De gemeentelijke hold-up

Gemeente. Het woord valt de laatste tijd voortdurend en dat is geen goed teken. Wij leven in een tijd waarin uitsluitend het slechte nieuws de media haalt, alsof het goede nieuws het vermelden niet waard is, alsof het vanzelfsprekend is, terwijl wij veeleer de indruk hebben dat precies het goede nieuws schaars en dus sensationeel is en het slechte nieuws schering en inslag en dus afgezaagd en vervelend. Weer zeven weekenddoden? Tja, vorige week ook al en volgende week weer, wat doe je eraan…
Onze Belgische gemeenten zitten in vieze papieren. Ze hadden hun geld belegd maar door de bankencrisis zijn ze bijna een miljard euro kwijt. In de vele nieuwsberichten daarover lijkt me een essentieel onderwerp te ontbreken: waar hadden die gemeenten dat miljard euro, toch geen peulschil, vandaan?
Gemeenten zijn geen bedrijven. Ze dienen, zo lijkt het me, vooral om geld dat zij innen onder de vorm van gemeentelijke belastingen en een deel van de personenbelasting, uit te geven voor de werking van de gemeente, voor het welzijn van de burgers. Als zij op een bepaald moment geld op overschot hebben, zou je denken dat ze dat gaan gebruiken om het jaar daarop nog meer uit te geven of om de inkomsten, de belastingen, te verlagen. Het blijkt nu dat zij in tegendeel hun overschotten gecumuleerd hebben en belegd, om met de opbrengt daarvan hun begroting te spijzen. Zij hebben daarmee niet anders gehandeld dan elke brave huisvader of zorgzame moeder, maar is dat terecht geweest?
Ik meen van niet. Waarom leggen gezinnen een spaarpotje aan? Vooreerst moeten zij al voldoende inkomsten hebben om een overschot te genereren nadat alle vaste en onvoorziene kosten betaald zijn, dat is een voorwaarde en een waaraan lang niet in alle gezinnen voldaan is. Maar goed, stel dat het zo is, dan is het wijs om het overschot niet aan te wenden voor nog meer consumptie en luxe, maar om een war chest aan te leggen, een reserve, een spaarpot voor als het minder goed gaat of voor uitzonderlijke grote uitgaven. Stel dat een van de kostwinners, of beide, werkeloos wordt, of werkonbekwaam, of wegvalt…
Is dat ook zo voor gemeenten? Nee toch! Als hun begroting niet klopt, dan kunnen zij hun inkomsten zonder veel problemen verhogen door het jaar daarop de belastingen te verhogen. Dat is niet populair, maar aangezien alle uitgaven ten goede komen aan de gemeente, het volk dus, zal men daarover wellicht niet al te fel morren. Het jaar daarop kan men dan de uitgaven beter afstemmen op de inkomsten. Het lijkt dus niet nodig dat de gemeenten over grote reserves beschikken, in tegenstelling tot een gezin, dat niet zomaar zijn inkomsten kan doen aangroeien. Een gemeente heeft een vast inkomen, er komen elk jaar belastinggelden en subsidies binnen, dat is een zekerheid, een zekerheid die een gezin nooit heeft.
Stel nu dat een gemeente zo welvarend is dat ze niet alleen alles kan doen wat ze wil voor haar ingezetenen, maar toch nog overschotten heeft. Ik denk aan de kustgemeente Knokke, waar zoveel rijk volk bijeentroept dat zelfs met zeer beperkte gemeentelijke opcentiemen de gemeentekas voldoende gespijsd is om al het nodige te doen. Vergelijk dat met bijvoorbeeld Schaarbeek, waar men een erg hoge graad heeft van werkeloosheid en vervangingsinkomens en dus relatief weinig inkomsten. Men kan een kei het vel niet afstropen. Maar goed: denk aan Knokke: de inkomsten zijn zo groot dat men overschotten heeft, men vindt geen projecten meer waaraan men het geld zou kunnen besteden. Wat doen we in dat zelfs voor Knokke onwaarschijnlijk geval? Spaarpotje dan maar.
Als goede huisvader en moeder beleg je je spaargeld zo dat je de opbrengst en de zekerheid tegenover elkaar afweegt. Je eerste spaarcenten zal je wellicht extra veilig beleggen, zonder enig risico, op een spaarboekje of zo: geringe opbrengst, grote zekerheid. Iemand die een heel dikke portefeuille heeft, kan meer risico’s nemen: als het geld niets zou opbrengen of erger nog, zou verloren gaan, dan is dat nog niet erg, er is nog genoeg over, meer dan genoeg. Volgende keer beter.
Wij zegden al dat een gemeente eigenlijk geen overschotten zou mogen hebben en ook geen tekorten. De begroting moet kloppen, zoals ook die van de staat en die van een huisgezin. Maar als er in een gemeente, zoals in een gezin, dan toch eens toevallige en tijdelijke overschotten zijn, dan mag en moet de gemeente die beleggen. Niet zoals een rijke ondernemer, maar als een goede huisvader: weinig risico, kleine winst. Het gaat immers niet om geld dat de gemeente zelf zou verdiend hebben, zoals de ondernemer, maar om geld dat zij heeft afgenomen van haar burgers, onder de vorm van belastingen. Het is dus ons geld, dat zij korte tijd mogen beheren, om daarna zo snel mogelijk weer een begroting in evenwicht te hebben en een zo laag mogelijke graad van belasting.
Maar wat stellen wij vast? De gemeenten hebben massale overschotten, ten minste een miljard euro, althans in de context van de huidige problematiek van de failliete Gemeentelijke Holding en de even failliete bank Dexia. Wellicht zijn er hier en daar nog overschotten waar wij helemaal geen weet van hebben, zoals we ook niets wisten over deze gemeentelijke holding. Zij hebben die belegd, niet als goede huisvader, veilig en bescheiden, maar als zorgeloze miljonairs, in zeer risicovolle ondernemingen. We horen dat hen dividenden werden in het vooruitzicht gesteld van dertien procent, je leest het goed, dertien procent. Wanneer heb jij nog eens dertien procent gekregen van je bank? Dergelijke winsten zijn alleen maar mogelijk als er enorme risico’s genomen worden, dat is duidelijk. Een onderneming of een land dat bereid is om dertien procent te betalen voor een lening, moet wel zeer wanhopig zijn, of onvoorstelbaar overmoedig en in beide gevallen totaal onbetrouwbaar.
De gemeenten hebben van hun overschotten een systeem gemaakt, een enorme war chest, een fantastische spaarpot, niet voor onvoorziene omstandigheden, maar om stelselmatig de jaarlijkse begroting te spijzen, bovenop de belastingsinkomsten. Dat is ethisch zeer bedenkelijk: wij betalen immers geen belastingen om enkele burgemeesters daarmee te laten spelen op de beurs! Belastingen moeten altijd minimaal zijn, niet meer dan absoluut noodzakelijk.
Zolang het goed ging, was er geen vuiltje aan de lucht. De gemeenten konden in een eigen beleggingsclubje kapitalistje spelen en grote winsten maken, eerst en vooral voor het clubje zelf, voor de raad van bestuur van de holding en voor al het personeel. En vervolgens ook voor de gemeenten zelf. Maar ze hebben de fouten gemaakt die elke beginnende amateur maakt. Als professionele beleggers zoals grootbanken al kunnen failliet gaan, dan zouden kleine spelers zoals een stelletje burgemeesters van kleine en middelgrote Belgische gemeenten beter moeten weten dan zich op het gladde ijs van de haute finance te wagen. Met grote heren is het kwaad kersen eten. Het is een samenloop van omstandigheden, zegt men nu, maar dat is het altijd. Als het niet regent, is het goed weer. Maar vroeg of laat regent het, onvermijdelijk. Professionele beleggers weten dat je op zeer lange termijn moet rekenen, dat je alleen mag spelen met geld dat je niet nodig hebt, dat je niet al je eieren in één korf mag leggen, dat je nooit naar de raad van bankiers mag luisteren…

Onze
burgemeesters hebben hoog spel gespeeld en ze hebben verloren. Ze hebben niet
hun maar ons geld verloren, waarvoor wij hard gewerkt hadden en dat zij ons ten
onrechte en onnodig hadden afgenomen als belasting. Dat is diefstal, niet van
de rijken, maar van elke burger die zijn belastingen en contributies betaalt.
De gemeenten zijn niet alleen hun jaarlijkse dividenden kwijt, die waren ze al misgelopen na de vorige crisis, toen was er alleen nog geld voor bonussen voor de topmanagers, zij die ons geld verspeelden door onverantwoorde risicovolle beleggingen. Ze krijgen niet alleen geen interesten meer, ze zijn ook het kapitaal kwijt, de spaarpot is leeg, de aandelen en obligaties die ze ermee gekocht hadden, zijn niets meer waard, nu niet, straks niet en wellicht nooit meer. De schuldenaars zijn zelf immers ook failliet, ze zijn ook in vereffening, ze hebben zoveel geleend en aan zo’n hoge interest, dat ze onmogelijk hun schulden kunnen afbetalen, dat wil zeggen dat ze niet alleen geen interest kunnen betalen op hun leningen, maar dat ze ook het kapitaal niet meer kunnen terugbetalen, omdat ze het niet meer hebben, omdat ze het uitgedeeld en opgesoupeerd hebben, omdat landen als Griekenland, Portugal, Spanje en zelfs Italië op te grote voet geleefd hebben, omdat hun begroting jaar na jaar niet klopte, omdat ze voortdurend en structureel meer uitgaven dan ze inkomsten hadden en het verschil bijlegden met geld dat ze leenden, zonder enig vooruitzicht op of zelfs maar bedoeling van terugbetaling.
Onze spaarpot is opgedaan door mensen in het zuiden van Europa, omdat hun politici hun begroting vervalst hebben. Niet toevallig waren dat vaak socialistische politici, die keer op keer verkozen werden omdat ze de uitkeringen verhoogden en de belastingen verlaagden, de oudste en zekerste verkiezingstruc ter wereld. Vandaag blijkt uit een enquête dat in Antwerpen (maar niet alleen daar, allicht) de allochtonen massaal links stemmen. De mensen met de minste kansen en die het meest rekenen op uitkeringen weten zeer goed waar de wind vandaan komt. Alleen maken ze zich (terecht) bijzonder weinig zorgen over begrotingen, die van de gemeenten, de gewesten of de staat, of die van Europa, of van de wereld. Het zijn anderen die zich daarover moeten buigen en ervoor zorgen dat het niet helemaal fout loopt.
Wie zal dat betalen, wie heeft zoveel geld? Wie heeft zoveel ping-ping-ping en wie heeft dat besteld? Dat was een populair liedje in mijn jeugd. Het is vandaag ook weer de vraag. Het antwoord is zeer eenvoudig: jij en ik. Wie anders? De begroting van de staat moet uiteindelijk kloppen en wij moeten ze doen kloppen. Het is bij ons dat men terecht kan, alleen bij ons, omdat wij de enigen zijn die geld verdienen, die als het ware geld ‘maken’ door onze arbeid. Zelfs als men de verantwoordelijkheid voor het debacle zou leggen bij die mensen die ervoor verantwoordelijk zijn, in de gemeenten, de holdings, de banken, spaarkassen, verzekeringsinstellingen, vakbonden en corporaties die het verderfelijk spelletje hebben meegespeeld, dan nog zal men moeten vaststellen dat zij het geld niet (meer) hebben om te betalen voor het feest. Het is op, het is weg, elke zuur verdiende cent, aan de salarissen en bonussen van al de onbekwame en malafide tussenpersonen en aan de leningen die ze hebben toegekend aan notoir onbetrouwbare schuldenaars.
Wie kan er dan nog de begroting redden? De eeuwige melkkoe, de belastingbetaler, de werkende mens, de spaarder, de rentenier. Niet de uitkeringsgerechtigden, daar valt niets te rapen en niet de ondernemers, want die moeten kapitaal genereren en de tewerkstelling verzekeren, die mogen we niets in de weg leggen. Arcelor-Mittal maakt miljarden winst per jaar maar betaalt slechts enkele honderden euro’s aan belastingen. Jij en ik dus, de gewone man en vrouw. De ene zal het wat harder voelen dan de andere en hier bij ons kunnen we nog wel wat hebben, zelfs als we moeten inleveren zullen de meesten onder ons nog niets tekort hebben, er zal alleen tijdelijk een stukje minder luxe zijn. Maar er zullen zeker mensen zijn die harde keuzes zullen moeten maken en niet alleen over de bestemming van hun tweede of derde vakantie per jaar. Ik hoop dat die zich binnenkort in het stemhokje zullen herinneren wie er verantwoordelijk is voor deze nieuwe aderlating: de mensen die wij verkozen hadden om ons geld goed te besteden.




















