Kerstmis, het feest van het Licht


Hypostase… Weeral een moeilijk woord, zal je denken. Ik heb het hier al eerder gebruikt en ook uitgelegd waar het vandaan komt en wat het betekent. Oorspronkelijk is het een zeer oude medische term voor een residu in een vloeistof, bijvoorbeeld in de urine. In de Griekse filosofie duidt men met die term de diepste grond aan van iets of iemand, wat we in het Latijn letterlijk vertalen als substantia, dat wat overblijft als al het bijkomstige wegvalt. Plotinus gebruikte het in de derde eeuw om de drie personen van de Triniteit of de Drievuldigheid te onderscheiden: er is maar één God, maar er zijn drie verschillende hypostasen: Vader, Zoon en Geest. Later heeft de filosofie de term hypostase gebruikt voor het onterecht toekennen van werkelijkheid en betekenis, van substantie, aan een fictief gegeven.
Een voorbeeld maakt dat duidelijk: elfjes bestaan niet en kabouters evenmin, dat zijn fictieve wezens. Wie beweert dat ze echt bestaan, maakt ze tot een hypostase, hypostaseert ze. Net zo voor de Griekse mythologie: de bonte verscheidenheid van goden, halfgoden, helden en dies meer moet je in een strikt mythologische context zien, als symbolen, als een fictieve realiteit. Als je Zeus letterlijk neemt, dan hypostaseer je hem, je kent hem onterecht een reëel bestaan toe, terwijl het om een mythe gaat, een verbeeldende manier van spreken. De Grieken waren zich zeer goed bewust van dat onderscheid. De literaire manier om in het Grieks te zeggen: het regent, was: huei Zeus, letterlijk: God watert, of pist, of zeikt… Niemand die werkelijk dacht dat het water dat uit de hemel viel in feite afkomstig was van een zeer menselijke Zeus die zijn reusachtige blaas ledigde over de wereld. Net zo met de bliksems die hij als schichten naar beneden slingerde. De ‘oude’ Grieken waren geen ezels en geen kinderen; misschien wisten ze niet precies hoe regen en donder en bliksem werkten, maar de rol die ze daarvoor aan de goden toewezen was figuurlijk, niet letterlijk, een manier van spreken, niet meer dan dat.
Wat een verschil met het christendom! Met Paulus komt er een einde aan de mythologie en aan de goden van de Griekse en Romeinse oudheid en zelfs de God van het Oude Testament is aan vervanging toe. Met de missionarissen van de vroege Middeleeuwen stuurt Rome die boodschap de wijde wereld in en ook de Germaanse goden moeten eraan geloven. Alles moet wijken voor het geweld van de voorstanders van de ene echte en ware God, een die echt bestaat, die geen verzinsel is, geen mythologische figuur, geen allegorie, geen symbool, geen fictie: hij is de Waarheid, de Weg en het Leven. Hij Bestaat, hij Is. Dat is de grote hypostase en wij lijden nog steeds onder die zinsbegoocheling, die illusie, die waan-zin, die Richard Dawkins zo treffend genoemd heeft: the God Delusion.
Het christendom vertrekt, zoals elke godsdienst die enig succes verhoopt, van diepmenselijke ervaringen en inzichten: de wereld om ons heen is een merkwaardig schouwspel, zo veelzijdig en complex en wellicht nooit helemaal te verklaren. Er zijn krachten in de natuur die onze menselijke vermogens ver te boven gaan, die wij met groot ontzag ervaren en die we zelfs in onze meest geavanceerde wetenschappen slechts schroomvol kunnen benaderen. De plaats van de mens in dat alles, zijn rol en betekenis in de geschiedenis van het universum vervult ons met een gevoel van verpletterende nietigheid en ontwapenende onmacht. Het samenleven hier op aarde, met onze medemensen en met de hele natuur, tart elke poging tot volledig inzicht of beheersing. Dat alles roept in de mens emoties op die wij nauwelijks begrijpen en die nochtans ons samenleven vanuit de diepste diepten van ons brein aansturen. Zelfs in onze meest lucide momenten weten wij dat wij beperkt zijn in onze mogelijkheden om te begrijpen, om te handelen, om onze verlangens te bevredigen of onze doelstellingen te verwezenlijken. Wij voelen ons vaak machteloos, een speelbal van het lot, afhankelijk van het toeval en van krachten die wij niet zelf beheersen. Maar wij ervaren ons korte leven op deze aarde toch ook dikwijls als waardevol, als een unieke kans om te genieten van de vele heerlijke mogelijkheden die de wereld ons biedt. Wij staan vol bewondering voor de verbluffende complexiteit van de natuur en van het universum, die we steeds dieper doorgronden en zelfs beheersen om onze beschaving en de zeven miljard mensen op aarde in stand te houden.
Ik herhaal het: het christendom vertrekt van die algemeen menselijke ervaringen en grote geesten hebben die inzichten door de eeuwen heen vertolkt in ontelbare diepzinnige en poëtische geschriften, in heerlijke afbeeldingen en prangende muzikale creaties. Maar er ligt een fundamentele dwaling te gronde aan het christendom: men probeert alles te verklaren vanuit een principe dat het universum en al wat is, volledig overstijgt. Men creëert een transcendente God die naast en buiten en boven het universum staat, die de oorsprong en de verklaring is van alles en die als een liefdevolle vader zorgt voor zijn kinderen. Die God, zo stelt het christendom, is helemaal niet onze creatie, is niet het resultaat van onze verbeelding, is geen mythe, geen symbool: hij bestaat echt!
Vervolgens heeft de christelijke beschaving, net als alle beschavingen en volkeren voor haar, een onvoorstelbaar ingenieus uitgewerkte constructie opgebouwd rond die God. Als we over andere culturen en godsdiensten spreken, noemen we dat ietwat smalend mythologieën, zoals de Egyptische, de Griekse, de Romeinse, die van de Azteken en andere oer-Amerikaanse volkeren, die van primitieve stammen. We spreken daar dan luchthartig over of we bestuderen de materiële en folkloristische aspecten daarvan in de antropologie en de kunstwetenschap. Maar als we over de ontstellend wonderlijke christelijke ‘mythologie’ hebben, dan beweren we dat die, in tegenstelling tot alle andere, helemaal geen mythologie is maar de waarheid. We kennen aan onze verzinsels en hersenspinsels een reëel bestaan toe, we hypostaseren.
Naast de ene God verschijnt een tweede, die uit de Vader is voortgekomen voor alle tijden en evengoed helemaal God is, de ene God en toch ‘slechts’ de Zoon; en een derde, die ooit op een of andere manier uit Vader en Zoon is ontstaan, de Heilige Geest, de mysterieuze maar niet mindere God, onbegrijpelijk, nutteloos en totaal ongrijpbaar. En dan is er ook nog Maria, de menselijke maar ook goddelijke Moeder van God, van de Zoon, maar omdat de Zoon ook echt God is ook van de Vader en de Geest? Vervolgens hebben we de hemel en de aarde bevolkt met een eindeloos diverse en bonte collectie van de meest merkwaardige creaturen, engelen, duivels, geesten, heiligen, allemaal met een eigen zijnswijze, met eigen krachten en mogelijkheden. We hebben een kerk opgericht, bekleed met wereldlijke en spirituele macht, om dat alles in goede banen te leiden. We hebben in de theologie, de kerkelijke filosofie, de volksdevotie en de folklore en in alle vormen van kunst en cultuur een overweldigend machtig verhaal opgebouwd en dat verhaal hebben we verteld, beleden, opgelegd en verdedigd met al de vreselijke middelen die de mens te zijner beschikking heeft. Dat christendom heeft grote delen van de wereld veroverd en is daar nog steeds wanhopig mee bezig. Het heeft ondertussen vele vormen aangenomen, schisma’s ondergaan, groei en verval gekend. Er zijn rivalen opgestaan of ontdekt, andere wereldgodsdiensten die we bestreden hebben maar die we niet allemaal hebben kunnen vernietigen en die nu op hun beurt zweren bij hun universele waarheid, die nog meer waar is en nog meer letterlijk dan het christendom.
Er zijn echter in de loop van de geschiedenis steeds weldenkende mensen geweest, zowel binnen de kerkelijke gemeenschap als daarbuiten, die gewaarschuwd hebben voor teveel ‘hypostaseren’, voor bijgeloof, voor superstitie, uitspattingen, dwalingen en afgoderij, menselijke hebzucht en machtswellust; die zich verzet hebben tegen de al te wereldlijke arm van wat een spirituele kracht moest zijn. Soms heeft dat geleid tot grote hervormingen in de kerk, soms ook tot verscheurdheid en godsdienstoorlogen.
Steeds weer zijn er eerlijk twijfelende mensen gekomen, individuen en kleine groepen, die zorgvuldig en met veel geduld de vele hypostasen van de religie hebben blootgelegd, die gewezen hebben op de ene fundamentele hypostase, de diepe dwaling van elke godsdienst die zichzelf verheft boven het mythologische en klakkeloos beweert dat er een God is die echt bestaat, dat er meer is in het universum dan wat wij kunnen bevroeden in onze filosofieën en onze wetenschap. Zij hebben geprobeerd, door afstand te nemen van de mythologische verhalen, van de tijdsgebonden culturele vormgeving en van de onvrije maatschappelijke structuren van de godsdienst, om terug te keren naar de essentie, de fundamentele ervaring van de mens in zijn gemeenschap, op deze wereld, in dit universum. Een terugkeer dus naar de emoties, de verlangens, de twijfels, het ontzag, de verwondering en de bewondering die elke mens niet anders kan dan ervaren, zijn condition humaine. Zij hebben zich losgemaakt van de gecumuleerde ballast van eeuwen goedbedoelde en minder oprechte menselijke ideeën, fantasieën, verzinsels en waanbeelden, om terug te keren naar het onverholen zuivere en primitieve begin van alles: de natuurlijke mens in al zijn eenvoud en al zijn complexiteit.
In onze straten is de officiële feestverlichting al volop aanwezig en ook veel gewone mensen tooien hun huis van binnen en van buiten met kleurrijke versierselen en vooral veel licht. Voor het christendom is dat ter voorbereiding van het kerstfeest, de jaarlijkse herdenking van de geboorte van Jezus, de Zoon van God, God zelf, in een kribbe in een stal in Bethlehem, in een land dat sinds mensenheugenis geteisterd is door geweld en oorlog. Daar begon ooit het grote christelijke verhaal. Op onze dagen en in onze streken zijn er echter nog maar weinig mensen die dat ernstig nemen. Het zijn vermolmde tradities die zijn overgebleven uit onze jeugd, toen de kerk en de godsdienst ons hele leven beheersten en we met zijn allen het simplistisch romantische verhaal beleefden als was het echt, of toch niet helemaal verzonnen…
Steeds meer mensen nemen rustig en zelfverzekerd afstand van de bedenkelijke vormen die de traditie had aangenomen. De kitscherige kerststalletjes zijn verdwenen uit de huiskamers, de pronkerige kerstbomen en vooral de uitbundige verlichting zijn gebleven en krijgen nu alle aandacht. De eindeloze middernachtsmis is vervangen door concerten in de vooravond. Pakjes geven we vooral met Nieuwjaar en dan feesten we pas echt en zonder vervelende religieuze bijgedachten. We weten niet goed wat aanvangen met het feest van kerstmis, het verliest steeds meer zijn betekenis omdat we niet meer geloven in de grond van de zaak: het oude kerstverhaal is ongeloofwaardig geworden voor ons als volwassenen en voor kinderen is het een vreemde mythe waarvan ze geen snars begrijpen omdat we niet meer de moeite doen om het hen te onderwijzen of uit te leggen, omdat we het niet meer de moeite vinden dat ze het weten, omdat we er zelf niet meer in geloven. Wat eens een hoogdag was, het grootste feest van het kerkelijk jaar, is totaal onbelangrijk geworden.
Waarom dan niet terugkeren naar de echte grond van de zaak? Wat valt er te vieren in deze tijd? Het christendom zegt, of zei: de geboorte van Jezus, de Zoon van God, het Licht der wereld, door de Vader gezonden om als mens door zijn kruisdood de mensheid te bevrijden van de erfzonde; het begin van het Rijk Gods hier op aarde voor de mensen de blijde boodschap aanvaarden en leven zoals God het voorschrijft, om zo de dood te overwinnen en het gelukzalige eeuwig leven te bereiken. Maar wij hebben niet het gevoel dat wij zo nodig moeten bevrijd worden van een erfzonde, wij voelen ons niet schuldig aan onze menselijkheid of met een vreemde erfschuld uit een ver verleden beladen, dat is niet wat wij aan onze kinderen willen vertellen. Wij hebben ons afgekeerd van de zogenaamd blijde boodschap en van hen die ze brengen, want die boodschap heeft de wereld verdeeld en mensen tegen elkaar opgezet, ontelbaar zijn de slachtoffers die gevallen zijn voor de haat, de waanzin en de machtswellust van kerk en godsdienst. Wij willen wel een behoorlijk leven leiden, maar we hoeven daarbij van niemand lessen te krijgen en zeker niet van kerken en bedienaars van de eredienst, die zich in niets onderscheiden van andere mensen, behalve misschien in de excessen van hun hebzucht en hun seksuele perversies. En ten slotte zijn we niet meer geïnteresseerd in een vaag en finaal onaantrekkelijk hiernamaals, we beseffen dat dit leven hier op aarde het enige is en dat we er het beste moeten van maken, voor onszelf, voor onze kinderen en voor de komende generaties.
Is er dan nog enige reden om precies dezer dagen te vieren en feestverlichting aan te steken? Jazeker! Vieren is een zeer menselijke bezigheid. Af en toe moeten we de riem eens kunnen afleggen, de dagelijkse zorgen en drukte vergeten en samen genieten van de goede dingen des levens. Sinds de mens bestaat als denkend wezen hebben we bepaalde momenten van het jaar uitgekozen voor dergelijke feestelijke vieringen. We hebben ons voor de keuze van de datum daarbij steeds laten leiden door wat echt belangrijk is. Niet een of ander arbitrair bepaald kerkelijk feest van een of andere godsdienst, maar een jaarlijkse gebeurtenis van immense omvang en belang die elke mens, waar ook ter wereld, aan den lijve ondervindt. Ik heb het natuurlijk over de winterzonnewende, dit jaar op 21 december om 23u28. Dan beleven we het putteke van de winter, de langste nacht, volle 16 uur, de kortste dag, amper acht uur. Vanaf dan beginnen de dagen weer te lengen en kijken we weer uit naar het nieuwe jaar, naar de lente en de zon. Alle godsdiensten die er ooit geweest zijn, hebben dat gevierd. De terugkeer van het licht en de warmte van de zon, die het leven hier op aarde voedt en in stand houdt, biedt ons een veel betere reden tot vieren dan de verzonnen geboorte, uit een maagd nog wel, van een fictieve goddelijke redder van de mensheid, die overigens zijn ambitieuze rol niet heeft kunnen waarmaken, een povere, pijnlijk falende Prince of Peace, die zelfs geen vrede heeft kunnen brengen aan alle mensen van goede wil.
In ons gezin zullen we kerstmis vieren, maar dan als een menselijk feest, een gelegenheid om samen te komen in het diepst van de winter, maar met de zekerheid dat de aarde haar tocht rond de zon onverstoorbaar zal verder zetten, dat er na de donkere koude weer een heerlijke lente komt, dat de cyclus van het leven zal doorgaan zolang dit zonnestelsel bestaat. Wij hebben afscheid genomen van de religieuze invulling die onze jeugd zo indringend heeft getekend. We zijn teruggekeerd naar de meer realistische en niet minder poëtische grond van de zaak, de oermenselijke angst voor koude en duisternis en teloorgang enerzijds en anderzijds het verblijdende inzicht en vertrouwen dat wij niet zomaar overgeleverd zijn aan onvoorspelbare boze krachten of de bedenkelijke al dan niet welwillendheid van een oppermachtige heerser, maar dat de gestage geruisloze gang van de majestueuze aarde om de machtige zon onze seizoenen maakt en ons leven vorm en gestalte geeft. Wij mensen mogen van de geboden kansen op elk tijdstip van het jaar en wat het weer ook brengt, steeds het beste proberen te maken. Laten we genieten van elkaar en van dit korte, broze maar o, zo dierbare lieve, lieve leven.




















