White Christmas, Witte kerstdag


I’m dreaming of a white Christmas…
Dit moet een van de meest populaire kerstliederen zijn, na Stille nacht, natuurlijk. Tekst en muziek zijn van Irving Berlin en dateren van 1940. De legende wil dat hij het zou geschreven hebben bij het zwembad van een hotel in Phoenix, Arizona. De eerste regels van de tekst, die men gewoonlijk weglaat, lijken daarop te wijzen:
The sun is shining, the grass is green,
The orange and palm trees sway.
There's never been such a day
in Beverly Hills, L.A.
But it's December the twenty-fourth,—
And I am longing to be up North—
Het thema is dus heimwee en herinnering aan andere kerstmissen, vroeger en elders. Kerstmis doet dat met een mens. Het neemt ons mee in de tijd, naar onze jeugd vooral. Naar zeldzame witte kerstdagen, met veel sneeuw en bittere kou. Die eerste sneeuw die we als kind zagen, die het uitzicht van onze leefwereld zo plots en integraal omtoverde, die ook ingrijpend ons dagelijks leven veranderde, dat moet een enorme indruk gemaakt hebben op onze ontvankelijke jeugdige geest. Kerstmis werd toen ook zeer intens gevierd, na de voorbereiding van de advent met zijn wekenlange liturgische opbouw, met adventskransen waarop elke week een nieuwe kaars werd aangestoken. We stuurden elkaar toen ook kerstkaarten, meestal zoete kitscherige wintertafereeltjes. Er was de kerstboom met de versieringen die maar één keer per jaar uit hun verpakking gehaald werden. Bij ons thuis gebruikten we het zijdepapier waarin sinaasappelen (wij zeiden: appelsienen) verpakt waren, om de fragiele geblazen glazen kerstballen te beschermen, maar toch waren er elk jaar weer die we gebroken aantroffen in de kartonnen rood-bruine Solo-doos, de zelfde kleuren als het roodborstje. We kregen dan wat kleingeld om enkele nieuwe ballen te gaan kopen, met speciale vormen en felle kleuren. Met de sneeuw kwamen ook de sledes en arren naar boven, wij hadden zelfs een ijsstoel, een echte ouderwetse stoel op latten, ik weet niet waar die vandaan kwam en waar hij naartoe is gegaan, we hebben hem misschien maar één of twee keer gebruikt.
Thuis hadden we een bescheiden buurtwinkel, onder meer van tabak, wijn en likeuren. Gedurende het jaar stelde de verkoop niet veel voor, maar in december sloeg mijn Moeder grote voorraden in, de hele winkel vol, in de rekken en tot op de grond, geen plekje bleef vrij, overal stond en lag rode en witte wijn, veel zoete Monbazillac voor bij de taart, maar ook porto, en likeuren met exotische namen als sherry brandy, Curaçao, Cointreau en nog straffere dranken zoals Elixir d’Anvers en Kümmel, soms dwarrelden er kleine stukjes bladgoud in, fascinerend voor een kinderoog. Mijn zus Godelieve, die stierf toen ze amper vijfendertig was, maakte toen prachtige kerststronken, met hulst, dennenappels en takken, schors en rode kaarsen en gouden linten en veelkleurige kerstballen en watten en engelenhaar, die ons Moeder dan verkocht.
Dit is het vervolg van de tekst van White Christmas:
I'm dreaming of a white Christmas
Just like the ones I used to know
Where the treetops glisten,
and children listen
To hear sleigh bells in the snow
I'm dreaming of a white Christmas
With every Christmas card I write
May your days be merry and bright
And may all your Christmases be white.
Het is een niemendalletje, een kattebelletje, bijna niets. Maar als we de warme bariton van Bing Crosby horen, krijgen we allen een krop in de keel. Vreemd, maar het is wel zo.
In Vlaanderen is lange tijd een gans ander kerstgedicht heel bekend en geliefd geweest. Vandaag is het helemaal vergeten. Het draagt dezelfde naam: Witte kerstdag en het dateert van rond 1930. Het is van de hand van André Demedts (1906-1992) en maakt deel uit van de bundel Voortijds in de verzamelde gedichten van 1976. Het verscheen oorspronkelijk in zijn debuutbundel Jasmijnen (1929). De bundel Voortijds is de grondige herwerking van die Jasmijnen en van zijn tweede dichtbundel Geploegde aarde (1931); er zijn slechts elf gedichten overgehouden en zelfs die heeft de dichter grondig herwerkt. Merkwaardig is dat hij uitgerekend Witte kerstdag nauwelijks veranderd heeft, op enkele details en de scheiding van de oorspronkelijke lange versregels na. Wellicht is de reden daarvoor te vinden in de toenmalige aanzienlijke publieke bekendheid van het gedicht. Dit is de volledige tekst, in de oorspronkelijke versie, zodat je het rijm duidelijk ziet.
Witte kerstdag
‘Klein broertje heeft gebeden om deze Kerstdag wit te zien,
met voetstappen in de verse sneeuw voor het raam,
en een roodborstje op een twijg, dat zingt van de verre lente en de bloemen misschien,
en als de middagklokken over de vlakte ontwaken
een vage glans van de zon op de bomen en daken
en de mensen zo zwart in de sneeuw, zeer groot en eenzaam.
Maar ons hart is zo licht te dragen vandaag, het is of we opnieuw mochten beginnen
en alles vergeten dat niet meer is; in ieder oog blinkt een vlam en een traan,
er is zo'n blij welwillen in ons, vandaag zullen wij allen met een grote liefde beminnen
en niet één zal zijn blik in wantrouwen nederslaan.
Want ieder mens, die een eind weg met ons gaat,
kan Christus zijn, die voor één dag over de wereld gaat
en daarom willen wij allen weerhouden: Blijf nog wat, want het wordt nacht,
ieder jaar is het maar eenmaal Kerstdag en ons hart heeft zo lang op uw komst gewacht.
Want zo veel moeten we zeggen en vragen, wat ons verheugde, wat leed heeft gedaan
en ik kom bedelen ieder jaar weer op deze dag, want mijn armoe en honger eindigen niet.
Als ik vanavond door de sneeuw naar huis zal gaan, Jezus, en gij Moeder, genees mijn verdriet
en help ons allen, die over de vlakte het rinkelen van sleebellen horen
en die geen meester zijn over het heimwee van ons bloed;
help ons allen, die vruchteloos sjouwen onder de mensen en die onze hoop verloren,
wij zijn dompelaars en boeven ook, maar over alle sneeuwpaden komen wij U en de sterren tegemoet.
Moeder, voor allen vandaag laat me bidden: voor mijn dode vriend,
geef vader en moeder geluk en ook mijn kameraden
en wat liefde aan uw dwaas, die het niet verdient
en veel trouwe liefde aan Vlaanderen, Moeder, want het werd zo dikwijls verraden.
Ik ben maar een schamel arbeider, die U niets geven kan dan wat scherven van zijn hart,
het is zo weinig, het is niets om dat alles te vragen...
maar als het niet mag, wees voor allen niet even hard
en laat één, die jong is en sterk, het lastigste dragen.
Moeder, klein broertje heeft gebeden opdat uw Kerstdag wit zou zijn,
geef aan ons allen over de sneeuw, veel zonneschijn!’
Wij vinden hier hetzelfde heimwee, dezelfde herinneringen: de voetstappen in de verse sneeuw, het scherpe contrast van het steenrode roodborstje, de goudgele glans van de vale winterzon op de egale witte wereld, de zwarte mensenschaduwen. Met de winterzonnewende beseffen we dat een jaar voorbij is. We staan stil bij wat voorbij is, bij wie ons ontvallen zijn, maar wij mogen ook vooruitkijken, naar het jaar dat komt en aan de vergetelheid toevertrouwen wat ons verdriet heeft gedaan. Verderop in het gedicht is het rinkelen van sleebellen voldoende om ons gemoed te doen overlopen van het onweerstaanbaar heimwee in ons bloed.
Het vrome christelijke beeld dat zo typisch is voor de tijd en voor André Demedts krijgt hier een heel menselijke inkleding: niet het kerstekind, maar Emmaüs: een anonieme Christus die met ons meegaat; wat ge aan de minsten der mijnen hebt gedaan… Hier is het eerste gebod niet God beminnen, maar de medemens; alleen door onze broeders en zusters lief te hebben, dienen we God. Demedts grijpt liever terug naar de eerste christenen dan naar het rijke Roomse leven. Hij is of was toen ideologisch meer een communist dan een burger. Deze zinsnede: want iedere mens die een eind weegs met ons gaat, kan Christus zijn die voor één dag over de wereld gaat, is opgenomen in ons collectief geheugen, omdat ze in onze jeugd talloze keren geciteerd en herhaald is door priesters en kapelaans en opvoeders allerhande, die evenwel steeds hebben nagelaten te vertellen waar ze de mosterd hadden gehaald, of zelfs niet meer wisten dat ooit iemand die prachtige zin had gesmeed in een ontroerde opwelling tijdens een winteravond.
De hele tweede helft van het gedicht neemt de vorm aan van een gebed, gericht aan Jezus en aan zijn Moeder Maria, die in de Vlaamse poëzie en liederenkransen nooit ontbreekt. Het is het gebed van de jonge idealist die gebukt gaat onder de tegenstand en de nutteloosheid van zijn inzet, maar die in de eenvoudige, menselijke Moeder en haar Zoon een hoopvol aanknopingspunt ziet voor zijn machteloos streven. De laatste drie strofen zijn expliciet aan de Moeder gericht, met een bijna voorchristelijke, heidense Mariologische overgave en devotie die in onze tijd en onze theologie onbegrijpelijk is geworden. Wie was de vriend die gestorven was? Wij weten het niet, misschien een van de ontelbare gevallenen in de Grooten Oorlog, die zich zo dicht bij zijn geboortestreek heeft afgespeeld in zijn kindertijd? Ontroerend is het voor mij ook om hier die andere zinsnede terug te vinden, die ik in mijn jeugd vaak uit de mond van mijn Vader heb gehoord: het arm Vlaanderen, dat al zo dikwijls is verraden, dat de speelbal is geweest van vreemde vorsten en minachtende machten, eeuw na eeuw, zelfs en vooral in de Belgische staat, dat wangedrocht dat aartsvijanden achteloos en met mateloos dédain voor onze volkeren als een loutere militaire buffer hebben opgetrokken tegen hun eigen geile machtswellust.
Verontrustend en bevreemdend is de voorlaatste strofe. Wat moet een jongeman van vooraan in de twintig met zware woorden als ‘schamele arbeider’, ‘scherven van zijn hart’? Hij wist uit de ervaring in het gezin van zijn ouders dat een mens op zijn wegen zelden rozen gestrooid vindt. Hij had een zus die aan kinderverlamming leed; zijn moeder was voortdurend zwanger, ze heeft misschien wel tien miskramen gehad en was vaak bedlegerig. Hij wou zo graag, als sterke jonge man, dat leed van zijn geliefden op zich nemen, de zwakkeren sparen. Maar hij wist toen al dat je daar wel kan voor bidden, dat je ernaar kan verlangen, dat je bereid kan zijn om offers te brengen als je zoveel leed en armoede ziet, maar ook dat de wereld is zoals hij is, dat het onheil onverbiddelijk toeslaat, daar helpt geen lievemoederen aan.
Uit een interview met Joos Florquin met de dichter uit 1968 weten we dat het kleine broertje uit het de aanvangs- en slotverzen van het gedicht de jongere broer was van de dichter, Michel, die zestien jaar jonger was. Het was klein broertje die bad voor een witte kerst, niet de dichter. Die had als boer al ingezien dat je God niet letterlijk mag nemen, dat bidden niet helpt als het over het weer gaat. Het staat in de Bergrede: Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mt 5, 45). Het kinderlijk gebed van Michelleke heeft de oudere broer ontroerd, het onschuldig blind vertrouwen dat sprak uit zijn simpele smeekbede was slechts een onbeholpen, spontane manier van dat kind om zijn verlangen te uiten naar die mythische witte kerst waar ook wij elk jaar nog van dromen. Maar zoals het slotvers nadrukkelijk stelt: niet de sneeuw is ons diepste verlangen, maar het licht, de warmte, het leven dat we danken aan de zon.
Twee maal witte kerst, twee teksten uit een ver verleden, de ene straks weer overal te horen, de andere nu helemaal vergeten, behalve hier en daar bij een nostalgische Vlaamse gepensioneerde. Kerstmis is een tijd van herinnering en heimwee. De moderne wetenschap heeft er een uitleg voor: onze hersenen maken te weinig melatonine aan, we voelen de winter blues of ondergaan een winterdepressie. Onze biologische klok loopt niet meer gelijk met de natuur, onze retina weigert het licht op te nemen. We moeten dat tegengaan met lichttherapieën, drie uur per dag als konijnen voor een lichtbak plaatsnemen, dat zou helpen, zegt men.
Ach, dat is goed voor hyperactieve mensen, die zichzelf niet sparen en niet willen luisteren naar de signalen van hun lichamen. Laat ons maar een beetje mistroostig zijn in deze tijd, laat het heimwee maar opwellen, laat de krachtige beelden uit een ver verleden maar opkomen, laten we maar opnieuw aansluiting vinden met onze lieve doden, met vrienden die we ooit hadden en die we nu uit het oog verloren zijn, met mensen die we hebben liefgehad of die we nodeloos hebben gekwetst, zo nodeloos en onterecht dat we de pijn nog altijd even schrijnend voelen na al die jaren. Laten we in deze donkere dagen ons verleden binnenlaten in de lichtende warmte van onze huizen, als een onvermoede gast, een onbekende oude bekende die op een winternacht in een sneeuwstorm aanklopt en ons door zijn stilzwijgende, indringende, nadrukkelijke aanwezigheid terugvoert naar de droom die we ooit hadden van onszelf.



















