Darwin op vinkenslag

Mijn Nederlandse penvriend Jacques volgt mijn Kroniek op de voet en laat zich door mijn teksten wel eens verleiden om een en ander nog eens na te lezen in boeken en tijdschriften of op internet. Zo bezorgde hij me onlangs een citaat over de fameuze vinken van Darwin. Hij voegde aan zijn mail een motto toe: Op het vinkentouw zitten. In Vlaanderen zeggen we ook: op vinkenslag zitten.
Van Dale kent er weer niets van: hij ziet het vinkentouw en de vinkenslag enkel letterlijk, een net om vinken te vangen. Maar wij gebruiken die uitdrukking nog uitsluitend overdrachtelijk, in de zin van: met gespannen aandacht iets in het oog houden, klaar om gretig toe te slaan. Vinken vangen is immers al jaren verboden bij wet. Arme Van Dale.
Dit is het citaat dat Jacques las: Zoals reeds gezegd, kunnen we aan de snavels de ontstaansgeschiedenis van de darwinvinken begrijpen. De snavelgrootte bij deze nauw verwante soorten geeft een zeer nauwkeurige indruk van de grootte en hardheid van de zaden waarmee zij zich voeden.

En hij contrasteert dat ogenschijnlijk
met dit citaat uit mijn Kroniek: Darwin
meende dat die verschillen veeleer toevallige mutaties zijn, willekeurige
herschikkingen van erfelijk materiaal, dingen die kunnen gebeuren en het dan af
en toe ook doen: een vink wordt geboren met een wat langere snavel, zomaar,
toevallig, omdat er ergens in het genetisch materiaal een mogelijkheid
verscholen lag voor een dergelijke afwijking. Dat is het basisgegeven en deze
inzichten zijn sindsdien onder meer door de wetten van Mendel en ook
recentelijk door de moleculaire genetica bevestigd en verder uitgewerkt.
Het blijft voor iedereen, ook voor mij, een uitdaging om de in de grond uiterst simpele theorie van Darwin altijd en overal juist te interpreteren en toe te passen.
Het eerste onderscheid dat we moeten maken is dat tussen kenmerken die genetisch worden overgedragen (Darwin) en andere, die niet genetisch maar ‘cultureel’ worden overgeleverd, die dus worden aangeleerd door de ouderen aan de jongeren (meestal), maar, in het algemeen, kenmerken die tijdens het leven worden gecommuniceerd, niet via de voortplanting (Lamarck).
Neem nu de vinken in kwestie. Darwin stelde vast dat op de Galapagos (nadruk op là) vinken waren met opvallend verschillende snavelvormen, die telkens specifiek geschikt bleken te zijn voor de vruchten en de zaden die op dat bepaald eiland voorkwamen. Er was dus, zoals in het eerste citaat terecht gesteld wordt, een overduidelijke band tussen de zaden en de vorm van de snavel van de vinken. Maar hoe is dat gekomen, wat is het mechanisme dat daarachter zit? Dat is de vraag die Darwin zich stelde en die hij vele jaren later ook als eerste bevredigend beantwoordde.
Het is onzin om te denken dat een vink tijdens zijn/haar leven zou evolueren qua snavel. Maar zelfs als die snavel door het voortdurend zoeken en eten van bepaalde zaden zo zou afslijten dat die meer geschikt is om bij bepaalde zaden te komen of ze te kraken, dan nog is het volkomen onterecht om te denken dat die afgesleten snavelvorm op miraculeuze wijze zou overgaan in het nageslacht. Dat was de uitdaging die Darwin onderkende: als wij een bepaalde afwijking zien (de snavel), die duidelijk verband houdt met de omgeving (de zaden), hoe kan die nuttige afwijking van generatie of generatie overgedragen worden? Hoe kan een evolutionair voordeel vastgelegd en behouden worden voor het nageslacht? Waar wordt die informatie opgeslagen zodat ze veilig kan bewaard worden?
De veranderingen die zich niet eenmalig maar structureel voordoen, dat zag Darwin onvermijdelijk in, gebeuren noodzakelijkerwijze steeds bij het voortplantingsproces. Maar hoe komt het dan dat er aanpassingen zijn die precies aan die omgeving aangepast zijn? Het was Darwins genie dat hij inzag dat die aanpassing helemaal niet veroorzaakt werd door de omgeving, maar dat ze volkomen toevallig was, een onvolkomenheid of een variante in het genetisch materiaal, zoals we er zoveel zien bij mens en dier. Door toevallige mutaties heeft die ene vink als allereerste een ietwat andere snavel, zoals jouw neus (gelukkig) niet dezelfde qua vorm is als de mijne. Met die lichtjes afwijkende snavel kan die ene vink misschien net wat beter bij een soort zaden die voorhanden zijn op een bepaald eiland. Ze heeft daardoor dan een (louter toevallig) evolutionair voordeel: ze heeft meer kansen op overleven en om zich voort te planten.
Als (en alleen als) die genetische afwijking ook nog erfelijk is (wat zeker niet altijd het geval is, mijn kinderen hebben (gelukkig) niet allebei mijn neus), dan zullen ook alle volgende jonge vinkjes die geschikte snavel hebben. Dan kan het succesverhaal zich doorzetten, met een explosieve stijging van het aantal vinken met die snavel tot gevolg. Na verkoop van tijd zullen die vinken, met die ondertussen vaste genetische kenmerken, dus meer overvloedig aanwezig zijn op dat specifieke eiland met die specifieke zaden. Dat is wat Darwin zo scherpzinnig opmerkte en probeerde te verklaren.
Je kan dus, zoals in het artikel, zeggen dat je de snavelvorm kan afleiden van de zaden die aanwezig waren op dat eiland. Je kan zelfs zeggen dat die zaden verantwoordelijk zijn voor de snavelvorm, maar enkel in overdrachtelijke zin, niet letterlijk. Het zijn immers niet de zaden die de snavelvorm op enige directe wijze hebben bepaald of veroorzaakt, maar wel de toevallige genetisch mutatie bij de voortplanting, iets waarop die zaden geen enkele invloed hebben. Maar die mutatie was wel (toevallig) geschikt voor die specifieke zaadsoort en niet voor een andere. Het is, zoals steeds, een aanpassing aan de omgeving, maar niet een bewuste of doelgerichte, maar steeds een toevallige en genetische. Dat is, me dunkt de essentie van het Darwinisme, en dat verliezen we soms uit het oog.
Wat de zaadjes betreft, kunnen we twee kanten uit. Ofwel heeft de plant er voordeel bij dat haar zaad wordt opgepikt door de vogels, om zo ruimer verspreid te worden (op voorwaarde dat het zaad onverteerd door het spijsverteringsstelsel geraakt); ofwel net niet, wanneer het zaadje verteerd wordt in de maag van de vogel. Waarom zou een vogel overigens zaadjes eten die hij niet kan verteren? Enkel als er een extra voordeel is, bijvoorbeeld de vorm, de geur, de smaak, of het vruchtvlees. Er zijn insecten die liever seks hebben met bloemen die eruit zien als prachtige vrouwelijke voortplantingsorganen dan met hun natuurlijke en meer efficiënte sekspartners.
In het ene geval zal de plant die door toevallige mutaties haar zaden beter verbergt een nadeel hebben: haar zaden worden minder verspreid. Een plant die haar zaden beter aanbiedt, heeft dan een evolutionair voordeel. In het andere geval, waarbij de zaden verteerd worden, is het net andersom. Zo zie je hoe de toepassing van Darwins wetten heel verscheiden kan zijn en hoe ze kunnen spelen in het voordeel of het nadeel van de betrokkenen, in dit geval de vink en het zaadje. Maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat het om de wetten van de genetica gaat, die via de voortplanting werken, zoals de naam zelf zegt, en nooit om aangeleerde zaken. We moeten dus enerzijds zoals Darwin goed kijken wat er in de praktijk gebeurt, tijdens het leven, maar voor de verklaring ervan moeten we bijna altijd terecht bij de genetica.
Dat is de reden waarom het principe zelf van het Darwinisme zo laat in onze beschavingsgeschiedenis duidelijk geworden is en waarom het nog steeds op verzet stuit. De mens wist heel weinig over de voortplanting, zeker die van zichzelf. De evidente oorzaak daarvan is het christendom, dat voortplanting, seks en erotiek om voor mij onbegrijpelijke redenen steeds met een torenhoog en loodzwaar taboe belast heeft, in tegenstelling met bijvoorbeeld het Hindoeïsme en andere Oosterse ‘godsdiensten’, waar men er normaal mee omgaat en erotiek zelfs (terecht) verheerlijkt wordt. Bij ons blijft seks nog steeds ‘vuile manieren’, we doen het allemaal, maar we praten er niet over, het gebeurt in den duik, verdoken, met de ogen toe, tussen de lakens. Erotiek is iets voor stiekem gekochte blaadjes en voor bedenkelijke tv-kanalen voor volwassenen, waarvoor je extra moet betalen. Deftige mensen lezen of beklijken geen porno. Of vergis ik mij?
Hoe dan ook,
de wetenschap was om maatschappelijke en religieuze redenen niet vrij om
openlijk over de voortplanting te spreken of zelfs na te denken en dus werd dat
domein van de biologie volkomen verwaarloosd, met het gevolg dat men blind was
voor de genetische veranderingen en mutaties als oorzaak van evolutie en
diversiteit. Darwin en zijn collega’s zagen wel dat er mutaties waren, bij mens
en dier, maar zij begrepen de motor niet van die evolutie. Mendel ontdekte
bepaalde mechanismen en die wetten hadden Darwin kunnen helpen, maar die twee
ideeën kwamen tijdens hun leven niet tot onderlinge bevruchting, helaas, dat
gebeurde pas in de twintigste eeuw.
Het was Darwins genie dat hij die motor bij inductie afleidde uit de feiten: als de dingen waren zoals ze waren, dan kon alleen de struggle for life en de survival of the fittest daarvan de oorzaak en de reden zijn, het moest wel zo zijn, het kon niet anders. Dat was inderdaad een inductieve redenering, waarbij men de regel afleidt uit de feiten, in tegenstelling met deductieve redeneringen, waarbij men de feiten probeert te vatten onder een (hopelijk logische) redenering, zoals Lamarck, die zag hoe giraffen de vruchten van de hoogste bomen aten en daaruit afleidde dat hun nek altijd maar langer werd door steeds naar die hoogste vruchten te reiken.
Er is dus wel degelijk een verband tussen de snavel van de vink en de zaden die ze eten. Maar de ‘invloed’ van het zaadje op de vorm van de snavel verloopt uitsluitend via de voortplanting en de toevallige mutaties die zich daarbij voordoen. Het is dus (meestal) een zeer langzaam proces, omdat alle nodige elementen toevallig moeten aanwezig zijn, wat maar zelden gebeurt. Er zijn dus talloze generaties nodig alvorens een bepaald nuttig effect zich manifesteert. Maar zoals het bij het toeval nu eenmaal gaat, kan het ook zeer snel gaan, zoals je ook, heel toevallig, driemaal na elkaar twee zessen kan gooien met de dobbelstenen, of El Gordo winnen door slechts één keer in je leven een loterijticket te kopen. Dan kunnen we de indruk krijgen dat er een doelgerichte evolutie is, dat de vinken zelf hun snavel aanpassen aan de zaadjes waarop ze verzot zijn, of dat er een bovenaards wezen is dat alles in goede banen leidt, dat van de evolutie gebruik maakt om een (goed) doel te bereiken, dat je het groot lot gewonnen hebt omdat jouw God het zo gewild heeft. MAAR DAT IS NIET ZO!
De hele wereld van de wetenschap is het daarover nu wel eens: genetische mutaties die toevallig een betere aanpassing aan het milieu meebrengen, zijn de oorzaak van het leven in zijn onvoorstelbare diversiteit. Wanneer we dat inzien, verandert onze blik op de wereld ten gronde. Allerlei mythologische en fantaisistische verzinsels zoals godsdienstige ideologieën en pseudowetenschappelijke theorieën als intelligent design kunnen op die manier definitief weerlegd worden.
Met dank aan Jacques die me door zijn pientere vragen steeds uitdaagt en uitnodigt om logisch te denken en helder te schrijven. Ik hoop dat ik hier in beide een beetje gelukt ben.
























