts een armzalig nihilisme is en men geeft
hoog op met het moreel zoveel meer hoogstaande principe van de universele en
onvoorwaardelijke naastenliefde, die zo typisch is voor het christendom. Maar
is dat wel zo?
Dat universele, onwrikbare en meedogenloze gebod
van de naastenliefde is een onmogelijke opgave. Je hebt de Bergrede nu helemaal
gelezen. Wat denk je, zal het je een beetje lukken om ze ook in de praktijk te
brengen? Zal je niet alleen de wet naleven, de hele wet, maar ook nog al de
extreme consequenties van het gebod tot universele naastenliefde?
Ik voor mijn part geef graag toe dat het me
niet lukt.
Ik beken dat ik mijn broers herhaaldelijk
heb uitgescholden en verwenst en niet allen hen, maar in de loop van mijn leven
ook nog een hele resem anderen en ik kan niet garanderen dat ik dat na vandaag
nooit meer zal doen. Ik heb me niet steeds snel verzoend met de mensen met wie
ik ruzie had gemaakt en met enkelen onder hen zal ik me wellicht nooit
verzoenen, in tegendeel, ik zal hen geen blik waardig achten, als ik hen
ontmoet zal ik hen straal voorbij lopen. Dat zijn er niet veel, maar toch. Als
ik met iemand een ernstig conflict heb, dan eis ik dat er gerechtigheid
geschiedt en als ik meen dat mij tekort wordt gedaan, dan zal ik zelf de
tegenpartij voor de rechter sleuren, wees maar gerust. Ik ben, zeker op mijn
leeftijd, geen seksueel roofdier, maar ik beken volgaarne dat ik nog altijd een
zekere opwinding voel en een verlangen naar intense tederheid als ik sommige
andere mensen zie en ik ben niet bereid om dat af te leren of om mij daarover
te schamen, laat staan dat ik mijn oog zou uitrukken! Ik ben gescheiden en ik
leef samen met een gescheiden vrouw en ik heb daarover geen enkel schuldgevoel,
alleen veel spijt dat mijn eerste huwelijk niet heeft standgehouden omdat we
niet echt samen hoorden. Ik denk dat het een goed idee is om niet te veel dure
eden te zweren, maar precies dat is tot op vandaag wat wij in onze samenleving nog
steeds doen, op de Bijbel, of met de toevoeging: zo helpe mij God. Men heeft
atheïsten bij wet verboden om eden te zweren, precies omdat men enkel bij God
betrouwbaar kan zweren, want God zal meineden straffen…
Ik heb in mijn volwassen leven maar één
keer iemand een oplawaai verkocht en ik heb daarover tot op vandaag geen spijt
van: hij had het uitgelokt, jarenlang en op een dag kon ik me niet meer inhouden…
Wie mij voor het gerecht wil slepen, moet er niet op rekenen dat ik me zal
laten doen, ik zal me met hand en tand verzetten tegen al wie mij wil uitkleden
of mij wil dwingen om iets tegen mijn wil te doen. Als iemand mij zomaar een
klap geeft, dan kan ie zich beter uit de voeten maken, want in plaats van mijn
andere wang zal ik mijn vuist aanbieden, zowel letterlijk als figuurlijk. Als
het over geld gaat, dan maken goede rekeningen goede vrienden. Lenen doe je het
best bij een bank, daar komen het minst problemen van. Zelfs mijn boeken leen
ik ongaarne uit, je ziet ze immers niet terug, tenzij na lange tijd en
beduimeld of verhakkeld. Ik zal dus ook mijn vijanden niet liefhebben,
bijvoorbeeld wanneer ze me van de weg rijden, of mijn eigendom of gezin belagen,
of zelfs maar weigeren om voorrang van rechts te verlenen.
Ben ik dan een koud en harteloos mens? Wat
denk je? En hoe reageer je zelf?
Ik ken geen christenen die volgens de Bergrede
leven, geen, punt. Het is geen redelijke boodschap, het is waanzin. Niemand kan
zo leven. Zelfs Damiaan maakte zich boos, bijvoorbeeld op zijn oversten, niet
eens echte vijanden… De Bergrede is een literaire tekst, geen wettekst. Het
zijn geen realistische voorschriften. Welke betekenis hebben ze dan wel? Ach,
dat voelen we allen wel aan, ook zonder die tekst. Het heeft niet veel zin om
haatdragend te zijn voor een prul, je moet je ook al eens iets laten
welgevallen, en je moet inderdaad niet elke vrouw bekijken als wou je ze node
bespringen. Maar wij gedragen ons meestal toch al zo, we zijn immers geen
extreme mensen; radicaal gedrag straft zichzelf af, meestal, dat leer je met
vallen en opstaan.
Aan dat extreem bevel tot universele liefde
heb je uiteindelijk niets. Niemand kan iedereen liefhebben. Wij bewaren dat
uitzonderlijke woord terecht voor uitzonderlijke gevallen. Wij hebben onze
levensgezellen lief, daarnaast nog een beperkt aantal anderen, maar dan is het
wel gedaan. De anderen hebben we niet lief, we behandelen ze met respect, want
het zijn mensen zoals wij en wij moeten met hen samenleven, we zijn met hen op
duizend manieren verbonden, we zitten met hen in dezelfde boot. We kunnen dus
maar beter vriendelijk zijn voor hen, als het effe kan. Maar liefhebben? Nou
nee, toch maar niet.
Elke poging om een maatschappij te vestigen
op universele liefde is gedoemd om te mislukken, dat leert ons de geschiedenis.
Misschien was het vroege christendom zoiets, zo staat het althans in
Handelingen, hoofdstuk 4: 32 De
groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van
hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden
alles gemeenschappelijk. 33 De apostelen bleven met grote kracht
getuigen van de opstanding van de Heer Jezus, en God begunstigde allen
rijkelijk. 34 Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond
of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen 35 en
legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen
werd verdeeld.
36 Een van hen was
Josef, een Leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had
gekregen, wat in onze taal ‘zoon van de vertroosting’
betekent. 37 Hij bezat een akker, die hij verkocht, waarna hij het
geld naar de apostelen bracht.
Maar of het lang geduurd heeft?
Ook de eendrachtig christelijke middeleeuwse
samenleving was allesbehalve egalitair, noch het vorstelijk absolutisme, noch
het extreem kapitalisme, noch het even extreem socialisme en communisme. Enkel
de democratie kan als een moreel verantwoord samenlevingsconcept aanvaard
worden, omdat ze gebouwd is op deze écht grote principes: vrijheid, gelijkheid
en solidariteit.
Als we dus wat dieper ingaan op wat de
Bijbel bedoelt, dan zien we dat we de naastenliefde niet zomaar een typisch
christelijk principe kunnen
noemen; het stamt (onder meer) uit het
Jodendom en was een zeer restrictief begrip, want het gold enkel voor je echte
naasten, die het dichtst bij jou stonden. De uitbreiding die de Bergrede ervan
maakte, blijkt een onmogelijke opgave te zijn, zo dwaas als je ze letterlijk
neemt dat het ongetwijfeld niet de bedoeling kan geweest zijn dat je dat zou
doen. De onderliggende boodschap is dan weer zo algemeen, dat je ook daarop
geen huizen kan bouwen. Je vindt dezelfde principes, soms zelfs in dezelfde
bewoordingen overigens ook in allerlei andere teksten en in ander culturen
terug. Behandel de anderen zoals je ook wil dat de anderen jou behandelen (Mt
7, 12) is een Gulden Regel, niet van de Bijbel of van het christendom, maar van
de menselijke soort. Je hebt geen profeten nodig om dat duidelijk te maken.
Voor veel van mijn (min of meer) gelovige
gesprekspartners is het een ontnuchterende ervaring om vast te stellen dat hun
kerk dan toch niet op zo’n vaste rots is gebouwd. Dat zou hen echter niet mogen
verwonderen: zij hebben al te weinig aandacht besteed aan de fundamenten waarop
zij hun leven hebben gebouwd. Ze hebben gedacht dat ze voldoende hadden aan de ‘grote
christelijke principes’ die hen in hun jeugd zijn aangereikt door meestal
gebrekkige voorbereide en weinig overtuigde leraren. Ze hebben zelden de
behoefte gevoeld om een en ander in vraag te stellen, ze voelden zich geborgen
in het veilige huis dat hen werd aangeboden, in een kerk die macht en gezag
uitstraalde en die garanties bood voor het leven hier op aarde en ook daarna,
op voorwaarde dat je tot die kerk behoorde, al was het maar in naam, al was het
maar zonder goed te weten wat je deed.
Maar zo werkt het niet. Als je echt tot die
kerk wil behoren en er echt de vruchten wil van plukken, dan zal je, zoals
Ratzinger en Léonard niet nalaten te herhalen, wat meer moeite moeten doen, wat
meer evangelisch moeten leven; je mag dan niet schrikken als deze gestrenge
leermeesters je eraan herinneren dat de Bergrede wel degelijk te nemen of te
laten is. Wie niet met mij is, zeggen ze, is tegen mij (Mt 12,30). Oppervlakkig
christen zijn, dat wil zeggen hooguit enkele keren per jaar naar de kerk gaan
als het niet anders kan, of leven volgens vage ‘christelijke principes’, dat is
niet genoeg. Zo staat het in de Openbaring, hoofdstuk 3: 15 Ik weet wat u
doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of
warm! 16 Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u
uitspuwen.
Lauwe of flauwe gelovigen doen er goed aan
zich toch eens af te vragen of ze bij de heilige rest willen behoren, de happy
few, de kleine groep van getrouwen, het zout der aarde; maar ook of ze zich
willen scharen onder de witgele vlag van het Vaticaan, of ze de herders willen
volgen die de kerk aanstelt, tegen de wil van de gelovigen in en zonder hen zelfs
maar te raadplegen, of ze echt wel willen leven volgens de principes die de
katholieke kerk oplegt, álle principes en niet zomaar een eigen selectie, of ze
de hele Bijbel willen lezen en niet alleen die paar citaten die hen goed
uitkomen. Misschien ontdekken ze op een dag wel dat ze misschien meer gemeen
hebben met die zonderlinge atheïst met zijn vervelende vragen en gaan ze zelf op
zoek naar algemeen menselijke waarden om hun leven op te bouwen. Ver moeten ze
daarvoor niet lopen: probeer het eens met vrijheid, gelijkheid en solidariteit;
met amper deze drie woorden kom je al een heel eind.