de volmaaktheid is niet van deze wereld

De volmaaktheid is niet van deze wereld.
Hoe vaak hebben we deze spreuk, dit gezegde niet bovengehaald als een lamlendige verontschuldiging wanneer we weer eens tekortgeschoten waren. Zelfs indien we ons uiterste best doen, kan het nog behoorlijk verkeerd lopen. En hoe moeilijker de taak, hoe meer kans dat het resultaat minder dan optimaal is. There is many a slip between the cup and the lip…
En toch is er blijkbaar iets in de mens dat ons aanzet om het steeds weer opnieuw te proberen en wel zo goed mogelijk. If it’s worth doing, it’s worth doing well. Niemand begint aan een taak met de bedoeling er een zootje van te maken, al draait het helaas vaak zo uit. Waar komt die neiging vandaan om wat we doen ook goed te doen, om te streven naar de volmaaktheid die we toch nooit kunnen bereiken? Is dat een algemeen menselijk kenmerk? Of zijn er ook mensen die al fluitend door het leven gaan, die zich tevreden stellen met de dingen zoals ze zijn, die nergens een probleem van maken?
Ik weet het echt niet. Iedereen denkt wellicht van zichzelf dat hij of zij het beter voorheeft en dat de anderen er hun broek aan vegen. Dat is een zelfverdedigingsmechanisme: niemand kan gezond overleven als hij of zij zichzelf maar niets vindt. Kritiek op de anderen is een middel om het eigen zelfbeeld op te krikken. Het kan ook een gewoonte worden en dan is dat een probleem, vind ik. Zeurende mensen zijn zelden aangename mensen.
Er is ook een dieper liggend probleem met kritiek op de anderen. De vraag is immers op welke grond ons smalend oordeel over de anderen gevestigd is. Wie zijn wij dat wij een oordeel kunnen vellen over wat anderen doen of laten of hoe ze het doen? Zijn wij dan volmaakt? Weten wij het allemaal beter?
Akkoord, er zijn mensen die het beter weten. Er zijn er die rap iets doorhebben, veel sneller dan anderen. Er zijn mensen die een enorme energie hebben, die dingen in beweging kunnen zetten, die de verantwoordelijkheid kunnen op zich nemen voor een heel bedrijf met honderden, zelfs duizenden werknemers, de beslissingen kunnen nemen over belangrijke zaken, die over miljoenen gaan. Hebben die mensen dan al de wijsheid in pacht? Mogen zij oordelen over hun medemensen? Geeft hun begaafdheid, waaraan zij toch maar in beperkte mate zelf enige verdienste hebben, hen het recht om de anderen te minachten of van hen te eisen dat zij met misschien heel wat minder capaciteiten toch maar dezelfde prestaties leveren?
Je kan de vraag ook anders stellen: moet alles wel volmaakt zijn, of: is het wel mogelijk dat alles volmaakt is? Moeten we niet veeleer realistisch zijn en aanvaarden dat de volmaaktheid inderdaad niet van deze wereld is? Dat wil niet zeggen dat we sjamfoetisten moeten zijn, van het Frans je m’en fous, het kan me niet schelen. Wel moeten we aanvaarden dat mensen zeer verschillend zijn, ook in hun mogelijkheden en dat sommigen zelfs als ze hun uiterste best doen toch maar tot een mager resultaat zullen komen. Wij hebben allemaal onze beperkingen en dus is het volmaakte niet voor morgen.
We mogen dus wel verwachten dat iedereen zijn uiterste best doet, maar niet dat iedereen volmaakt is. Wat voor de ene een koud kunstje is, is voor de andere een onbereikbaar doel. Dit lijkt belangrijk: we moeten mensen niet beoordelen op wat ze bereiken, maar op hoe goed ze proberen. Dat is de enige manier om iedereen respectvol te behandelen.
De vraag stelt zich dan: hoe kan je de mensen motiveren om er het beste van te maken, om zich in te zetten, om te proberen de dingen zo goed mogelijk te doen, elk naar eigen vermogen?
Als je de lat te hoog legt, zullen ze misschien afhaken, er het bijltje bij neerleggen nog voor het hakken begonnen is. Als je mensen voortdurend controleert en terechtwijst, zullen ze er waarschijnlijk op den duur genoeg van krijgen en er de brui aan geven. Als je hen voortdurend de indruk geeft dat zij onbekwaam zijn of niet voldoende gemotiveerd, moet je niet veel van hen verwachten. Als je hen de vruchten van hun arbeid onthoudt, als je hen uitbuit en onmenselijk behandelt, krijg je vroeg of laat de rekening gepresenteerd.
Door mensen aan te moedigen, hun inspanningen te belonen, hen taken toe te vertrouwen die ze aankunnen, door hen te respecteren in wie ze zijn, zal je het beste uit hen halen. Dat mag dan al minder zijn dan volmaakt, maar misschien is dat het hoogst haalbare. Wie doet wat hij kan is een eerlijk man (of vrouw, al rijmt dat niet). Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij of zij leeft.
We kunnen ons voor deze redenering baseren op de drie principes van de Verlichting: vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid; dit laatste begrip formuleren we vandaag minder seksistisch als solidariteit.
We vertrekken van de vaststelling dat wij allen mensen zijn en als dusdanig gelijken, ook al zijn we zeer verschillend. Elke mens is volwaardig mens, wat ook zijn of haar gebreken zijn. De tijd is voorbij dat iemand zich belangrijker kon achten, of door anderen zo beschouwd werd, gewoon omdat hij of zij geboren was in een adellijke familie, omdat hun vader koning was, omdat zij een fortuin hadden geërfd. Dat is de kern van onze democratie: in het stemhokje heeft iedereen één stem en iedereen is gelijk voor de wet.
Elk individu heeft ook fundamentele rechten waaraan niet kan getornd worden. Dat is de basis voor onze vrijheid: niemand mag ons van die fundamentele mensenrechten beroven. Wij hebben allemaal evenveel recht op zelfontplooiing, niemand kan aan iemand anders zeggen wat hij of zij moet doen. Niemand heeft gezag over iemand anders, wij zijn immers allen gelijken.
Onze vrijheid is evenwel niet absoluut: zij wordt beperkt door de vrijheid van de anderen. Zo zijn wij allerminst vrij om anderen te benadelen of te schaden, dat is in tegenspraak met het gelijkheidsbeginsel.
Bovendien leven wij als mens in gemeenschap en dat brengt afspraken en verplichtingen mee. Er is niets verkeerds met links rijden, in Engeland doen ze het allemaal, maar het is toch best om het hier niet te proberen. Dat heeft dus niets te maken met goed of slecht, het is gewoon een afspraak. Maar er zijn ook dingen die op zich slecht zijn en dat is altijd omdat er iemand nadeel bij heeft. Gij zult niet doden, dat is evident: als wij allen gelijk zijn en dezelfde rechten hebben, dan kan het niet dat de ene de andere het leven zelf ontneemt. Solidariteit is een essentieel kenmerk van ons mens-zijn. No man is an island.
Deze gedachte moet ook meespelen als we nadenken over hoe we met elkaar omgaan. We moeten er altijd aan denken dat de andere een volwaardig mens is en dat wij nooit het recht hebben om over hem of haar een oordeel te vellen. Wij mogen eventueel wel eens denken dat iemand een flater begaat, dat is onvermijdelijk, maar we moeten er altijd voor beducht zijn om een negatief waardeoordeel uit te spreken over iemand. Wij weten immers niet wat de mogelijkheden van die mens zijn, wat hij of zij heeft meegemaakt, welke beperkingen hij of zij heeft. Zelfs als iemand zich volgens ons echt niet gedraagt, echt zijn best niet doet of objectief gezien tekortschiet of zich ontrekt aan zijn of haar verplichtingen, dan nog moeten wij bedenken dat het een mens is zoals wij, met dezelfde fundamentele rechten en waardigheid. Wij mogen wel een eigen mening hebben, maar wij mogen geen moreel oordeel vellen over anderen, wij mogen nooit zeggen: dat is een slecht mens.
Het is inderdaad enkel de maatschappij als geheel die een uitspraak kan doen en dan nog enkel in conflictsituaties, wanneer de vrijheid en de rechten van de ene benadeeld worden door de ambities van de andere. Iemand die zich probeert te verrijken door zijn mede mens te bestelen, overtreedt de basiswet van de gelijkheid van alle mensen. De benadeelde zal zich tot de maatschappij wenden om zich daarover te beklagen (veeleer dan het recht in eigen handen te nemen). De maatschappij zal desgevallend vaststellen dat er inderdaad een onrecht geschied is en zal optreden.
Maar dan stelt zich de vraag: wat kan men doen? Bij diefstal is het nog eenvoudig: men kan eisen dat het gestolen goed wordt teruggegeven of vergoed, maar vaak is dat niet mogelijk. Wat bij moord? Hoe kan je iemand vergoeden voor het verlies van zijn leven?
Meteen zitten we midden in een oeverloze discussie over de functie van het gerecht: schuld en boete, misdaad en straf. Een winkeldief krijgt een straf van drie maand cel. Wat is daarvan de bedoeling? Er is geen sprake van restitutie van het gestolen goed, het is wel degelijk een straf. Wat is dat eigenlijk, een straf? Wat is de functie ervan? Wat hopen we ermee te bereiken? In feite is het een afschrikking: als je steelt, sluiten we je op en dat is niet aangenaam, de mens ervaart vrijheidsberoving als een ernstige aanslag op zijn persoon. Maar er zijn allerlei problemen met die redenering. Om te beginnen zitten onze gevangenissen overvol, zodat straffen van minder dan drie jaar niet uitgevoerd worden. Wordt iemand toch opgesloten, dan blijkt dit in bijna alle gevallen geen voldoende afschrikking te zijn: de meeste veroordeelden belanden vroeg of laat opnieuw in de gevangenis. De meeste ernstige juristen en criminologen zijn het erover eens dat afschrikking een zeer bedenkelijk argument is, een dat vrijwel nooit werkt.
Kritiek op onze medemens heeft niet zozeer te maken met misdaden die men tegenover ons begaat, maar met de onvolmaaktheid die wij constateren in de wereld en waarvan wij het slachtoffer menen te zijn. Iedereen vindt dat wij teveel belastingen moeten betalen, dat men dat geld bovendien niet goed aanwendt; wij zijn ontevreden over de dienstverlening van de openbare diensten. Ik schreef hierover al enkele dagen geleden: geen enkele ondernemer zou er zelfs maar aan denken om het eigen bedrijf te runnen als een democratie. Wij vergelijken graag de staat met de privébedrijven: was de staat maar zo efficiënt!
Denk aan het openbaar vervoer (in België, ik ben niet op de hoogte over hoe het in Nederland gaat): zonder gigantische staatssubsidies zouden de treinen en de trams en de bussen niet rijden. Idem voor de post, de belastingsdiensten, de sociale zekerheid enzovoort.
We moeten toch eens nadenken over die onnadenkende uitspraken, vind ik.
Willen we echt dat bijvoorbeeld het openbaar vervoer als een privébedrijf werkt? Dat zou betekenen dat het winstgevend zou moeten zijn, met andere woorden dat de gebruikers zoveel zouden moeten betalen voor een rit als die kost en dat er geen enkele staatssubsidie meer zou zijn. Als we dat op korte termijn zo zouden organiseren, dan ben ik er zeker van dat de prijs van een ticket zou vertienvoudigen of nog erger. Maar zelfs op langere termijn, wanneer de resultaten van een strikt economische aanpak van de sector de verwachte of vermeende resultaten zouden hebben opgeleverd, met een drastische reductie in de tewerkstelling, een massale inlevering op de lonen en de extralegale voordelen en het doorbreken van de almacht van de vakbonden, dan blijft het nog zeer de vraag of het openbaar vervoer ooit een winstgevend bedrijf kan zijn. Als dat zo was, dan zou dat ooit ergens ter wereld al zo moeten zijn of geweest zijn. Ik ken daarvan echter geen voorbeelden; geen enkele ondernemer is blijkbaar in staat om de enorme investeringen te doen die nodig zijn voor een degelijk netwerk met een behoorlijke dienstverlening, en bovendien nog winst te maken ook.

Sommige
voorzieningen zullen dus altijd door de staat moeten gesubsidieerd worden. Wil
dat zeggen dat ze ook door de staat moeten georganiseerd worden?
Dat is een heel moeilijke vraag. Stel dat we de postbedeling privatiseren (iets wat ons naar verluidt binnenkort te wachten staat). De privéondernemer die dat op zich neemt, zal dat enkel doen als hij winst kan maken. Indien de eisen die de overheid stelt voor deze dienstverlening zo hoog zijn dat winst maken onmogelijk is, dan zullen er geen kandidaten zijn om de Post over te nemen. In dat geval zal de staat dus een privébedrijf moeten subsidiëren, zodanig dat het winst kan maken.
Hier botsen twee werelden, die van de staat, die democratisch moet werken, zonder winstbejag, enkel gebaseerd op recht en rechtvaardigheid en zelfs op een aanzienlijke graad van herverdeling, en aan de andere kant die van de economie, die is gebaseerd op winst, op het recht van de sterkste, die lak heeft aan democratie. De staat zal dus met het geld van de belastingbetaler een bedrijf subsidiëren om op ondemocratische wijze sommige mensen, de aandeelhouders, (heel) rijk te maken zonder dat ze daar iets hoeven voor doen.
Je ziet het probleem, hoop ik. We vinden het nu al erg dat de staat miljoenen uitgeeft aan privé consultingbureaus (al dan niet met politieke connecties). Het is echt wel een nevralgiek punt in de discussie: willen we de staat als een economisch systeem organiseren? Als we dat doen, dan verlaten we ten enenmale de democratie en belanden ofwel in een staatsdictatuur zoals onder het communisme of het fascisme of een dictatuur van het kapitalisme zoals in het begin van de twintigste eeuw in Amerika. Wij hebben het verschrikkelijke debacle van dergelijke systemen meegemaakt.
Ik vrees dus dat we de evidente nadelen van een democratisch staatsbestel, meer bepaald een onvermijdelijk minder dan optimaal gebruik van mensen en middelen in de overheidsdiensten, zullen moeten voor lief nemen, omdat de alternatieven nog veel slechter zijn. De keerzijde van democratie is altijd en onveranderlijk: dictatuur, dat mogen we nooit vergeten.
We merken dat voortdurend in de praktijk. In een democratie is het mogelijk dat mensen minder dan volmaakt zijn. In een dictatuur niet. Elk menselijk falen wordt daar ongenadig afgestraft. Daar geldt de wet van de sterkste, de wet van de winst of, in het slechtste geval, de absolute willekeur van de dictator en ik moet nog de eerste goede dictator tegenkomen, het wemelt in de geschiedenis van verlichte despoten die de hemel op aarde beloofden en misschien zelfs betrachtten, maar het leven van hun medemensen tot een ware hel maakten, denk aan de afloop van de Franse Revolutie.
We komen terug bij het sjamfoetisme. Is het mogelijk om een democratisch staatsbestel zo te organiseren dat de staatsambtenaren toch werken als in een privébedrijf? Het lijkt een contradictio in terminis, maar dat hoeft het niet te zijn. Enerzijds zijn er talloze ambtenaren en andere mensen die rechtstreeks door de staat betaald worden, zoals de mensen in het onderwijs, die hun taken op voorbeeldige wijze vervullen. Het is dus wel degelijk mogelijk om mensen te motiveren in een ander dan een louter economisch systeem. Waarom zet een onderwijskracht zich zo in voor zijn taak? Uit idealisme, zeggen we dan, want voor het geld kan het niet zijn. Ik vermoed echter dat het meer te maken heeft met de voldoening die men vindt in zijn werk, dat is de echte drijfveer voor heel veel van die mensen.
Maar we mogen het niet zo eenzijdig voorstellen. Er zijn ook in het onderwijs en in de overheidsdiensten mensen die gewoon hun uren kloppen en helemaal niet geïnteresseerd zijn in voldoening, die gewoon hun centen komen ‘verdienen’ in ruil voor een minimum aan inzet en inspanning. Anderzijds zijn er ook in de vrijemarkteconomie talloze mensen die niet vies zijn van een hoger loon en een bedrijfswagen, maar die hetzelfde idealisme aan de dag leggen bij de uitvoering van hun taken als hun betere collega’s in overheidsdienst. En in de economische sector zitten er zeker ook meelopers en profiteurs, die je met geen stokken tot enig enthousiasme kan bewegen. In beide systemen, overheidsdiensten en de economie, is er een minimum aan rationeel beleid dat echter nooit alle misbruik kan uitsluiten.
Misschien ligt het niet eens aan het systeem, denk ik dan. We zijn allemaal gelijk, maar o, zo verschillend. Je hebt mensen die zich totaal inzetten in gelijk welk systeem en je hebt anderen die zich altijd en overal met veel minder inspanning tevreden stellen. Misschien kiezen de eerst genoemden spontaan vaker voor de privé en zijn de laatstgenoemden meer geneigd om werk te zoeken in overheidsdienst, maar dat is een onbewezen stelling, vind ik, al hoor je die voortdurend in allerlei discussies. Misschien is het goed dat we, wanneer we ons nog eens laten verleiden om over dit thema elkaar in de haren te vliegen, eerst even nadenken over de grond van de zaak: we zijn allemaal mensen, fundamenteel gelijk en toch grondig verschillend, genetisch en door de omstandigheden. We moeten zowel de fundamentele rechten van eenieder als de diepe verschillen tussen de mensen onderling respecteren.
We mogen niet wensen dat iedereen is zoals wij en wij mogen niet verwachten dat iedereen volmaakt is. L’enfer, c’est l’autre? Nee: pas als iedereen verplicht wordt om identiek te zijn en om tot dezelfde resultaten te komen, pas dan zou het hier een hel zijn.
Het is wellicht een onbereikbare droom, maar het zou mooi zijn indien alle mensen tot de overtuiging zouden komen dat de beste manier van leven die is, waarin elkeen zich inzet om de eigen mogelijkheden ten volle te benutten.


























